Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2029

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
NL18.11742
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Lening. Contractspartij? Hoofdelijkheid? Bepalen termijn van terugbetaling als bedoeld in artikel 7A:1798 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.11742

Vonnis van 19 februari 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2] ,
woonplaats [woonplaats] ,
eisers, hierna samen te noemen: [eiser sub 1] ,
advocaat V.C. Hartkamp te Utrecht,

tegen

[verweerder] ,
woonplaats [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat C. van der Mark.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 11 januari 2019

  • -

    het bericht van partijen dat zij geen schikking hebben bereikt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

Inleiding

2.1.

In deze procedure vordert [eiser sub 1] geld terug van [verweerder] dat zij stelt te hebben uitgeleend aan [verweerder] en zijn vrouw. Meer concreet vordert [eiser sub 1] :

I. een verklaring voor recht dat het tijdstip van terugbetaling het moment van het betekenen van de dagvaarding is, dan wel het moment van het vonnis in deze zaak, dan wel een ander moment;

II. [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 47.955,23 aan [eiser sub 1] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst, vermeerderd met de contractuele rente (of de wettelijke rente), vanaf het moment van de onder I. bepaalde termijn, tot het moment dat alles is voldaan;

III. [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 1.154,05 voor incassokosten;

IV. [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen.

2.2.

Partijen zijn het niet eens over de volgende punten:

  1. Heeft [eiser sub 1] het geld alleen geleend aan de echtgenote van [verweerder] (standpunt [verweerder] ) of aan [verweerder] en zijn echtgenote (standpunt [eiser sub 1] )?

  2. Als aan beiden is geleend: gaat het dan om een hoofdelijke schuld (standpunt [eiser sub 1] ) of niet (standpunt [verweerder] )?

  3. Wat is het openstaande bedrag van de lening?

  4. Is de vordering van [eiser sub 1] verjaard (standpunt [verweerder] ) of niet (standpunt [eiser sub 1] )?

  5. Kan de rechtbank een termijn stellen waarbinnen de lening moet worden terugbetaald?

De rechtbank bespreekt deze punten hierna.

Lening aan [verweerder] en echtgenote?

2.3.

De rechtbank vindt dat [eiser sub 1] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het geld is geleend aan zowel [verweerder] als zijn echtgenote. [verweerder] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Zo heeft [verweerder] niet betwist dat [eiser sub 1] in 2006 in drie termijnen een bedrag van
€ 42.255,23 heeft betaald op de “en/of-rekening” van [verweerder] en zijn echtgenote. Vaststaat ook dat dit bedrag een lening betreft en dat de afspraken daarover mondeling zijn gemaakt in een bespreking waarbij [eiser sub 1] , [verweerder] , zijn echtgenote en een gezamenlijke financieel adviseur, mevrouw [A] , aanwezig waren. De mail die [verweerder] en zijn echtgenote op 30 mei 2012 hebben geschreven aan [eiser sub 1] bevestigt de lezing van [eiser sub 1] dat het geld aan hen beide is geleend. Zo schrijven zij onder andere:

“Door ondergetekende [verweerder] en zijn echtgenote Mw. [B] is in 2006 een geldbedrag door dhr. [eiser sub 1] en zijn partner Mw. [eiseres sub 2] geleend aan ondergetekende. […] [rb: onder de mail staan de namen van [verweerder] en zijn echtgenote]

[…] is door ondergetekende voorgesteld om maandelijks het bedrag te verhogen naar
€ 300,- […]

[…] vindt u in de bijlage alle betalingen welke aan de heer [eiser sub 1] en zijn partner mevrouw [eiseres sub 2] door ons zijn gedaan, […]”

2.4.

De rechtbank concludeert dan ook dat het geld aan [verweerder] en zijn echtgenote is geleend. [verweerder] heeft onvoldoende gesteld tegenover de onderbouwde stelling van [eiser sub 1] .

Hoofdelijke schuld?

2.5.

In de wet staat als uitgangspunt dat als er meerdere schuldenaren zijn, zij ieder voor een gelijk deel zijn verbonden (artikel 6:6 BW). Dat is alleen anders als uit de wet, gewoonte of rechtshandeling iets anders voortvloeit. Zo’n rechtshandeling kan een afspraak tussen partijen zijn. [eiser sub 1] stelt dat zij met [verweerder] en zijn echtgenote hebben afgesproken dat ieder van hen aansprakelijk is voor het terugbetalen van de hele schuld. Dat heeft [eiser sub 1] naar het oordeel van de rechtbank niet hard kunnen maken. De onderbouwing die [eiser sub 1] daarvoor heeft gegeven is dat het geldbedrag aan beiden is uitgeleend. Dat is niet voldoende. [eiser sub 1] heeft verder nog gewezen op het feit dat zij het hele bedrag van de lening heeft ingebracht als schuld van de echtgenote van [verweerder] in haar WSNP-traject. Dat feit wijst er wel op dat [eiser sub 1] vindt dat sprake is van hoofdelijke schuld, maar is geen onderbouwing dat ook sprake ís van een hoofdelijke schuld.

2.6.

De rechtbank concludeert dan ook dat [verweerder] kan worden aangesproken voor een ‘gelijk deel’ van de totale schuld, in dit geval de helft.

Openstaand bedrag?

2.7.

In het verweerschrift heeft [verweerder] de omvang van het openstaande bedrag betwist. Hierna heeft [eiser sub 1] productie 10 ingebracht waarin een overzicht staat van de betalingen die [verweerder] en zijn echtgenote hebben gedaan sinds 2006 tot nu. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] verklaard dat dit overzicht vermoedelijk klopt. Voor zover [verweerder] heeft bedoeld om zijn betwisting te handhaven, vindt de rechtbank die betwisting te mager. Van [verweerder] mag verwacht worden dat hij concreet aangeeft waarom en op welke punten dat overzicht niet juist is en dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het overzicht van de betalingen in productie 10 klopt.

2.8.

Dan is de vraag waarop deze betalingen betrekking hebben: rente of aflossing? [eiser sub 1] stelt dat afgesproken is dat [verweerder] en zijn echtgenote in ieder geval € 150 per maand betalen aan rente en dat zij meer zouden betalen wanneer dat financieel mogelijk was. Het meerdere boven de € 150 gold dan als aflossing op de lening. [verweerder] heeft dat in zijn verweerschrift niet betwist. Sterker nog, in de eerder genoemde mail van 30 mei 2012 schrijven [verweerder] en zijn echtgenote: “de afspraak was dat van de lening tot inlossing alleen de verschuldigde rente […] zou worden betaald een bedrag groot € 150,- per maand […]”. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] echter verklaard dat in de betaling van € 150 per maand ook een deel aflossing zat. Welk deel dat was, heeft hij niet kunnen uitleggen. Gezien de eerdere erkenning door [verweerder] en bij gebrek aan concrete stellingen over het tegendeel, neemt de rechtbank dan ook aan dat partijen een betaling van € 150 per maand aan rente hebben afgesproken. Het overzicht van [eiser sub 1] gaat ook daar vanuit. De bedragen die [verweerder] en zijn echtgenote bovenop die € 150 per maand hebben betaald, hebben zij dan ook afgetrokken van het leningsbedrag. De rechtbank gaat dus uit van een openstaand leningsbedrag van € 47.955,23 (lening en rente) per januari 2019. [verweerder] kan worden aangesproken voor de helft daarvan.

2.9.

[verweerder] stelt dat volgens afspraak [eiser sub 1] de rente die zij fiscaal kon aftrekken, in mindering zou worden gebracht op de lening. [eiser sub 1] heeft die afspraak betwist. [eiser sub 1] heeft onbetwist gesteld dat zij de rente van de hypothecaire lening (die zij had afgesloten om het geld te kunnen lenen aan [verweerder] ), niet fiscaal kan aftrekken omdat zij de lening niet aanwendt voor de eigen woning. Vaststaat dus dat er geen fiscaal aftrekbare rente is om in mindering te brengen. Het is daarom niet relevant om vast te stellen of een afspraak is gemaakt zoals [verweerder] stelt.

Vordering verjaard?

2.10.

[verweerder] stelt dat de vordering van [eiser sub 1] verjaard is. Om die stelling te beoordelen, moet de rechtbank eerst vaststellen wanneer de vordering van [eiser sub 1] opeisbaar is, want de verjaringstermijn gaat dan pas lopen. Daarbij maakt de rechtbank onderscheid tussen de vordering tot betaling van rente en de vordering tot terugbetaling van de lening.

2.11.

Artikel 3:308 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot betaling van rente verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Zoals eerder overwogen staat vast dat partijen hebben afgesproken dat [verweerder] en zijn echtgenote iedere maand € 150 aan rente betalen. Dat bedrag was dus iedere maand opeisbaar. [verweerder] en zijn echtgenote zijn vanaf maart 2013 gestopt met het betalen van rente. Toen is dus de verjaringstermijn gaan lopen voor de (eerste) maandelijkse rentetermijn. [verweerder] heeft niet betwist dat deze verjaringstermijn is gestuit (zie artikel 3:317, eerste lid, BW) door de sommatiebrief van 25 november 2013 (productie 3). Daarna is een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. Binnen vijf jaar daarna, namelijk op 22 juni 2018, heeft [eiser sub 1] deze procedure aanhangig gemaakt. Dat betekent dat de vordering tot betaling van rente niet is verjaard.

2.12.

Voor het leningsbedrag geldt het volgende. Artikel 3:307 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. In het tweede lid van dat artikel staat dat als sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, deze termijn pas loopt vanaf de dag nadat de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan.

2.13.

Partijen zijn het erover eens dat zij geen concrete termijn hebben afgesproken waarop de lening moest worden terugbetaald. In zo’n geval gaat de verjaringstermijn dus pas lopen wanneer [eiser sub 1] aankondigt dat zij de lening zal opeisen. Dat is gebeurd in de brief van 25 november 2013. Binnen vijf jaar na die brief heeft [eiser sub 1] de rechtsvordering ingesteld. Ook deze vordering is dus niet verjaard. [verweerder] heeft erop gewezen dat hij en zijn echtgenote in het verleden meer dan € 150 hebben betaald en dus zijn gestart met aflossen. Dat betekent echter niet dat het leningsbedrag toen al opeisbaar was. [verweerder] heeft immers niet betwist dat de afspraak tussen partijen inhield dat zij in ieder geval € 150 rente per maand zouden betalen en voor zover financieel mogelijk ook aflossing. De aflossing was dus niet opeisbaar, in die zin dat de aflossing kon worden afgedwongen.

Termijn van terugbetaling?

2.14.

[eiser sub 1] vordert in deze procedure dat de rechtbank op basis van artikel 7A:1798 BW, dat gold toen de leningsovereenkomst werd gesloten, een termijn stelt waarbinnen [verweerder] de lening moet terugbetalen. Dat artikel bepaalt (kort gezegd en vertaald naar deze situatie) dat als is afgesproken dat een uitgeleend bedrag wordt terugbetaald wanneer de schuldenaar daartoe in staat is, de rechter een termijn van terugbetaling bepaalt. De rechtbank vindt dat partijen zo’n afspraak hebben gemaakt. [eiser sub 1] heeft dat gesteld, onder andere door te wijzen op de mail van [verweerder] en zijn echtgenote van 30 mei 2012: “Bij het tot stand komen van de overeenkomst is door mevrouw [A] (in bijzijn van alle personen) duidelijk en stellig gevraagd aan dhr [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] of zij zich bewust waren dat niet met zekerheid en met welke termijn de lening terugbetaald zou worden maar dit middels een hypotheek verhoging van ondergetekende op een later tijdstip zou worden ingelost.” Uit die tekst volgt dat ook [verweerder] en zijn echtgenote er vanuit gingen dat de lening zou worden afbetaald wanneer zij daartoe in staat waren. Dat is dus een andere situatie dan de situatie waarop [verweerder] wijst die in HR 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2228) aan de orde was, namelijk de situatie dat de schuldenaar alleen maar hoefde terug te betalen onder de opschortende voorwaarde dat hij daartoe de mogelijkheid had. [verweerder] heeft geen feiten gesteld waaruit blijkt dat partijen zo’n afspraak hebben gemaakt.

2.15.

Bij het bepalen van de termijn van terugbetaling moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval. [eiser sub 1] maakt aanspraak op directe terugbetaling van het leningsbedrag en de wettelijke rente. Daarbij heeft zij erop gewezen dat het geldbedrag is geleend aan [verweerder] en zijn echtgenote omdat laatstgenoemde destijds ziek was waardoor zij in financiële problemen waren. Momenteel is eiseres sub 2 (zus van de echtgenote van [verweerder] ) ziek en heeft [eiser sub 1] zelf het geld nodig om rond te kunnen komen. Ook wijst zij erop dat [verweerder] een inkomen en een eigen woning heeft en bovendien wel andere schuldenaren betaalt (zoals [naam winkel] ). Ten slotte stelt [eiser sub 1] dat zij meerdere keren [verweerder] heeft gevraagd om stukken aan te leveren over zijn financiële situatie, maar dat hij dat heeft geweigerd. Deze door [eiser sub 1] gestelde omstandigheden zijn niet betwist door [verweerder] . [verweerder] stelt dat hij met zijn inkomen net zijn maandelijkse lasten kan betalen en dat hij diverse schulden heeft. Hij heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bereid verklaard om gegevens over zijn financiële situatie in de procedure te brengen.

2.16.

In deze procedure zal de rechtbank een termijn bepalen waarop [verweerder] zijn deel van de lening (de helft van het leningsbedrag en de helft van de verschuldigde rente) moet terugbetalen. De rechtbank geeft aan [verweerder] een korte termijn om gegevens over zijn financiële situatie in te brengen, waarbij hij onderbouwd moet stellen op welke termijn hij de helft van het openstaande leningsbedrag en de helft van de rente kan betalen aan [eiser sub 1] . Daarbij moet hij betrekken welke mogelijkheden hij heeft om, indien zijn huidige financiële situatie aflossing op korte termijn niet toelaat, geld te lenen van een andere partij. Dat kan een kredietinstelling zijn, maar kan bijvoorbeeld ook familie of een bevriende relatie zijn. [eiser sub 1] mag reageren op stellingen van [verweerder] en de gegevens die hij inbrengt. Vervolgens komt de zaak voor vonnis te staan.

2.17.

De rechtbank merkt op dat partijen tijdens de mondelinge behandeling een (nader uit te werken) schikking hebben getroffen. Zij hebben toen afgesproken dat [verweerder] vanaf januari 2019 maandelijks een bedrag zou gaan betalen en dat bij niet tijdige betaling van zo’n maandtermijn het gehele bedrag (na nog een laatste aanmaning / betalingstermijn) ineens opeisbaar zou worden. Na de mondelinge behandeling hebben partijen bericht dat zij toch niet tot volledige overeenstemming konden komen. [verweerder] heeft de rechtbank na de mondelinge behandeling bericht dat hij van zijn kant vasthoudt aan de schikking. Dit alles betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat uit de stellingen en financiële gegevens van [verweerder] zal blijken dat hij financiële ruimte heeft (of kan maken) om [eiser sub 1] af te betalen.

2.18.

Zoals hiervoor overwogen waren partijen dichtbij een schikking. De rechtbank heeft in dit vonnis op veel geschilpunten een beslissing gegeven. Mede ter voorkoming van verdere kosten geeft de rechtbank partijen in overweging om nogmaals te proberen gezamenlijk een oplossing te vinden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

stelt [verweerder] binnen vier weken na de bekendmaking van deze beslissing in de gelegenheid een akte in te dienen over wat is vermeld onder 2.16 en 2.17, waarna [eiser sub 1] in de gelegenheid zal worden gesteld om binnen vier weken daarna een antwoordakte in te dienen,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.

Type: HAB/4727

Coll: FvG/4197