Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1791

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
C/16/472330 / FA RK 18-7210
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vrouw woont samen in de zin van art. 1:160 BW en niet als mantelzorger. Geen veroordeling kosten recherchebureau. Rechtbank is kritisch over het niveau en de controleerbaarheid van onderzoek en toonzetting van de rapportage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/472330 / FA RK 18-7210

beëindiging partneralimentatie

Beschikking van 10 mei 2019


in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.H.E. Janssen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. W. Brouwer.

1
1. Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van de man, ingekomen op 14 december 2018;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw, tevens houdende zelfstandige verzoek, ingekomen op 11 februari 2019;

  • -

    het F9-formulier van de man met verweer op zelfstandig verzoek en productie 9 t/m 14, ingekomen op 29 maart 2019;

  • -

    het F9-formulier van de vrouw met productie 4 t/m 6, ingekomen op 1 april 2019.

1.2.

De zaak is behandeld op de zitting met gesloten deuren van 12 april 2019. Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen. De advocaat van de vrouw overlegt op de zitting een pleitnotitie.

2
2. Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank Utrecht (nu rechtbank Midden-Nederland) bij beschikking van [datum 1] 2006. Deze beschikking is op [datum 2] 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te [plaatsnaam] .

2.2.

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man met € 650,00 per maand dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Bij beschikking van 19 augustus 2009 is dit bedrag gewijzigd naar € 1.042,00 per maand.

3. Verzoek en verweer

3.1.

De man verzoekt wijziging van de beschikking van 19 augustus 2009 en verzoekt, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht te verklaren dat de vrouw met ingang van 11 juni 2018 samenwoont met een ander als ware zij gehuwd, zodat de alimentatieverplichting van de man met ingang van dat moment van rechtswege is geëindigd;

  • -

    de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen, uiterlijk binnen één week na de datum van de beschikking, een bedrag van € 2.239,92 ter zake door hem onverschuldigd betaalde partneralimentatie te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag verschuldigd is van € 5.249,00 onderzoekskosten recherchebureau en de vrouw te veroordelen dit bedrag aan de man te betalen binnen één week na de datum van de beschikking en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    de vrouw te veroordelen tot betaling binnen één week na de datum van de beschikking van de advocaatkosten van de man te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2018 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De vrouw voert verweer en stelt dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij verzoekt de man te veroordelen in de proceskosten.

4. Beoordeling van het verzochte

4.1.

De man stelt dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geëindigd per 11 juni 2018 omdat de vrouw vanaf dat moment samenwoont met een ander, de heer [A] , als ware zij gehuwd.

4.2.

De vrouw betwist dat er sprake is van samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW. Zij stelt dat de haar relatie met de heer [A] meer het karakter heeft van mantelzorger dan van een liefdesrelatie.

Wettelijk kader

4.3.

Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een voormalig echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of hun partnerschap hadden laten registreren. Volgens vaste jurisprudentie is hier sprake van als voldaan is aan de volgende vijf criteria:

  • -

    er is een affectieve relatie,

  • -

    die duurzaam is,

  • -

    waarin wordt samengewoond,

  • -

    een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd en

  • -

    de partners elkaar wederzijds verzorgen.

Aan de conclusie dat sprake is van een samenleven als bedoeld in artikel 1:160 BW worden hoge motiveringseisen gesteld, omdat dit een definitief einde brengt aan de onderhoudsverplichting van (in dit geval) de man en de vrouw geen beroep meer kan doen op gewijzigde omstandigheden om op een later moment weer aanspraak te maken op een bijdrage van haar ex.

Affectieve duurzame relatie en samenwoning

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een duurzame affectieve relatie tussen de vrouw en de heer [A] waarin wordt samengewoond vanaf 11 juni 2018. De vrouw en de heer [A] hebben elkaar in juni 2017 voor het eerst ontmoet via een datingsite. Er is een affectieve relatie ontstaan. In de periode van november 2017 tot juni 2018 is er sprake geweest van veel ziekenhuisopnames van de heer [A] met revalidatieperiodes. Zijn situatie werd zo slecht dat hij niet meer alleen terug naar huis kon. De vrouw stelt dat zij is gaan samenwonen met de heer [A] om hem te verzorgen tot zijn overlijden en dat de affectieve relatie in dat proces is veranderd in een relatie van mantelzorger en hulpbehoevende. De rechtbank volgt de vrouw niet in deze stelling. De vrouw en de heer [A] hebben namelijk beiden hun eigen huurwoning opgezegd en samen een nieuwe (gelijkvloerse) woning gehuurd met één slaapkamer. Zij hebben de woning samen ingericht. De vrouw heeft niet haar eigen, grotere, huurwoning aangehouden. De rechtbank leidt hieruit af dat de samenwoning niet enkel samenhing met de verzorging van de heer [A] en bovendien een duurzaam karakter beoogde. Immers, de nieuwe huurwoning van de vrouw en de heer [A] was niet enkel bedoeld voor de periode tot aan het overlijden van de heer [A] . Zij hebben hun samenwoning zo geregeld dat de vrouw na zijn overlijden in hun gezamenlijke huurwoning kan blijven. De keuze om met het vooruitzicht dat de heer [A] op korte termijn komt te overlijden samen te gaan wonen in een kleine(re) huurwoning waarbij de vrouw en de heer [A] een slaapkamer delen en de vrouw daar zal blijven na zijn overlijden, legt de rechtbank uit als een samenwoning in het kader van een duurzame affectieve relatie. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of er ook sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging.

Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. De vrouw en de heer [A] delen de kosten voor de huur, gas, water en licht en de kosten van de boodschappen. Zij hebben de huurwoning samen ingericht en hiervoor ieder stukken aangeschaft voor gezamenlijk gebruik. Dat de heer [A] zelf de kosten van zijn auto betaalt en ieder de eigen ziektekosten voor zijn rekening neemt, is onvoldoende om te concluderen dat er geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Immers, volledige financiële verstrengeling is niet vereist. De stelling van de vrouw dat bij de verzorging het wederzijdse component ontbreekt omdat de heer [A] fysiek niet in staat is de vrouw zorg te bieden, volgt de rechtbank niet. Het criteria wederzijdse verzorging ziet namelijk niet enkel op fysieke verzorging, maar kan ook ingevuld worden met het delen van kosten en gebruik maken van elkaars spullen.

Terugbetalingsverplichting

4.6.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw gehouden is de te veel ontvangen alimentatie over de periode van 11 juni 2018 tot [datum 2] 2018 terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, omdat de rechtbank vaststelt dat de vrouw met ingang van 11 juni 2018 in de zin van artikel 1:160 BW en haar recht op partneralimentatie daarmee is geëindigd. De partneralimentatie die de man sinds 11 juni 2018 tot [datum 2] 2018 heeft betaald is daarom onverschuldigd betaald. Daaruit vloeit een terugbetalingsverplichting voort.

De man maakt ook aanspraak op de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. De terugbetalingsverplichting vindt haar grondslag in onverschuldigde betaling. In geval van onverschuldigde betaling treedt verzuim pas in na ingebrekestelling.

De man stelt dat hij de vrouw bij brief van 10 oktober 2018 in gebreke heeft gesteld. De man vordert daarom de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de ingebrekestelling. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw ten aanzien van de bedragen die over de periode van 11 juni 2018 tot [datum 2] 2018 zijn betaald met ingang van 25 oktober 2018 tot aan de dag van voldoening wettelijke rente is verschuldigd.

Vergoeding kosten rechercheonderzoek

4.7.

De rechtbank zal het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van het rechercheonderzoek afwijzen. Ingevolge artikel 6:96 BW komen kosten als de deze voor (schade)vergoeding in aanmerking als zowel het inschakelen van het onderzoeksbureau als de daardoor gemaakte kosten redelijk zijn. De man heeft in februari 2018, dus voor het moment dat er sprake was van een samenwoning, al opdracht gegeven voor het rechercheonderzoek. De vrouw had op dat moment (nog) geen meldingsplicht, immers zij woonde toen nog niet samen. Dat de man toen al een onderzoek is gestart, dient daarom voor zijn rekening en risico te komen. Daarnaast is de rechtbank kritisch over het niveau en de toonzetting van de rapportage en de kwaliteit van het onderzoek door [naam onderzoeksbureau] . Zo is er sprake van een zeer beperkt aantal observaties in een korte periode, namelijk tussen 5 juni 2018 en 4 augustus 2018 en is er in de periode daarvoor een onderzoek naar digitale bronnen en social media dat in het kader van de beantwoording van de vraag of de vrouw is gaan samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW weinig toevoegt. Daarnaast is uit het rapport niet goed af te leiden wanneer precies zicht is gehouden op de woning van de vrouw en op welke momenten dan welke observaties zijn gedaan. Dat heeft tot gevolg dat de conclusies uit het rapport niet goed controleerbaar zijn aan de hand van de observaties en verdere informatie uit het rapport. Ten slotte vindt de rechtbank nog van belang dat de vrouw op toen de man haar dat vroeg heeft erkend dat zij samenwoonde en heeft aangeboden om over die periode de betaalde alimentatie terug te betalen.

Proceskostenveroordeling en vergoeding advocaatkosten

4.8.

De rechtbank zal de verzoeken van partijen om de ander te veroordelen in de kosten afwijzen, omdat het een procedure tussen ex-partners betreft. Om dezelfde reden zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen om de vrouw te veroordelen zijn advocaatkosten te betalen. Het geschil tussen partijen vloeit voort uit de beëindiging van hun relatie. In deze situatie ziet de rechtbank geen aanleiding om één van hen te veroordelen in de kosten van de procedure of tot betaling van de advocaatkosten van de ander.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat de bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 19 augustus 2009 aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, met ingang van 11 juni 2018 is geëindigd;

5.2.

bepaalt dat de vrouw is gehouden de te veel betaalde alimentatie terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 25 oktober 2018 tot aan de datum van algehele voldoening binnen vier weken na betekening van deze beschikking;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte;

5.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 mei 2019.

Hoger beroep

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.