Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1478

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-04-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
NL18.5132
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Auteursrecht op software. Artikel 45j Auteurswet. Tussenvonnis want te weinig informatie om te beoordelen of gepleegde werkzaamheden aan software zijn toegestaan. Ongeoorloofde concurrentie. Uitleg veroordeling ivm dwangsommen. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2016:6791)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.5132

Vonnis van 10 april 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RAINBOW SOLUTIONS B.V.,
gevestigd te Geldermalsen,
eiseres van de vordering,
verweerster op de tegenvordering,
hierna te noemen: Rainbow,
advocaat mr. L.E.J. Jonker te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweersters op de vordering,
eiseressen van de tegenvordering,
hierna te noemen: [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] ,
advocaat mr Q.J.A. Meijnen te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift met een tegenvordering

  • -

    het verweerschrift op de tegenvordering

  • -

    de akte vermeerdering van de vordering en vermeerdering van de grondslag van 16 november 2018

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 20 november 2018.

1.2.

Daarna heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2 Inleiding

Waar gaat deze zaak over?

2.1.

Deze zaak gaat over auteursrechten op software. Welke (onderhouds)handelingen mag een andere partij dan de auteursrechthebbende verrichten? Centraal staat daarbij artikel 45j van de Auteurswet (Aw), waarin is opgeschreven welke handelingen geen inbreuk op het auteursrecht opleveren. Deze zaak gaat ook over ongeoorloofde concurrentie en over de uitleg van bevelen uit een eerder vonnis vanwege gevorderde dwangsommen.

Wat is er gebeurd?

2.2.

Rainbow is een ICT-dienstverlener. Zij houdt zich onder meer bezig met bedrijfssoftware voor logistieke dienstverleners. [verweerster sub 1] is ook een ICT-dienstverlener. Zij biedt ook service, onderhoud en support aan gebruikers van het softwareproduct ‘ [softwareproduct 1] ’ (hierna: [afkorting softwareproduct 1] -software). [verweerster sub 2] is bestuurder van [verweerster sub 1] en de heer [A] is bestuurder van [verweerster sub 2] .

2.3.

De [afkorting softwareproduct 1] -software is ontwikkeld door het bedrijf dat handelde onder de naam “ [handelsnaam] ”. De [afkorting softwareproduct 1] -software wordt door transportbedrijven en logistieke bedrijven gebruikt als back-office systeem voor hun bedrijfsprocessen. De software verzorgt de afwikkeling van het totale logistieke proces van een transportonderneming. Met de software kunnen bedrijven onder andere transportopdrachten innemen, orders opmaken, factureren en ritten plannen. De [afkorting softwareproduct 1] -software heeft verschillende versies. Waar in deze zaak over [afkorting softwareproduct 1] -software wordt gesproken gaat het om de versies [versie 1] en [versie 2] .

2.4.

[handelsnaam] is in 2014 failliet gegaan. Tot dat moment was [verweerster sub 2] bestuurder van [handelsnaam] . Op 27 oktober 2014 heeft Rainbow met de curator van [handelsnaam] een koopovereenkomst gesloten en daarna zijn de activa van [handelsnaam] aan Rainbow overgedragen. Ook de intellectuele eigendomsrechten van de [afkorting softwareproduct 1] -software waren onderdeel van de verkoop. Rainbow heeft een aantal van de lopende overeenkomsten met gebruikers van de [afkorting softwareproduct 1] -software overgenomen. Een deel van de gebruikers van de [afkorting softwareproduct 1] -software wilde de overeenkomst niet voortzetten met Rainbow, maar zij gebruiken nog wel de [afkorting softwareproduct 1] -software.

2.5.

Medio december 2014 heeft de heer [A] namens [verweerster sub 1] een brief verstuurd aan oude klanten van [handelsnaam] (hierna: brief van medio december 2014). In die brief stond onder meer dat Rainbow de auteursrechten van de [afkorting softwareproduct 1] -software niet zou hebben overgenomen en dat zij geen zeggenschap zou hebben over de software. De brief vermeld verder dat [verweerster sub 2] beschikkingsbevoegd blijft ten aanzien van de software en dat zij [verweerster sub 1] heeft verzocht om onderhoud aan de software te verrichten.

2.6.

Toen Rainbow er achter kwam dat de heer [A] de brief van medio december 2014 had verstuurd heeft zij [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] gedagvaard. Zij vond de brief onrechtmatig en vorderde onder meer dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] geen (onderhouds)werkzaamheden (meer) aan de [afkorting softwareproduct 1] -software mochten verrichten. Daarna heeft bij de rechtbank Midden-Nederland een procedure plaatsgevonden. Na een tussenvonnis op 28 december 2016 (hierna: tussenvonnis van 28 december 2016) is op 22 maart 2017 is in die zaak het eindvonnis uitgesproken (hierna: vonnis van 22 maart 2017). Daarin heeft de rechtbank – kort samengevat – geoordeeld:

  1. Rainbow heeft de auteursrechten verbonden aan de [afkorting softwareproduct 1] -software (zowel [versie 1] als [versie 2] ).

  2. Door het versturen van de brief van medio december 2014 hebben [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] onrechtmatig gehandeld.

  3. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] moeten binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis een rectificatiebrief sturen aan alle bedrijven aan wie brief van medio december 2014 is verstuurd.

  4. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] mogen – in het kader van onderhoud en support van [afkorting softwareproduct 1] -software – de broncode van de [afkorting softwareproduct 1] -software niet gebruiken in de in het vonnis genoemde gevallen.

  5. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] moeten binnen 60 dagen na betekening van het vonnis een door een registeraccountant goedgekeurde schriftelijke rapportage aan Rainbow verstrekken over de uitgevoerde werkzaamheden aan de [afkorting softwareproduct 1] -software.

  6. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] moeten een dwangsom te betalen als zij niet, niet volledig of niet tijdig de onder 3, 4 en 5 genoemde bevelen van de rechtbank (tot een maximum van € 100.000,-) opvolgen.

2.7.

[verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben rectificatiebrieven verstuurd. Daarna hebben ze een registeraccountant ( [naam accountantskantoor] ) een rapportage (hierna: de rapportage) laten maken met betrekking tot uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden aan [afkorting softwareproduct 1] -software bij klanten. De rapportage is aan Rainbow verstuurd. Bij de rapportage zat een lijst met per klant een overzicht van uitgevoerde (onderhouds)werkzaamheden en de in rekening gebrachte bedragen (hierna: de lijst met werkzaamheden).

Vordering en tegenvordering

2.8.

Rainbow maakt uit de lijst met werkzaamheden op dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] inbreuk hebben gemaakt op het auteursrecht van Rainbow. Volgens Rainbow is ook sprake van ongeoorloofde concurrentie door [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] . Rainbow zegt dat ze door de inbreuk op het auteursrecht, de ongeoorloofde concurrentie en het versturen van de brief van medio december 2014 schade heeft geleden. Daarnaast stelt Rainbow dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] niet aan de bevelen uit vonnis van 22 maart 2017 hebben voldaan. Volgens Rainbow is de rectificatiebrief niet naar alle bedrijven gestuurd die de brief van medio december 2014 hebben ontvangen. Ten slotte is de rapportage volgens Rainbow niet zo opgesteld als de rechtbank in het vonnis van 22 maart 2017 heeft bevolen.

2.9.

Daarom vordert Rainbow – kort samengevat – en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] met hun handelen inbreuk hebben gemaakt (en nog steeds maken) op de auteursrechten van Rainbow op de broncode van de [afkorting softwareproduct 1] -software.

II. Primair: [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 113.822,53 vanwege de auteursrechtinbreuk en het overige onrechtmatig handelen.
Subsidiair: [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding door de auteursrechtinbreuk en het overige onrechtmatig handelen, op te maken bij staat.

III. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] te veroordelen tot € 100.000,- aan verbeurde dwangsommen.

IV. Hoofdelijke proceskostenveroordeling ex. artikel 1019h Rv.

2.10.

[verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] voeren hiertegen verweer en vinden dat Rainbow de proceskosten ex. artikel 1019h Rv moeten betalen. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben ook een tegenvordering ingesteld. Zij vorderen dat eventuele toegewezen dwangsommen moeten worden opgeheven of verminderd. Zij vinden dat het onredelijk is om van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] meer inspanning en zorgvuldigheid te vragen dan dat zij nu hebben gedaan. Rainbow heeft verweer gevoerd tegen deze tegenvordering.

3 De beoordeling

van de vordering

Samenvatting

3.1.

Rainbow verwijt [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] drie onrechtmatige handelingen die tot het betalen van schadevergoeding moeten leiden (zie 2.8): (i) auteursrechtinbreuk, (ii) de brief van medio december 2014 en (iii) ongeoorloofde concurrentie. Vast staat (vanwege het vonnis van 22 maart 2017) dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] door het versturen van de brief van medio december 2014 onrechtmatig hebben gehandeld. Verder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van ongeoorloofde concurrentie door [verweerster sub 1] en/of [verweerster sub 2] . Of er sprake is geweest van een auteursrechtinbreuk kan op dit moment niet worden vastgesteld. Het is namelijk nog niet duidelijk wat de door [verweerster sub 1] verrichte werkzaamheden aan de [afkorting softwareproduct 1] -software precies inhouden. Dat zullen partijen nog nader moeten toelichten. Als er sprake is van een auteursrechtinbreuk, dan is alleen [verweerster sub 1] daarvoor aansprakelijk en niet [verweerster sub 2] . Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht en schadevergoeding nog niet volledig kunnen worden beoordeeld.

3.2.

Het gevorderde bedrag aan dwangsommen zal worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de rapportage voldoet aan de veroordeling uit het vonnis van 22 maart 2017. Verder is ook niet gebleken dat de rectificatiebrief niet naar alle bedrijven is gestuurd die de brief van medio december 2014 hebben ontvangen .

3.3.

Hieronder zal worden uitgelegd hoe de rechtbank tot deze conclusies is gekomen.

Onrechtmatig handelen

Auteursrechtinbreuk

3.4.

In de volgende overwegingen zal worden uitgelegd dat de rechtbank nog niet kan vaststellen dat de werkzaamheden die [verweerster sub 1] heeft verricht aan de [afkorting softwareproduct 1] -software aan te merken zijn als een auteursrechtinbreuk.

3.5.

Er is alleen sprake van een auteursrechtinbreuk als door de werkzaamheden aan de [afkorting softwareproduct 1] -software een verveelvoudiging van het werk plaatsvindt. Onder verveelvoudiging wordt ook verstaan ‘iedere gehele of gedeeltelijke bewerking’ (artikel 13 Aw) van het werk (bijvoorbeeld de broncode van software). Volgens [verweerster sub 1] bestonden de door haar verrichte werkzaamheden uit aanpassingen van de programmacode (broncode) van de [afkorting softwareproduct 1] -software. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat alle verrichte (onderhouds)werkzaamheden uit de lijst met werkzaamheden een verveelvoudiging inhielden. Dat betekent in principe dat dit een auteursrechtinbreuk is.

3.6.

Maar er zijn ook verveelvoudigingen die geen auteursrechtinbreuk opleveren (artikel 45j Aw). Ten eerste moet het gaan om verveelvoudigingen door een rechtmatige verkrijger. De rechtmatige verkrijgers zijn in dit geval de gebruikers van de [afkorting softwareproduct 1] -software die een exemplaar van het programma hebben op basis van een overeenkomst met de auteursrechthebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat de gebruikers van de [afkorting softwareproduct 1] -software de rechtmatige verkrijgers zijn. Verder staat tussen partijen vast dat de rechtmatige gebruikers het onderhoud aan een derde (zoals [verweerster sub 1] ) mogen uitbesteden (zie vonnis van 22 maart 2017). Die derde pleegt daarmee geen inbreuk op het auteursrecht als dit onderhoud binnen het kader van artikel 45j Aw blijft. Het moet dan volgens artikel 45j Aw gaan om een verveelvoudiging die noodzakelijk is voor het gebruik van het [afkorting softwareproduct 1] -software en dat gebruik moet het beoogde gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software zijn. De auteursrechthebbende kan met de gebruikers/verkrijgers overeenkomen dat deze handelingen toch niet zijn toegestaan. Volgens [verweerster sub 1] zijn dit soort overeenkomsten niet gesloten. Rainbow heeft dat niet weersproken en dus gaat de rechtbank daar ook van uit en dus geldt onverminderd het kader van artikel 45j Aw.

3.7.

De eerste vraag is dan: wat is het beoogde gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software? Dat is op dit moment niet duidelijk. [verweerster sub 1] heeft een artikel van het ICT Informatiecentrum overgelegd over [afkorting softwareproduct 1] -software en een Wikipediapagina over het ‘transportmanagementsysteem’. Zij vertelt daar verder niet bij welk beoogd gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software volgens haar uit die documenten moet worden afgeleid. Rainbow heeft ook niet verteld wat volgens haar het beoogde gebruik is.

3.8.

Vervolgens is de vraag: zijn de onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk voor dat gebruik? Volgens de wetsgeschiedenis moet het gaan om “handelingen die technisch absoluut vereist zijn om het programma te kunnen gebruiken overeenkomstig het beoogde doel1. Het moet dus gaan om onderhoud aan de [afkorting softwareproduct 1] -software zonder welk onderhoud het beoogde gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software niet meer (goed) mogelijk is. Om dat te kunnen beoordelen moet duidelijk zijn wat voor werkzaamheden [verweerster sub 1] precies heeft verricht. De lijst met werkzaamheden bevat een korte omschrijving van alle werkzaamheden. [verweerster sub 1] vindt dat al die werkzaamheden noodzakelijk waren voor het met de [afkorting softwareproduct 1] -software beoogde gebruik. Het ging volgens haar om het repareren van omissies in het programma en werkzaamheden om er voor te zorgen dat gebruikers van de [afkorting softwareproduct 1] -software het programma konden blijven gebruiken waarvoor het bedoeld is. Er zijn volgens [verweerster sub 1] geen nieuwe functionaliteiten toegevoegd.

3.9.

Rainbow vindt dat uit de omschrijving van de werkzaamheden niet duidelijk volgt wat die werkzaamheden precies inhielden. Ondanks deze gestelde onduidelijkheid, heeft Rainbow wel bij iedere door [verweerster sub 1] gegeven omschrijving vermeld wat volgens haar de door [verweerster sub 1] verrichte werkzaamheden inhielden (in het kader van artikel 45j Aw). Zij komt vervolgens tot de conclusie dat geen van de werkzaamheden noodzakelijk waren voor het beoogde gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software. Het gaat volgens haar om werkzaamheden die zijn gericht op het vergroten van de functionaliteit of het gebruiksgemak.

3.10.

Op basis van de lijst met werkzaamheden en de tot nu toe gegeven uitleg van partijen kan de rechtbank niet beoordelen wat de werkzaamheden van [verweerster sub 1] aan de [afkorting softwareproduct 1] -software precies inhielden. Onder het kopje “Omschrijving” staat slechts heel kort en algemeen wat er gedaan is. Zonder een nadere toelichting kan de rechtbank hier niet mee uit de voeten.

3.11.

Gelet op de overwegingen hiervoor kan de rechtbank niet beoordelen of de werkzaamheden van [verweerster sub 1] aan de [afkorting softwareproduct 1] -software noodzakelijk waren voor het beoogde gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software. Het debat daarover is aan beide kanten nog niet volledig geweest. Ongeacht de vraag of een eventuele auteursrechtinbreuk leidt tot een verplichting voor [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] om schadevergoeding aan Rainbow te betalen (zie daarover 3.18 tot en met 3.22), heeft Rainbow een belang om duidelijk te krijgen welke werkzaamheden een auteursrechtinbreuk opleveren en welke niet. In de eerste plaats vanwege de door Rainbow gevraagde verklaring voor recht (zie 2.9. onder I). In de tweede plaats omdat partijen willen weten welke werkzaamheden [verweerster sub 1] mag uitvoeren en welke niet, ook met het oog op de toekomst. [verweerster sub 1] heeft namelijk gezegd dat zij nog steeds het soort werkzaamheden verricht waar nu discussie over is. Beide partijen krijgen daarom de gelegenheid om hun stellingen nader toe te lichten. Met name [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] zullen meer duidelijkheid moeten geven over de uitgevoerde (onderhouds)werkzaamheden. De rechtbank zal daarom [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] op grond van artikel 22 Rv bevelen om:

1. In een akte een gedetailleerde en (bij voorkeur met bewijsstukken onderbouwde) toelichting te geven bij de verrichte werkzaamheden in het kader van artikel 45j Aw. Die toelichting dient in ieder geval te bestaan uit:

a. Per werkzaamheid of soort werkzaamheid een gedetailleerde omschrijving van wat die werkzaamheden inhielden.

b. Per werkzaamheid of soort werkzaamheid een onderbouwing of en waarom de werkzaamheden noodzakelijk waren voor het beoogde gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software.

2. In de hiervoor genoemde akte toe te lichten wat het beoogde gebruik is van de [afkorting softwareproduct 1] -software.

3.12.

Rainbow zal bij antwoordakte toe moeten lichten waarom de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden volgens haar wel een auteursrechtinbreuk opleveren.

3.13.

Als partijen allebei hun stellingen hebben toegelicht, zal de rechtbank eerst beoordelen wat het beoogde gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software is. Vervolgens zal per werkzaamheid beoordeeld moeten worden of die werkzaamheid noodzakelijk was voor het beoogde gebruik van de [afkorting softwareproduct 1] -software. Gelet hierop geeft de rechtbank partijen in overweging om met elkaar in overleg te treden over het voorgaande en om te bekijken of er werkzaamheden zijn waarvan partijen nu al zelf kunnen vaststellen of deze wel of geen auteursrechtinbreuk opleveren. Als partijen dat lukt, hoeven alleen nog die werkzaamheden te worden beoordeeld waarover partijen van mening verschillen.

Versturen brief medio december 2014

3.14.

In het vonnis van 22 maart 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] door het verzenden van de brief van medio december 2014 onrechtmatig hebben gehandeld. Of Rainbow ook recht heeft op schadevergoeding als gevolg van het versturen van deze brief zal in een volgend vonnis worden beoordeeld (zie 3.18 tot en met 3.22).

Ongeoorloofde concurrentie

3.15.

Volgens Rainbow hebben [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] na het faillissement van [handelsnaam] onrechtmatig gehandeld omdat door hun handelen sprake was van ongeoorloofde concurrentie. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ongeoorloofde concurrentie moet als uitgangspunt worden genomen dat vrijheid van handel en bedrijf bestaat. In dat licht moeten ook de gedragingen van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] worden beoordeeld. Van ongeoorloofde concurrentie is pas sprake bij bijzondere omstandigheden waardoor de gedragingen van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] onrechtmatig (ongeoorloofd) zijn.

3.16.

Rainbow verwijst naar jurisprudentie waarin wordt uitgelegd wanneer bepaalde gedragingen als onrechtmatige concurrentie hebben te gelden. Het gaat in die jurisprudentie om gedragingen van ex-werknemers en ex-bestuurders jegens hun voormalige werkgever. Gedragingen van die personen zijn onrechtmatig als door die gedragingen:

  1. het duurzame bedrijfsdebiet – de opgebouwde goodwill en knowhow – van de voormalig werkgever

  2. stelselmatig en substantieel wordt afgebroken; en

  3. daarbij gebruik wordt gemaakt van kennis en gegevens die bij de voormalig werkgever zijn verkregen.

In deze zaak is Rainbow niet een voormalig werkgever die schadevergoeding vordert van ex-werknemers en/of ex-bestuurders. Rainbow is de partij die activa heeft gekocht van een failliete vennootschap. Zij verwijt vervolgens een andere vennootschap bepaalde gedragingen die volgens haar onrechtmatige concurrentie opleveren. Volgens Rainbow is wel hetzelfde toetsingskader van toepassing.

3.17.

Hieronder zal aan de hand van de verwijten van Rainbow aan [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] worden besproken dat Rainbow met haar verwijten onvoldoende heeft kunnen onderbouwen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor er sprake is van onrechtmatige concurrentie.

Het doen van onjuiste en schadelijke mededelingen, het verwijzen naar de vroegere samenwerking en het werven van klanten van de voormalig zakenpartner

a. Rainbow verwijst in dit verband naar de brief van medio december 2014 en ook naar een brief van 24 oktober 2014 van de heer [A] . In het vonnis van 22 maart 2017 is al geoordeeld dat de brief van 24 oktober 2014 is gestuurd door de heer [A] in zijn hoedanigheid van bestuurder van de failliete [handelsnaam] -vennootschappen. Daarom kan die brief niet als een uitlating van de [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] worden beschouwd. Van de brief van medio december 2014 staat wel vast dat die onrechtmatig was (zie 3.14). Die onrechtmatige handeling zal op zichzelf worden beoordeeld in het kader van de schadevergoeding. Maar het versturen van de brief levert daarmee niet ook meteen onrechtmatige concurrentie op. Daarvoor moet sprake zijn van stelselmatige en substantiële benadering van klanten van Rainbow (voorheen [handelsnaam] ). Daarvan is geen sprake door het versturen van een enkele brief. Rainbow heeft niet aangetoond dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] op andere manieren stelselmatig klanten van Rainbow hebben benaderd. Daar komt bij dat niet vast staat dat de bedrijven die aangeschreven zijn door [verweerster sub 1] / [verweerster sub 2] (toen) klanten waren van Rainbow. Wel staat vast dat het klanten van [handelsnaam] waren, maar [handelsnaam] is failliet gegaan. Rainbow heeft alleen de activa overgenomen van het failliete [handelsnaam] . Daardoor zijn niet alle overeenkomsten die [handelsnaam] had met gebruikers van [afkorting softwareproduct 1] automatisch op Rainbow overgegaan. Verder is niet in geschil dat een deel van de gebruikers van de [afkorting softwareproduct 1] -software expliciet hebben gezegd de overeenkomst niet met Rainbow te willen voortzetten. Rainbow heeft niet aangetoond waarom bij deze stand van zaken het versturen van een brief naar een aantal bedrijven onrechtmatige concurrentie oplevert.

Het misbruik maken van bij de voormalig zakenpartner opgedane kennis, ervaring en goodwill

b. Hier is geen sprake van. Het enkele feit dat ex-werknemers van [handelsnaam] en de heer [A] (via zijn vennootschap [verweerster sub 2] ) kennis en ervaring hebben opgedaan bij [handelsnaam] en daarna bij [verweerster sub 1] in dienst zijn gegaan, betekent nog niet dat Rainbow in zijn bedrijfsdebiet wordt aangetast op een wijze dat dit onrechtmatig is. In deze zaak was sprake van een faillissement van [handelsnaam] . Rainbow heeft vervolgens in een activatransactie diverse activa van [handelsnaam] overgenomen. Als het vervolgens niet lukt om alle werknemers van de failliete vennootschap in dienst te nemen, dan kan het zijn dat deze werknemers ergens anders in dienst gaan. Dat deze werknemers bij hun vertrek kennis en ervaring die zij hebben opgedaan bij [handelsnaam] meenemen is inherent aan hun vertrek. Dat de nieuwe werkgever profiteert van die kennis en ervaring is inherent aan het in dienst nemen van een werknemers met kennis en ervaring. Dit valt onder de vrijheid van handel en bedrijf. Dit alles is alleen anders als er bijzondere (bijkomende) omstandigheden zijn die deze vrijheid beperken. Deze bijzondere omstandigheden zijn niet aanwezig, zoals uit de overwegingen hieronder zal blijken.

Het afhandig maken van personeel

c. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben geen personeel van Rainbow ‘afhandig gemaakt’. Het gaat om drie ex-werknemers van het failliete [handelsnaam] . Dat [verweerster sub 1] deze werknemers in dienst heeft genomen is niet onrechtmatig. Ook niet als ze wist dat deze werknemers al een aanbod hadden gekregen van Rainbow. Het staat [verweerster sub 1] immers vrij om die werknemers een baan aan te beiden, ook omdat die werknemers (nog) niet aan Rainbow gebonden waren. Als Rainbow de werknemers graag in dienst had willen nemen, had zij met de werknemers een overeenkomst moeten/kunnen sluiten (voor dan wel nadat zij de activa van [handelsnaam] overnam).

Het aanzetten ex-personeel van Rainbow (voorheen [handelsnaam] ) tot handelen in strijd met overeenkomsten

d. Zoals hierboven onder c vermeld waren de werknemers waar het hier om gaat niet in dienst bij Rainbow. Rainbow kan dus geen beroep doen op het concurrentiebeding en het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomsten tussen de werknemers en het failliete [handelsnaam] . Ook heeft Rainbow niet aangetoond dat deze overeenkomsten nog bestaan. [handelsnaam] is namelijk failliet gegaan en de curator zal dan waarschijnlijk de arbeidsovereenkomsten hebben opgezegd.

Als ex-bestuurder van een failliete onderneming deze onderneming beconcurreren

e. Rainbow vindt dat [verweerster sub 2] als ex-bestuurder van [handelsnaam] onrechtmatig heeft gehandeld door bewust en stelselmatig te werven onder vroegere werknemers van [handelsnaam] en relaties van [handelsnaam] , terwijl Rainbow heeft betaald voor het overnemen van de goodwill van [handelsnaam] . Dat er drie ex-werknemers van [handelsnaam] bij [verweerster sub 1] in dienst zijn getreden betekent nog niet dat [verweerster sub 2] die stelselmatig of bewust heeft geworven. Daarvoor zijn ook geen aanwijzingen. Zie verder ook overweging 3.17 onder c. Daarnaast is niet gebleken dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] naast de brief van medio december 2014 verder nog klanten van [handelsnaam] of Rainbow hebben benaderd. Er is dus ook geen sprake van bewuste en stelselmatige werving onder relaties van [handelsnaam] (zie ook overweging 3.17 onder a).

Het misbruik maken van gegevens van de voormalig zakenpartner

f. Volgens Rainbow hebben [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] gebruik gemaakt van het klanten- en werknemersbestand van [handelsnaam] om deze klanten en werknemers aan te schrijven. Voor wat betreft het aanschrijven van klanten gaat het - voor zover de rechtbank begrijpt - om het sturen van de brief van medio december 2014 (zie overweging 3.17 onder a). Dat hiervoor gebruik is gemaakt van het werknemersbestand van [handelsnaam] is niet aangetoond. Volgens [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hadden zij de contactgegevens van die klanten al omdat deze klanten gebruik maakten van een webmodule van [verweerster sub 1] voor [afkorting softwareproduct 1] -software. Rainbow heeft hier verder niet op gereageerd. Dat de oud-werknemers zijn aangeschreven met gegevens van het werknemersbestand van [handelsnaam] is door Rainbow ook niet aangetoond.

Het inbreuk maken op auteursrechten.

g. Zoals uit overweging 3.4 tot en met 3.11 blijkt staat nog niet vast of er sprake is van een auteursrechtinbreuk door [verweerster sub 1] . Als daarvan sprake is, dan zal ook die onrechtmatige handeling zelfstandig worden beoordeeld in het kader van de schadevergoeding. Zoals uit de overwegingen hiervoor blijkt is verder geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat – naast een eventuele auteursrechtinbreuk – ook sprake is van ongeoorloofde concurrentie.

Schadevergoeding

3.18.

Pas als duidelijk is of sprake is van een auteursrechtinbreuk zal de vordering tot schadevergoeding verder worden beoordeeld. De schade is namelijk niet uitgesplitst per onrechtmatige gedraging.

3.19.

Volgens Rainbow bestaat haar schade uit gederfde omzet, namelijk misgelopen vergoedingen voor onderhoudswerkzaamheden aan de [afkorting softwareproduct 1] -software (de werkzaamheden die [verweerster sub 1] heeft uitgevoerd) en vergoedingen voor additionele diensten.

3.20.

De eerste vraag die in dat verband speelt is of sprake is van een causaal verband tussen de vastgestelde onrechtmatige gedragingen (het versturen van de brief en eventueel de auteursrechtinbreuk) en de door Rainbow gestelde schade. Om die vraag te beantwoorden moet de huidige situatie vergeleken worden met de situatie dat de onrechtmatige gedragingen niet zouden hebben plaatsgevonden (de hypothetische situatie). De rechtbank moet beoordelen of in de hypothetische situatie:

  1. de klanten waar [verweerster sub 1] onderhoudswerkzaamheden voor heeft verricht die onderhoudswerkzaamheden door Rainbow zouden hebben laten verrichten; en

  2. die klanten dan ook additionele diensten zouden hebben afgenomen bij Rainbow.

Gelet op de stellingen van partijen zijn vragen die daarbij spelen:

  • -

    i) Had Rainbow de kennis en kunde in huis om de onderhoudswerkzaamheden aan de [afkorting softwareproduct 1] -software uit te voeren?

  • -

    ii) Had Rainbow de kennis en kunde in huis om additionele diensten aan te bieden?

  • -

    iii) Vanaf wanneer had Rainbow de hiervoor genoemde kennis en kunde in huis?

Om deze vragen te beantwoorden kan een nader onderzoek nodig zijn (schriftelijk of met getuigen of met de inschakeling van een deskundige).

3.21.

Als het causale verband vast staat, dan zal de rechtbank zich buigen over de omvang van de schadevergoeding. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] mogen dan eerst nog een akte nemen om te reageren op de wijziging en onderbouwing van het schadebedrag in de akte vermeerdering van eis van Rainbow. Per schadepost zal vervolgens moeten worden beoordeeld of deze voldoende is onderbouwd en of er een zodanig verband bestaat tussen de onrechtmatige handelingen en de schadepost dat die schade aan [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] kan worden toegerekend. De rechtbank zal daarbij ook beoordelen of voldoende vast staat of en hoeveel Rainbow had verdiend aan de in 3.20 onder a en b genoemde werkzaamheden (rekening houdend met de kosten die ze zelf zou hebben moeten maken). Een vraag die daarbij speelt is welke omzet en winst Rainbow heeft behaald met vergelijkbare werkzaamheden voor andere klanten in de periode waarover zij zegt dat ze schade heeft geleden.

3.22.

Over de twee verweren van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] die specifiek zien op de vordering tot schadevergoeding als gevolg van het versturen van de brief van medio december 2014 overweegt de rechtbank nu al het volgende. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] vinden ten eerste dat Rainbow geen schadevergoeding meer kan vorderen omdat in de eerdere procedure tussen partijen al over de onrechtmatigheid van de brief is geprocedeerd. Dit argument slaagt niet. In de eerste plaats kent het civiele procesrecht niet het beginsel dat er niet twee keer over dezelfde kwestie geprocedeerd mag worden (“ne bis in idem”). Dit zou onder omstandigheden misbruik van procesrecht op kunnen leveren, maar dat hebben [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] niet aangetoond. Daarnaast is in het vonnis van 22 maart 2017 alleen geoordeeld dat het versturen van de brief onrechtmatig was. Onderdeel van de procedure was niet de (mogelijk) als gevolg daarvan geleden schade. Het tweede verweer van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] is dat de rectificatie die gevorderd is in de eerdere procedure naar aanleiding van de brief van medio december 2014 (en die ook is toegewezen) een vorm van schadevergoeding is. Daarom kan Rainbow volgens hen niet nu ook nog schadevergoeding in geld vorderen. De rechtbank gaat hier ook niet in mee. Dat er een rectificatie is verstuurd wil nog niet zeggen dat daarmee ook de eventuele geleden schade is vergoed. Rainbow is gerechtigd om alsnog een vordering tot schadevergoeding in te stellen.

Aansprakelijkheid [verweerster sub 2]

3.23.

Uit het vonnis van 22 maart 2017 volgt dat [verweerster sub 2] ook onrechtmatig heeft gehandeld door het versturen van de brief van medio december 2014. Omdat geoordeeld is dat er geen sprake is van ongeoorloofde concurrentie blijft nog de vraag over of [verweerster sub 2] ook aansprakelijk is voor de eventuele auteursrechtinbreuk. Dit is niet het geval. Ten eerste is niet komen vast te staan dat [verweerster sub 2] werkzaamheden heeft verricht aan de [afkorting softwareproduct 1] -software. Volgens [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] is [verweerster sub 2] alleen een holdingmaatschappij en heeft zij “nimmer onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd”. Dit wordt bevestigd in de verklaring van de accountant van 16 mei 2018. Rainbow heeft hier verder niet op gereageerd. [verweerster sub 2] is ook niet aansprakelijk als bestuurder van [verweerster sub 1] . Uitgangspunt in de wet en jurisprudentie is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor schade als gevolg van haar handelen. Onder bijzondere omstandigheden kan ook een bestuurder van de vennootschap aansprakelijk zijn. Dat is het geval als die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat daarvan sprake is, is door Rainbow niet aangetoond.

Dwangsommen

3.24.

Partijen verschillen van mening over de vraag of [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] de gevorderde dwangsommen moeten betalen (zie 2.6 onder 6 en 2.8). De dwangsom is gekoppeld aan allebei de bevelen waarvan Rainbow zegt dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] die niet zijn nagekomen (nummer 3 en 5 van overweging 2.6) en bedraagt € 1.000,- per overtreding per dag tot een maximum van € 100.000,-. Dit betekent dat ook in het geval [verweerster sub 1] of [verweerster sub 2] slechts één van die bevelen niet, niet tijdig of niet volledig is nagekomen, zij dwangsommen moeten betalen. De rechtbank is van oordeel dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben voldaan aan de bevelen onder 3 en 5 van overweging 2.6. Dat zal hieronder worden toegelicht.

3.25.

Volgens Rainbow hebben [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] de rectificatiebrief (zie 2.6 onder 3) niet naar alle bedrijven gestuurd die de brief van medio december 2014 hebben gehad. Zij leidt dat af uit de rapportage waarin 14 bedrijven genoemd staan, terwijl er 12 rectificatiebrieven zijn gestuurd. Volgens [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] is de brief van medio december 2014 naar 12 bedrijven gestuurd en is de rectificatiebrief ook naar die 12 bedrijven verzonden. Die andere 2 bedrijven in de rapportage hebben de brief van medio december 2014 niet gehad. Daar moest dus ook geen rectificatiebrief naartoe volgens het vonnis. Dat die 2 bedrijven wel in de rapportage voorkomen is omdat daar wel onderhoudswerkzaamheden voor zijn verricht, aldus steeds [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] . Het had op de weg van Rainbow gelegen om na deze uitleg van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] met een nadere onderbouwing te komen waarom zij toch van mening blijft dat er onvoldoende rectificatiebrieven verstuurd zijn. Dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] voor dit onderdeel aan het vonnis hebben voldaan.

3.26.

Dan de rapportage. Daarover luidt de tekst van het vonnis van 22 maart 2017:

3.6 gebiedt gedaagden om binnen zestig dagen na betekening van dit vonnis een door een registeraccountant goedgekeurde schriftelijke rapportage aan de raadsman van Rainbow te verstrekken, waarin op basis van bewijsstukken objectief verifieerbaar is:

a. a) ten behoeve van welke [afkorting softwareproduct 1] -gebruikers in de periode van 27 oktober 2014 tot de dag van dit vonnis onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd;

b) welke vergoedingen voor de sub a) genoemde werkzaamheden in rekening zijn gebracht;

Hebben [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] daar aan voldaan? Het antwoord is: ja. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben een door een registeraccountant goedgekeurde schriftelijke rapportage aan Rainbow gestuurd met als bijlage de lijst met werkzaamheden waaruit blijkt ten behoeve van welke [afkorting softwareproduct 1] -gebruikers werkzaamheden zijn verricht en welke vergoeding in rekening is gebracht. Daarmee hebben ze op dat punt aan de letterlijke tekst van het dictum van het vonnis van 22 maart 2017 voldaan. Die tekst komt ook overeen met wat Rainbow in die procedure had gevorderd. De rechtbank heeft in het vonnis van 22 maart 2017 nog ten overvloede overwogen (overweging 2.11) dat Rainbow, naar aangenomen moet worden, met haar vordering beoogt dat zij aan de hand van de opgave in staat is om in kaart te brengen welke door [verweerster sub 1] verrichtte onderhoudswerkzaamheden een inbreuk hebben gemaakt op haar auteursrecht. Maar de rechtbank heeft dit vervolgens niet in het dictum uitgewerkt met een verplichting voor [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] om een duidelijke omschrijving van de werkzaamheden op te nemen in de rapportage. Dat is dus ook uiteindelijk niet waartoe [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] zijn veroordeeld. Een ruimere uitleg van de tekst van de uitgesproken veroordeling ligt niet in de rede. Voor een partij die wordt veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom een bepaalde handeling te verrichten moet uit de inhoud van de veroordeling zonder meer duidelijk zijn welke actie(s) zij dient te ondernemen om te voorkomen dat zij dwangsommen verbeurt.

3.27.

Volgens Rainbow missen verder bewijsstukken op basis waarvan zij objectief kan verifiëren of de lijst met werkzaamheden wel klopt. Volgens haar volgt uit de tekst van het dictum van het vonnis van 22 maart 2017 dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] die bewijsstukken aan haar had moeten sturen zodat zij zelf een controle kon doen. Volgens [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] moet het vonnis zo niet worden uitgelegd. Zij zeggen dat ze in hun ogen aan het vonnis hebben voldaan omdat zij een onafhankelijke accountant de bewijsstukken objectief hebben laten verifiëren, die vervolgens de resultaten in de rapportage heeft opgenomen. De rechtbank stelt voorop dat de tekst van het vonnis op dit punt voor tweeërlei uitleg vatbaar is en dat de uitleg van beide partijen is te verdedigen. Dit betekent dat (ook) als de rapportage voldoet aan het vonnis conform de uitleg die [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] daaraan mochten geven, geen dwangsommen zijn verbeurd. Hieronder zal de rechtbank uitleggen dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] voldoende hebben onderbouwd dat de werkwijze van de accountant zodanig is geweest dat de rapportage op dit punt voldoet aan het vonnis. De accountant heeft verklaard dat hij een volledige dump van het factuurbestand zonder selectie van mutaties heeft ontvangen en deze heeft gecontroleerd. Daarna heeft hij gecontroleerd of de ontvangen dump van het factuurbestand daadwerkelijk de volledige verkoopadministratie was. Vervolgens heeft de accountant er op toegezien dat uit de verkoopadministratie de gegevens over alle uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden werden gefilterd. Dit is daarna met een steekproef ook nog gecontroleerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de accountant op deze manier zorgvuldig en objectief gecontroleerd of de opgave van onderhoudswerkzaamheden van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] klopte. Daarmee heeft de accountant objectief kunnen verifiëren welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en welke bedragen daarvoor in rekening zijn gebracht. De accountant heeft een verklaring gegeven over zijn werkwijze en heeft getekend voor de juistheid van die werkwijze en de uitkomsten van de rapportage. De rechtbank gaat er vanuit dat de accountant naar waarheid heeft verklaard.

3.28.

Ten slotte geldt nog dat de rechter bij de uitleg van een veroordeling het doel van de veroordeling als richtsnoer neemt in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dat tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085 en HR 20 mei 1994, nr. 15330, NJ 1994, 652). Het doel van de veroordeling was het op een objectief verifieerbare wijze inzichtelijk maken voor welke gebruikers van [afkorting softwareproduct 1] -software [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] onderhoudswerkzaamheden hebben verricht en welke kosten zij daarvoor in rekening hebben gebracht. Uit overweging 3.26 en 3.27 blijkt dat daaraan is voldaan. Daar komt nog bij dat de rechtbank niet inziet op welke wijze Rainbow op basis van bewijsstukken zelf beter had kunnen verifiëren of alle werkzaamheden wel genoemd zijn in de lijst met werkzaamheden en of de bedragen kloppen.

3.29.

De stelling van Rainbow dat de onder 5 omschreven bevel van overweging 2.6 (ook) is overtreden doordat [verweerster sub 2] ook namens zichzelf een rapportage had moeten verstrekken (en dat niet heeft gedaan), is volgens de rechtbank niet juist. In het vonnis van 22 maart 2017 worden [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] gezamenlijk en niet hoofdelijk veroordeeld om een rapportage op te stellen. Volgens het vonnis moet duidelijk worden voor welke gebruikers van [afkorting softwareproduct 1] -software werkzaamheden zijn verricht. Er staat niet expliciet dat zowel [verweerster sub 2] als [verweerster sub 1] allebei een afzonderlijke rapportage moeten maken. Dat alleen [verweerster sub 1] vermeld wordt in de rapportage komt volgens [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] omdat [verweerster sub 2] geen werkzaamheden heeft verricht aan de [afkorting softwareproduct 1] -software. [verweerster sub 2] is volgens hen een holdingmaatschappij en die treedt alleen op als bestuurder van [verweerster sub 1] . Als er wel werkzaamheden door [verweerster sub 2] waren verricht dan had de rapportage er wel melding van gemaakt. Dat heeft de accountant ook bevestigd in zijn brief van 16 mei 2018. Het enkele feit dat [verweerster sub 2] niet genoemd wordt in de rapportage is geen overtreding van het bevel van de rechtbank.

3.30.

Uit de overwegingen hierboven volgt dat de rechtbank in het eindvonnis de vordering tot betaling van de dwangsommen zal afwijzen.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.31.

[verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben bezwaar gemaakt tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Zij willen dat daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat voor het toegewezen bedrag vermeerderd met 10% opslag voor rente en kosten zekerheid wordt gesteld. De rechtbank wijst dit verzoek af. Hieronder zal worden uitgelegd waarom.

3.32.

Op grond van artikel 233 Rv kan de rechtbank een vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij de beoordeling van de vraag of van die bevoegdheid gebruik moet worden gemaakt, een belangenafweging dient plaats te vinden in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan die veroordeling, het belang van degene die zijn vordering toegewezen krijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist.

3.33.

Vooropgesteld wordt dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Van het tegendeel is in dit geval niet gebleken. Met betrekking tot de belangenafweging overweegt de rechtbank als volgt. Mogelijke ingrijpende gevolgen van de executie (namelijk dat er een groot bedrag betaald moet worden), die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad (vgl. Hoge Raad 28 mei 1993, NJ 1993, 468). Daarnaast hebben [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hun stelling dat de financiële situatie van Rainbow niet goed is niet onderbouwd. Het staat dus niet vast dat Rainbow, als de veroordeling uiteindelijk niet in stand zou blijven, niet in staat is tot terugbetaling van het door [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] betaalde bedrag. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van Rainbow uitvalt. Het eindvonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Voor het stellen van zekerheid door Rainbow ziet de rechtbank gelet op het bovenstaande geen aanleiding.

van de tegenvordering

3.34.

[verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben geen belang bij de tegenvordering omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat zij geen dwangsommen hoeven te betalen. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] zullen daarom in het eindvonnis niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft de tegenvordering.

conclusie

3.35.

De conclusie van al het bovenstaande is dat er op dit moment nog geen eindvonnis kan worden gewezen. Een deel van de geschilpunten is al wel beslist, maar uit de overwegingen 3.11 tot en met 3.13 en 3.18 tot en met 3.21 volgt dat er na dit tussenvonnis nog een aantal beslispunten en vragen overblijven waar de rechtbank over moet oordelen. De mogelijkheid bestaat dat voor de beantwoording daarvan nader onderzoek nodig is. Gelet hierop en omdat partijen al voor deze procedure en tijdens de mondelinge behandeling bijna tot een onderlinge oplossing voor dit geschil waren gekomen, geeft de rechtbank partijen uitdrukkelijk in overweging om nogmaals te proberen het geschil verder in onderling overleg op te lossen. Mocht een schikking worden bereikt, dan kunnen partijen op eenstemmig verzoek om doorhaling vragen. Als geen schikking wordt bereikt, dan zal de rechtbank na ontvangst van de in de beslissing genoemde akten beslissen over de voortgang van de procedure: (eind)vonnis, een nieuwe schriftelijke ronde, getuigenverhoren, deskundigenbericht of een nieuwe mondelinge behandeling.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

bepaalt dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] uiterlijk 8 mei 2019 de akte aan de rechtbank en Rainbow gestuurd moet hebben met de in overweging 3.11 genoemde inhoud, waarna Rainbow tot uiterlijk 5 juni 2019 de tijd heeft om de antwoordakte zoals genoemd in 3.12 aan de rechtbank en [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] te sturen,

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2019.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 531, nr. 5, p. 28-29