Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2009

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
C/16/476594 / KG ZA 19-141
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Niet meewerken aan mediation is geen reden voor een loonstop tijdens ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0517
JAR 2019/139 met annotatie van Knipschild, E.
RAR 2019/115
Prg. 2019/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/476594 / KG ZA 19-141

Vonnis in kort geding van 17 april 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.P.M. Boelens te Zeist,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. B.K. van de Ven-Meier te Amersfoort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de brief met de eis in reconventie en de producties 1 tot en met 13 van 8 april 2019 van

[gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 april 2019, waarvan aantekening is gehouden door de griffier;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie:

2.1.

[gedaagde] is een vakantiepark in [vestigingsplaats] .

2.2.

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1978, is op 6 juni 2017 bij [gedaagde] in dienst getreden als beheerder/administratief medewerker/receptioniste op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst tot 31 mei 2018. Op die datum is de arbeidsovereenkomst weer verlengd voor een jaar tot 31 mei 2019. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Recreatie van toepassing.

2.3.

Volgens het aan [eiseres] verstrekte dienstrooster bedraagt haar arbeidstijd gemiddeld 29,75 uren per week. Het salaris van [eiseres] bedraagt € 1.487,20 bruto per maand op basis van een deeltijdpercentage van 77,63%.

2.4.

Naast de vaste werkzaamheden verrichtte [eiseres] 24-uurs aanwezigheidsdiensten (hierna: stand-bydiensten). In verband met die diensten is aan [eiseres] een woning op het park ter beschikking gesteld. Tijdens de stand-bydiensten mocht [eiseres] het terrein van het park niet verlaten en moest zij telefonisch bereikbaar zijn. Ze verrichtte de stand-bydiensten vijf dagen per week.

2.5.

Voor de stand-bydiensten ontving [eiseres] geen salaris. Wel kreeg zij een korting van 50% op de huur van de woning op het park en hoefde zij niet € 800,-, maar € 400,- per maand aan huur te betalen.

2.6.

[eiseres] heeft in een gesprek op 9 oktober 2018 met [gedaagde] aangegeven dat zij de stand-bydiensten erg belastend vond. In dat gesprek heeft [gedaagde] aangegeven met een oplossing te zullen komen.

2.7.

Toen een reactie van [gedaagde] uitbleef en er nieuwe gezondheidsklachten ontstonden bij [eiseres] , heeft zij zich op 26 oktober 2018 ziek gemeld.

2.8.

Op advies van de huisarts en de therapeut heeft [eiseres] de woning op het park verlaten.

2.9.

Op 6 december 2018 heeft [eiseres] de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat er sprake is van werkgerelateerde klachten, maar dat [eiseres] medisch gezien arbeidsgeschikt is. De volgende dag kreeg [eiseres] een voorstel om met de directie van [gedaagde] een mediationtraject in te gaan.

2.10.

De advocaat van [eiseres] heeft op 12 december 2018 aan [gedaagde] aangegeven dat [eiseres] zich wél arbeidsongeschikt maar niet in staat tot mediation achtte en dat zij een deskundigenoordeel aan het UWV zou vragen.

2.11.

Per e-mail van 21 december 2018 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] het volgende bericht:

“…

Zoals u weet heeft de bedrijfsarts onze cliënten geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan in het bijzijn van een mediator. Dat lijkt mij, gezien de problematiek die er speelt, ook een goed idee en dat is, zoals u weet, een advies wat partijen niet zo maar naast zich neer kunnen leggen. U gaf aan dat uw cliënte nog niet voldoende hersteld is om aan een mediation deel te nemen. Dat oordeel kan echter alleen een arts vellen en de bedrijfsarts is een andere mening toegedaan dan u.

Desondanks heb ik cliënte bereid gevonden om het voorstel van de bedrijfsarts tot mediation nog even uit te stellen. Uw cliënt kan dan eerst nog een paar weken verder herstellen. In de loop van januari zal er echter wel een mediation gesprek ingepland worden. Cliënte zal het salaris van deze maand dus gewoon betalen. Echter als uw cliënte ook aan een volgend verzoek tot mediation niet zal meewerken (en er nog geen medisch oordeel ligt waaruit blijkt dat zij dat nog niet kan) dan zal [gedaagde] de loondoorbetaling stopzetten.

…”

2.12.

Uit het deskundigenoordeel van het UWV van 11 januari 2019 volgt dat [eiseres] niet geschikt werd geacht voor het eigen werk, maar dat er geen contra-indicaties waren voor het starten van re-integratie en het houden van mediationgesprekken.

2.13.

De advocaat van [gedaagde] heeft op 29 januari 2019 per e-mail het volgende – voor zover relevant – aan de advocaat van [eiseres] laten weten:

“ [gedaagde] concludeert dat uw cliënte de op haar rustende re-integratieverplichtingen niet nakomt en zal, wanneer niet per omgaande door uw cliënte of door u wordt bevestigd dat uw cliënte met mediation door één van beide namens cliënte aangedragen mediators instemt, met ingang van 1 februari a.s. de loonbetaling aan uw cliënte stop zetten. Tevens zal dan door middel van een deskundigenoordeel aan UWV worden gevraagd of uw cliënte zich voldoende inzet voor haar re-integratie. Indien het UWV in voor uw cliënte gunstige zin mocht oordelen, zal de loonbetaling met terugwerkende kracht worden hervat.”

2.14.

Per e-mail van 5 februari 2019 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] laten weten dat de loondoorbetaling aan [eiseres] met ingang van 1 februari 2019 is gestaakt.

2.15.

Namens [eiseres] heeft de advocaat in februari 2019 aan de advocaat van [gedaagde] gevraagd wat het onderwerp of de inzet van de mediation zou moeten zijn, nu duidelijk was geworden dat de arbeidsovereenkomst van [eiseres] per 1 juni 2019 niet verlengd zou worden.

2.16.

Hierop is door [gedaagde] niet meer schriftelijk gereageerd.

3 Het geschil

in conventie:

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het salaris van € 1.487,20 bruto per maand met ingang van 1 februari 2019 (zo begrijpt de voorzieningenrechter), te vermeerderen met vakantiebijslag, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan deze vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij gedurende deze periode arbeidsongeschikt is en zal zijn en dat zij recht heeft op doorbetaling van haar salaris. [eiseres] betwist nadrukkelijk dat zij de op haar rustende re-integratieverplichtingen niet is nagekomen door niet mee te willen werken aan mediation.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

in reconventie:

3.4.

[gedaagde] vordert – samengevat – veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 6.839,49 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente en met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.5.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt [gedaagde] dat zij een bedrag van € 4.926,15 aan achterstallige huur te vorderen heeft van [eiseres] , nu zij vanaf november 2018 de huur niet meer heeft betaald, zij vanaf oktober 2018 de kosten voor elektra, gas en water niet meer heeft betaald en zij de huur voor de door haar dochter bewoonde woning op het park voor de maand november evenmin heeft betaald. Tevens vordert [gedaagde] een bedrag van € 1.913,34 aan schade die zij heeft geleden ter zake van gemiste huuropbrengsten, doordat [eiseres] de woning op het park niet ter beschikking heeft gesteld van [gedaagde] .

3.6.

[eiseres] voert verweer.

in conventie en in reconventie:

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie:

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering.

4.2.

Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd, dient met redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat in een bodemprocedure een met de gevraagde voorziening overeenstemmende vordering zal worden toegewezen.

4.3.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de loonbetaling van [eiseres] heeft stopgezet, nu [eiseres] , in strijd met de adviezen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV, niet wilde meewerken aan een mediationtraject. Twee mediators hebben tevergeefs contact gezocht met [eiseres] . [eiseres] heeft hierdoor niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. [gedaagde] heeft nog benadrukt dat zij het advies van de bedrijfsarts niet zomaar naast zich neer kon leggen, omdat zij anders het risico zou lopen dat het UWV in een later stadium zou kunnen oordelen dat [gedaagde] op haar beurt niet aan haar re-integratieverplichtingen zou hebben voldaan.

4.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat beide partijen na het gesprek op 9 oktober 2018 eigenlijk al wel wisten dat de arbeidsovereenkomst na 31 mei 2019 niet zou worden voortgezet. Daar komt bij dat [gedaagde] in een e-mail van 21 december 2018 heeft aangestuurd op een voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een vervroegde oplevering van de door [eiseres] gehuurde woning op het park. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] dan ook terecht gevraagd naar de inzet en het doel van de mediation. Hierop is, voor zover de voorzieningenrechter uit de stukken heeft kunnen afleiden, geen reactie gekomen.

[gedaagde] heeft zelf aangegeven tijdens de mondelinge behandeling dat ook zij als werkgever verplicht was om mee te werken aan de re-integratie en dat zij om die reden het advies tot mediation niet zomaar naast zich neer kon leggen. Uit niets blijkt echter dat [gedaagde] de re-integratie van [eiseres] ook daadwerkelijk als reële optie heeft beschouwd en dat re-integratie het doel was van de mediation. Uit de mededelingen van [gedaagde] aan (de advocaat van) [eiseres] kan moeilijk anders geconcludeerd worden dan dat de mediation bedoeld was om te komen van tot een voortijdige beëindiging van zowel de arbeids- als de huurovereenkomst. Gelet op deze omstandigheden levert het feit dat [eiseres] niet bereid was om in het kader van mediation het gesprek met [gedaagde] aan te gaan, geen schending op van de op haar rustende re-integratieverplichting en kan dit geen grond zijn voor een loonstop. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn geweest als [eiseres] geweigerd had om met [gedaagde] in gesprek te gaan over het verrichten van passende werkzaamheden, maar die situatie doet zich niet voor.

[eiseres] heeft geen deskundigenoordeel overgelegd zoals bedoeld in artikel 7:629 a lid 1 BW. Voor zover deze eis ook in een kortgedingprocedure geldt, kan haar dit niet worden aangerekend omdat [gedaagde] zelf had aangegeven dat zij zo'n deskundigenoordeel zou aanvragen.

4.5.

Het vorenstaande maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de loonstop onterecht is gedaan en [eiseres] recht had op haar gebruikelijke salaris. Op grond van artikel 17 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is de vakantiebijslag eerst in juni opeisbaar. Zij zal daarom per 1 juni 2019 worden toegewezen. [gedaagde] heeft zich niet beroepen op matiging van de gevorderde wettelijke verhoging. De voorzieningenrechter ziet geen reden om deze verhoging ambtshalve te matigen. Zij zal daarom worden toegewezen over de reeds vervallen loontermijnen.

4.6.

Ook de gevorderde wettelijke rente kan - nu deze onbetwist is - worden toegewezen.

4.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,58

- griffierecht € 81,00

- salaris advocaat € 980,00 (1 punten x tarief € 980,00)

Totaal € 1.167,58

in reconventie:

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering.

4.8.

Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd, dient met redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat in een bodemprocedure een met de gevraagde voorziening overeenstemmende vordering zal worden toegewezen.

4.9.

De vordering in reconventie behelst verschillende onderdelen, die alle te herleiden zijn naar de door [eiseres] op het park gehuurde woning. Zo heeft de vordering betrekking op achterstallige huur, niet betaalde kosten voor gas, water en elektra en gemiste huuropbrengsten.

4.10.

De vordering in reconventie is in het kader van deze kortgedingprocedure niet toewijsbaar. Er spelen wat dat betreft te veel complicerende en op dit moment nog te onduidelijke factoren een rol. De voorzieningenrechter betrekt hierbij onder meer het volgende. De huurovereenkomst voor de woning op het park maakt onlosmakelijk onderdeel uit van de arbeidsovereenkomst: de overeenkomst tussen partijen van 4 mei 2017 bepaalt in artikel 1 dat [gedaagde] de woning "ter bewoning als dag/nachtverblijf" aan [eiseres] aanwijst en in artikel 2 dat [eiseres] tot bewoning daarvan verplicht is voor de duur van de arbeidsovereenkomst. [eiseres] heeft ter zitting de vraag opgeworpen hoe de hiervoor gegeven korting op de huurprijs zich verhoudt met een redelijke consignatievergoeding. Is deze korting aan te merken als loon? In dat geval zou zij in beginsel ook recht hebben op toepassing van deze korting tijdens ziekte, terwijl [gedaagde] in deze reconventionele procedure nu juist de volledige, commerciële huurprijs vordert. Ook speelt mee dat [eiseres] ter zitting heeft gesteld dat de stand-bydiensten die zij moest draaien in strijd zijn geweest met de Arbeidstijdenwetgeving en dat zij op die grond mogelijk nog een loonvordering heeft op [gedaagde] . Dat de arbeidstijden in strijd zijn geweest met de Arbeidstijdenwetgeving heeft [gedaagde] ter zitting niet weersproken. Ter zitting heeft [eiseres] aangegeven dat zij voornemens is daarover een nieuwe procedure te beginnen tegen [gedaagde] . Aan de hand van een door haar overgelegde vergelijking met de vergoeding van consignatiediensten in de cao Ziekenhuiswezen heeft [gedaagde] nog gesteld dat de korting op de huurprijs een redelijke vergoeding voor die diensten is. Reeds omdat niet duidelijk is in hoeverre [eiseres] tijdens de stand-bydiensten daadwerkelijk werkzaamheden heeft moeten verrichten, is de juistheid van die berekening binnen de beperkte onderzoeksmogelijkheden die een kort geding biedt niet vast te stellen.

Voorts is van belang dat artikel 7:617 lid 1 onder c BW weliswaar toestaat dat het gebruik van een woning mede als loon kan worden aangemerkt, maar op grond van lid 2 van dat artikel mag daaraan geen hogere waarde worden toegekend dan die welke met de werkelijke waarde daarvan overeenkomt. Op basis van de in deze procedure beschikbare gegevens is niet vast te stellen of aan deze voorwaarde is voldaan. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] is uitgegaan van de door haar gehanteerde commerciële huurprijs is daartoe onvoldoende.

Of, en zo ja hoeveel, [eiseres] wellicht nog van [gedaagde] te vorderen heeft en of dat bedrag meer of minder bedraagt dan de openstaande huurpenningen is dus onduidelijk.

Op grond van het voorgaande is de vordering van [gedaagde] tegen haar werknemer [eiseres] tot betaling van huur c.a. in het kader van dit kort geding niet toewijsbaar.

4.11.

De voorzieningenrechter zal gelet op bovenstaande de vordering afwijzen.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] wordt begroot op € 490,- aan salaris advocaat (de helft van het toepasselijke liquidatietarief).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 1.487,20 bruto per maand vanaf 1 februari 2019, per 1 juni 2019 te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, en voorts tot betaling van de wettelijke verhoging van artikel 6:625 BW over de thans reeds verschenen loontermijnen en de wettelijke rente vanaf 21 maart 2019 tot het moment van voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.167,58, waarin begrepen € 980,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

5.5.

wijst de vordering af;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 490,- aan salaris advocaat;

5.7.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2019.1

1 type: coll: