Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1828

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
472026
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoefte/behoeftigheid. Het enkele feit dat de vrouw een WAZ-uitkering heeft betekent niet dat zij niet in staat moet worden geacht door het verrichten van arbeid aanvullend inkomen te verwerven. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat dit vanwege haar medische problematiek niet van haar gevergd zou kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0129
EB 2019/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/472026 / FA RK 18-7079

Wijziging partneralimentatie

Beschikking van 1 mei 2019


in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de verzoeker,

advocaat mr. M.C. Lugard-van Beijma,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de verweerder,

advocaat mr. C.A.Th. Philipsen.

1
1. Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen ter griffie op 6 december 2018;

  • -

    het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingekomen ter griffie op 4 februari 2019;

  • -

    de aanvullende producties van de vrouw, ingekomen ter griffie op 22 en 25 maart 20 19;

  • -

    de aanvullende producties van de man, ingekomen ter griffie op 21 maart 2019.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 1 april 2019. Partijen zijn verschenen met hun advocaten.

2
2. Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van [datum 1] 2013. Deze beschikking is op [datum 2] 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te [plaatsnaam] .

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 18 maart 2015 is bepaald dat de man met een bijdrage van € 2.018,- bruto per maand in het levensonderhoud van de vrouw moet voldoen, met ingang van 10 november 2014. In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden bij beschikking van 19 november 2015 de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie bekrachtigd voor zover deze zag op de periode na 1 augustus 2015 en voor de daarvoor liggende periode op lagere bedragen vastgesteld.

Bij beschikking van 24 juli 2018 heeft deze rechtbank bepaald dat de man per 1 april 2018 een bedrag van € 1.235,- bruto per maand aan de vrouw moet voldoen.

3. Verzoek en verweer

3.1.

De vrouw verzoekt wijziging, dan wel intrekking, van de beschikking van 24 juli 2018, in die zin dat wordt vastgesteld dat de man vanaf 1 april 2018 een bedrag van € 2.118,47 bruto per maand aan partneralimentatie moet voldoen aan de vrouw, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, danwel een bedrag in goede justitie vast te stellen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

3.2.

Primair verzoekt de man de verzoeken van de vrouw af te wijzen. Subsidiair verzoekt de man de partneralimentatie met ingang van 1 augustus 2018 te wijzigen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht.

4. Beoordeling van het verzochte

Wijziging van omstandigheden

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden.

4.2.

De rechtbank is eveneens oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat het inkomen van de man na 1 april 2018 is gewijzigd. De rechtbank zal aan de hand van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw bepalen.

Huwelijksgerelateerde behoefte

4.3.

Partijen verschillen van mening over de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

4.4.

De rechtbank heeft bij beschikking van 18 maart 2015 berekend dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw conform de zogenoemde hofnorm € 2.337,60 bedraagt. Omdat de vrouw in die procedure haar behoefte lager dan die norm had gesteld, te weten op € 2.000,- netto heeft de rechtbank haar daarin gevolgd. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bij beschikking van 19 november 2015 voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw uitgegaan van een door de man in het geding gebracht overzicht van de uitgaven van de vrouw, gebaseerd op een begroting van de vrouw, met daarop enkele correcties zoals door de vrouw bepleit. Daarmee kwam het hof op een totale behoefte van

€ 2.026,- netto per maand. Bij beschikking van 24 juli 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de man de door het hof vastgestelde behoefte van de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank is in die beschikking dan ook uitgegaan van uitgegaan van die door het hof vastgestelde behoefte, welke geïndexeerd in 2018 afgerond € 2.118,- bedroeg.

De man heeft in deze procedure wederom enkele posten betwist van het behoeftelijstje waarvan het hof destijds is uitgegaan. In reactie hierop heeft de vrouw een nieuw behoeftelijstje in het geding gebracht waarop een netto behoefte van ongeveer € 3.100,- zou volgen. De rechtbank is van oordeel dat geen van partijen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de behoefte van de vrouw door het hof onjuist is vastgesteld, mede in aanmerking genomen het netto besteedbaar inkomen van partijen tijdens het huwelijk.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een andere behoefte uit te gaan. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw nu € 2.160,- netto per maand.

Aanvullende behoefte (behoeftigheid)

4.5.

Partijen verschillen vervolgens van mening in hoeverre de vrouw zelf in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien.

4.6.

De vrouw stelt dat zij niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Ter onderbouwing brengt zij naar voren dat zij 80 % tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard. Zij heeft lichamelijk klachten, waardoor zij niet in staat is om te werken.

4.7.

De man betwist de behoeftigheid van de vrouw. Zij is in staat om een hoger inkomen te genereren, dan enkel de WAZ-uitkering van € 1.107,- netto per maand. De vrouw is in staat om € 1.500,- netto per maand te verdienen, aldus de man.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw gedeeltelijk in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en wel voor een groter deel dan volgt uit haar WAZ-uitkering. Het enkele feit dat zij zo’n uitkering heeft betekent immers niet dat zij niet in staat moet worden geacht door het verrichten van arbeid aanvullend inkomen te verwerven. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat dit vanwege haar medische problematiek niet van haar gevergd zou kunnen worden. Ter onderbouwing heeft de vrouw niets anders in het geding gebracht dan een moeilijk te duiden stuk (productie 16), met medische termen, maar waarvan niet blijkt van wie dit afkomstig is en op wie dit betrekking heeft en waarop bovendien nog met de hand van alles is bijgeschreven. De rechtbank kan hieruit niet opmaken wat dit voor invloed heeft op de verdiencapaciteit van de vrouw. Dat de vrouw een aanvullende verdiencapaciteit heeft blijkt wel uit het feit dat zij in 2018 heeft gewerkt als inval-leerkracht. In het laatste kwartaal van 2018 heeft de vrouw € 1.389,51 bruto verdiend. Daarvan is slechts € 386,72 bruto ingehouden op haar uitkering. Dit betekent dat de vrouw € 1002,79 per kwartaal en dus mocht € 334,26 bruto per maand mocht houden. De vrouw heeft aldus een aanvullende verdiencapaciteit van € 334,26 bruto per maand. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat zij bij haar vorige werkgever niet langer meer als invalkracht wordt ingezet, omdat zij telkens uitviel, maar dit blijkt nergens uit. Bovendien schreeuwt het onderwijs om invalleerkrachten, zodat de vrouw ook bij andere scholen aan het werk zou kunnen, als invalleerkracht of remedial teacher. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de aanvullende verdiencapaciteit van de vrouw verder betrokken dat zij wel in staat is om een studie te volgen aan de universiteit voor de humanistiek, zoals blijkt uit de door haar overgelegde behoeftelijst en dat zij niet langer voor de kinderen hoeft te zorgen.

4.9.

Op basis van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 1.143,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Rekening houdend met de te betalen belasting en de bijdrage voor de zorgverzekeringswet (ZVW) becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening – dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de vrouw van € 1.964,- bruto per maand om volledig in de huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.

Draagkracht man

4.10.

Bij de beoordeling van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de (financiële) gegevens van de man zoals deze volgen uit de door de man overgelegde draagkrachtberekening, met inachtneming van het navolgende.

Woonlasten

4.11.

De vrouw stelt dat de man bij de berekening van zijn draagkracht rekening heeft gehouden met een te hoge aflossing van de hypotheek. De man heeft als woonlasten een bedrag van € 312,- aan hypotheekrente en een bedrag van € 375,- aan aflossing opgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de woonlasten gezien de hoogte van het inkomen van de man bescheiden zijn. Daarnaast volgt de rechtbank het standpunt van de man dat (enige) aflossing op zijn hypotheek redelijk is. Dit gelet op de leeftijd van de man en het belang dat de man heeft om ook na zijn pensionering in de woning te kunnen blijven wonen. De rechtbank zal rekening houden met de door de man gestelde woonlasten.

Advocaatkosten

4.12.

De man verzoekt rekening te houden met een aflossing op advocaatkosten. Volgens aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen kan bij de berekening van de draagkracht bij partneralimentatie rekening worden gehouden met aflossing op advocaatkosten. Er moet aantoonbaar advocaatkosten zijn gemaakt en degene die zich daarop beroept moet geen liquide middelen hebben of die binnen afzienbare termijn verkrijgen. De enkele betwisting van de advocaatkosten door de vrouw acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank zal dan ook rekening houden met een aflossing op de openstaande advocaatkosten met een bedrag van € 114,- per maand gedurende één jaar.

Bijdrage [A (voornaam)]

4.13.

De man betaalt € 450,- per maand in de kosten van levensonderhoud en studie van het jongste kind van partijen, [A (voornaam)] . De vrouw verzoekt te bepalen dat de man slechts een bedrag van € 350,- per maand in mindering mag brengen op zijn draagkracht, omdat hij dit bedrag tot aan vorig jaar voor [A (voornaam)] betaalde. Ter zitting heeft de man naar voren gebracht dat [A (voornaam)] een studieschuld moet aangaan om in haar levensonderhoud te voorzien. In beginsel gaat de onderhoudsverplichting van een (jong)meerderjarige voor op de onderhoudsverplichting van een ex-partner. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het redelijk is dat de man een bedrag van € 450,- per maand voldoet in de kosten van levensonderhoud en studie van [A (voornaam)] en dat dit bedrag in mindering strekt op zijn draagkracht.

Terugwerkende kracht

4.14.

De vrouw verzoekt (onder verwijzing naar HR 24 september 2010, NJ 2010/595) de ingangsdatum van de bijdrage te bepalen op 1 april 2018, omdat het inkomensverlies beperkt was in tijd en het inkomensverlies is hersteld. De man betwist verzoekt de ingangsdatum te bepalen op 1 augustus 2018. De rechtbank ziet in hetgeen de vrouw gesteld heeft geen aanleiding om de ingangsdatum vast te stellen op 1 april 2018. De man heeft gedurende een aantal maanden een lager inkomen gehad, omdat hij geen werk had. Bij beschikking van 24 juli 2018 is om die reden de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw naar beneden bijgesteld. Nu de man per 1 augustus 2018 weer werkt, acht de rechtbank het redelijk die datum als ingangsdatum te nemen voor de verhoogde bijdrage.

Conclusie

4.15.

Uitgaande van voormelde gegevens becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekeningen – de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op een bedrag van € 1.531,- bruto per maand, met ingang van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2019 en na 1 augustus 2019 op € 1.643,- bruto per maand.

Proceskosten

4.16.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de kosten van de procedure, omdat de man niet bereid was overeenstemming te bereiken voor de zitting. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank zal de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld, zoals gebruikelijk in procedures van familierechtelijke aard.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op een bedrag van € 1.531,- per maand, met ingang van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2019 en na 1 augustus 2019 op € 1.643,- bruto per maand.

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Quaedvlieg, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2019.

Hoger beroep

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.