Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1946

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
C/16/425830 / HL ZA 16-304
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Tot stand komen van overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

Vonnis van 1 mei 2019

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/425830 / HL ZA 16-304 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Partij I] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. V.R.M. Appelman te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Partij II] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. van der Korst te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/16/428697 / HA ZA 16-922 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Partij II] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.J. van der Korst te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Partij I] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. V.R.M. Appelman te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Partij III] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.I. Reznitchenko te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [Partij I] , [Partij II] en [Partij III] genoemd worden.

1 De procedure in de zaak 16-304

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 februari 2018

  • -

    de brief van [Partij I] van 17 augustus 2018 met producties 39 tot en met 43,

  • -

    de brief van 18 september 2018 van de zijde van [Partij II] met producties 24 tot en met 28

  • -

    de brief van 26 september 2018 van de zijde van [Partij II] met producties 29 en 30

  • -

    de brief van 11 januari 2019 van de zijde van [Partij II] met producties 31 tot en met 39

  • -

    het pleidooi van 28 januari 2019 en de door partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 16-922

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 25 april 2018

  • -

    de Akte uitlaten producties van de zijde van [Partij I] van 9 mei 2018

  • -

    de Akte uitlating producties aan de zijde van [Partij III] van 9 mei 2018

  • -

    de brief van [Partij I] van 17 augustus 2018 met producties 39 tot en met 43

  • -

    de brief van 18 september 2018 van de zijde van [Partij II] met producties 24 tot en met 28

  • -

    de brief van 26 september 2018 van de zijde van [Partij II] met producties 29 en 30

  • -

    de akte overlegging producties van 11 oktober 2018 van de zijde van [Partij III] met producties 50 tot en met 76

  • -

    de brief van 11 januari 2019 van de zijde van [Partij II] met producties 31 tot en met 39.

  • -

    het pleidooi van 28 januari 2019 en de door partijen overgelegde pleitnotities.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten in de zaak 16-304 en in de zaak 16-922

3.1.

[Partij I] is de persoonlijke holding van [A] ( [A] ). [Partij I] richt zich op het organiseren, begeleiden en uitvoeren van sportevenementen en outdoor activiteiten. Adviseur van [Partij I] is [B] ( [B] ).

3.2.

[Partij II] was tot 16 juni 2016 de persoonlijke holding van [C] ( [C] ). Sinds 16 juni 2016 is [bedrijfsnaam 1] N.V. ( [bedrijfsnaam 1] ) aandeelhouder en sinds

17 juni 2016 is [D] bestuurder.

3.3.

[C] en [A] besloten medio 2013 hun ervaring en expertise te bundelen en zich te richten op de ontwikkeling van een licht gepantserd voertuig. Daartoe hebben zij op 5 juni 2013 [Partij III] opgericht. [Partij III] heeft een prototype ontwikkeld van een “Air Transportable Tactile Vehicle” (ATTV). Aandeelhouders van [Partij III] zijn [Partij I] , [Partij II] , [bedrijfsnaam 2] ( [bedrijfsnaam 2] ), [bedrijfsnaam 3] ( [bedrijfsnaam 3] ) en [bedrijfsnaam 4] ( [bedrijfsnaam 4] ). Bestuurder van [Partij III] is [E] ( [E] ).

3.4.

Medio 2013 sloot [Partij III] een overeenkomst met Defensie Materieel Organisatie, een onderdeel van het Ministerie van Defensie, tot levering van 50 ATTV’s.

3.5.

[Partij I] , [Partij II] en [bedrijfsnaam 2] hebben in mei 2014 aan [Partij III] een overbruggingsfinanciering verstrekt in de vorm van een lening van in totaal EUR 600.000,-. [Partij I] en [Partij II] verstrekten ieder EUR 207.663,78. De voorwaarden waaronder deze lening is verstrekt zijn vastgelegd in de Convertible Loan Agreement van 6 april 2015 (CLA). In de CLA is onder meer het volgende bepaald:

“1. Interpretation

“Final Maturity Date” means 31 December 2019.

2 Loan, Parties and status

(…)

Status and ranking

2.2

The Loan shall be unsecured and subordinated and shall rank pari passu with the claims of all the Borrower’s other unsecured and subordinated creditors, except for obligations mandatorily preferred by law.

3 Term and repayment

(…)

3.1

Save as provided herein, the Loan has been made available to the Borrower on the (STAK) Availability Date and shall be repaid in full on the Final Maturity Date.

(…)

3.3

Unless previously repaid or converted as provided herein, the outstanding part of the Loan shall be repaid by the Borrower in full, together with all accrued Interest, costs and other amounts outstanding under this Agreement in quarterly portions, starting from 1 January 2018 until the Final Maturity Date. Any repayment shall be executed simultaneously to all the Lenders pro rata to their portion (…) of the Loan in order to remain the same proportion of the debt position of the Lenders.

(…)

6. Events of Default

6.1.

Without prejudice to any other rights of the Lenders under this Agreement or provided to it by law, the Lenders (…) may declare the Loan or any part thereof to become immediately due and payable (opeisbaar) (…) at any time after the occurrence of any of the following events (…):

(A) Non-payment:

The borrower does not pay on the due date any amount payable by it by pursuant to this Agreement

(…)

(E) Investment round:

The Borrower obtaining financing, through a third party investor or otherwise, of EUR 100,000 or more other than the financing of the Borrower by Shareholder C to the amount of EUR 2,500,000 in total to which financing the Parties agreed in December 2014. The Parties agree that this financing by Shareholder C does not qualify as an event which makes the Loan or a part thereof immediately due and payable within the meaning of this clause 6.1”

3.6.

[Partij III] had steeds meer geld nodig. Tussen partijen bestond verschil van mening over het financieringsplan en over de vraag wie eigenaar was van het basis ontwerp van de ATTV. Daarom hebben zij gesproken en gecorrespondeerd over een regeling waarbij [Partij II] een deel van haar aandelen in [Partij III] zou overdragen.

3.7.

In een e-mail van 10 april 2015 van [C] aan [G] , de bestuurder van [bedrijfsnaam 2] ( [G] ), staat het volgende:

“ [voornaam van G] ,
[Partij II] levert 10% van de 20% plus stelt ontwerp met daarin aandrijflijn vrij aan [Partij III] , compensatie daarvoor;

A 10% behoud

B 5 jr vrij verwateren

C 500k 300k plus 200k lening retour

(…)”

3.8.

In een e-mail van 11 april 2015 van [G] aan [C] , [A] , [B] en [E] , is het volgende vermeld:

“ [voornaam van C] ,

We kunnen het volgende door advocaten laten uitwerken, dus ovb eindovereenkomst kunnen we het zo gaan doen.

A) 10% aandelen behouden, niet meer, niet minder

B) niet verwateren tot 1jan 2020

C) 300K voor 10% aandelen nu, bij closing te betalen

D) lening geheel aflossen door betaling van 200K in zomer 2015

E) [voornaam van A] ziet af van de auto. Hier zit nog wel een uitzoekpuntje op wiens naam die staat. [voornaam van A] kan de auto 3x per jaar gebruiken op [.]

F) aandeelhoudersovereenkomst wordt getekend zoals hij nu is, met name tag along, drag along en stemmen. Meerderheid [voornaam van A] plus 1

G) als er al IP is van [Partij II] is wordt dat overgedragen, [Partij II] mag er wel zelf gebruik van blijven

[voornaam van E] informeert de overige aandeelhouders

[voornaam van G] ”

3.9.

Per e-mail van 13 april 2015 zond [G] aan [C] een e-mail door die hij had gestuurd aan André Reznitchenko (de advocaat van [Partij III] ), [E] , [A] en [B] . In deze e-mail is het volgende vermeld:

“André, [voornaam van E] , [voornaam van C] , [voornaam van A] , [voornaam van B]

Dit is de principe deal.

Wat moet er gebeuren, en wie, ook [H (voornaam)] , doet wat?

Volgens mij een voorstel, naar [voornaam van E] voor aandelen inkoop door de BV. Door [H (voornaam)] ?

Aandeelhoudersovereenkomst via André

Dan besluit AHV? ( [I (voornaam)] heeft machtiging van [voornaam van C] , die is weg tot 24/4)

Dan notaris (kosten [voornaam van C] )

En afrekenen zsm van 300k

Na inkoop aandelen heeft [voornaam van C] 11%, levert dus formeel 1% in. Als allerlei aparte en dure acties nodig heeft stel ik voor dat vooralsnog niet te doen. Dat kan altijd later, bij een mogelijke verwatering of uitgifte van de ingekochte 10%.

Er moet goed vastgelegd worden dat 10% dat ook blijft bij inkoop of verwatering.

Verder blijven de statuten intact over verkoop en waardering aandelen.

Vast niet volledig,

[voornaam van G] ”

3.10.

In een brief van 13 april 2015 van mr. [J] (de toenmalige advocaat van [Partij II] ) aan mr. Reznitchenko staat onder meer het volgende:

“Van cliënte vernam ik dat partijen inmiddels in hoofdlijnen overeenstemming hebben over de verkoop van de helft van het aandelenpakket van cliënte aan uw cliënte, dan wel dat de vennootschap die aandelen zelf inkoopt. (…)”

3.11.

Op 21 mei 2015 heeft [Partij III] aan [Partij II] 10.317 nieuwe aandelen uitgegeven tegen een stortingsplicht van EUR 20.766. Deze emissie is verrekend met de vordering die [Partij II] op [Partij III] heeft in verband met de hiervoor in punt 3.5. vermelde lening van EUR 207.663,78, zodat de lening van [Partij II] aan [Partij III] thans nog EUR 186.897,78 bedraagt (de Lening).

3.12.

[Partij I] heeft op 4 juni 2015 door overboeking aan [Partij II] EUR 150.000,- betaald met de omschrijving: “50 procent voorschot op 10 procent aandelen”.

3.13.

Op 19 juni 2015 is een concept van een aandeelhouders- en participatieovereenkomst opgesteld en aan partijen gezonden.

3.14.

Op 10 juli 2015 is een aangepast concept aandeelhouders- en participatieovereenkomst aan partijen gezonden. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

3 Intellectuele eigendom

(…)
3.3 (…) [Partij I] is bereid om na ondertekening van deze Overeenkomst 7.755 (…) Aandelen van [Partij II] in de Vennootschap over te nemen (…).

3.4

Vennootschap en [Partij II] spreken af dat de vennootschap aan [Partij II] een herroepbare en niet overdraagbare licentie zal verstrekken voor het gebruik door [Partij II] van bepaalde nader te definiëren knowhow met betrekking tot het ATTV (…)
17. Duur

17.1

Deze Overeenkomst treedt in werking na ondertekening daarvan door alle Partijen. (…)”

3.15.

Op 6 augustus 2015 is een volgend aangepast concept van een aandeelhouders- en participatieovereenkomst aan partijen gezonden.

3.16.

In een e-mailbericht van 11 augustus 2015 schrijft [A] aan [C] :

“In onderstaand bericht bevestig ik, na ons overleg van vanochtend de betalingen die ga doen aan jou voor de overname van de 10% aandelen in [Partij III] .

150.00 euro plus (…) Reeds

Betaald 4 juni 2015

100.000 na ondertekenen aandelen overeenkomst.

100.000 na twee weken van de tweede betaling.

150.000 na vier weken van derde betaling.

Van het totaal van 500.000 is al 150.000 betaald als voorschot. Van de nog uit te voeren betalingen van 350.000 euro is 200.000 eigenlijk een betaling die door [Partij III] had moeten worden gedaan (aflossing lening). Omdat ik deze betaling doe, zal ik jouw lening op [Partij III] dus overnemen.”

3.17.

Per e-mail van 11 augustus 2015 antwoordt [C] aan [A] , met kopie aan de advocaten van [Partij II] en [Partij III] , [G] en [E] , onder meer het volgende:

“(…) Zoals jij aangeeft gaat het om een totale deal, lening en aandelen in een, dit is inmiddels tussen dick en andre besproken en zal andre aanpassen/aanvullen in de overeenkomst. (…)”

3.18.

Op 17 augustus 2015 heeft de advocaat van [Partij II] aan de advocaat van [Partij I] bericht dat [Partij II] niet akkoord kan gaan met het concept van een aandeelhouders- en participatieovereenkomst, omdat daarin (in artikel 3.4) sprake is van een herroepbare licentie voor het gebruik van de IE-rechten door [Partij II] . Op 18 augustus 2015 heeft ook [C] bericht dat de overeenkomst voor [Partij II] niet aanvaardbaar is.

3.19.

Op 20 augustus schrijft [B] namens [Partij I] het volgende aan onder meer [C] , [G] en [A] :

“(…) Indien er geen overeenstemming over dit punt komt (lees: een herroepbare licentie op de IE-rechten ten behoeve van [Partij II] zodat zij de technologie voor eigen gebruik kan exploiteren; toevoeging rechtbank), komt er geen overeenkomst tot stand, met alle gevolgen van dien. (…) Mijns inziens is er altijd voor gekozen beide onderdelen in een overeenkomst op te nemen nu beiden ook met elkaar verbonden zijn: onderdeel van de schikking is jouw bevestiging dat alle IE rechten aan [Partij III] toebehoren. [Partij III] heeft ingestemd met een vervroegde aflossing van jouw lening onder de voorwaarde dat de discussie over de IE rechten voor eens en altijd wordt beslecht op de wijze zoals opgenomen in het laatste concept. (…)”

3.20.

De advocaat van [Partij III] schrijft op 27 augustus 2015 onder meer het volgende aan de advocaat van [Partij II] :

“Amice,

De IE-rechten zijn een essentieel onderdeel van de transactie. Zonder overeenstemming op dit punt zal [Partij III] de overeenkomst niet aangaan. (…) Ik vrees dat als uw cliënt niet kan instemmen met een herroepbare licentie, [Partij III] de overeenkomst niet zal aangaan.”

3.21.

Bij e-mail van 27 augustus 2015 bericht de advocaat van [Partij II] aan de advocaat van [Partij III] het volgende:

“Amice,

Als partijen geen overeenkomst sluiten heeft [Partij III] volgens mij wel een probleem. Cliënte heeft namelijk de rechten op het oorspronkelijke ontwerp. Dat staat buiten kijf. Hij wil overdragen binnen het kader van de 5 ton voor zijn aandelen tot 10%. (…)”

3.22.

[Partij III] heeft in de loop van 2015 onderhandelingen gevoerd met [bedrijfsnaam 5] B.V. ( [bedrijfsnaam 5] ) over een mogelijke samenwerking. Per e-mail van 22 september 2015 heeft [bedrijfsnaam 5] aan de aandeelhouders van [Partij III] bericht dat zij niet wil deelnemen in [Partij III] als financier of aandeelhouder vanwege de uitkomst van een due diligence onderzoek naar de juridische, financiële en technische kanten van [Partij III] .

3.23.

Per e-mail van 24 september 2015 heeft [A] aan [C] (met kopie aan [E] ) onder meer het volgende bericht:

“(…) Maandag 28.9.2015 voor 12.00 uur maak ik, namens [Partij I] , de resterende koopsom van de door [Partij I] over te nemen aandelen ten bedrage van € 142.334,- over naar [naam notariskantoor] in [vestigingsplaats] . Maandag 28.9.2015 voor 17.00 uur lost [Partij III] BV de lening van [Partij II] af van € 207.664,- (nadat [Partij I] aan [Partij III] dit bedrag ter beschikking stelt) door dit bedrag op de rekening van [Partij II] over te boeken. Deze betalingen en het reeds eerder betaalde deel van de koopsom van de aandelen a € 150.000,- compenseren volledig de overdracht van 10% van de aandelen van [Partij II] naar [Partij I] en alle andere verplichtingen van [Partij I] en van [Partij III] uit hoofde van de getroffen schikking waarbij jij onder meer zal bevestigen dat alle intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot het ATTV van [Partij III] uitsluitend bij [Partij III] rusten, alles in overeenstemming met het laatste concept van de aandeelhoudersovereenkomst van 6 augustus 2015.

(…)
Bovengenoemd voorstel wordt gedaan onder uitdrukkelijk voorbehoud en onder de (opschortende) voorwaarde dat jij op maandag 28.9.2015 de aandeelhoudersovereenkomst zal ondertekenen (…) nadat alle andere partijen de overeenkomst hebben ondertekend (…)

Bovengenoemd voorstel wordt voorts gemaakt onder uitdrukkelijke voorbehoud en onder de (opschortende) voorwaarde dat [Partij III] overeenstemming bereikt met [bedrijfsnaam 3] over het concurrentiebeding waarover met [bedrijfsnaam 3] nog onderhandeld wordt en dat de aandeelhoudersovereenkomst door alle partijen zal worden ondertekend. (…) Deze voorbehouden en (opschortende) voorwaarden betekenen onder meer dat als daar niet aan wordt voldaan, de door [Partij I] en [Partij III] aan of ten behoeve van [Partij II] resp. jou overgemaakte bedragen geacht worden onverschuldigd te zijn betaald (…).”

3.24.

Op 29 september 2015 is door de advocaat van [Partij III] een laatste concept van een aandeelhouders- en participatieovereenkomst aan alle partijen verzonden.

3.25.

Per faxbericht van 2 oktober 2015 heeft de advocaat van [Partij II] aan de advocaat van [Partij III] bericht dat [Partij II] blijft bij haar standpunt dat het ontwerp van het ATTV niet is overgedragen aan [Partij III] en dat [Partij II] zich niet kan vinden in de laatst toegezonden versie van de aandeelhouders- en participatieovereenkomst.

3.26.

Per brief van 4 maart 2016 heeft de advocaat van [Partij II] aan de advocaat van [Partij III] bericht dat [Partij II] alsnog uitvoering wil geven aan de (citaat) “overeengekomen transactie, waarbij [Partij II] , dan wel [C] , alleen over de IP rechten mag blijven beschikken wat betreft raceactiviteiten onder de door u genoemde voorwaarden” (einde citaat), als bedoeld in het concept van de aandeelhouders- en participatieovereenkomst van 29 september 2015.

3.27.

Na 2 oktober 2015 is een legal opinion opgesteld met betrekking tot de rechten van intellectuele eigendom op het ATTV. Middels een declaratie van 31 mei 2016 is aan [bedrijfsnaam 2] een factuur gezonden voor deze legal opinion.

3.28.

[Partij I] heeft [Partij II] bij brief van 3 juni 2016 aangesproken tot terugbetaling van het door haar betaalde voorschot van EUR 150.000,-. [Partij II] heeft niet aan dit verzoek voldaan.

3.29.

In 2016 heeft de Rabobank [Partij III] een lening verstrekt van ruim 3 miljoen euro.

4 Het geschil

in de zaak 16-304

4.1.

[Partij I] vordert om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [Partij II] te veroordelen tot betaling van EUR 150.000,- aan [Partij I] binnen zeven dagen na dit vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 28 juni 2016, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot aan de dag van algehele voldoening;

  2. [Partij II] te veroordelen tot betaling van EUR 2.275,00 aan [Partij I] binnen zeven dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de zevende dag na dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. [Partij II] te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de kosten voor nasalaris van EUR 131,- te vermeerderen met EUR 68,- in geval van betekening van dit vonnis.

4.2.

[Partij II] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 16-922

in conventie

4.4.

[Partij II] vordert – na vermindering van eis jegens [Partij III] – om bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [Partij I] te veroordelen tot betaling aan [Partij II] van EUR 150.000,-, te verhogen met de
wettelijke rente vanaf 1 mei 2015, althans vanaf 3 juli 2016, althans vanaf de datum van
dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling, tegen overdracht van de door haar
gehouden aandelen- [Partij III] boven 10%;

II. [Partij III] te veroordelen tot betaling aan [Partij II] van EUR 186.897,78 te verhogen
met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2015, althans vanaf 3 juli 2016, althans vanaf de
datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

III. [Partij I] en [Partij III] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en nakosten.

in reconventie

4.5.

[Partij I] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
[Partij II] te veroordelen:
1. tot betaling van EUR 150.000,- aan [Partij I] binnen zeven dagen na dit vonnis,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2016, althans vanaf de dag van

dagvaarding , althans vanaf een door de rechtbank te bepalen dag, tot aan de dag van

algehele voldoening;

2. tot betaling van EUR 2.275,- aan [Partij I] binnen zeven dagen na dit vonnis, vermeerderd
met de wettelijke rente vanaf de zevende dag na dit vonnis tot aan de dag van algehele
voldoening;

3. in de proceskosten, inclusief de nakosten.

4.6.

[Partij III] vordert – nadat zij bij pleidooi punt 5. van haar vordering heeft ingetrokken – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat [Partij II] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [Partij III] indien en voor zover tussen [Partij III] en [Partij II] in 2015 een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, althans dat [Partij II] jegens [Partij III] onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede dat [Partij II] jegens [Partij III] aansprakelijk is voor de door [Partij III] hierdoor geleden schade;

  2. [Partij II] te veroordelen aan [Partij III] ten titel van schadevergoeding te betalen de kosten van het due dilligence onderzoek en de legal opinion van EUR 12.470,59 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

  3. [Partij II] te veroordelen aan [Partij III] ten titel van schadevergoeding te betalen de additionele uren die zij heeft moeten besteden en additionele kosten van adviseurs die zij heeft moeten maken om de relatie met [bedrijfsnaam 5] , [bedrijfsnaam 3] […] , [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 7] te herstellen ten bedrage van in totaal EUR 76.895,35 (EUR 11.645,- aan bestede tijd [Partij III] en EUR 65.250,35 aan aanvullend juridisch advies), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

  4. [Partij II] te veroordelen aan [Partij III] ten titel van schadevergoeding te betalen het verschil tussen de inkoopkosten die [bedrijfsnaam 7] in rekening zou hebben gebracht en de hogere inkoopkosten van de nieuwe leverancier, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  5. voor zover [Partij III] jegens [Partij II] tot betaling van enige bedragen zou zijn gehouden, voor recht te verklaren dat [Partij III] deze bedragen kan verrekenen met het door [Partij II] sub 2, sub 3 en sub 4 gevorderde;

  6. [Partij II] te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie, de nakosten daarbij inbegrepen.

4.7.

[Partij II] voert verweer.

4.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in de zaak 16-304 en in de zaak 16-922

5.1.

Het gaat in deze zaken allereerst om de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen is, op basis waarvan:

- [Partij I] aandelen van [Partij II] in [Partij III] overneemt voor EUR 300.000,- en

- [Partij III] de Lening aan [Partij II] terugbetaalt.

5.2.

[Partij II] stelt dat de overeenkomst blijkt uit de e-mailcorrespondentie van 11 en 13 april 2015, zoals hiervoor geciteerd in punt 3.8. en 3.9. Volgens [Partij II] hebben partijen en hun advocaten de in de e-mailcorrespondentie vastgelegde afspraken bevestigd en uitgewerkt in verschillende concepten van een aandeelhouders- en participatieovereenkomst, waarvan de recentste dateert van september 2015. [Partij II] meent dat [Partij I] uitvoering heeft gegeven aan de afspraken door op 4 juni 2015 de helft van de koopprijs voor de aandelen over te boeken naar [Partij II] . [Partij II] vordert nakoming van voornoemde afspraken. [Partij I] en [Partij III] betwisten dat een overeenkomst tot stand gekomen is.

5.3.

Ingevolge artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod van de ene partij en de aanvaarding daarvan door de andere partij. Een aanbod kan slechts in een overeenkomst resulteren, indien de voorwaarden voldoende nauwkeurig zijn bepaald en het aanbod de essentiële elementen van de te sluiten overeenkomst bevat, zodat wanneer het wordt aanvaard, de overeenkomst ook daadwerkelijk tot stand komt. Daarbij is relevant hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden (HR 17 december 1976, NJ 1977/241, ECLI:NL:HR:1976:AC5835).

5.4.

Hetgeen hiervoor onder de feiten is opgenomen leidt tot het oordeel dat de door [Partij II] gestelde afspraken niet tot stand zijn gekomen.

De e-mailcorrespondentie waarop [Partij II] zich beroept is niet afkomstig van een van de partijen in deze procedure, maar van [G] ( [bedrijfsnaam 2] ). [Partij I] en [Partij III] zaten op

11 en 13 april 2015 niet aan de onderhandelingstafel en [G] ( [bedrijfsnaam 2] ) beschikte bovendien, zoals [Partij I] en [Partij III] onbetwist hebben betoogd, niet over een volmacht om hen te vertegenwoordigen, zodat niet valt in te zien waarom die berichten zouden gelden als een aanbod van die partijen. Het enkele feit dat die partijen mede-geadresseerden zijn van de e-mails tussen [C] en [G] maakt dat niet anders. Voor zover [Partij II] met haar stelling dat [Partij I] uitvoering heeft gegeven aan de afspraken door overboeking van een bedrag van EUR 150.000,- naar de rekening van [Partij II] , bedoeld heeft dat [Partij I] het aanbod van [G] heeft bekrachtigd, kan dit betoog niet stand houden. Onweersproken is immers dat deze overboeking is gedaan omdat [C] behoefte had aan liquide middelen in verband met de verbouwing van zijn woning en daarom aan [A] heeft gevraagd of [Partij I] vooruitlopend op de overeenkomst een voorschot op de koopprijs van de aandelen kon betalen. Bij de betaling door [Partij I] is vervolgens expliciet vermeld dat het om een voorschot gaat. Onder die omstandigheden mag de betaling niet worden opgevat als het uitvoeren van de afspraken. Dat [Partij II] dat ook redelijkerwijs niet zo heeft mogen begrijpen, volgt in ieder geval uit de e-mail van [A] (van [Partij I] ) van 24 september 2015 (zie punt 3.23.). In die e-mail schrijft [A] expliciet dat als [Partij II] niet de concept aandeelhoudersovereenkomst van augustus 2015 ondertekent (waarin partijen afspreken dat ter compensatie voor het verkrijgen door [Partij III] van de volledige zeggenschap over de IE-rechten, [Partij I] aandelen van [Partij II] overneemt voor EUR 300.000 en de Lening vervroegd wordt afgelost) er geen overeenkomst tot stand komt en het voorschot van EUR 150.000 als onverschuldigd betaald zal worden terug gevorderd.

Het betoog van [Partij II] dat in de correspondentie van juli/augustus 2015 een herhaalde wederzijdse bevestiging van de afspraken is te lezen en dat zij daaruit mocht afleiden dat de afspraken tot stand zijn gekomen, althans (zo begrijpt de rechtbank [Partij II] ) dat uit die correspondentie volgt dat [Partij I] en [Partij III] alsnog hebben ingestemd met de gestelde afspraken van april 2015, wordt eveneens verworpen. Na juli/augustus 2015 hebben partijen immers door onderhandeld. Belangrijk discussiepunt daarbij was dat de IE-rechten op het ATTV ontwerp bij [Partij III] moesten komen te rusten (rechten die [Partij II] pretendeerde in eigendom te hebben) en hoe kon worden bewerkstelligd dat [Partij II] daarvan een (beperkt) eigen gebruik mocht maken. Dit punt vormde een onlosmakelijk onderdeel van de ‘totale deal’ die [Partij I] , [Partij III] en [Partij II] in hun gesprekken vanaf april/mei 2015 voor ogen hadden (zie punt 3.7 e.v.). In die voortgezette onderhandelingen hebben [Partij I] en [Partij III] steeds aangegeven dat dit punt van IE-rechten niet los kon worden gezien van de voorgenomen aandelenoverdracht aan [Partij I] en de (vervroegde) aflossing van de Lening door [Partij III] . Verwezen wordt naar de
e-mail van [B] (namens [Partij I] ) aan [C] van 20 augustus 2015 (zie punt 3.19.) en de e-mail van de advocaat van [Partij III] van 27 augustus 2015 (zie punt 3.20.). [Partij I] en [Partij III] maken [Partij II] hierin duidelijk dat wanneer [Partij II] op het punt van de IE-rechten niet zou meewerken, er in het geheel geen overeenkomst tussen hen tot stand zou komen. [Partij II] kon hier in ieder geval uit afleiden dat [Partij I] en [Partij III] van mening waren dat van de in deze procedure door [Partij II] gestelde “afdwingbare afspraken” van april 2015 geen sprake was en dat in ieder geval eerst (schriftelijk) overeenstemming moest worden bereikt over de zeggenschap over de IE-rechten en over de wijze waarop kon worden bewerkstelligd dat [Partij II] nog deels gebruik van die rechten mocht blijven maken. Ook [Partij II] zelf ging er in augustus 2015 nog van uit dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand was gekomen, althans [Partij I] en [Partij III] hebben dat naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs zo mogen begrijpen. In dit verband wordt verwezen naar de e-mail van de advocaat van [Partij II] van 27 augustus 2015 (zie punt 3.21.).

De koppeling van de discussie over de IE-rechten aan de aandelenoverdracht (voor circa EUR 300.000) en de aflossing van de Lening (circa EUR 200.000) – in totaal de EUR 5 ton die [Partij II] in de hierboven vermelde e-mail van 27 augustus 2015 noemt – stond ook met zoveel woorden vermeld in de concepten van de aandeelhoudersovereenkomst van juli, augustus en september 2015. [Partij I] en [Partij III] hebben [Partij II] bij herhaling duidelijk gemaakt dat de afspraken die partijen zouden maken op al die punten zouden worden uitgewerkt in een aandeelhoudersovereenkomst én dat die afspraken slechts bindend zouden zijn voor partijen ná ondertekening van de aandeelhoudersovereenkomst door alle partijen. [Partij II] heeft niets gesteld waaruit blijkt dat zij zich daarin niet kon vinden.

Gelet op het voorgaande kan het verweer van [Partij II] dat de april-afspraken los moeten worden gezien van de aandeelhoudersovereenkomst en van de discussie over de IE-rechten haar niet baten. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie van april 2015 (als al kan worden gezegd dat [Partij III] en [Partij I] hieraan zijn gebonden) en uit de overgelegde concepten van de aandeelhoudersovereenkomst blijkt dat alle partijen, ook [C] namens [Partij II] , ervan uitgingen dat een ‘totale deal’ werd gesloten, waarvan de zeggenschap over de IE-rechten en de ondertekening van de aandeelhoudersovereenkomst een onlosmakelijk onderdeel vormden. [Partij II] , in de persoon van [C] , en de advocaat van [Partij II] hebben vervolgens begin oktober 2015 uitdrukkelijk te kennen geven dat de IE-rechten niet waren overgedragen aan [Partij III] en dat [Partij II] niet akkoord ging met de in het concept van de aandeelhoudersovereenkomst voorliggende afspraken over de IE-rechten. Daarmee heeft [Partij II] het aanbod van [Partij I] en [Partij III] om tot een ‘totale deal’ te komen, als laatstelijk verwoord in het concept van de aandeelhoudersovereenkomst van september 2015, verworpen, althans zo hebben [Partij I] en [Partij III] dit redelijkerwijs mogen begrijpen. Dat geldt te meer nu [Partij II] zich daar tot begin maart 2016 verder niet meer over heeft uitgelaten. Dat [Partij II] op 4 maart 2016 bij brief van haar advocaat aan [Partij I] heeft laten weten dat zij bereid was om uitvoering te geven aan de (citaat) “overeengekomen transactie” (einde citaat), maakt dat niet anders. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op welke transactie [Partij II] hier doelt. Van enige overeenkomst was in april 2015 geen sprake en ook daarna zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen. Voor zover [Partij II] met die brief mocht hebben bedoeld dat zij alsnog de concept aandeelhoudersovereenkomst van september 2015 heeft willen aanvaarden, geldt dat zij daarin niet is geslaagd. Het daarin opgenomen aanbod was met de verwerping door [Partij II] bij brief van 2 oktober 2015 al komen te vervallen.

5.5.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [Partij II] op [Partij I] en [Partij III] , voor zover gebaseerd op de stelling dat op basis van de e-mailcorrespondentie van 11 en 13 april 2015 een overeenkomst tussen hen tot stand gekomen is, worden afgewezen.

voorts in de zaak 16-304

5.6.

Uit het oordeel dat de afspraken waarop [Partij II] zich beroept niet tot stand zijn gekomen, volgt dat het voorschot van EUR 150.000,- door [Partij I] onverschuldigd is betaald en dat de vordering van [Partij I] in de zaak 16-304 toewijsbaar is. [Partij I] heeft betaling van rente gevorderd vanaf 28 juni 2016. Aangezien [Partij II] bij brief van 3 juni 2016 door [Partij I] is gesommeerd om voor 18 juni 2016 terug te betalen, is [Partij II] in elk geval vanaf 28 juni 2016 in verzuim en zal de vordering tot betaling van rente worden toegewezen vanaf laatstgenoemde datum.

5.7.

[Partij I] heeft buitengerechtelijke kosten gevorderd. Als uitgangspunt dient te worden genomen dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Wil er sprake zijn van afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten, dan zal het moeten gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een –niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [Partij I] heeft niet aangevoerd dat er werkzaamheden zijn verricht die meer omvatten dan de schriftelijke aanmaning van 3 juni 2016. De door haar gevorderde kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

5.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [Partij II] veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van [Partij I] tot op heden begroot op

explootkosten EUR 84,75

vast recht EUR 3.903,00

advocaatkosten EUR 6.828,00 (4 punten x 1.707)

totaal EUR 10.815,75

De nakosten worden toegewezen als in het dictum vermeld.

voorts in de zaak 16-922

tegen [Partij I]

in conventie en in reconventie

5.9.

In de zaak 16-304 is in 5.4. geoordeeld dat de door [Partij II] gestelde afspraken niet tot stand zijn gekomen. In de onderhavige zaak komt de rechtbank op dezelfde gronden tot hetzelfde oordeel. Dat betekent dat de vordering van [Partij II] in conventie onder I. jegens [Partij I] wordt afgewezen. Als in het ongelijk gestelde partij wordt [Partij II] veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie, aan de zijde van [Partij I] tot op heden begroot op:

vast recht EUR 3.903,00

advocaatkosten EUR 5.974,50 (3,5 punt x 1.707)

totaal EUR 9.877,50

5.10.

De vordering die [Partij I] in de zaak 16-922 in reconventie heeft ingesteld is gelijk aan haar vordering in de zaak 16-304. Die vordering is in de zaak 16-304 toegewezen. Vanzelfsprekend wordt dezelfde vordering niet twee maal toegewezen. De vordering van [Partij I] in reconventie in de zaak 16-922 wordt dus afgewezen. [Partij I] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie aan de zijde van [Partij II] tot op heden begroot op (3 x1/2 x EUR 1.707 =) EUR 2.560,50 aan advocaatkosten.

tegen [Partij III]

in conventie

5.11.

[Partij II] baseert haar vordering jegens [Partij III] tot terugbetaling van de Lening (verder) op de artikelen 3.3., 6.1.A en 6.1.E van de CLA.

5.12.

[Partij III] erkent (in punt 189 conclusie van antwoord) dat zij op grond van artikel 3.3. van de CLA de lening met ingang van 1 januari 2018 stapsgewijs dient af te lossen. Zij meent echter niet te ‘mogen’ aflossen en voert daartoe aan dat de lening van [Partij II] ingevolge artikel 2.2. van de CLA is achtergesteld bij een lening van Rabobank aan [Partij III] van ruim EUR 3 miljoen in 2016. Daarnaast voert zij aan dat [Partij III] op grond van artikel 3.3. van de CLA niet bevoegd is om de lening van [Partij II] af te lossen zonder dat daarnaast ook de leningen van [Partij I] en [bedrijfsnaam 2] worden afgelost. Veroordeling van [Partij III] tot aflossing van de lening van [Partij II] dwingt [Partij III] naar haar zeggen tot wanprestatie jegens Rabobank en jegens [Partij I] en [bedrijfsnaam 2] . Zij meent voorts dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is van haar vervroegde aflossing te verlangen zolang de bank niet volledig is afgelost en zolang zij niet in staat is in gelijke mate de leningen van [bedrijfsnaam 2] en [Partij I] af te lossen. [Partij III] heeft verder naar voren gebracht dat [Partij II] de lening niet eerder heeft opgeëist en dat daardoor stilzwijgend invulling is gegeven aan de afspraak dat de lening – anders dan vermeld is in artikel 6.1 van de CLA - niet zou worden opgeëist, althans dat niet tijdig is geklaagd, althans dat sprake is van rechtsverwerking.

5.13.

Tussen partijen staat vast dat [Partij III] nog niets heeft afgelost, zodat de Lening op grond van artikel 3.3. in beginsel geheel opeisbaar is. Ten aanzien van het beroep van [Partij III] op achterstelling van de Lening overweegt de rechtbank dat de CLA is opgesteld in 2015, ruim voordat [Partij III] de overeenkomst van geldlening met de Rabobank heeft gesloten. Uit een brief van de bestuurder van [Partij III] aan [Partij II] van 8 juli 2016 en uit de publicatiebalans 2016 van [Partij III] blijkt dat [Partij II] niet akkoord is gegaan met een achterstelling van de Lening bij de lening van de Rabobank. [Partij III] lijkt te stellen dat artikel 2.2. van de CLA meebrengt dat [Partij II] op voorhand akkoord is gegaan met een algehele achterstelling van de Lening bij andere toekomstige leningen of bij de lening van de Rabobank. Die stelling snijdt geen hout. Artikel 2.2. van de CLA is een algemeen geformuleerde achterstellingsbepaling. Aangenomen mag worden dat deze achterstelling ziet op leningen die bestonden ten tijde van het sluiten van de CLA. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in dat deze bepaling zo ruim moet worden gelezen dat daarmee tevens is bedoeld af te spreken dat de lening van [Partij II] ook zou worden achtergesteld bij leningen die in de toekomst aan [Partij III] zouden worden verstrekt. Bovendien dient afstand van recht, zo begrijpt de rechtbank het betoog van [Partij II] , uitdrukkelijk te geschieden en dat kan niet worden opgemaakt uit het door [Partij III] gestelde. [Partij III] mocht er daarom niet van uitgaan dat [Partij II] door het ondertekenen van de CLA ermee instemde dat de Lening automatisch zou zijn achtergesteld bij alle toekomstige leningen van [Partij III] . [Partij III] ging daar ook niet vanuit, want zij heeft [Partij II] in 2016 om een achterstelling gevraagd. Het verweer dat de Lening achtergesteld is bij de lening van de Rabobank en dat [Partij III] door de lening af te lossen toerekenbaar tekort zou schieten jegens Rabobank of jegens [bedrijfsnaam 2] en [Partij I] kan [Partij III] dan ook niet baten.

De verweren dat de lening niet eerder is opgeëist of dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [Partij II] de Lening opeist treft het zelfde lot. Partijen zijn het erover eens dat het gaat om een overbruggingskrediet dat in 2018 en 2019 in termijnen zou worden terugbetaald. [Partij III] heeft in haar conclusie van antwoord bovendien erkend dat zij moet aflossen. [Partij II] hoefde haar lening dus niet op te eisen, want de wijze en de termijn van terugbetaling waren vastgelegd. Dat in de CLA staat dat de leningen van [bedrijfsnaam 2] , [Partij I] en [Partij III] in gelijke mate worden afgelost, betekent niet dat [Partij II] de Lening niet zou mogen opeisen als geen van de andere leningen kan worden terugbetaald. De - door [Partij III] gestelde - omstandigheid dat zij liquiditeitsproblemen heeft en geen van haar leningen kan aflossen ontheft haar niet van de verplichting tot terugbetaling.

5.14.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [Partij II] jegens [Partij III] wordt toegewezen. [Partij II] vordert voorts betaling van wettelijke rente. Zij heeft [Partij III] bij brief van 25 oktober 2018 gesommeerd om uiterlijk op 31 oktober 2018 het gehele uitstaande bedrag van EUR 186.897,78 terug te betalen. [Partij III] is dus vanaf 1 november 2018 in verzuim en de vordering tot betaling van wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf die datum. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [Partij III] veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van [Partij II] tot op heden begroot op

explootkosten EUR 87,33

griffierecht EUR 3.903,00

advocaatkosten EUR 7.206,00 (3 punten x 2.402)

totaal EUR 11.196,33

in reconventie

5.15.

[Partij III] baseert haar vorderingen in reconventie op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming “indien en voor zover tussen [Partij III] en [Partij II] een aandeelhoudersovereenkomst tot stand zou zijn gekomen”. Hiervoor is geoordeeld dat geen afspraken zijn gemaakt en dat geen aandeelhouders- en participatieovereenkomst tot stand is gekomen. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op een tekortkoming van de nakoming van afspraken zijn deze niet toewijsbaar.

5.16.

[Partij III] baseert haar vorderingen voorts op het volgende.

[Partij II] heeft, volgens [Partij III] , onrechtmatig jegens [Partij III] gehandeld door verspreiding van onjuiste informatie aan derden met betrekking tot de status van de IE-rechten van de ATTV. [Partij III] is begin 2015 in onderhandeling getreden met [bedrijfsnaam 5] over een mogelijke vervolgorder tot levering van 540 ATTV’s. In juli 2015 heeft [Partij II] bij monde van [C] aan [bedrijfsnaam 5] in strijd met de waarheid meegedeeld dat de IE-rechten niet bij [Partij III] liggen, maar bij [Partij II] . Daardoor heeft [bedrijfsnaam 5] de onderhandelingen afgebroken. Ook aan [bedrijfsnaam 3] […] , [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 7] heeft [Partij II] deze onjuiste informatie verstrekt. Dit heeft ertoe geleid dat de relaties met deze partijen zijn verstoord.

Verder heeft [H] , handelend namens [bedrijfsnaam 1] (de vennootschap die op 16 juni 2016 de aandelen in [Partij II] heeft overgenomen), de onderhandelingen met belangrijke relaties van [Partij III] – in het bijzonder [bedrijfsnaam 5] – gefrustreerd, aldus [Partij III] .

[Partij III] stelt dat zij veel tijd heeft moeten besteden aan het herstel van de relaties en het aantrekken van nieuwe financiers en een nieuwe leverancier. Daardoor heeft [Partij III] schade geleden. Zij heeft onder meer een legal opinion gebaseerd op een intern due diligence onderzoek moeten laten opstellen over de status van de IE-rechten omdat [C] (met [Partij II] ) onjuiste informatie aan [bedrijfsnaam 5] heeft verstrekt.

5.17.

De rechtbank constateert dat de belangrijkste verwijten van [Partij III] zijn gericht tegen [H] (als vertegenwoordiger van [bedrijfsnaam 1] ) en in het bijzonder de contacten van [H] met [bedrijfsnaam 5] . [Partij III] schrijft (punt 95 conclusie van dupliek in conventie, conclusie van repliek in reconventie): “ [Partij II] heeft [H] in de gelegenheid gesteld om zich te misbruiken in de gesprekken die [H] met [bedrijfsnaam 5] heeft gevoerd (…)”. [H] was of is echter noch aandeelhouder, noch bestuurder van [Partij II] . Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat hij op enigerlei wijze [Partij II] vertegenwoordigde. In de periode in 2015 waar de verwijten van [Partij III] op zien, was [C] bestuurder en enig aandeelhouder van [Partij II] . Voor zover het handelen van [H] al onrechtmatig was jegens [Partij III] kan dit dan ook niet aan [Partij II] worden toegerekend.

5.18.

De grondslag van de vorderingen van [Partij III] is haar stelling dat [Partij II] onrechtmatig heeft gehandeld door tegenover derden de indruk te wekken dat zij eigenaar was van de IE-rechten. In die stelling kan [Partij III] niet worden gevolgd. De eigendom van de IE-rechten was medio 2015 onderwerp van overleg en onderhandelingen tussen [Partij II] , [Partij III] en andere partijen. Er stond (of staat) niet vast bij wie de eigendom berust(te). [Partij III] beroept zich in dit verband weliswaar op een legal opinion, maar los van het feit dat deze niet is overgelegd in deze procedure, gaat van een dergelijke stuk geen bindende kracht uit voor partijen. Zowel [Partij III] als [Partij II] meenden en menen aanspraak te kunnen maken op de IE-rechten. [Partij III] beroept zich er in deze procedure zelf op dat in 2015 geen afspraken zijn gemaakt en geen aandeelhouders- en participatieovereenkomst tot stand is gekomen omdat partijen het er onder andere niet over eens waren bij wie de eigendom van de IE-rechten berustte. In dat licht kan het niet als onrechtmatig worden beschouwd dat [Partij II] in de persoon van [C] (ook) tegenover derden het standpunt innam dat de eigendom van de IE-rechten bij [Partij II] lag.

slotsom

5.19.

De slotsom is dat de vorderingen van [Partij III] worden afgewezen.

5.20.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [Partij III] veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van [Partij II] tot op heden begroot op (3 x ½ x EUR 1.074 =) EUR 1.611,00 aan advocaatkosten. De nakosten worden begroot als in het dictum vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 16-304

6.1.

veroordeelt [Partij II] tot betaling van EUR 150.000,- aan [Partij I] binnen zeven dagen na dit vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 28 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt [Partij II] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [Partij I] tot op heden begroot op EUR 10.815,75

6.3.

veroordeelt [Partij II] onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen volledig aan dit vonnis voldoet in de nakosten van EUR 157,- te vermeerderen met EUR 82,- in geval van betekening van dit vonnis;

in de zaak 16-922

jegens [Partij I]

in conventie

6.4.

wijst de vordering van [Partij II] jegens [Partij I] af;

6.5.

veroordeelt [Partij II] in de kosten van de procedure aan de zijde van [Partij I] tot op heden begroot op EUR 9.877,50;

in reconventie

6.6.

wijst de vordering van [Partij I] jegens [Partij II] af;

6.7.

veroordeelt [Partij I] in de kosten van de procedure aan de zijde van [Partij II] tot op heden begroot op EUR 2.560,50;

jegens [Partij III]

in conventie

6.8.

veroordeelt [Partij III] tot betaling aan [Partij II] van EUR 186.897,78 te verhogen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2018 tot aan de dag van volledige betaling;

6.9.

veroordeelt [Partij III] in de kosten van de procedure aan de zijde van [Partij II] tot op heden begroot op EUR 11.196,33;

in reconventie

6.10.

wijst de vorderingen af;

6.11.

veroordeelt [Partij III] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [Partij II] tot op heden begroot op EUR 1.611,00;

6.12.

veroordeelt [Partij III] onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen volledig aan dit vonnis voldoet in de nakosten van EUR 157,00 te vermeerderen met EUR 82,00 in geval van betekening van dit vonnis;

in de zaak 16-304 en in de zaak 16-922

6.13.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad met betrekking tot de veroordelingen in 6.1. en 6.9. alsmede alle proceskosten- en nakostenveroordelingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Jaarsveld, mr. D.M. Staal en mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2019.