Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1743

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
7243543 UE VERZ 18-355
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

deelgeschil. werkneemster valt terwijl zij twee vuilniszakken draagt. Werkgever niet aansprakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1211
PS-Updates.nl 2019-1299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7243543 UE VERZ 18-355 SM/1152

Beschikking van 27 februari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.W. Janssens,

tegen:

de besloten vennootschap

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. R. Gruben.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met producties,

het verweerschrift met producties,

de brief van 5 oktober 2018 van [verzoekster] met aanvullende producties,

de mondelinge behandeling waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,

de pleitaantekeningen van [verzoekster] .

2 Het geschil

2.1.

[verweerster] levert hulp in de huishouding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). [verzoekster] was in dienst van [bedrijfsnaam] B.V.

als huishoudelijke hulp. Op 19 januari 2015 is [verzoekster] tijdens haar werkzaamheden bij een cliënt van [verweerster] gevallen (hierna: de cliënt). Bij deze val heeft zij letsel aan haar schouder opgelopen. Volgens [verzoekster] heeft [verweerster] niet voldaan aan haar zorgplicht als werkgever. Daarom verzoekt zij in dit deelgeschil dat de kantonrechter bepaalt dat [verweerster] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van dit ongeval lijdt en heeft geleden.

2.2.

Volgens [verzoekster] gebeurde op 19 januari 2015 het volgende: Zij liep met twee vuilniszakken, in iedere hand één, richting de voordeur van het huis van de cliënt, om de vuilniszakken naar buiten te brengen. De cliënt riep dat [verzoekster] nog terug moest komen, omdat er nog iets moest gebeuren. [verzoekster] kon bij het omdraaien haar evenwicht niet bewaren. Zij viel met haar schouder tegen de deurpost. Volgens [verzoekster] kon zij haar evenwicht niet bewaren, omdat zij de vuilniszakken - volgens de instructies van [verweerster] - van zich af moest houden en doordat zij uitgleed op de linoleum vloer.

2.3.

[verweerster] wijst de aansprakelijkheid af. Volgens [verweerster] staat niet vast dat [verzoekster] het letsel heeft opgelopen bij haar werkzaamheden in dienst van [verweerster] . [verzoekster] is de enige die hierover heeft verklaard en er zijn geen getuigen van het voorval. Als het wel zo zou zijn dat zij schade heeft geleden tijdens haar werkzaamheden bij de cliënt van [verweerster] , dan stelt [verweerster] dat zij niet tekort is geschoten in haar plicht als werkgever om te zorgen voor voldoende veiligheid

3 De beoordeling

3.1.

[verweerster] heeft erop gewezen dat [verzoekster] de verkeerde rechtspersoon in het deelgeschil heeft betrokken, omdat [verzoekster] in dienst was bij [bedrijfsnaam] B.V. en niet bij [verweerster] . [verweerster] heeft echter ook naar voren gebracht dat zij er geen bezwaar tegen heeft als in het verzoekschrift in de plaats van [verweerster] B.V. wordt gelezen: [bedrijfsnaam] B.V. De kantonrechter zal het verzoek daarom behandelen alsof dit is ingediend tegen [bedrijfsnaam] B.V. en deze rechtspersoon verder ook aanduiden als [verweerster] .

3.2.

Dat de cliënt, die in een rolstoel zat, [verzoekster] niet heeft zien vallen, is geen reden om aan te nemen dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden tijdens werkzaamheden voor [verweerster] bij de cliënt. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de cliënt wel gehoord heeft dat zij is gevallen. Hierop is namens [verweerster] aangegeven dat de cliënt - na telefonische navraag door [verweerster] - heeft bevestigd dat zij heeft gehoord dat [verzoekster] is gevallen. De kantonrechter gaat er daarom bij de beoordeling van het geschil vanuit dat het ongeval is gebeurd tijdens de werkzaamheden van [verzoekster] voor [verweerster] en dat het is gegaan zoals [verzoekster] in haar verzoekschrift heeft beschreven.

3.3.

De werkgever heeft een wettelijke zorgplicht voor de veiligheid van de werknemer. Dit is bepaald in artikel 7:658 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel stelt hoge eisen aan de veiligheid van de werkplek en het gereedschap waarmee de werkgever de werknemers laat werken. De werkgever moet ook aanwijzingen geven die nodig zijn om het werk veilig te verrichten en hij moet er op toezien dat die aanwijzingen worden nageleefd. De werkgever is aansprakelijk voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in het eerste lid genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer (artikel 7:658 lid 2).

3.4.

Het vereiste hoge veiligheidsniveau wil niet zeggen dat de werkgever de werknemer tegen elk denkbaar gevaar moet beschermen. Het gaat erom dat de werkgever de maatregelen neemt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat een werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. In situaties die ook in het normale dagelijkse leven voorkomen en die een beperkt risico inhouden, mag van de werknemer worden verwacht dat hij of zij zelf voldoende oplettend is om dit risico te voorkomen. Voor dergelijke dagelijks voorkomende voorvallen hoeft de werkgever geen extra maatregelen te nemen om deze te voorkomen en hij hoeft er ook niet speciaal voor te waarschuwen.

3.5.

Volgens [verzoekster] is [verweerster] op de volgende punten tekortgeschoten in haar zorgplicht:

- zij heeft haar medewerkers de instructie gegeven dat de vuilniszak van het lichaam moet worden afgehouden. Juist door deze instructie is het moeilijker om het evenwicht te bewaren. [verweerster] had de instructie moeten geven dat er maar één zak tegelijk gedragen mag worden.

- zij had haar medewerkers moeten voorzien van schoenen met stroeve zolen, zodat ze niet kunnen uitglijden als ze moeten werken op een plaats met een gladde vloer,

- [verzoekster] moest werken onder grote tijdsdruk. De huishoudelijke werkzaamheden waar zij eerst drie uur de tijd voor had, moest zij nu in anderhalf uur doen.

3.6.

De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van een dagelijks voorkomende situatie waarin [verweerster] geen nadere instructies hoefde te geven. Dit oordeel is gebaseerd op het volgende.

3.7.

[verweerster] heeft toegelicht dat zij haar werknemers de instructie geeft dat zij de vuilniszak niet te dicht bij het lichaam moeten houden en niet langs het been laten schuren. Zij geeft deze instructie omdat er scherpe voorwerpen in een vuilniszak kunnen zitten, die de werknemer zouden kunnen verwonden. Zij heeft dit ook zo in de personeelsgids vermeld. Dit is een begrijpelijke instructie die verband houdt met de hygiëne en de veiligheid van werknemers. [verweerster] hoefde geen nadere instructies te geven over de manier waarop een vuilniszak gedragen moet worden. Het lopen met een vuilniszak is immers een gewone huishoudelijke bezigheid die nagenoeg iedereen regelmatig verricht. Bovendien heeft [verweerster] er op gewezen dat het lopen met een vuilniszak in elke hand, zoals [verzoekster] heeft gedaan, juist goed is voor de balans.

3.8.

Er is ook geen reden om aan te nemen dat [verweerster] uit oogpunt van veiligheid speciale schoenen aan haar werknemers moest verstrekken. Zij mocht het - mede gelet op de aard van de uit te voeren (schoonmaak)werkzaamheden - aan haar werknemers zelf overlaten om ervoor te zorgen dat hun kleding en schoeisel geschikt zijn voor het uitoefenen van hun werkzaamheden. Normale stevige schoenen zijn over het algemeen geschikt voor schoonmaakwerk. Dat was in het huis van de cliënt van [verweerster] niet anders. In de gang waar [verzoekster] is gevallen lag linoleum. Dat is een heel normale vloerbedekking die in veel woonhuizen voorkomt. Dat [verzoekster] - zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld - voorafgaand aan haar val buiten aan het werk was geweest en mogelijk natte schoenen had, doet hier niet aan af.

3.9.

Naar aanleiding van de klacht van [verzoekster] dat zij dezelfde werkzaamheden in de helft van de tijd moest doen, heeft [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat [verweerster] geen invloed heeft op de hoeveelheid tijd die er besteed wordt aan huishoudelijke hulp bij een cliënt. In dit geval was er een herindicatie van de cliënt door de gemeente, waardoor er minder huishoudelijke hulp werd vergoed. [verweerster] heeft benadrukt dat niet van [verzoekster] werd verwacht dat zij dezelfde werkzaamheden in de helft van de tijd zou doen. Uit het gesprek dat op dit punt ter zitting met partijen is gevoerd, is gebleken dat de vermindering van de werkzaamheden nog maar een week voor het valincident was ingegaan. [verzoekster] heeft opgemerkt dat het ging om een veeleisende cliënt. Het is daarom wel voor te stellen dat [verzoekster] tijdsdruk voelde bij haar werk, maar dat betekent nog niet dat [verweerster] op dit punt haar zorgplicht zou hebben geschonden. [verzoekster] heeft pas ter zitting de gestelde zorgplicht op dit punt onderbouwd en [verweerster] verweten dat [verweerster] de cliënt en/of [verzoekster] niet op de hoogte heeft gesteld dat er minder werkzaamheden hoefden te worden verricht. [verweerster] heeft daar tegenin gebracht dat met de cliënt is overeengekomen welke werkzaamheden er worden verricht en dat de werknemers er altijd op worden gewezen dat ze contact op moeten nemen met hun leidinggevende als een cliënt te veeleisend is.

3.10.

Maar zelfs als het zo zou zijn dat [verweerster] op dit punt niet aan haar zorgplicht zou hebben voldaan, waardoor [verzoekster] door een gebrek aan informatie ten onrechte veronderstelde dat zij hetzelfde werk moest blijven doen in veel minder tijd, dan leidt dat niet tot aansprakelijkheid van [verweerster] . Niet is gebleken dat de gestelde tijdsdruk de oorzaak is van de val. Uit wat [verzoekster] naar voren heeft gebracht, blijkt dat zij werd teruggeroepen door de cliënt terwijl zij met de vuilniszakken naar de buitendeur liep en dat zij zich daarom omdraaide. De oorzaak van haar val is dus niet gelegen in gestelde werkdruk, maar in de ongelukkige samenloop dat de cliënt haar terugriep en [verzoekster] bij het omdraaien haar evenwicht heeft verloren.

3.11.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat [verzoekster] ongelukkig is gevallen en dat deze val heel nare gevolgen voor haar heeft. Voor de vraag of zij de schade die zij door deze ongelukkige val heeft geleden kan verhalen op [verweerster] , is echter een juridische beoordeling nodig van de aansprakelijkheid van [verweerster] . Zoals hiervoor is geconcludeerd is aan de vereisten voor deze aansprakelijkheid niet voldaan. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.

3.12.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten wordt de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

3.13.

[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 4.573,80 (13,5 uur x een uurtarief van € 280,00 te vermeerderen met 21% btw). [verweerster] voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is, terwijl zij met betrekking tot het uurtarief aanvoert dat het bovenmatig is. De kantonrechter ziet geen reden de kosten te matigen. Het gehanteerde tarief is hoog, maar afgezet tegen het aantal uren dat is begroot voor het gehele deelgeschil is de kantonrechter van oordeel dat het totale bedrag binnen redelijke grenzen blijft. De kantonrechter zal deze kosten daarom begroten conform het verzoek. Dit bedrag moet worden vermeerderd met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 79,00. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan wordt het verzoek tot veroordeling van de betaling van deze kosten afgewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

wijst de verzoeken af,

4.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.652,80

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Wilken, in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019 en ondertekend door mr. J.O. Zuurmond, wegens verhindering van mr. Wilken.