Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1448

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-04-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
16/700026-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 59-jarige vrouw is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar.

De verdachte behandelde in 2017 een Zweedse vrouw met ibogaïne die aan de gevolgen daarvan overleed. Op 3 februari 2017 belt de verdachte 112 en maakt ze melding van een medische noodsituatie in de bed and breakfast op haar terrein. Het slachtoffer is een 48-jarige vrouw uit Zweden. Volgens het onderzoek van de toxicoloog en de patholoog is het slachtoffer overleden door ibogaïnevergiftiging. Ibogaïne wordt gewonnen uit de Afrikaanse iboga-wortel en zou een geneeskrachtige werking hebben voor verslaafden. Het middel is omstreden en het gebruik van ibogaïne is zeer risicovol.

De verdachte behandelde sinds 1999 – naar eigen zeggen – honderden verslaafden met ibogaïne. In die periode hebben zich meerdere incidenten voorgedaan. Zo kreeg een patiënt een hartstilstand en is deze persoon daardoor blijvend gehandicapt geraakt. Voor een aantal van de incidenten is de verdachte in 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf. De verdachte ontkent het Zweedse slachtoffer ibogaïne toegediend te hebben, maar de rechtbank gelooft dit niet.

Bij de 112-melding heeft de verdachte verzwegen dat er ibogaïne was toegediend. Na de melding is ze ervandoor gegaan. De verdachte heeft zich hiermee – onder andere – schuldig gemaakt aan doodslag en het in hulpeloze toestand achterlaten van het slachtoffer. Daarnaast heeft de verdachte ook anderen behandeld met ibogaïne.

De verdachte wist dat het toedienen van ibogaïne buiten een klinische setting en zonder grondig medisch vooronderziek ernstige risico’s met zich meebrengt. De rechtbank rekent het haar zwaar aan dat zij die risico’s niet vertelde aan de verslaafde patiënten – een zeer kwetsbare groep. De verdachte nam het risico voor lief dat de behandeling één van haar patiënten fataal zou worden, met uiteindelijk de tragische dood van de Zweedse vrouw tot gevolg. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank naast de ernst van de feiten ook rekening met het feit dat de verdachte nog altijd een onverminderd groot geloof heeft in ibogaïne, zodat de kans op herhaling nog steeds als groot kan worden aangemerkt.

De verdachte is aangehouden in Duitsland, maar de door het Openbaar Ministerie verzochte overlevering zag alleen op het slachtoffer dat is overleden. Later zijn nog verdenkingen toegevoegd die te maken hebben met behandelingen door verdachte van andere personen. Voor die feiten zal het OM alsnog aanvullende toestemming voor de executie van de straf moeten vragen aan de Duitse autoriteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/700026-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1959] te [geboorteplaats] (Israël),

gedetineerd te PI Overijssel, PIV Zwolle.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 augustus 2017, 14 november 2017, 8 februari 2018, 7 mei 2018, 17 juli 2018, 25 september 2018, 18 december 2018 (pro forma-/regiezittingen), 12 en 13 maart 2019 (inhoudelijke behandeling) en 27 maart 2019 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. J. Beumer-Gonggrijp en mr. M.H. Hoogendam en van hetgeen verdachte en mr. W.R. Jonk (en zijn kantoorgenoten mr. J. Veenstra en mr. A.J. Sprey), advocaat te Almere, alsmede de benadeelde partij, bijgestaan door mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 18 december 2018 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 31 januari 2017 tot en met 3 februari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door haar ibogaïne toe te dienen en haar vóór, tijdens en na deze behandeling niet adequaat te begeleiden (primair), dan wel zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waaraan [slachtoffer 1] is overleden (subsidiair), althans zich hiermee heeft schuldig gemaakt aan dood door schuld (meer subsidiair);

feit 2: in de periode van 31 januari 2017 tot en met 3 februari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten, welk feit de dood van die [slachtoffer 1] tot gevolg heeft gehad;

feit 3: in de periode van 5 december 2016 tot en met 3 februari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, aan [slachtoffer 1] ibogaïne heeft verstrekt en daarbij heeft verzwegen dat deze stof een schadelijk karakter heeft voor het leven of de gezondheid, terwijl [slachtoffer 1] hieraan is overleden;

feit 4: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 januari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, aan [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en) ibogaïne heeft verstrekt en daarbij heeft verzwegen dat deze stof een schadelijk karakter voor het leven of de gezondheid heeft;

feit 5: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 januari 2016 te [woonplaats] , samen met een ander, [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en) heeft behandeld met ibogaïne, waardoor zij (een aanmerkelijke kans op) schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van deze personen en terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die (aanmerkelijke kans op) schade zou ontstaan;

feit 6: in de periode van 18 januari 2016 tot en met 3 februari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en één of meer ander(en) heeft behandeld met ibogaïne, waardoor zij (een aanmerkelijke kans op) schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van deze personen en terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die (aanmerkelijke kans op) schade zou ontstaan, welke schade (in elk geval) bestond uit het overlijden van [slachtoffer 1] als gevolg van de intoxicatie met ibogaïne.

3 VOORVRAGEN

3.1

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (feiten 4, 5 en 6)

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6. Verdachte is overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB). In dit bevel is -kort gezegd- als verdenking omschreven dat verdachte betrokken zou zijn bij de dood van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) op 3 februari 2017.

Volgens artikel 27 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van 13 juni 2002 (hierna: Kaderbesluit EAB) kan “een overgeleverd persoon niet [worden] vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest”.

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van feit 4, omdat daarin een andere periode ten laste is gelegd dan genoemd in het EAB en de vermeende slachtoffers niet zijn genoemd in het EAB. Ook bij feit 5 is sprake van een andere periode en andere vermeende slachtoffers. Bovendien betreft dit een ander strafbaar feit (artikel 96 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, hierna: Wet BIG) dan waarvoor de overlevering is toegestaan (de artikelen 174, 255, 257 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr). Ook voor feit 5 dient het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Hetzelfde geldt voor feit 6. Subsidiair heeft de verdediging bepleit het Openbaar Ministerie voor feit 6 gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren, namelijk voor zover dit feit ziet op anderen dan [slachtoffer 1] .

3.1.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben primair gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de feiten 4, 5 en 6, nu deze feiten niet als “andere feiten” in de zin van het Kaderbesluit zijn aan te merken, maar voortvloeien uit de in het EAB gegeven omschrijving van de strafbare feiten. In deze feitsomschrijving wordt ook de Wet BIG genoemd.

Subsidiair hebben de officieren van justitie (voorwaardelijk) verzocht de zaak aan te houden en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen om aanvullende toestemming voor de vervolging en berechting van de feiten 4 tot en met 6 te vragen aan de Duitse autoriteiten.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De overleveringsprocedure

De rechtbank stelt vast dat verdachte op grond van een EAB door de Duitse autoriteiten is overgeleverd aan Nederland.

In het EAB wordt -kort gezegd- als verdenking omschreven dat verdachte mogelijk betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer 1] op 3 februari 2017. Daarbij worden de volgende strafbare feiten genoemd: het verkopen van schadelijke waren met de dood ten gevolge (artikel 174 Sr), doodslag (artikel 287 Sr) en het verlaten van een hulpbehoevende met de dood ten gevolge (artikel 255 en 257 Sr). In de lijst met strafbare feiten, zoals opgenomen in het aanhoudingsbevel, is als lijstfeit “moord en doodslag, zware mishandeling” aangekruist. In de beschikking van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main van 12 april 2017, waarin de overlevering wordt toegestaan, is opgenomen dat de verdenking volgens de Duitse wet tenminste als “dood door schuld” of “het nalaten van hulpverlening met als gevolg de dood van de hulpbehoevende” strafbaar is.

Verdachte is na haar overlevering op 15 mei 2017 voorgeleid aan de rechter-commissaris. In de vordering tot inbewaringstelling is, behalve de in het EAB opgenomen feiten, ook overtreding van artikel 96 van de Wet BIG vermeld ten aanzien van [slachtoffer 1] . Sindsdien bevindt verdachte zich in voorlopige hechtenis op grond van deze feiten.

Op 18 december 2018 is door het Openbaar Ministerie een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging (ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering) ingediend. Deze vordering is toegewezen. Deze uitbreiding van de tenlastelegging betreft:

- feit 4: overtreding van artikel 174 Sr, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 januari 2017 ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en);

- feit 5: overtreding van artikel 96 van de Wet BIG, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 januari 2016, ten aanzien van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en);

- feit 6: overtreding van artikel 96 van de Wet BIG, in de periode van 18 januari 2016 tot en met 3 februari 2017, ten aanzien van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en één of meer ander(en).

Het specialiteitsbeginsel

In artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB is het specialiteitsbeginsel opgenomen. Dit specialiteitsbeginsel houdt in dat een verdachte niet mag worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid mag worden beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan strafbaar feit dan dat welke de reden voor de overlevering is geweest.

De bescherming van het specialiteitsbeginsel strekt zich uit over alle feiten die gelegen zijn voor de pleegdatum van het feit waarvoor de overlevering heeft plaatsgevonden. Een pas na de overlevering ontstane verdenking doet daar niet aan af.

Artikel 27, derde lid, van het Kaderbesluit EAB bevat een opsomming van uitzonderingen die het specialiteitsbeginsel doorbreken.

De rechtbank dient te beoordelen of in de zaak tegen verdachte het specialiteitsbeginsel geschonden is. De rechtbank ziet zich daarbij allereerst voor de vraag gesteld of de feiten 4, 5 en 6, waarmee de tenlastelegging na de overlevering van verdachte is uitgebreid, moeten worden beschouwd als “andere feiten” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB. Indien dat het geval is, dient de rechtbank vervolgens per feit te beoordelen of sprake is van één van de in artikel 27, derde lid, van het Kaderbesluit EAB genoemde uitzonderingen.

“Ander feit” in de zin van artikel 27 Kaderbesluit EAB?

In de uitspraak van het Hof van Justitie van 1 december 2008 (Leymann en Pustovarov, ECLI:EU:C:2008:669) wordt met betrekking tot de vraag wanneer sprake is van een “ander feit” in de zin artikel 27, tweede lid, Kaderbesluit EAB het volgende overwogen:

“Om uit te maken of al dan niet sprake is van enig ander feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.”

Het Hof van Justitie doelt met de term ‘de bestanddelen’ niet op bestanddelen van de delictsomschrijving maar op de in het EAB aangevinkte lijstfeit in de zin van artikel 2, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB. Bij de lijstfeiten is de voor overlevering vereiste dubbele strafbaarheid gegeven. Bij de beoordeling of sprake is van een “ander feit” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB moet daarom worden beoordeeld of het feit blijft vallen binnen het op het EAB aangevinkte lijstfeit. Voorts is van belang dat de aard van het strafbare feit niet wijzigt, waarbij ook relevant is dat de kwalificatie naar nationaal recht niet wezenlijk anders is dan het delict waarvoor is overgeleverd.

Hiervoor is aangegeven dat in deze zaak in het EAB als lijstfeit is aangevinkt: “moord en doodslag, zware mishandeling” en dat bij de strafbare feiten de artikelen 174, 255, 257 en 287 Sr genoemd zijn.

De rechtbank overweegt dat feit 4 betrekking heeft op overtreding van artikel 174 Sr ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en). De verweten handelingen met betrekking tot deze personen worden niet omschreven in het EAB en zijn eveneens niet betrokken bij de beslissing tot overlevering van de Duitse rechter. Artikel 174 Sr is weliswaar genoemd in het EAB, maar dat artikel ziet, gelet op de overige inhoud van het EAB, op het verkopen van schadelijke waren aan [slachtoffer 1] met haar dood tot gevolg. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende overeenstemming tussen de gegevens in het EAB en het in het EAB aangevinkte lijstfeit en dit aan verdachte ten laste gelegde feit, zodat dit feit moet worden beschouwd als een “ander feit” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB.

Ook ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit gaat het om personen die niet in het EAB worden genoemd. Bovendien is bij dit feit, artikel 96 (oud) Wet BIG, sprake van een andere kwalificatie naar nationaal recht dan de feiten waarvoor overlevering is gevraagd. Daarnaast valt dit feit niet binnen hetzelfde “lijstfeit” waarvoor de overlevering van verdachte is gevraagd.

Feit 6, dat betrekking heeft op artikel 96 (nieuw) Wet BIG, moet eveneens als een “ander feit” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB worden beschouwd. Voor een deel ziet dit feit op andere personen dan waarvoor de overlevering van verdachte is gevraagd. Voor zover dit feit ziet op het slachtoffer [slachtoffer 1] , betreft het hier een andere kwalificatie dan waarvoor de overlevering is gevraagd en valt dit feit niet binnen hetzelfde “lijstfeit” dat de grondslag heeft gevormd voor de overlevering.

Tussenconclusie

De tussenconclusie van de rechtbank is dat de feiten 4, 5 en 6 “andere feiten” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB zijn. De rechtbank zal nu beoordelen of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van deze feiten.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 (niet betrekking hebbend op [slachtoffer 1] )

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 5 het volgende. In artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit EAB is neergelegd dat sprake moet zijn van “feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden”. Artikel 96 (oud), tweede lid, Wet BIG kent echter een strafmaximum van zes maanden gevangenisstraf. Het ‘Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel’ (2017/C 335/01) geeft onder 2.3 de mogelijkheid aan de officier van justitie om desondanks toestemming tot overlevering te vragen als zogenaamd ‘accessoir feit’, maar vast staat dat de officier van justitie in de onderhavige zaak daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank merkt ten aanzien van feit 6 op dat artikel 96 Wet BIG op 1 januari 2016 is gewijzigd. Het strafmaximum is bij die wetswijziging (wat betreft de misdrijfvariant) verhoogd van een gevangenisstraf van zes maanden naar een gevangenisstraf van twee jaar. Daarmee voldoet dit feit, anders dan feit 5, aan de eis van artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit EAB dat het feit “in de uitvaardigende lidstaat strafbaar [is] gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden”. De officier van justitie heeft ook voor dit feit, evenals voor feit 4, geen (aanvullende) toestemming tot overlevering gevraagd.

Wat betreft de feiten 4, 5 en 6, voor zover dit laatste feit ziet op anderen dan [slachtoffer 1] , constateert de rechtbank dat voor deze feiten geen voorlopige hechtenis is toegepast. Op 18 december 2018 zijn deze feiten aan de tenlastelegging toegevoegd, zonder dat door het Openbaar Ministerie is gevorderd ook voor deze feiten de voorlopige hechtenis van verdachte te bevelen.

Artikel 27, derde lid, sub c, van het Kaderbesluit EAB bepaalt dat het specialiteitsbeginsel “niet van toepassing [is] in gevallen waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt.” Volgens de uitspraak van het Hof van Justitie van 1 december 2008 (Leymann en Pustovarov) moet deze uitzondering als volgt worden uitgelegd:

“Wanneer sprake is van enig ander feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet overeenkomstig artikel 27, lid 4, van het kaderbesluit toestemming worden gevraagd en verkregen indien een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel moet worden ten uitvoer gelegd. De overgeleverde persoon kan voor dat strafbare feit worden vervolgd en berecht alvorens die toestemming is verkregen, op voorwaarde dat geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd tijdens de vervolging of de berechting van dat feit. De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, staat er echter niet aan in de weg dat de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens de toestemming wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere tenlasteleggingen in het Europees aanhoudingsbevel.”

De uitzondering van artikel 27, derde lid, sub c, van het Kaderbesluit EAB brengt dus met zich dat de betrokken persoon zonder toestemming van de uitvoerende justitiële autoriteit kan worden vervolgd en berecht voor een ander feit dan ter zake waarvan hij is overgeleverd, voor zover voor dat feit geen voorlopige hechtenis is toegepast.

Toegepast op de zaak tegen verdachte betekent dit dat het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is op de feiten 4, 5 en 6, voor zover dit laatste feit ziet op anderen dan [slachtoffer 1] , nu voor deze feiten geen voorlopige hechtenis is toegepast. Verdachte mocht dus voor deze feiten worden vervolgd en berecht. Wanneer voor deze feiten aan verdachte een vrijheidsbenemende straf zal worden opgelegd, kan deze echter pas ten uitvoer worden gelegd nadat door het Openbaar Ministerie alsnog aanvullende toestemming van de Duitse autoriteiten wordt verkregen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte wat betreft de feiten 4, 5 en 6, voor zover dat laatste feit ziet op anderen dan [slachtoffer 1] .

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 6 (met betrekking tot [slachtoffer 1] )

Wat betreft feit 6, voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 1] , is voorlopige hechtenis toegepast. De uitzondering van artikel 27, derde lid, sub c, van het Kaderbesluit EAB is daarom niet van toepassing. De rechtbank stelt vast dat er ook geen andere uitzonderingen genoemd in artikel 27, derde lid, van het Kaderbesluit EAB van toepassing zijn. Het specialiteitsbeginsel biedt daarom voor dit feit bescherming aan verdachte. Dientengevolge had het Openbaar Ministerie verdachte niet mogen vervolgen voor dit feit. Er is sprake van een vervolgingsbeletsel, op grond waarvan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van feit 6 ten aanzien van [slachtoffer 1] .

Conclusie

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6, voor zover dit laatste feit betrekking heeft op anderen dan [slachtoffer 1] .

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 6, voor zover dit laatste feit betrekking heeft op [slachtoffer 1] .

Voorwaardelijk verzoek tot aanhouding

Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank voorwaardelijk verzocht om de zaak aan te houden en het Openbaar Ministerie alsnog in de gelegenheid te stellen om aanvullende toestemming voor de vervolging en berechting van verdachte te vragen aan de Duitse autoriteiten. De rechtbank wijst dit verzoek af. Ten aanzien van feit 6, voor zover dit feit betrekking heeft op [slachtoffer 1] , is sprake van een vervolgingsbeletsel, terwijl voor dit feit geen overlevering of aanvullende toestemming was gevraagd aan de Duitse autoriteiten. Dit vervolgingsbeletsel kan niet achteraf, door het alsnog vragen van toestemming aan de Duitse autoriteiten, worden gerepareerd. De rechtbank wijst daarom het voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de zaak af.

3.2

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Wat betreft de feiten 5 en 6 heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat de ibogaïnebehandeling schade of een aanmerkelijke kans op schade zou veroorzaken. Om die reden dient verdachte, volgens de raadsman, van de misdrijfvariant van artikel 96 Wet BIG te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde overtreding.

Daarnaast heeft de raadsman verschillende standpunten met betrekking tot het bewijs naar voren gebracht. Deze zullen, voor zover relevant, hierna worden besproken onder het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

De rechtbank zal bij de waardering van het bewijs in de eerste plaats stilstaan bij de feiten en omstandigheden zoals die zich, naar het oordeel van de rechtbank, in deze zaak hebben voorgedaan. Vervolgens zal de rechtbank stilstaan bij de vraag of deze feiten en omstandigheden de strafbare feiten opleveren zoals die door het Openbaar Ministerie aan verdachte zijn ten laste gelegd.

De hierna weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

4.3.2

De bewijsmiddelen 1

Situatie ter plaatse

Verbalisant [verbalisant 1] vermeldt in zijn proces-verbaal van bevindingen dat hij op 3 februari 2017 om 16.38 uur een melding kreeg om te gaan naar de [adres] te [woonplaats] , binnen de gemeente Stichtse Vecht. Daar zou iemand onwel geworden zijn en gereanimeerd worden. Van de meldkamer kreeg [verbalisant 1] door dat de onwelwording plaats zou vinden in een Bed and Breakfast. [verbalisant 1] werd voor de woning aangesproken door een ambulancemedewerker, die het volgende verklaarde: “Wij hebben inmiddels de reanimatie gestopt. Wij zijn ongeveer 25 minuten bezig geweest, echter zonder resultaat.” [verbalisant 1] hoorde van [huisarts] , huisarts, dat hij geen verklaring van natuurlijk overlijden ging afgeven en dat de situatie gezien de omstandigheden moest worden beoordeeld door de schouwarts.2

Verbalisant [verbalisant 2] verklaart dat hij op 3 februari 2017 op het adres [adres] te [woonplaats] was en werd aangesproken door de bewoner van de [adres] , genaamd [getuige 1] . Van [getuige 1] verklaarde tegenover [verbalisant 2] dat zijn moeder, [verdachte] , ook een paar dagen in de woning verblijft.3

Door G.W. Krever, forensisch arts, is op 5 februari 2017 een verslag opgemaakt “betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak”.4 Krever vermeldt in dit verslag dat hij op 3 februari 2017 om 17.55 uur een schouw heeft verricht op de [adres] te [woonplaats] .5 Het stoffelijk overschot betrof: [slachtoffer 1] , geboren op [1968] in [geboorteplaats] (Zweden).6

Op 23 februari 2017 is onderzoek gedaan naar medicatie die op 4 februari 2017 in beslag was genomen tijdens een doorzoeking op de [adres] in [woonplaats] .7 Hieronder bevonden zich 18 bruine capsules, welke zijn veilig gesteld onder het SIN-nummer: AAKL8766NL.8 Door het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat het monster met het nummer AAKL8766NL, bestaande uit groen/beige plantaardig materiaal, ibogaïne bevat.9

112-melding

Op 8 februari 2017 zijn door verbalisant [verbalisant 3] geluidsfragmenten uitgeluisterd van de melding over de onwelwording van een vrouw op vrijdag 3 februari 2017 op de [adres] te [woonplaats] . Hieruit blijkt het volgende:

“M: Meldkamer ambulance uit welke plaats belt u?

V: [woonplaats] .

M: [woonplaats] en welk adres?

V: [adres]

M: [adres] en wat is er aan de hand?

V: Die mevrouw heeft een astma-aanval gehad.

M: De mevrouw is dat een bekende van u?

V: Nee dat is geen bekende van mij, vreemde.

M: En hoe oud is die dame?

V: Ik weet het niet, ik ken haar niet.

(…)

M: Ze is nog steeds benauwd of....

V: Ja ze is ...heeft benauwd? Ze heeft niet ademen.

M: Ze heeft moeite met ademen?

V: Ja stop ademen...moet snel zijn hier.

(…)

M: Bent u van de buren of zo?

V: Ja van de buurt.10

(…)

V: Ik ben alleen aan het bellen.

M: Ja maar is er iemand bij haar die haar wel kent?

V: Nee nee alleen maar even logeren hier.

M: Wat zegt u?

V: Zij is alleen aan t logeren hier.

(…)

V: Ok, I'll have to go [medeverdachte]

M:( [medeverdachte] ?)Yeh.

(…)

V: And you don't know her.........RB&B..

V: You don't know her....your neighbour ... [medeverdachte] I'll have to”

Verbalisant [verbalisant 3] hoorde van een medewerker van het Regionaal Ambulance Vervoer Utrecht dat de melding was gedaan met het telefoonnummer van de huislijn van de woning aan de [adres] te [woonplaats] .11

Verdachte heeft op de zitting van 12 maart 2019 verklaard dat zij degene is geweest die met de meldkamer heeft gebeld.12

Doodsoorzaak [slachtoffer 1]

Dr. M.J. Vincenten-van Maanen, apotheker-toxicoloog, heeft een toxicologisch onderzoek uitgevoerd bij het slachtoffer [slachtoffer 1] .13 Zij rapporteert dat in het bloed van [slachtoffer 1] diverse stoffen zijn aangetroffen, waaronder ibogaïne. De concentratie ibogaïne in het femoraalbloed betreft 0,85 mg/l en in het hartbloed 0,72 mg/l.14 Vincenten-van Maanen concludeert dat het overlijden van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door de aangetoonde ibogaïne in de gemeten concentratie.15

A. Maes, arts en patholoog, heeft pathologisch onderzoek verricht naar [slachtoffer 1] . Het definitieve rapport is op 19 april 2017 ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog.16 Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] werd geen anatomische doodsoorzaak gevonden. Tijdens het toxicologisch onderzoek werd in het bloed een hoge concentratie ibogaïne aangetoond waarmee het overlijden kan worden verklaard.17 De conclusie in het rapport luidt dat bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] het overlijden kan worden verklaard als gevolg van intoxicatie met ibogaïne.18

Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 13 november 2018 heeft Soerdjbalie-Maikoe de bevindingen uit het rapport als volgt toegelicht:

“Er zijn in het hartbloed en in het femoraalbloed concentraties van dit middel (de rechtbank begrijpt: ibogaïne) aangetroffen die liggen in de range waarbij er personen aan overleden zijn. De toxicoloog zegt dat de dood hiermee kan worden verklaard omdat het bij personen is aangetroffen die overleden zijn. Dat in combinatie met het feit dat ik geen andere doodsoorzaak heb in combinatie met de uitkomst van het toxicologisch onderzoek bij deze jonge vrouw, brengt mij tot de conclusie dat ik de dood kan verklaren op grond hiervan.”19

Contacten van verdachte en [slachtoffer 1] tussen 26 december 2016 en 28 januari 2017

Op 17 mei 2017 is onderzoek ingesteld naar de inhoud van een inbeslaggenomen telefoon, die vermoedelijk in gebruik was bij [slachtoffer 1] . Hierop werd een Whatsapp-gesprek aangetroffen dat plaatsvond in de periode van 26 december 2016 tot 31 januari 2017 tussen de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: # [telefoonnummer] ), [slachtoffer 1] , en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: # [telefoonnummer] ). Uit onderzoek is gebleken dat het nummer [telefoonnummer] in gebruik was bij verdachte [verdachte] .20 Uit dit (vertaalde) Whatsapp-gesprek blijkt het volgende.

26-12-2016

# [telefoonnummer] : Je moet de ECG van je hart laten maken.

# [telefoonnummer] : Maar hoe? Zal ik naar de dokter hier in Zweden gaan. En zij zullen mij het protocol geven zonder vragen te stellen?21

# [telefoonnummer] : Je kunt tegen ze zeggen dat je graag wil duiken, en dat je daarom een check up moet hebben.22

4-1-2017

# [telefoonnummer] : Kun je elke dag twee bananen eten?

# [telefoonnummer] : Je hebt kalium nodig23

17-1-2017

# [telefoonnummer] : Maar ik heb een vraag. Ik rook drie dagen voordat ik kom en dan weet ik zeker dat ik geen methadon in mijn lichaam heb. Maar ik ben bang om ziek te worden. Doe je de ibotreatment (niet vertaald, de rechtbank begrijpt: de ibo(ga)behandeling) in een keer als ik kom?

# [telefoonnummer] : We beginnen direct.24

19 januari 2017

# [telefoonnummer] : Hi [verdachte] .

Ik boek de vlucht nu. 31 jan. kom ik naar je toe.

# [telefoonnummer] : Kun je [medeverdachte] alsjeblieft een email sturen [email] @gmail.com

Hij zal je inschrijven vanaf de 31ste tot en met de 6e.25

28 januari 2017

# [telefoonnummer] : Heb je de ECG-onderzoeksresultaten voor me?

# [telefoonnummer] : Ja, ik heb het ECG.26

In een (vertaald) e-mailbericht van [slachtoffer 1] van 26 januari 2017 aan het e-mailadres [email] @gmail.com is het volgende te lezen:

“Ik heb enkele vragen over mijn voorgeschreven medicijnen. Kun je me daarmee helpen?

Ik neem antidepressivatabletten  FLUOXETIN (soort prozac)

Ik neem ook STILNOCT (slaappillen) en SORBIL (hierdoor word ik rustig en ontspannen). Kan ik STILNOCT en SORBIL nemen? Kan ik vandaag en morgen een antidepressivumtablet nemen?”27

Op het bericht komt per e-mail een reactie, waarin het volgende staat:

“Je kunt het antidepressivum vandaag en morgen nemen. Je moet doorgaan met de kalmerings- en slaaptabletten.”28

In het onderzoek zijn onder andere diverse mobiele telefoons in beslag genomen, waaronder een Samsung GT-19060. Bij de informatie onder de noemer “Device Users” was 1 user weergegeven waarbij een profielfoto van een vrouw zichtbaar was. Verbalisant [verbalisant 4] herkende deze vrouw als de vrouw waarvan hij foto’s op het internet had gezien en welke in de betreffende artikelen als [verdachte] werd benoemd.29 In de kalender is de volgende vermelding te zien: “ [slachtoffer 1] 5 nights’’, Start Time 31-1-2017, End Time 7-2-2017.30

Rapporten met betrekking tot iboga(ïne)-behandelingen

Op 3 januari 2012 is door prof. dr. E.Ch. Wolters, neuroloog, in opdracht van de rechtbank Utrecht een oriënterend rapport uitgebracht over ibogaïne.31 Daarnaast heeft deze deskundige op 15 mei 2012 een aanvullend rapport uitgebracht.32 In deze rapporten wordt het volgende opgemerkt.

In doseringen van 3-5 mg/kg heeft ibogaïne een mild psychostimulerend effect, bij hogere doseringen (10-20 mg/kg; de dosering die geadviseerd wordt om verslavingsgedrag te beïnvloeden) treden klinisch significante verschijnselen op die in drie fasen onderverdeeld kunnen worden: de visuele fase, de introspectieve fase en de restfase.33 In de eerste, visuele, fase, die enkele uren na toediening optreedt, worden (vooral met dichte ogen) uiterst gedetailleerde, soms zeer beangstigende en/of bedreigende, visioenen en/of hallucinaties met een meer of minder gestoorde reality-testing waargenomen. Tijdens deze fase is er sprake van een significant afgenomen handelingsbekwaamheid bij een patiënt. Afhankelijk van de inhoudelijke aspecten van de hallucinaties kan hierbij sprake zijn van een meer of minder uitgesproken zelfdestructief gedrag.34

De voornaamste bijwerkingen van (vooral hogere) doseringen ibogaïne zijn een al snel na inname optredende en 4-24 uur aanhoudende tremor en ataxie (een onvermogen zich goed gecoördineerd te bewegen met daardoor een verstoorde lichaamsbalans), misselijkheid, braken, en xerostomie (droge ogen), alsook een daling van de bloeddruk en hartslag, en soms het optreden van een verhoogde sinus arithmie (zoals normaal optreedt tijdens diep inademen), ventrikelfibrilleren en een verlengde QT interval. Het tegelijkertijd innemen van enige psychiatrische medicatie is gecontra-indiceerd en ook pre-existente hartstoornissen zouden bij kunnen dragen aan genoemde bijwerkingen.

Maas en Strubelt schrijven in 2006 dat in Europa en de Verenigde Staten tenminste 8 mensen (waarvan in ieder geval 2 met een bekend cardiaal probleem) binnen enkele dagen na inname van ibogaïne in een dosering tot zelfs minder dan de helft van de aanbevolen 20-30 mg/kg lichaamsgewicht zouden zijn overleden, terwijl elders verslag wordt gedaan van 12 lethaal verlopende gevallen. Het intreden van de dood zou veroorzaakt kunnen zijn door:

1. een pre-existente hartafwijking,

2. het tijdens of direct na de behandeling gebruik van opiaten,

3. het gebruik van het wortelextract van de iboga in plaats van het pure ibogaïne,

4. extramurale behandeling (patiënten hebben constante medische supervisie en liefst

zelfs continue hartbewaking nodig).35

Gezien de uitgesproken cardio- en, vooral bij toepassing van hogere doseringen optredende, neurotoxiciteit - met name gezien de hierbij soms optredende dodelijke afloop na behandeling met ibogaïne - is dit middel echter door de Europese (EMA) en Amerikaanse (EDA) medische autoriteit niet erkend als geneesmiddel.36

Het is van belang een aantal stringente maatregelen te formuleren om de toxiciteit en letaliteit van dit middel zoveel mogelijk te beperken. Deze maatregelen zouden in ieder geval moeten bestaan uit:

• Een behandeling met ibogaïne bestaat uit een éénmalige toediening (per zes maanden) van synthetisch bereid, puur ibogaïne (en dus niet van het wortelextract van de Iboga) in een dosering van maximaal 20 mg/kg, op indicatie zonodig uitgebreid met een nabehandeling gedurende drie weken in een dosering van maximaal 20 mg/dag.

• Een behandeling met ibogaïne dient uitsluitend in een klinische setting plaats te vinden, met constante medische supervisie en liefst zelfs continue hartbewaking (in verband met eventuele cardiale verschijnselen, hallucinaties en onthoudingsverschijnselen) gedurende in ieder geval twee dagen na toediening van ibogaïne.

• Een behandeling met ibogaïne kan slechts plaats vinden na medisch onderzoek, met uitvoerige exploratie van cardiale en psychiatrische voorgeschiedenis en oriënterend psychiatrisch en cardiovasculair onderzoek met electrocardiogram.

• Een behandeling met ibogaïne kan niet plaats vinden in geval van:

i. Pre-existente en/of actuele cardiologische ziekteverschijnselen

ii. Pre-existente en/of actuele psychotische ziekteverschijnselen

iii. Actueel, tijdens of direct na de behandeling, gebruik van opiaten en/of cholinerg-actieve medicatie.37

In zijn aanvullende rapport heeft Wolters ten aanzien van iii. nog toegevoegd het gebruik van serotonerg werkzame farmaca waardoor tijdens het gebruik van ibogaïne een grotere kans bestaat op het optreden van het serotonine syndroom.38 Het serotoninesyndroom is een gevolg van een vergiftiging met serotonine door een verhoogde serotonine-spiegel in de hersenen. Dit syndroom ontwikkelt zich doorgaans bij toediening van (een combinatie van) farmaca die de hoeveelheid serotonine in de hersenen doen toenemen. Het serotoninesyndroom wordt gekenmerkt door psychische verschijnselen (verwardheid met agitatie, rusteloosheid en hyperactiviteit en slapeloosheid; bewustzijnsdaling), autonome dysregulatie (koorts, zweten, rillen, verwijde pupillen, diarrhoea, hartkloppingen) en neuromusculaire verschijnselen (spiertrekkingen, hypertonie, tremor, ataxie, incoördinatie).39

Op 11 december 2018 is door dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog bij het NFI, een aanvullend rapport uitgebracht ter beantwoording van aanvullende vragen. Hieruit blijkt dat de volgende stoffen een serotonerge werking hebben: methadon (primair een opioïde werking), fluoxetine en desmethylfluoxetine.40

Drs. E. Fromberg schrijft in zijn rapport van 29 juni 2012 dat in een zeer recent artikel alle 19 bekende gevallen met fatale afloop uit de periode 1990-2008 die “temporally related” waren met het gebruik van ibogaïne worden geanalyseerd. Uit deze gevallen blijkt dat niet zozeer het ibogaïne-gebruik maar de combinatie van individuele pre-existente fysieke factoren en ibogaïnegebruik de oorzaak was van de fatale afloop. Het is dus zaak dit samengaan zoveel mogelijk uit te sluiten door grondige screening vooraf en de fataliteit wanneer iemand ten onrechte door de screening komt zoveel mogelijk te voorkomen door de beschikbaarheid van adequate medische en/of psychologische hulp.41

Een uitgebreide anamnese moet worden afgenomen, gevolgd door een grondig lichamelijk en psychologisch onderzoek. Doel hiervan is het uitsluiten van tenminste de volgende gebleken risicofactoren: hartlijden (absolute contra-indicatie), een alcohol en/of benzodiazepine-abstinentiesyndroom, de aanwezigheid van (ernstige) persoonlijkheidsstoornissen, nader onderzoek bij patiënten met lichtere vormen van persoonlijkheidsstoornissen en de aanwezigheid van een (pre)psychose.42

Het is belangrijk dat de behandelruimte gesitueerd is op een plaats waar medische voorzieningen voorhanden zijn, zeker gezien de vele medische problemen die men kan aantreffen bij verslaafden en ook gezien de relatieve onbekendheid met het middel ibogaïne. Dit betekent in de praktijk: liefst in of naast een ziekenhuis met een arts stand-by, zodat eventuele somatische complicaties optredend tijdens de “trip” onmiddellijk behandeld kunnen worden in het ziekenhuis.

Drs. Fromberg concludeert in zijn rapport dat de praktijken van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: in de periode vóór 2012) in velerlei opzichten niet voldoen aan de eisen die gesteld zouden moeten worden aan een behandeling met ibogaïne.43

Behandeling [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat hij veel informatie heeft opgezocht over iboga en er lang over heeft nagedacht voordat hij de beslissing nam om de behandeling te ondergaan in Nederland. Het was bij een vrouw, [verdachte] .44 had gelezen dat het gevaarlijk was voor zijn hart. [verdachte] gaf toen aan dat hij daarom de ECG moest laten maken. [slachtoffer 2] kreeg de resultaten van de ECG niet op papier mee. Hij had alleen gehoord dat zijn hart in orde was en dat heeft hij aan [verdachte] verteld. [slachtoffer 2] kan zich niet herinneren dat er documenten ingevuld hoefden te worden voorafgaand aan de behandeling.45 Er werden geen vragen over zijn gezondheid gesteld, alleen algemene vragen over hoe hij zich voelde. [slachtoffer 2] denkt dat de behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2016.46 [verdachte] was degene die [slachtoffer 2] behandelde. Ze had een microfoon en een webcamera op de kamer.47 De lichaamsfuncties van [slachtoffer 2] werden niet met behulp van machines in de gaten gehouden.48

Op de bankrekening van [medeverdachte] , medeverdachte van verdachte, is in 2016 een bedrag van € 1.500,00 betaald door [slachtoffer 2] .49

Behandeling [slachtoffer 3]

verklaart op 30 mei 2018 dat hij verslaafd was aan alcohol en dat hij het medicijn Subutex slikte. Hij werd behandeld door een vrouw, die hij herkent op een foto van verdachte die hem door de politie wordt getoond.50 herinnert zich niet dat hij vooraf vragen kreeg over zijn gezondheid. [slachtoffer 3] wist niets van de risico’s van het gebruik van ibogaïne; niemand heeft hem daar iets over gezegd.51 Tijdens de behandeling voelde hij zich slecht. Hij kon niet eten en niet douchen. Ook is hij tijdens de behandeling in een verschrikkelijke psychose geraakt. Zijn broer moest hem douchen, voeren en aankleden. Hij was verschrikkelijk ziek.52 kreeg capsules die gevuld werden met ibogaïne.53

[getuige 2] verklaart in zijn getuigenverhoor dat hij met zijn broer, [slachtoffer 3] , is meegegaan naar Nederland.54 Dat was drie tot vier jaar geleden (de rechtbank begrijpt: in 2014 of 2015). [getuige 2] verklaart dat [slachtoffer 3] niets meer wist toen hij wakker werd; hij herkende hen niet en was als een pasgeboren baby. [slachtoffer 3] kon amper zelf eten of drinken.55 Ze kregen niet veel informatie. De informatie over de behandeling hebben ze vooral van internet gehaald. [verdachte] en [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) zeiden wel dat verschillende personen verschillend worden beïnvloed door de behandeling, maar zeker niet dat je eraan kunt sterven.56 De behandeling werd alleen door [verdachte] uitgevoerd. In de kamer waar [slachtoffer 3] behandeld werd, was een webcam met geluid, voor als [verdachte] sliep.57

Tijdens de doorzoeking op 3 februari 2017 op de [adres] in [woonplaats] werden diverse documenten in beslag genomen.58 Een van deze documenten betrof een intakeformulier. Het formulier stond op naam van [slachtoffer 3] . Op het formulier stond dat ‘ [naam] ’ niet verantwoordelijk was voor fout ingevulde antwoorden en de gevolgen daarvan. [slachtoffer 3] had dit formulier op 28 januari 2015 in Nederland ondertekend.59

Op de bankrekening van [medeverdachte] , medeverdachte van verdachte, is in 2015 een bedrag van € 1.750,00 betaald door [A] ,60 de vader van [slachtoffer 3] .61

Behandeling [slachtoffer 4]

heeft verklaard dat hij op internet over iboga gelezen heeft en uiteindelijk bij [verdachte] terecht kwam.62 [verdachte] vroeg hem naar zijn gezondheid, of hij problemen had met hart- en vaatziekten en of hij drugs gebruikte. Er hoefden door hem geen documenten of een vragenlijst te worden ingevuld voor de behandeling. [slachtoffer 4] vertelde [verdachte] dat zijn hart was onderzocht en dat zijn hart heel sterk was. [verdachte] hoefde daarvan niet iets te zien. Ze vertelde [slachtoffer 4] dat er risico’s waren als hij een slecht hart had. Dan zou het hart overbelast raken.63 verklaart dat hij eind januari 2017 bij [verdachte] is geweest voor de behandeling.64 herkent op de foto van verdachte de persoon over wie hij verklaart als [verdachte] . [verdachte] was de persoon die hem de iboga gaf.65 werd via een monitor met beeld en/of geluid in de gaten gehouden. Hij zat niet zelf gekoppeld aan een monitor.66

Uit onderzoek is gebleken dat er een skypegesprek heeft plaatsgevonden tussen een gebruiker van het account ‘ [slachtoffer 4] ’ en een gebruiker van het account ‘iboga.healing’. Uit onderzoek is gebleken dat het laatste account in gebruik is bij verdachte. In het gesprek wordt door [slachtoffer 4] gevraagd of het goed is dat zij op 26 januari 2017 komen, waarop wordt geantwoord dat dit goed is. In de kalender van de telefoon van verdachte stond de afspraak ‘ [slachtoffer 4] & [B] (26-1-2017 / 30-1-2017)’.67

Behandeling [slachtoffer 5]

heeft verklaard dat hij verslaafd was aan Subutex en drie keer voor een ibogaïnebehandeling naar Nederland is geweest. [slachtoffer 5] is in maart 2016 naar Nederland gereisd.68 Vóór de behandeling is hem verteld dat hij geen aangeboren afwijking mocht hebben aan zijn hart of in het bloed. Dat was omdat zijn hartslag heel erg hoog zou worden tijdens de behandeling. [slachtoffer 5] is niet bij een arts geweest, omdat hij wist dat zijn hart goed was; [verdachte] was daar geïrriteerd over. [slachtoffer 5] kreeg een capsule met pure ibogaïne, een wortel uit Afrika, een natuurlijk product.69 Hij hoefde geen dingen in te vullen. [verdachte] vertelde hem dat het sterk hallucinerend was en dat zijn hartslag omhoog zou gaan. [verdachte] heeft tijdens de behandeling zijn vitale functies niet gecontroleerd; ze is geen arts. Ze was wel steeds bij hem en controleerde zijn ademhaling.70 De tweede keer vond een half jaar later plaats, eind augustus 2016. De derde keer was eind 2016 of begin 2017. [slachtoffer 5] wilde op de vierde dag naar huis. Hij is niet zeven dagen gebleven, maar is op de vijfde dag naar huis gegaan. [verdachte] was daar wel een beetje boos over.71

Op de bankrekening van [medeverdachte] , medeverdachte van verdachte, is in 2015 een bedrag van € 4.136,99 betaald door [slachtoffer 5] en in 2016 een bedrag van € 1.200,00.72

Behandeling [slachtoffer 6]

heeft in zijn verhoor verklaard dat het in 2014 psychisch niet goed met hem ging. Hij is toen op iboga gestuit en vond de contactgegevens van [verdachte] .73 Voorafgaand aan de behandeling hoefde [slachtoffer 6] geen documenten in te vullen. [verdachte] wilde eigenlijk een ECG maar dat was er in het kader van de voorbereidingen niet meer van gekomen. [verdachte] heeft hem niet verteld waarom ze graag een ECG wilde.74 verklaart dat hij in juli 2014 naar Nederland is gegaan.75 kreeg capsules met het extract uit de wortel erin. [verdachte] vroeg hoe hij zich voelde, maar er werd geen bloeddruk gemeten of iets anders.76 In de kamer was een webcam die op hem was gericht. De capsules werden gegeven door [verdachte] .77 vond de handelwijze vóór, tijdens en na de behandeling extreem alternatief. Absoluut anders dan je van een kliniek gewend bent. De bloeddruk werd niet gemeten; het was niet zo professioneel.78 verklaart dat hij met [verdachte] niet heeft gesproken over het behandelingsrisico. Het feit dat je je intensief bezighoudt met de therapie of de risico’s is volgens [slachtoffer 6] geen voorwaarde om met [verdachte] in contact te komen. [verdachte] verlangt ook niet van haar klanten dat zij zich intensief met de risico’s bezighouden.79

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij [slachtoffer 6] met iboga heeft behandeld.80

Eerdere incidenten

Wolters gaat in zijn rapport van 15 mei 2012 in op enkele gevallen waarbij de behandelingen van [verdachte] met ibogaïne gepaard gingen met ernstige complicaties. Hij noemt hierin onder meer de volgende gevallen.81

In december 2007 werd een 29-jarige Amerikaanse vrouw (zonder medische voorgeschiedenis) na een behandeling door [verdachte] met ibogaïne met een ambulance naar het UMC vervoerd. Vervolgens kreeg zij ventriculaire hartritmestoornissen. Bij aanvullend onderzoek op het elektrocardiogram werd een verlengde QT-tijd gezien.82 Wolters merkt op dat in de medische literatuur cardiale ritmestoornissen met plotse hartdood na ibogaïne worden beschreven. Deze cardiale ritmestoornissen kunnen veroorzaakt worden door zowel de (beiden bij deze vrouw vastgestelde) ventriculaire hartritmestoornissen als een verlengde QT-tijd met elektrolyten verstoring in het bloed.83

Op 25 augustus 2011 moest een 26-jarige man, [C] , na een behandeling met ibogaïne gereanimeerd worden in verband met een hartstilstand. Na een aanvankelijke verslechtering van het klinisch beeld trad geleidelijk aan enig herstel op. Desondanks resteert een corticale blindheid, ernstige spraakstoornis, ataxie over armen en benen bij helder bewustzijn en is hij nog steeds bed- en rolstoelgebonden. In zijn commentaar op dit incident merkt Wolters op dat het hier naar alle waarschijnlijkheid een aan het gebruik van ibogaïne toe te schrijven hartritmestoornis betreft, leidend tot een hartstilstand.84 Het Hof heeft hierover in zijn arrest van 9 oktober 2015 geoordeeld dat tussen de toediening van ibogaïne en het optreden van de hartstilstand bij [C] een oorzakelijk verband bestaat.85

Verklaring verdachte met betrekking tot behandelen van personen met iboga

Verdachte heeft verklaard dat zij, na haar veroordeling in de vorige strafzaak, is doorgegaan met het behandelen van personen met iboga en dat in iboga ibogaïne zit.86 Ook heeft zij verklaard dat de plek in [woonplaats] geen geschikte plek was voor een behandeling met iboga.87

4.3.3

Algemene bewijsoverwegingen met betrekking tot [slachtoffer 1]

Heeft verdachte iboga(ïne) toegediend aan [slachtoffer 1] ?

De verdediging heeft betoogd dat aan de hand van het dossier niet kan worden vastgesteld dat door verdachte iboga(ïne) is toegediend aan [slachtoffer 1] . In de eerste plaats is er geen positief bewijs dat de in het bloed van [slachtoffer 1] aangetroffen iboga(ïne) door verdachte aan haar is toegediend. Bovendien zijn er alternatieve scenario’s die niet kunnen worden uitgesloten, zoals de mogelijkheid dat [slachtoffer 1] zelf de iboga(ïne) heeft ingenomen of dat de iboga(ïne) door [medeverdachte] aan haar is toegediend.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij gedurende de jaren na haar veroordeling nog verschillende personen heeft behandeld met iboga(ïne). Dat wordt ook bevestigd door de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , die allemaal verklaren door verdachte met iboga(ïne) te zijn behandeld.

In de Whatsapp-contacten tussen verdachte en [slachtoffer 1] in december 2016 en januari 2017 wordt uitvoerig gesproken over de behandeling die [slachtoffer 1] zal volgen. Zo wordt door verdachte, op een vraag van [slachtoffer 1] , geadviseerd over welke medicijnen zij mag blijven innemen en wordt [slachtoffer 1] aangeraden om dagelijks bananen te eten. Daarnaast wordt, net als bij [slachtoffer 4] , in de agenda van verdachte een afspraak aangetroffen; in dit geval “ [slachtoffer 1] 5 nights”. Op de vraag van [slachtoffer 1] op 17 januari 2017 of verdachte de ibogabehandeling in een keer doet als zij komt, antwoordt verdachte: “We beginnen direct”. Uit niets blijkt in deze conversaties dat verdachte mogelijk nog van de behandeling zou afzien op het moment dat [slachtoffer 1] was gearriveerd. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat [slachtoffer 1] onvoldoende voorbereid was en lichamelijke klachten had en dat verdachte om die reden heeft afgezien van de behandeling, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank neemt daarbij ook de verklaringen in aanmerking van de hiervoor genoemde personen die eerder door verdachte zijn behandeld. Daaruit komt het beeld naar voren dat, ook wanneer zij onvoldoende voorbereid waren (en bijvoorbeeld geen ECG konden overleggen), de behandeling toch doorging. Bovendien heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat [slachtoffer 1] , ondanks verdachtes weigering om haar te behandelen, ruim drie dagen in de Bed and Breakfast aan de [adres] in [woonplaats] heeft verbleven.

De rechtbank acht de door de verdediging geopperde alternatieve scenario’s, namelijk dat [slachtoffer 1] de iboga(ïne) zelf heeft gepakt en ingenomen dan wel dat [medeverdachte] de iboga(ïne) aan [slachtoffer 1] heeft gegeven, niet aannemelijk geworden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 1] naar Nederland kwam voor een iboga(ïne)behandeling die zou worden uitgevoerd door verdachte. Uit het contact tussen [slachtoffer 1] en verdachte blijkt dat voorafgaand aan de komst naar Nederland door [slachtoffer 1] aan verdachte meerdere inhoudelijke vragen over de behandeling zijn gesteld. Verdachte geeft [slachtoffer 1] daarop allerlei adviezen over de voorbereiding op de behandeling en zegt zelfs expliciet dat zij direct na aankomst van [slachtoffer 1] zal starten met de behandeling. Dat [slachtoffer 1] bij aankomst in Nederland vervolgens zelf de iboga(ïne) zou hebben ingenomen, acht de rechtbank, ook gelet op het gebrek aan kennis bij [slachtoffer 1] over deze behandeling, niet aannemelijk. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] volgt dat het toedienen van iboga(ïne) door verdachte werd uitgevoerd. Zij bepaalde de dosering en stopte de iboga(ïne) in capsules. [medeverdachte] was soms aanwezig om de hiervoor genoemde personen in de gaten te houden tijdens de behandeling, maar niemand verklaart dat hij ook zelf betrokken was bij het toedienen van iboga(ïne). Ook overigens blijkt niet uit het dossier dat van deze rolverdeling, waarin verdachte degene was die feitelijk de iboga(ïne) toediende, werd afgeweken. De rechtbank acht daarom ook het scenario dat de iboga(ïne) door [medeverdachte] zou zijn toegediend niet aannemelijk geworden.

Gelet op het feit dat [slachtoffer 1] naar Nederland kwam voor een iboga(ïne)behandeling door verdachte, in combinatie met het feit dat er in [slachtoffer 1] ’s bloed daadwerkelijk ibogaïne is aangetroffen, acht de rechtbank, mede gelet op de handelwijze die zij toepaste op andere cliënten, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is die aan [slachtoffer 1] iboga(ïne) heeft toegediend.

Doodsoorzaak [slachtoffer 1]

De verdediging heeft naar voren gebracht dat op basis van het toxicologisch rapport en het pathologisch rapport niet kan worden geconcludeerd dat [slachtoffer 1] is overleden aan intoxicatie met ibogaïne. Het aangetroffen ibogaïne-gehalte in het bloed van [slachtoffer 1] is daarvoor te laag, de studies naar de fataliteit van ibogaïne zijn te beperkt en onduidelijk is in hoeverre de methadonconcentratie in het bloed kan hebben bijgedragen aan de dood van [slachtoffer 1] .

De rechtbank overweegt hierover het volgende. De toxicoloog, Vincenten-van Maanen, concludeert in haar rapport dat de dood van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door de in het bloed van [slachtoffer 1] aangetoonde ibogaïne in de gemeten concentratie. Op grond van de resultaten van het toxicologisch onderzoek kan de dood van [slachtoffer 1] volgens de toxicoloog echter niet worden geconcludeerd, omdat de gemeten concentratie ibogaïne in het bloed van [slachtoffer 1] zowel wordt beschreven bij personen bij wie het overlijden is gerelateerd aan ibogaïne als bij personen die niet zijn overleden na gebruik van ibogaïne.

De rechtbank acht van belang wat hierover door de patholoog, Soerdjbalie-Maikoe, is verklaard bij de rechter-commissaris. Zij merkt op dat de toxicoloog zich in haar conclusie op de vlakte moet houden, omdat zij een deelonderzoek doet. De toxicoloog zal nooit een rapport opmaken waarin staat dat iets de doodsoorzaak is geweest, omdat zij niet een totaalonderzoek aan het lichaam doet.

Uit deze verklaring blijkt dat het onderzoek van de toxicoloog en het onderzoek van de patholoog een ander karakter kennen. De toxicoloog richt zich daarbij op de aangetroffen concentraties van een stof in het onderzochte lichaam. Door de patholoog wordt echter het gehele lichaam onderzocht, waarbij in de uiteindelijke conclusie ook de bevindingen uit het toxicologisch onderzoek worden betrokken.

De patholoog heeft bij haar onderzoek naar het lichaam van [slachtoffer 1] geen bevindingen gedaan die de dood van [slachtoffer 1] zouden kunnen verklaren. Vervolgens heeft zij de toxicologische bevindingen bij haar onderzoek betrokken en komt zij tot de conclusie dat de dood van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door een intoxicatie met ibogaïne.

De rechtbank heeft geen reden om aan de onderzoeken en conclusies door de deskundigen Soerdjbalie-Maikoe en Vincenten-Van Maanen te twijfelen. De rechtbank neemt de conclusie van Soerdjbalie-Maikoe dat de dood van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door intoxicatie met ibogaïne over bij haar oordeel.

De rechtbank gaat voorbij aan het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de dood kan zijn veroorzaakt door de bij [slachtoffer 1] in het bloed aangetroffen methadon. Uit de door de verdediging aangehaalde studie van het Trimbos-instituut, Rapport MDMA-gerelateerde sterfgevallen, blijkt dat bij het gebruik van methadon als onderhoudsbehandeling de concentraties meestal liggen tussen 0,05 en 0,4 mg/L. Toxische verschijnselen treden, volgens dit rapport, afhankelijk van de gewenning, op bij concentraties vanaf 0,1-0,4 mg/L. De laatstgenoemde concentraties zijn vier tot vijftien keer hoger dan de concentratie die bij [slachtoffer 1] is aangetroffen, zijnde 0.026 mg/L. De toxicoloog stelt in haar verhoor bij de rechter-commissaris dat de methadon in een zeer lage concentratie is aangetroffen, lager dan normaal werkende concentraties, en geen effect zal hebben gehad. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het alternatieve scenario dat de dood van [slachtoffer 1] door de aangetroffen methadonconcentratie verklaard kan worden niet aannemelijk geworden.

Causaal verband

De verdediging heeft betoogd dat de vereiste causaliteit ontbreekt, nu niet kan worden vastgesteld dat de dood redelijkerwijs als gevolg van de gedraging van verdachte aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank overweegt dat vooropgesteld moet worden dat de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde door verdachte verrichte gedraging – te weten het behandelen van [slachtoffer 1] met ibogaïne – en de dood van [slachtoffer 1] , dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend. Indien niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de bewezenverklaarde gedraging in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg, is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de bewezenverklaarde gedraging gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (vgl. Hoge Raad 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:585).

De rechtbank is van oordeel dat de toediening van iboga(ïne) door de verdachte aan [slachtoffer 1] niet alleen een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer 1] , maar ook dat het overlijden van [slachtoffer 1] met tenminste de vereiste aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die toediening is veroorzaakt. Behandeling met iboga(ïne) is immers in de gegeven omstandigheden naar haar aard geschikt om de dood teweeg te brengen en is naar ervaringsregels van dien aard dat dat zij het vermoeden wettigt dat de dood als gevolg daarvan is ingetreden. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen uit de deskundigenrapporten van Wolters en Fromberg en uit de rapporten van de toxicoloog en de patholoog blijkt. De rechtbank betrekt daarbij ook dat van een andere oorzaak die tot de dood van [slachtoffer 1] heeft geleid, blijkens het toxicologisch en pathologisch onderzoek, niet is gebleken. De kans dat andere, niet aan de gedragingen van de verdachte gerelateerde oorzaken tot de dood van [slachtoffer 1] hebben geleid, is zo klein dat daaraan als hoogst onwaarschijnlijk wordt voorbijgegaan.

De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de dood van [slachtoffer 1] redelijkerwijs als gevolg van de bewezen verklaarde toediening met iboga(ïne) kan worden toegerekend aan de gedraging van verdachte.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het gelasten van een nieuw pathologisch onderzoek door een niet aan het NFI verbonden patholoog. Daarnaast heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht tot het instellen van een tegenonderzoek door een onafhankelijke toxicoloog.

De rechtbank wijst deze voorwaardelijke verzoeken af. Zoals hiervoor door de rechtbank is uiteengezet, acht de rechtbank de rapporten van de toxicoloog en patholoog en de conclusies die hierin worden getrokken gedegen onderbouwd. De rechtbank acht zich op basis van deze rapporten voldoende voorgelicht en is van oordeel dat het niet noodzakelijk is een nieuw pathologisch onderzoek in te stellen en een tegenonderzoek te gelasten door een onafhankelijke toxicoloog.

4.3.4

Bewijsoverwegingen voor feit 1 primair

Opzet

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte [slachtoffer 1] niet “willens en wetens” van het leven heeft beroofd. Van zogenoemd “vol opzet” is geen sprake.

Voorwaardelijk opzet – juridisch kader

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad het volgende af.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met deze huidige formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering “de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans”. Algemene regels over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een

bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, kunnen niet worden gegeven, laat staan dat deze kans in een percentage kan worden uitgedrukt (Hoge Raad 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718).

Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard (Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049). Of sprake is van de aanvaarding van deze kans zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang.

Voorwaardelijk opzet – beoordeling

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.

- Incidenten

Verdachte is in 2011 strafrechtelijk vervolgd voor verschillende incidenten die hebben plaatsgevonden bij personen die kort voor het incident bij haar een iboga(ïne)behandeling hebben gehad. Dit betroffen onder meer een onbekende Amerikaanse vrouw en de heer [C] .

Uit het aanvullende rapport van Wolters blijkt dat bij de Amerikaanse vrouw sprake was van hartritmestoornissen. Cardiale ritmestoornissen na het gebruik van ibogaïne kunnen, volgens Wolters, worden veroorzaakt door zowel de (beiden bij deze vrouw vastgestelde) ventriculaire hartritmestoornissen als een verlengde QT-tijd met elektrolyten verstoring in het bloed. Verdachte weet dat de hartritmestoornissen volgens de deskundige Wolters passen bij intoxicatie met ibogaïne.

Bij [C] is, na een iboga(ïne)behandeling bij verdachte, een hartstilstand opgetreden en hij is hierdoor zwaar gehandicapt geraakt. Door het Hof is in 2015 geoordeeld dat tussen deze iboga(ïne)behandeling en het optreden van de hartstilstand een oorzakelijk verband bestaat.

Verdachte is ondanks deze incidenten doorgegaan met het geven van iboga(ïne)behandelingen.

- Rapportages deskundigen

Daarbij komt dat verdachte, door het hiervoor genoemde strafrechtelijke onderzoek tegen haar, op de hoogte was van de rapporten van Wolters en Fromberg die met betrekking tot het geven van ibogaïnebehandelingen zijn uitgebracht.

In deze rapporten wordt in de eerste plaats aandacht besteed aan de cardio- en neurotoxiciteit van ibogaïne en worden er onderzoeken aangehaald waaruit blijkt dat toediening van ibogaïne bij verschillende personen een fatale afloop heeft gehad. Wolters merkt in dat verband op dat het gebruik van het wortelextract iboga, zoals verdachte deed, meer risico’s met zich brengt dan het gebruik van pure ibogaïne.

In de tweede plaats gaan deze rapporten uitgebreid in op de vraag welke randvoorwaarden er gesteld moeten worden om ibogaïne veilig toe te dienen. Daarbij is van belang dat de persoon die wordt behandeld vóór de behandeling grondig wordt onderzocht. Bepaalde pre-existente factoren kunnen namelijk een contra-indicatie vormen voor het toedienen van ibogaïne. Uit het rapport van Wolters blijkt dat een ander belangrijk uitgangspunt is dat de behandeling plaatsvindt in een klinische setting, met constante medische supervisie en liefst zelfs continue hartbewaking. Fromberg stelt in zijn rapport dat de praktijken van verdachte in velerlei opzicht niet voldoen aan de eisen die gesteld zouden moeten worden aan de behandeling met ibogaïne.

Ondanks deze rapporten, waarin aan het toedienen van ibogaïne stringente voorwaarden worden verbonden, is verdachte doorgegaan met het behandelen van mensen met iboga(ïne). Uit niets blijkt dat zij haar werkwijze, nadat ze van deze rapporten heeft kennisgenomen, heeft aangepast. Er was geen sprake van een klinische setting, er was geen hartbewaking en er was geen constante medische supervisie. Ook wordt door verschillende getuigen verklaard dat zij geen formulieren hoefden in te vullen over hun gezondheid voorafgaand aan de behandeling. Zelfs het ontbreken van een ECG, zoals bij [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , was voor verdachte geen reden om van behandeling af te zien.

- Aanmerkelijke kans

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of door de iboga(ïne)behandeling van [slachtoffer 1] een aanmerkelijke kans ofwel “een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid” bestond dat [slachtoffer 1] als gevolg hiervan zou komen te overlijden.

De rechtbank betrekt daarbij de hiervoor genoemde omstandigheden, waaronder de neuro- en cardiotoxiciteit van ibogaïne, het feit dat verdachte iboga en geen ibogaïne gebruikte (hetgeen volgens de deskundigen meer risico met zich brengt), het feit dat er eerder incidenten na een door verdachte verrichte behandeling met iboga hebben plaatsgevonden en dat verdachte de veiligheidsvoorschriften die in de rapportages zijn opgenomen niet heeft toegepast in haar praktijk. Er was geen sprake van een klinische setting en er waren zelfs in het geheel geen medische voorzieningen voorhanden. Ook heeft verdachte volstrekt onvoldoende onderzoek gedaan naar de fysieke en geestelijke gesteldheid van de personen die bij haar kwamen voor een behandeling en heeft zij daarmee onvoldoende beoordeeld, voor zover zij daartoe zonder (voldoende) medische kennis in staat zou zijn, of sprake was van risicovolle pre-existente factoren bij deze personen. Bij [slachtoffer 1] is het zelfs zo dat verdachte haar heeft geadviseerd om bij het laten maken van een ECG als reden op te geven dat ze wil gaan duiken. Door die werkwijze is [slachtoffer 1] niet eerlijk geweest tegen de arts over haar gebruik van opiaten en medicatie en kon de arts die [slachtoffer 1] onderzocht haar conditie dus ook niet goed beoordelen. Ook kon de arts daardoor niet de risico’s van een iboga(ïne)behandeling betrekken bij zijn beoordeling en kon hij [slachtoffer 1] hierover niet informeren.

Veel van de door verdachte behandelde personen betroffen bovendien, net als [slachtoffer 1] , verslaafden, wat gezien kan worden als een kwetsbare groep, onder meer omdat door personen in die groep vaak opiaten gebruikt zullen worden. De combinatie van opiaten met iboga(ïne) is extra gevaarzettend. Verdachte voerde echter geen enkele controle uit om na te gaan of personen die bij haar kwamen voor een behandeling vrij van opiaten waren. Ook controleerde verdachte niet of haar patiënten medicatie gebruikten. In het geval van [slachtoffer 1] blijkt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer 1] aan verdachte verschillende vragen stelt over het innemen van medicatie voorafgaand aan de behandeling. Pas na deze expliciete vragen wordt door verdachte een advies gegeven over het wel of niet innemen van medicijnen. Verdachte heeft dus niet zelf onderzocht of [slachtoffer 1] bepaalde medicatie gebruikte. Bovendien geeft verdachte aan [slachtoffer 1] aan dat zij net voor de behandeling haar antidepressiva kan innemen, terwijl in de bij verdachte bekende deskundigenrapporten is opgenomen dat de combinatie van iboga(ïne) met een dergelijk medicijn extra gevaarlijk is, vanwege onder meer de vergrote kans op het serotoninesyndroom.

Door op deze wijze te werk te gaan met een risicovolle stof, iboga, bestond naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans (ofwel de “reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid”) dat [slachtoffer 1] als gevolg van de behandeling zou komen te overlijden, welk risico zich heeft verwezenlijkt.

- Wetenschap en aanvaarding

Zoals hiervoor is overwogen was verdachte bekend met de eerdere incidenten die zich in haar praktijk hadden voorgedaan en die in verband stonden tot de iboga(ïne)behandeling die verdachte uitvoerde. Daarnaast wist verdachte, op basis van de rapporten van Wolters en Fromberg, waar zij bekend mee was door de eerdere strafprocedure, dat het toedienen van iboga(ïne) -in het bijzonder buiten een klinische setting en zonder grondig medisch vooronderzoek- ernstige risico’s met zich kan brengen. Er bestond dus bij verdachte wetenschap dat er risico’s verbonden waren aan het toedienen van iboga(ïne), in het bijzonder onder de omstandigheden waaronder deze behandeling door verdachte werd uitgevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop bewust heeft aanvaard. Daarbij is voor de rechtbank van groot belang dat zij, ondanks dat zij weet had van de als reëel aan te merken risico’s, is doorgegaan met het behandelen van personen met iboga(ïne). Zij heeft haar werkwijze daarbij niet aangepast, maar is doorgegaan met haar behandelingen zonder de veiligheidsvoorschriften die door Wolters en Fromberg zijn opgesteld in acht te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de eerdere incidenten die hebben plaatsgevonden in haar praktijk en door het verder gaan met behandelen op de wijze zoals hiervoor onder het kopje ‘aanmerkelijke kans’ is beschreven (en dus zonder de haar bekende aanbevelingen van de deskundigen Wolters en Fromberg op te volgen), bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de iboga(ïne)behandeling bij [slachtoffer 1] tot haar dood zou kunnen leiden.

Conclusie

De rechtbank is gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . De onder 1 primair ten laste gelegde doodslag acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Medeplegen?

De rechtbank leidt uit het dossier af dat in het voortraject naast verdachte ook medeverdachte [medeverdachte] betrokken is geweest bij de iboga(ïne)behandeling die [slachtoffer 1] wilde ondergaan. In hoeverre [medeverdachte] naast verdachte ook daadwerkelijk betrokken is geweest bij de behandeling van [slachtoffer 1] kan door de rechtbank echter niet worden vastgesteld. De rechtbank acht daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] als medepleger van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde kan worden aangemerkt. Verdachte wordt om die reden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

4.3.5

Bewijsoverwegingen voor feit 2

Behandelovereenkomst

Allereerst dient de rechtbank vast te stellen of verdachte een behandelovereenkomst had met [slachtoffer 1] , nu in de tenlastelegging het volgende is opgenomen: “tot wiens verpleging en/of verzorging zij (…) krachtens overeenkomst verplicht was”.

In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (hierna: WGBO) (Burgerlijk Wetboek 7, titel 7, afdeling 5) is de geneeskundige behandelrelatie geregeld als overeenkomst tussen de hulpverlener en de patiënt. De bepalingen van deze regeling zijn

niet alleen van toepassing op artsen maar op een ieder die geneeskundige handelingen verricht in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf.

Artikel 7:446 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat onder handelingen op het gebied van de geneeskunst (mede) wordt verstaan alle verrichtingen, het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tussen verdachte en [slachtoffer 1] een behandelovereenkomst bestond op basis van artikel 7:446 BW. Immers, [slachtoffer 1] liet zich onder behandeling stellen van verdachte, welke behandeling als doel had dat zij door de toediening van iboga(ïne) zou worden genezen van haar verslaving. Verdachte was op grond van de door haar met [slachtoffer 1] gesloten behandelovereenkomst verplicht haar te verzorgen.

In hulpeloze toestand gebracht

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand heeft gebracht. Zoals hiervoor in 4.3.3 is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de iboga(ïne) aan [slachtoffer 1] heeft toegediend. Verdachte was op de hoogte van de bijwerkingen en risico’s van iboga(ïne). Zij heeft echter [slachtoffer 1] behandeld met iboga(ïne), terwijl het onderzoek vóór de behandeling en de omstandigheden tijdens de behandeling volstrekt onvoldoende waarborgen boden voor een veilige behandeling. De rechtbank wijst op wat hierover specifiek is overwogen onder feit 1 primair, nu de verfeitelijkingen in de tenlastelegging van feit 2 grotendeels overeenkomen met wat in de tenlastelegging is opgenomen onder feit 1 primair.

In hulpeloze toestand gelaten

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand heeft gelaten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij degene is die heeft gebeld met de meldkamer. Door de medewerker van de meldkamer zijn aan verdachte verschillende vragen gesteld waren die tot doel hadden om de situatie van [slachtoffer 1] in kaart te brengen. Verdachte heeft daarop onder meer geantwoord dat “die mevrouw een astma-aanval [heeft] gehad” en “dat is geen bekende van mij, vreemde”. Verdachte rept daarbij met geen woord over het feit dat zij deze vrouw iboga(ïne) heeft toegediend, waardoor voor de hulpdiensten essentiële informatie wordt achtergehouden. Vervolgens zegt verdachte tijdens dit telefoongesprek dat ze weg moet en adviseert ze “ [medeverdachte] ” (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) om te zeggen dat hij haar niet kent. Op het moment dat de hulpdiensten arriveren, wordt verdachte inderdaad niet meer aangetroffen. Verdachte heeft door deze handelwijze [slachtoffer 1] , die op dat moment dringend hulp nodig had, in hulpeloze toestand achtergelaten.

De dood ten gevolge

Zoals de rechtbank in 4.3.3 heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte verrichte iboga(ïne)behandeling de dood van [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad. Daarmee is het causaal verband tussen het in hulpeloze toestand brengen van [slachtoffer 1] door [slachtoffer 1] onder de bewezen verklaarde omstandigheden ibogaïne toe te dienen en de dood van [slachtoffer 1] gegeven. Ook is de rechtbank van oordeel dat sprake is van causaal verband tussen het in hulpeloze toestand laten van [slachtoffer 1] en de dood van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank het gevaar dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden - welk gevaar zich heeft verwezenlijkt - in zodanige mate verhoogd dat het overlijden redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend als gevolg van haar nalaten om de alarmdiensten van juiste informatie over het gebruik van iboga(ïne) door [slachtoffer 1] te voorzien. Verdachte heeft door het onthouden van informatie over het iboga(ïne)gebruik van [slachtoffer 1] een adequate en op maat gesneden zorgverlening door het ambulancepersoneel bemoeilijkt, terwijl uit de deskundigenrapporten blijkt dat in het algemeen te verwachten is dat de kans op overleving na het ontstaan van complicaties na het gebruik van iboga(ïne) wordt vergroot indien er medische zorg beschikbaar is, die zo nodig kan worden ingezet.

Medeplegen?

De rechtbank zal verdachte ook ten aanzien van dit feit vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen. Zoals hiervoor is overwogen is de rol van [medeverdachte] bij de feitelijke iboga(ïne)behandeling onvoldoende duidelijk geworden, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen dat bij het “in hulpeloze toestand brengen” sprake was van medeplegen. Dat geldt temeer voor het “in hulpeloze toestand laten”, nu het verdachte is geweest die onjuiste informatie heeft doorgegeven aan de meldkamer en vervolgens is weggegaan.

4.3.6

Bewijsoverwegingen voor feit 3 en feit 4

Artikel 174, eerste lid, Sr stelt strafbaar “hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter [verzwijgt]”. De rechtbank zal hierna de verschillende onderdelen van de strafbaarstelling bespreken.

Verkopen, te koop aanbieden, afleveren, uitdelen

De rechtbank stelt vast dat zowel [slachtoffer 1] (feit 3) als [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] (feit 4) allen van verdachte iboga(ïne) hebben gekregen in het kader van de behandeling door verdachte. Dit verstrekken van iboga(ïne) aan deze personen die de behandeling hebben ondergaan, kan worden gekwalificeerd als het “afleveren” in de zin van artikel 174 Sr. Daarnaast volgt ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] uit de bewijsmiddelen dat zij geld hebben overgemaakt naar de bankrekening van de medeverdachte van verdachte, [medeverdachte] . Ten aanzien van deze drie personen is de rechtbank daarom van oordeel dat ook het verkopen van de iboga(ïne) bewezen kan worden verklaard.

Schadelijk karakter

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de iboga (bevattende ibogaïne) die door verdachte aan de hiervoor genoemde personen werd toegediend kan worden aangemerkt als een stof die schadelijk is voor het leven of de gezondheid. Voor die beoordeling is van belang dat het schadelijke karakter “dient voort te vloeien uit elk gebruik waarmee de verkoper redelijkerwijs rekening dient te houden” (Hoge Raad 18 maart 2003, NJ 2003/623).

De rechtbank wijst in dit verband nogmaals op de in de bewijsmiddelen (uitgebreid) opgenomen rapporten van Wolters en Fromberg. Hieruit blijkt onder meer de cardio- en neurotoxiciteit van iboga(ïne). Ook blijkt uit deze rapporten dat toediening van deze stof fatale gevolgen kan hebben. Dat dit niet alleen een theoretisch risico is, is ook gebleken uit de praktijk van verdachte zelf, waarin meerdere personen die bij haar een behandeling hebben ondergaan (ernstige) complicaties hebben opgelopen. Bovendien voldeed verdachte niet aan de veiligheidsvoorschriften die bij de behandeling met iboga(ïne) in acht genomen dienen te worden. Daardoor nam het gevaar voor de gezondheid van de personen die zich lieten behandelen toe tot een onaanvaardbaar risico.

Wetenschap en voorwaardelijk opzet

Verdachte had een ruime ervaring met de stof iboga en was zeer goed op de hoogte van de risicovolle bijwerkingen. Niet alleen door haar jarenlange praktijk, maar in het bijzonder ook door de rapporten die in de vorige strafzaak zijn uitgebracht over het praktiseren van iboga(ïne)behandelingen. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om toch iboga(ïne) aan de slachtoffers te verstrekken en hen dat te laten innemen. Hiermee heeft zij de aanmerkelijke kans aanvaard dat de slachtoffers schade aan het leven of de gezondheid zouden oplopen.

Verzwijgen – juridisch kader

Van verzwijgen is sprake wanneer degene die de voor de gezondheid schadelijke waren levert, de ontvanger niet over dit schadelijk karakter informeert. De verdachte is niet alleen strafbaar wanneer sprake is van een volledig verzwijgen van de schadelijkheid. Het informeren moet namelijk “met zodanige onmiskenbaarheid” plaatsvinden dat degene aan wie de informatie is verstrekt deze ook kan verwerken en ernaar zal kunnen handelen. Ook wanneer de informatie zo onduidelijk of terloops wordt verstrekt dat de verdachte ernstig rekening moet houden met de aanmerkelijke kans dat de informatie de ontvanger van de schadelijke waren niet bereikt, is sprake van verzwijgen (Hof Amsterdam 23 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9237). Zelfs wanneer de ontvanger uit eigen wetenschap kennis heeft van het schadelijke karakter, overtreedt de verdachte dit artikel wanneer dit karakter door hem wordt verzwegen.

Verzwijgen – [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]

De rechtbank stelt vast dat verdachte geen verklaringen heeft afgelegd over de informatie die zij zou hebben gegeven aan de personen die bij haar een iboga(ïne)behandeling hebben gevolgd. Om die reden zal de rechtbank zich richten op de verklaringen die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zelf hebben afgelegd over de informatie die zij van verdachte hebben gehad.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zelf veel informatie heeft opgezocht over iboga en dat hij had gelezen dat het gevaarlijk was voor zijn hart. Verdachte zei hem dat hij om die reden een ECG moest laten maken. [slachtoffer 2] kan zich niet herinneren dat er documenten ingevuld hoefden te worden voorafgaand aan de behandeling. Ook werden er door verdachte geen vragen gesteld over zijn gezondheid, alleen algemene vragen over hoe hij zich voelde.

Ook [slachtoffer 3] herinnert zich niet dat hij vooraf vragen kreeg over zijn gezondheid. Hij verklaart dat hij niets wist van de risico’s van het gebruik van iboga(ïne); niemand heeft hem daar iets over gezegd. De broer van [slachtoffer 3] , [getuige 2] , bevestigt dat ze niet veel informatie kregen. Volgens [getuige 2] hebben ze de informatie over de behandeling vooral van het internet gehaald.

[slachtoffer 4] heeft ook op internet gelezen over iboga voor hij bij verdachte terecht kwam. Hij verklaart dat verdachte hem vroeg naar zijn gezondheid, of hij problemen had met hart- en vaatziekten en of hij drugs gebruikte. Verdachte vertelde hem dat er risico’s waren als hij een slecht hart had, omdat het hart door de behandeling overbelast zou kunnen raken. Een ECG heeft [slachtoffer 4] echter niet aan verdachte laten zien. Hij hoefde ook geen documenten of een vragenlijst in te vullen.

Verdachte heeft vóór de behandeling aan [slachtoffer 5] verteld dat hij geen aangeboren afwijking mocht hebben aan zijn hart. Zijn hartslag kon namelijk heel erg hoog worden tijdens de behandeling. [slachtoffer 5] hoefde geen dingen in te vullen. Verder vertelde verdachte hem dat het middel sterk hallucinerend is.

Ook [slachtoffer 6] heeft voorafgaand aan de behandeling geen documenten ingevuld. Verdachte wilde eigenlijk een ECG van hem hebben, maar heeft hem niet verteld waarom ze dat graag wilde. De behandeling heeft uiteindelijk zonder ECG plaatsgevonden. [slachtoffer 6] heeft niet met verdachte gesproken over het behandelingsrisico. Verdachte verlangt volgens hem niet van haar klanten dat zij zich intensief met de risico’s bezighouden.

De rechtbank stelt aan de hand van deze verklaringen vast dat de informatie die door verdachte aan deze personen is gegeven op zijn minst genomen beperkt is. In sommige gevallen is nauwelijks sprake van informatievoorziening ( [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] ) of verstrekte verdachte pas informatie nadat hierom werd gevraagd ( [slachtoffer 2] ). Bij [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] is verdachte wat uitgebreider geweest in het geven van informatie. Verdachte wijst de personen die bij haar een behandeling ondergaan, in het geval ze al informatie verstrekt, met name op de risico’s die de behandeling kan hebben op het hart, ofwel de cardiotoxiciteit van iboga(ïne). Zoals blijkt uit de rapporten van Wolters en Fromberg is dit echter slechts één van de risico’s die verbonden zijn aan een ibogaïnebehandeling. Verdachte heeft de hiervoor genoemde personen niet gewezen op -onder andere- de neurotoxiciteit van de stof. Daarnaast is door verdachte volstrekt onvoldoende aandacht besteed aan de pre-existente factoren die van belang zijn bij het ondergaan van een iboga(ïne)behandeling en die de risico’s op een fatale afloop kunnen vergroten.

De rechtbank merkt hierbij op dat het initiatief tot het verstrekken van deze -essentiële- informatie van verdachte moet komen. Ook het feit dat sommige van de hiervoor genoemde personen zich hebben geïnformeerd over de (risico’s van de) behandeling ontslaat verdachte niet van de plicht om hen volledig te informeren. Alleen op die wijze kunnen de personen die geïnteresseerd zijn in het volgen van een dergelijke behandeling deze informatie verwerken en hiernaar handelen. Ofwel: de personen die door verdachte behandeld willen worden, moeten zich met de (volledige) informatie die verdachte aan hen geeft een zelfstandig oordeel kunnen vormen of zij deze behandeling bij verdachte willen ondergaan of niet. Hiervan is geen sprake geweest.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte het schadelijke karakter van iboga(ïne) voor [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft verzwegen.

Verzwijgen – [slachtoffer 1]

De rechtbank stelt vast dat uit de beschikbare contacten tussen verdachte en [slachtoffer 1] niet blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geïnformeerd over de mogelijke risico’s van een iboga(ïne)behandeling. Verdachte adviseert haar zelfs om bij het laten maken van een ECG als reden op te geven dat ze wil gaan duiken. Door die werkwijze kon de arts die [slachtoffer 1] onderzocht bij zijn onderzoek niet de risico’s van een ibogaïnebehandeling betrekken en kon hij [slachtoffer 1] hierover ook niet informeren. Bovendien blijkt uit de conversatie tussen [slachtoffer 1] en verdachte dat [slachtoffer 1] gespannen is voor de behandeling en verdachte verschillende vragen stelt over het innemen van medicatie voorafgaand aan de behandeling. Pas na deze expliciete vragen wordt door verdachte een advies gegeven over het wel of niet innemen van medicijnen, waarbij verdachte [slachtoffer 1] aangeeft dat zij net voor de behandeling zal starten haar antidepressiva kan innemen, terwijl bekend is dat de combinatie van die medicatie met iboga(ïne) extra gevaarzettend is. Uit deze beschikbare contacten volgt dus dat [slachtoffer 1] door verdachte volstrekt onvoldoende is geïnformeerd over de risico’s van de behandeling en dat verdachte pas na doorvragen van [slachtoffer 1] met enige, nog steeds ontoereikende, informatie komt. Dat verdachte [slachtoffer 1] op een andere wijze dan via de berichten waarover de rechtbank beschikt heeft geïnformeerd over de risico’s is niet aannemelijk geworden. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, nu geen van de vijf hiervoor genoemde personen door verdachte (volledig) is geïnformeerd over de risico’s van de behandeling. Dat verdachte in de beschikbare contacten met [slachtoffer 1] slechts vraagt om een ECG past in diezelfde werkwijze.

De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tegenover [slachtoffer 1] het schadelijke karakter van iboga(ïne) heeft verzwegen.

Medeplegen?

De rechtbank zal verdachte ook ten aanzien van de feiten 3 en 4 vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen, nu onvoldoende duidelijk is wat de precieze rol van [medeverdachte] is geweest bij deze feiten.

4.3.6

Bewijsoverwegingen voor feit 5 en feit 6 (ten aanzien van anderen dan [slachtoffer 1] )

Handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg

De personen zoals opgenomen in de tenlastelegging, [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] (feit 5), [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (feit 6), zijn bij verdachte geweest voor een iboga(ïne)behandeling. Verdachte heeft tijdens deze behandeling de iboga(ïne) aan deze personen toegediend. De behandeling had als doel om deze personen te genezen van hun verslaving. De rechtbank stelt vast dat verdachte hiermee handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichtte, zoals bedoeld in artikel 96 Wet BIG. Verder staat vast dat verdachte niet was ingeschreven in het BIG-register.

Buiten noodzaak behandelen/schade veroorzaken

Indien bewezen kan worden dat verdachte - zoals ten laste gelegd - buiten noodzaak heeft behandeld, en daarbij gezondheidsschade of de aanmerkelijke kans daarop heeft veroorzaakt, staat daarmee tevens vast dat ook die schade of de kans daarop buiten noodzaak is veroorzaakt. Onder ‘buiten noodzaak’ in de zin van artikel 96 van de Wet BIG moet worden verstaan een situatie anders dan die waarin acute geneeskundige zorg noodzakelijk blijkt die op dat moment niet door een bevoegde behandelaar kan worden verleend. Daarvan is in dit geval sprake.

(Aanmerkelijke kans op) schade

De wetgever heeft niet omschreven wat in dit verband de betekenis is van het begrip ‘schade’. De rechtbank merkt als ‘schade’ in de zin van artikel 96 Wet BIG in ieder geval aan een benadeling van de gezondheid in de zin van artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat wil zeggen een daadwerkelijke, al dan niet tijdelijke, verslechtering van de lichamelijke of geestelijke gesteldheid (zie ook het arrest in de vorige zaak tegen verdachte: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7562).

De rechtbank stelt op grond van de rapportages van Wolters en Fromberg vast dat een behandeling met iboga(ïne) een aanmerkelijke kans op schade in voornoemde zin veroorzaakt. Uit die rapportages blijkt immers dat het gebruik van iboga(ïne) in vrijwel alle gevallen onder meer leidt tot een hallucinatoire fase waarin, door verminderd realiteitsbesef, sprake is van een significant afgenomen handelingsbekwaamheid bij een patiënt. Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijk gevolg van het gebruik van iboga(ïne) worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de geestelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 Wet BIG. De rechtbank verwijst met betrekking tot de aanmerkelijke kans op schade verder nog naar wat zij in dit vonnis eerder heeft overwogen over de bijwerkingen en risico’s van een behandeling met iboga(ïne).

Wetenschap

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman niet dat verdachte geen wetenschap had over deze “aanmerkelijke kans op schade”. Verdachte heeft, zoals gezegd, in de afgelopen jaren een ruime ervaring opgedaan met het toedienen van iboga(ïne), waarbij ook meerdere incidenten zijn voorgevallen. Daarnaast was verdachte op de hoogte van de inhoud van de deskundigenrapporten en van het vonnis van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in haar zaak, waarin het Hof heeft geoordeeld dat bij het behandelen met iboga(ïne) een aanmerkelijke kans op schade in de zin van artikel 96 Wet BIG bestaat. Verdachte was zich dus bewust van de aanmerkelijke kans op schade die de behandeling met iboga(ïne) met zich brengt.

Medeplegen?

De rechtbank zal verdachte ook ten aanzien van feit 5 en feit 6 vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen, nu onvoldoende duidelijk is wat de precieze rol van [medeverdachte] is geweest bij dit feit.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte buiten noodzaak handelingen heeft verricht op het gebied van de individuele gezondheidzorg, waarbij ze een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft veroorzaakt,terwijl zij wist dat zij met deze handelingen een aanmerkelijke kans op schade veroorzaakte.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

in de periode van 31 januari 2017 tot en met 03 februari 2017 te [woonplaats] opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte met dat opzet

aan die [slachtoffer 1] (telkens) een of meer hoeveelheden ibogaïne - zijnde een middel (waarvan zij, verdachte, wist dat het schadelijk kan zijn voor het leven of de gezondheid) dat na toediening of inname een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en neurotoxiciteit - heeft verstrekt en/of heeft toegediend en/of heeft laten innemen, terwijl zij, verdachte, die [slachtoffer 1] niet adequaat, heeft begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname van ibogaïne, immers heeft verdachte,

- daarbij niet voorafgaande aan de behandeling een medisch onderzoek laten verrichten met uitvoerige exploratie van cardiale en psychiatrische voorgeschiedenis en oriënterend psychiatrisch en cardiovasculair onderzoek met electrocardiogram en

- daarbij de behandeling niet laten plaatsvinden in een klinische setting, met constante medische supervisie en continue hartbewaking en met regelmatige controles van haar vitale functies,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is komen te overlijden;

2.

in de periode van 31 januari 2017 tot en met 03 februari 2017 te [woonplaats] opzettelijk [slachtoffer 1] , tot wiens verpleging en/of verzorging zij, verdachte, krachtens overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten, door die [slachtoffer 1] met ibogaïne - zijnde een middel dat na toediening of inname een of meer klinische bijwerkingen kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en neurotoxiciteit - te behandelen, waarbij zij, verdachte, aan die [slachtoffer 1] (telkens) opzettelijk een of meer hoeveelheden ibogaïne heeft verstrekt en/of toegediend en/of laten innemen,

terwijl zij, verdachte, die [slachtoffer 1] niet adequaat, heeft begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname van ibogaïne, immers heeft verdachte

- daarbij niet voorafgaande aan de behandeling een medisch onderzoek laten verrichten met uitvoerige exploratie van cardiale en psychiatrische voorgeschiedenis en oriënterend psychiatrisch en cardiovasculair onderzoek met electrocardiogram en

- daarbij de behandeling niet laten plaatsvinden in een klinische setting, met constante medische supervisie en continue hartbewaking en met regelmatige controles van haar vitale functies en

- vervolgens de 112-meldkamer onjuiste en misleidende informatie hierover heeft verschaft, welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

3.

in de periode van 05 december 2016 tot en met 03 februari 2017 te [woonplaats] opzettelijk waren, te weten een of meer hoeveelheden ibogaïne, zijnde een middel dat na toediening of inname een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en neurotoxiciteit, heeft afgeleverd aan [slachtoffer 1] , terwijl zij, verdachte, wist dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter heeft verzwegen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is komen te overlijden;

4.

op tijdstippen in de periode van 01 januari 2014 tot en met 30 januari 2017 te [woonplaats] telkens opzettelijk waren, te weten een of meer hoeveelheden ibogaïne, zijnde een middel dat na toediening of inname een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en neurotoxiciteit, heeft verkocht en/of afgeleverd aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , terwijl zij, verdachte, telkens wist dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter heeft verzwegen;

5.

op tijdstippen in de periode van 01 januari 2014 tot en met 1 januari 2016 te [woonplaats] , terwijl zij, verdachte, niet ingeschreven stond in een register overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 eerste lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (het zogenaamde BIG-register) telkens buiten noodzaak handelingen heeft verricht op het gebied van de individuele gezondheidzorg, te weten behandelingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] door toediening/verstrekking van een of meer hoeveelheden ibogaïne -zijnde een middel dat na toediening en/of inname een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken, waaronder ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en neurotoxiciteit- waarbij zij, verdachte, een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] heeft veroorzaakt, terwijl zij, verdachte, wist dat zij bij het verrichten van die handelingen een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] veroorzaakte;

6.

op tijdstippen in de periode van 18 januari 2016 tot en met 03 februari 2017 te [woonplaats] telkens buiten noodzaak een of meer handelingen heeft verricht op het gebied van de individuele gezondheidzorg, te weten behandelingen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] door toediening/verstrekking van een of meer hoeveelheden ibogaïne -zijnde een middel dat na toediening en/of inname een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken, waaronder ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en neurotoxiciteit - waarbij zij, verdachte, een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] heeft veroorzaakt, terwijl zij, verdachte, wist dat zij bij het verrichten van die handelingen een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] veroorzaakte.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: doodslag;

feit 2: opzettelijk iemand tot wiens verpleging of verzorging hij krachtens overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

en

opzettelijk iemand tot wiens verpleging of verzorging hij krachtens overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand laten, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

feit 3: waren afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft;

feit 4: waren verkopen en afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, meermalen gepleegd;

feit 5: als degene die, niet ingeschreven staande in een register, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken, terwijl hij weet dat hij een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt, meermalen gepleegd;

feit 6: bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken, terwijl hij weet dat hij bij het verrichten van die handelingen een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd verdachte ter zake van het door de officieren van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is in 1999 begonnen met het geven van iboga(ïne)behandelingen aan verslaafden die van hun verslaving wilden genezen. Sindsdien heeft zij, naar eigen zeggen, honderden personen behandeld met dit middel. De rechtbank wil aannemen dat verdachte in eerste instantie vanuit idealistische motieven is begonnen met de iboga(ïne)behandelingen, vanuit haar overtuiging dat door toediening van iboga(ïne) mensen van hun verslaving af zouden raken. In de periode van 1999 tot en met 2011 hebben zich meerdere incidenten voorgedaan, waarbij verdachte voor een aantal van die incidenten strafrechtelijk is vervolgd. In het kader van die procedure is ook onderzoek gedaan door deskundigen naar de risico’s van een behandeling met iboga(ïne) en de randvoorwaarden waaronder een iboga(ïne)behandeling veilig kan plaatsvinden. Verdachte was van de door deze deskundigen opgemaakte rapporten op de hoogte.

Ondanks de incidenten en ondanks het feit dat zij op de hoogte was van de bevindingen van de deskundigen, is verdachte doorgegaan met het behandelen van personen met iboga(ïne). Verdachte heeft zich ook niets gelegen laten liggen aan de veiligheidsvoorschriften die in de rapporten werden genoemd, maar is op dezelfde manier doorgegaan met haar praktijk. Verdachte stelde voorafgaand aan de behandeling hooguit wat algemene gezondheidsvragen of vroeg om een ECG over te leggen. Zelfs wanneer er geen ECG was opgevraagd door de cliënt, was dat geen reden voor verdachte om van de behandeling -die aanzienlijke risico’s kan hebben op de hartfunctie- af te zien. Bovendien was de locatie van de behandeling totaal ongeschikt voor een behandeling met iboga(ïne). Er was geen medische apparatuur en van een constante medische supervisie was geen sprake. Verdachte heeft ook zelf verklaard dat de locatie ongeschikt was voor het behandelen van mensen met iboga(ïne).

Door deze uiterst risicovolle werkwijze te blijven toepassen op cliënten, waaronder veel verslaafden, een kwetsbare groep, nam verdachte het risico voor lief dat de iboga(ïne)behandeling één van haar cliënten fataal zou worden. Dat risico heeft zich op 3 februari 2017 verwezenlijkt met de tragische dood van [slachtoffer 1] . Verdachte is voor haar dood verantwoordelijk en de rechtbank rekent haar deze doodslag, mede gelet op de omstandigheden die hiervoor zijn genoemd, zeer zwaar aan. Uit de verklaringen die op de zitting zijn afgelegd, is pijnlijk duidelijk geworden hoe zwaar dit verlies de nabestaanden valt.

Daarnaast houdt de rechtbank bij haar strafoplegging rekening met de houding van verdachte nadat [slachtoffer 1] , voor wie verdachte op basis van de behandelovereenkomst tussen hen beiden zorg moest dragen, onwel is geworden. Verdachte heeft het alarmnummer gebeld, maar heeft vervolgens onjuiste informatie doorgegeven en verzwegen dat er sprake was van toediening van iboga(ïne). Bovendien heeft zij [slachtoffer 1] achtergelaten en is zij weggegaan. Dit is niet alleen in flagrante strijd met haar zorgplicht, maar tekent ook de houding van verdachte waarin zij zich niet dan wel onvoldoende bekommert om haar cliënten. De rechtbank neemt verdachte daarbij ook kwalijk dat zij tijdens het strafproces geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen en is blijven ontkennen iboga(ïne) aan [slachtoffer 1] te hebben toegediend.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het afleveren en verkopen van iboga(ïne) aan vijf andere personen, waarbij zij deze personen onvoldoende heeft voorgelicht over de gevaren van de stof. Ten aanzien van deze personen wordt verdachte ook veroordeeld voor het geven van -kort gezegd- een risicovolle behandeling met iboga(ïne) zonder dat dit noodzakelijk was, terwijl zij wist dat zij met die behandeling een aanmerkelijke kans op schade aan het leven of de gezondheid van die personen veroorzaakte.

De rechtbank heeft gelet op de justitiële documentatie van verdachte van 28 januari 2019. Hieruit blijkt dat verdachte, zoals eerder in dit vonnis naar voren is gekomen, op 9 oktober 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor onder andere een soortgelijk delict als het thans onder feit 6 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 141 dagen en een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 maand. Dit arrest is door de Hoge Raad bevestigd op 4 april 2017.

Uit de psychiatrische rapportage blijkt dat verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek.

De reclassering concludeert in haar rapport van 18 augustus 2017 dat er bij verdachte geen aanknopingspunten zijn voor het opstellen van een plan van aanpak. Een concrete hulpvraag ontbreekt, er kan geen diagnose worden gesteld en de reclassering vraagt zich af of gedragsverandering en risicobeheersing haalbaar is. Daarbij wordt opgemerkt dat haar geloof in het middel iboga(ïne) onverminderd groot blijft. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat in het bijzonder rekening met de bewezen verklaarde doodslag en het feit dat deze fatale afloop het gevolg is geweest van de volstrekt onverantwoordelijke wijze waarop verdachte haar praktijk bleef voeren. Ook houdt de rechtbank er in hoge mate rekening mee dat verdachte zich niet meer om [slachtoffer 1] heeft bekommerd nadat zij onwel is geworden. Daarnaast betrekt de rechtbank het reclasseringsrapport bij haar oordeel, waaruit naar voren komt dat verdachte een nog steeds onverminderd groot geloof heeft in iboga en waaruit blijkt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Gelet op deze omstandigheden kan alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur recht doen aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

De rechtbank overweegt dat de straf die aan verdachte wordt opgelegd ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 bewezen verklaarde feit niet ten uitvoer gelegd kan worden, alvorens door het Openbaar Ministerie aanvullende toestemming is verkregen van de Duitse autoriteiten in het kader van de overleveringsprocedure. Om die reden zal de rechtbank de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf specificeren voor wat betreft de feiten 1, 2 en 3 (waarvoor de overlevering is toegestaan) en de feiten 4, 5 en 6 (waarvoor nog aanvullende toestemming van de Duitse autoriteiten nodig is). De rechtbank zal aan verdachte voor de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 7 jaar. Voor de feiten 4, 5 en 6 legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van 1 jaar.

9 BESLAG

9.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd alle op de beslaglijst vermelde goederen te vernietigen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd met betrekking tot de door de rechtbank te nemen beslissing op het beslag.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

In beslag genomen goederen

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

  1. document, intakeformulier, goednummer: PL0900-2017035667-G1897679;

  2. pillen, 18 bruine capsules, goednummer: PL0900-2017035667-G1909476;

  3. hennep (nachtkastje), goednummer: PL0900-2017035667-G1897826;

  4. hennep (boekenkast), goednummer: PL0900-2017035667-G1897833;

  5. pillen, Dimor, goednummer: PL0900-2017035667-G1897719;

  6. neusspray, goednummer: PL0900-2017035667-G1897727;

  7. zalf, Dermovat, goednummer: PL0900-2017035667-G1897732;

  8. pillen, Stilnoct, goednummer: PL0900-2017035667-G1897702;

  9. pillen, Sobril, goednummer: PL0900-2017035667-G1897703;

  10. poeders, inhaler, goednummer: PL0900-2017035667-G1897710;

  11. medicijn, Marilube, goednummer: PL0900-2017035667-G1897116;

  12. gedroogd, plantaardig materiaal in zakje (grondstof voor hasj), goednummer: PL0900-2017035667-G1897107;

  13. pillen (opdruk N8 en een zwaard), goednummer: PL0900-2017035667-G1909480;

  14. injectiespuit (inhoudende cannabinoïden), goednummer: PL0900-2017035667-G1897820;

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal het onder 2 in beslag genomen voorwerp, te weten 18 bruine capsules, (goednummer: PL0900-2017035667-G1909476), onttrekken aan het verkeer. Door het NFI is vastgesteld dat deze capsules ibogaïne bevatten.

Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De capsules zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Ze kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven. De rechtbank zal ze daarom onttrekken aan het verkeer.

De officieren van justitie hebben gevorderd ook de andere onder verdachte in beslag genomen goederen te vernietigen.

De rechtbank stelt voorop dat in de artikelen 36c en 36d Sr is neergelegd welke voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Samengevat kan worden geconcludeerd dat sprake moet zijn van ten minste twee vereisten:

 er moet enige relatie zijn tussen het voorwerp en het ten laste gelegde/bewezen verklaarde feit, de voorbereiding van dat feit of soortgelijke feiten of de belemmering van de opsporing van dat feit of soortgelijke feiten;

 het voorwerp moet “van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang”.

Wanneer aan één van beide voorwaarden niet is voldaan, is het voorwerp niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 genoemde intakeformulier van oordeel dat dit geen voorwerp is dat “van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang”. Dat geldt evenzeer voor de aangetroffen medicatie die is opgenomen onder 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 13. Van deze medicatie kan op basis van het dossier overigens ook niet worden vastgesteld dat die enig verband houden met de door verdachte gepleegde feiten of soortgelijke feiten.

Daarnaast is onder verdachte hennep (3 en 4), grondstof voor hasj (12) en een injectiespuit met cannabinoïden (14) in beslag genomen. Van deze stoffen kan worden gezegd dat ze “van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang”. Uit het dossier blijkt echter niet dat deze voorwerpen enige relatie hebben met de bewezen verklaarde feiten, de voorbereiding van soortgelijke feiten of dat ze kunnen worden gebruikt tot belemmering van de opsporing van dergelijke feiten. Naar het oordeel van de rechtbank kan het voorhanden hebben van deze drugs niet worden aangemerkt als een soortgelijk feit als het feit waarvoor verdachte is veroordeeld (vgl. Hoge Raad 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1830).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, met uitzondering van de capsules met ibogaïne (2), niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.

Teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal van de volgende in beslag genomen voorwerpen de teruggave gelasten aan degenen die redelijkerwijs als rechthebbenden van deze voorwerpen kunnen worden aangemerkt:

1. document, intakeformulier, goednummer: PL0900-2017035667-G1897679;

3. hennep (nachtkastje), goednummer: PL0900-2017035667-G1897826;

4. hennep (boekenkast), goednummer: PL0900-2017035667-G1897833;

5. pillen, Dimor, goednummer: PL0900-2017035667-G1897719;

6. neusspray, goednummer: PL0900-2017035667-G1897727;

7. zalf, Dermovat, goednummer: PL0900-2017035667-G1897732;

8. pillen, Stilnoct, goednummer: PL0900-2017035667-G1897702;

9. pillen, Sobril, goednummer: PL0900-2017035667-G1897703;

10. poeders, inhaler, goednummer: PL0900-2017035667-G1897710;

11. medicijn, Marilube, goednummer: PL0900-2017035667-G1897116;

12. gedroogd, plantaardig materiaal in zakje (grondstof voor hasj), goednummer: PL0900-2017035667-G1897107;

13. pillen (opdruk N8 en een zwaard), goednummer: PL0900-2017035667-G1909480;

14. injectiespuit (inhoudende cannabinoïden), goednummer: PL0900-2017035667-G1897820.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag aan schadevergoeding van € 7.556,93. Dit bedrag bestaat uit € 2.445,93 materiële schade (reis- en verblijfkosten) en € 5.111,- immateriële schade (shockschade), ten gevolge van het aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij heeft gevorderd deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en voor het gehele bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd de vordering benadeelde partij geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.3

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk

dient te worden verklaard, gelet op het verzoek tot vrijspraak.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit de gevorderde immateriële schade af te wijzen, nu het geestelijk letsel van de benadeelde niet gekwalificeerd kan worden als shockschade en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. Daarnaast heeft de verdediging opgemerkt dat voor de reis- en verblijfkosten geen schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.

10.4

Het oordeel van de rechtbank

Shockschade?

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583, NJ 2010/387). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht ofwel door het waarnemen van het tenlastegelegde, ofwel door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid.

Het staat buiten alle twijfel dat de benadeelde partij en de overige familieleden van [slachtoffer 1] diep zijn getroffen door het overlijden van [slachtoffer 1] . Shockschade, zoals dit door de benadeelde partij is gevorderd, dient echter te worden onderscheiden van affectieschade (zijnde een vorm van immateriële schadevergoeding die betrekking heeft op de emotionele gevolgen van onder meer het overlijden van een naaste). Dat laatste kan slechts voor strafbare feiten die zijn gepleegd na 1 januari 2019.

Voor het toekennen van shockschade dient aan voornoemde criteria van de Hoge Raad te worden voldaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. Immers, de benadeelde partij heeft het tenlastegelegde niet waargenomen en is ook niet direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan. De rechtbank is anders dan de raadsvrouw van de benadeelde partij van oordeel dat de door haar overgelegde uitspraak van rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2019:116) niet maakt dat in deze zaak toch shockschade moet worden toegekend, nu in de overgelegde uitspraak van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is, die niet vergelijkbaar zijn met de omstandigheden in de onderhavige zaak.

Nu niet aan de eisen voor het kunnen toewijzen van shockschade is voldaan, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij voor dat deel afwijzen.

Reis- en verblijfkosten

De benadeelde partij verzoekt vergoeding van de reis- en verblijfskosten die zijn gemaakt voor het gesprek met de officier van justitie op 17 december 2018, voor de zitting van 18 december 2018, voor een gesprek met de advocaat op 11 maart 2019 en voor de zittingen op 12 en 13 maart 2019.

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost reiskosten voor het gesprek met de officier van justitie komt, op grond van artikel 6:96 lid 2 BW, voor vergoeding in aanmerking als zijnde materiële schade, nu dit redelijke kosten zijn die zijn gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Om dezelfde reden komen de reiskosten die betrekking hebben op het gesprek met de advocaat voor vergoeding in aanmerking. In totaal zal de rechtbank daarom een bedrag van (€ 489,32 + € 489,32 =) € 978,64 aan schadevergoeding voor gemaakte reiskosten toekennen.

De benadeelde partij heeft als kosten voor verblijf tweemaal vier overnachtingen opgevoerd: te weten € 703,32 (16 tot en met 20 december 2018) en € 763,97 (10 tot en met 14 maart 2019). Met betrekking tot deze kosten overweegt de rechtbank dat als materiële schade voor vergoeding in aanmerking komt 1 nacht verblijf voor het gesprek met de officier van justitie (december 2018) en 1 nacht verblijf voor het gesprek met de advocaat (maart 2019). Ten aanzien van het verblijf voor het gesprek met de officier van justitie betekent dat dat een bedrag van (€ 703,32/4 =) € 175,83 zal worden toegekend en voor het gesprek met de advocaat een bedrag van (€ 763,97/4 =) € 190,99.

De rechtbank zal daarom de vordering aan materiële schade tot het bedrag van (€ 978,64 + € 175,83 + € 190,99 =) € 1.345,46 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van (€ 489,32 + € 175,83 =) € 665,15 vanaf 16 december 2018 en over het bedrag van (€ 489,32 + € 190,99 =) € 680,31 vanaf 10 maart 2019, tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de andere drie nachten verblijf voor de zittingen op 12 en 13 maart 2019 afwijzen. Reden daarvoor is dat dit geen materiële schade betreft. Deze kosten hebben immers betrekking op de zitting en moeten daarom als proceskosten worden aangemerkt. Nu de benadeelde partij zich op voornoemde zittingsdagen liet bijstaan door een advocaat, komen deze proceskosten op grond van artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voor vergoeding in aanmerking.

Dit is anders ten aanzien van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor het verblijf voor de zitting in december 2018, omdat de benadeelde partij toen nog geen advocaat had. Deze kosten, zijnde een bedrag van € 527,49, zullen als proceskosten worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op het hiervoor genoemde bedrag van € 527,49.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.345,46, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van (€489,32 + € 175,83 =) € 665,15 vanaf 16 december 2018 en over het bedrag van (€ 489,32 + € 190,99 =) € 680,31 vanaf 10 maart 2019, tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 23 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    36b, 36d, 36f, 57, 63, 174, 255, 257 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    96 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 6 (ten aanzien van [slachtoffer 1] ) ten laste gelegde;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 (ten aanzien van anderen dan [slachtoffer 1] ) ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie, in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:

2. pillen, 18 bruine capsules, goednummer: PL0900-2017035667-G1909476;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende voorwerpen:

1. document, intakeformulier, goednummer: PL0900-2017035667-G1897679;

3. hennep (nachtkastje), goednummer: PL0900-2017035667-G1897826;

4. hennep (boekenkast), goednummer: PL0900-2017035667-G1897833;

5. pillen, Dimor, goednummer: PL0900-2017035667-G1897719;

6. neusspray, goednummer: PL0900-2017035667-G1897727;

7. zalf, Dermovat, goednummer: PL0900-2017035667-G1897732;

8. pillen, Stilnoct, goednummer: PL0900-2017035667-G1897702;

9. pillen, Sobril, goednummer: PL0900-2017035667-G1897703;

10. poeders, inhaler, goednummer: PL0900-2017035667-G1897710;

11. medicijn, Marilube, goednummer: PL0900-2017035667-G1897116;

12. gedroogd, plantaardig materiaal in zakje (grondstof voor hasj), goednummer: PL0900-2017035667-G1897107;

13. pillen (opdruk N8 en een zwaard), goednummer: PL0900-2017035667-G1909480;

14. injectiespuit (inhoudende cannabinoïden), goednummer: PL0900-2017035667-G1897820;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [benadeelde] toe tot een bedrag van € 1.345,46 (materiële schade);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 665,15 vanaf 16 december 2018 en over het bedrag van € 680,31 vanaf 10 maart 2019, tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [benadeelde] voor wat betreft de gevorderde immateriële schade en voor het meer of anders gevorderde ten aanzien van de materiële schade af;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 527,49;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 1.345,46 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 665,15 vanaf 16 december 2018 en over het bedrag van € 680,31 vanaf 10 maart 2019, tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 23 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. E.H.M. Druijf en D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 april 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

zij in of omstreeks de periode van 31 januari 2017 tot en met 03 februari 2017, te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat

verdachte en/of verdachtes mededader(s) met dat opzet

- ( aan) die [slachtoffer 1] (telkens) een of meer (hoeveelhe(i)d(en)) ibogaïne – zijnde een middel (waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat het schadelijk kan zijn voor het leven of de gezondheid) dat na toediening of inname van vooral (hoge)re dosering(en) een of meer klinische

bijwerking(en) kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit - heeft/hebben verstrekt en/of heeft/hebben toegediend en/of heeft/hebben laten innemen,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) die [slachtoffer 1] niet, althans niet adequaat, heeft/hebben begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname van ibogaïne, immers heeft/hebben verdachte, en/of haar mededader(s),

- ( daarbij) niet voorafgaande aan de behandeling een medisch onderzoek laten verrichten met uitvoerige exploratie van cardiale en psychiatrische voorgeschiedenis en oriënterend psychiatrisch en cardiovasculair onderzoek met electrocardiogram en/of

- ( daarbij) de behandeling niet laten plaatsvinden in een klinische setting, met constante medische supervisie en/of continue hartbewaking en/of met regelmatige controles van haar vitale functies,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is komen te overlijden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 31 januari 2017 tot en met 03 februari 2017, te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te

weten intoxicatie met iboga(ïne), doordat zij, verdachte, en/of haar mededader(s),

- die [slachtoffer 1] (telkens) opzettelijk een of meer (hoeveelhe(i)d(en)) ibogaïne - zijnde een middel (waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat het schadelijk kan zijn voor het leven of de gezondheid) dat na toediening of inname van vooral (hoge)re dosering(en) een of meer klinische

bijwerking(en) kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit- heeft verstrekt en/of toegediend en/of laten innemen,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) die [slachtoffer 1] niet, althans niet adequaat, heeft/hebben begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname van ibogaïne, immers heeft/hebben verdachte, en/of haar mededader(s),

- ( daarbij) niet voorafgaande aan de behandeling een medisch onderzoek laten verrichten met uitvoerige exploratie van cardiale en psychiatrische voorgeschiedenis en oriënterend psychiatrisch en cardiovasculair onderzoek met electrocardiogram en/of

- ( daarbij) de behandeling niet laten plaatsvinden in een klinische setting, met constante medische supervisie en/of continue hartbewaking en/of met regelmatige controles van haar vitale functies,

terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad, daarbij het misdrijf is gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen;

(artikel 302 lid 1 en 2 jo 304 sub 3 van het Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

zij in of op of omstreeks de periode van 31 januari 2017 tot en met 03 februari 2017 te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig,

- een persoon, [slachtoffer 1] , met ibogaïne -zijnde een middel dat na toediening of inname van vooral (hoge)re dosering(en) een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit -

heeft behandeld, waarbij zij, verdachte en/of haar mededader(s) (aan) die [slachtoffer 1] (telkens) opzettelijk een of meer (hoeveelhe(i)d(en)) ibogaïne heeft verstrekt en/of toegediend en/of laten innemen,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) die [slachtoffer 1] niet, althans niet adequaat, heeft/hebben begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname van ibogaïne, immers heeft/hebben verdachte, en/of haar mededader(s),

- ( daarbij) niet voorafgaande aan de behandeling een medisch onderzoek laten verrichten met uitvoerige exploratie van cardiale en psychiatrische voorgeschiedenis en oriënterend psychiatrisch en cardiovasculair onderzoek met electrocardiogram en/of

- ( daarbij) de behandeling niet laten plaatsvinden in een klinische setting, met constante medische supervisie en/of continue hartbewaking en/of met regelmatige controles van haar vitale functies,

waardoor het aan haar, verdachtes, en/of haar mededaders(s), schuld te wijten is dat die [slachtoffer 1] is komen te overlijden;

(artikel 307 Wetboek van Strafrecht)

(artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

art 307 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij in of op of omstreeks de periode van 31 januari 2017 tot en met 03 februari 2017 te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] , tot wiens verpleging en/of verzorging zij, verdachte, en/of haar mededader(s) krachtens overeenkomst verplicht was/waren, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

- door die [slachtoffer 1] met ibogaine - zijnde een middel dat na toediening of inname van vooral hoger(e) dosering(en) een of meer klinische bijwerkingen kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit- te behandelen, waarbij zij, verdachte en/of haar mededader(s) (aan) die [slachtoffer 1] (telkens) opzettelijk een of meer (hoeveelhe(i)d(en)) ibogaine heeft verstrekt en/of toegediend en/of laten innemen,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) die [slachtoffer 1] niet, althans niet adequaat, heeft/hebben begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname van ibogaine, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s)

- ( daarbij) niet voorafgaande aan de behandeling een medisch onderzoek laten verrichten met uitvoerige exploratie van cardiale en psychiatrische voorgeschiedenis en oriënterend psychiatrisch en cardiovasculair onderzoek met electrocardiogram en/of

- ( daarbij) de behandeling niet laten plaatsvinden in een klinische setting, met constante medische supervisie en/of continue hartbewaking en/of met regelmatige controles van haar vitale functies en/of

- ( vervolgens) de 112-meldkamer en/of tegen de ingeschakelde hulpdienst(en) geen dan wel onjuiste en/of misleidende informatie (hierover) heeft/hebben verschaft, welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

(art 257 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

(art 255 Wetboek van Strafrecht)

art 257 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 255 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 05 december 2016 tot en met 03 februari 2017 te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (opzettelijk) waren, te weten (een of meer hoeveelhe(i)d(en)) ibogaïne

-zijnde een middel dat na toediening of inname van vooral (hoge)re dosering(en) een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit-

heeft verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft uitgedeeld aan [slachtoffer 1] , terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter heeft/hebben verzwegen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is komen te overlijden;

(art 174 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht)

art 174 lid 2 Wetboek van Strafrecht

4.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 30 januari 2017 te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (opzettelijk) waren, te weten (een of

meer hoeveelhe(i)d(en)) ibogaïne

-zijnde een middel dat na toediening of inname van vooral (hoge)re dosering(en) een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit-

heeft verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft uitgedeeld aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of één of meer ander(en), terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter heeft/hebben verzwegen;

(art 174 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

art 174 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 17 januari 2016 te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s),

niet ingeschreven stond(en) in een register (overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 eerste lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (het zogenaamde BIG-register)) (telkens) buiten noodzaak een of meer handelingen heeft verricht op het gebied van de individuele

gezondheidzorg, te weten (telkens) (be)handeling(en) bij en/of van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6] en/of één of meer anderen met/door toediening/verstrekking van een of meer hoeveelheid/heden ibogaïne

-zijnde een middel dat na toediening en/of inname een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken, waaronder ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit-

waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader(s) schade en/of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6] en/of één of meer anderen heeft/hebben veroorzaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bij het verrichten van die handelingen schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6] en/of één of meer anderen veroorzaakte(n);

(art. 96 lid 1 en 2 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg)

art 96 lid 2 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

6.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 januari 2016 tot en met 03 februari 2017 te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) buiten noodzaak een of meer handelingen heeft verricht op het gebied van de individuele gezondheidzorg, te weten (telkens) (be)handeling(en) bij en/of van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] en/of één of meer ander(en) met/door toediening/verstrekking van een of meer hoeveelheid/heden ibogaïne

-zijnde een middel dat na toediening en/of inname een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken, waaronder ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit-

waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader(s) schade en/of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] en/of één of meer anderen heeft/hebben veroorzaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s)

wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bij het verrichten van die handelingen schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] en/of één of meer anderen veroorzaakte(n), bestaande die schade (in elk geval) hieruit dat voornoemde [slachtoffer 1] ten gevolge van de intoxicatie met ibogaïne is komen te overlijden;

(art 96 lid 1 en 2 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg)

art 96 lid 2 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal in het onderzoek 09INDU van 29 oktober 2018, genummerd PL0900 2017035667G (einddossier), opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd van pagina 930 tot en met pagina 2697. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2017, pagina 1037.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2017, pagina 1046.

4 Een geschrift, te weten een verslag betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, opgemaakt door G.W. Krever op 5 februari 2017, pagina 2449.

5 Een geschrift, te weten een verslag betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, opgemaakt door G.W. Krever op 5 februari 2017, pagina 2450.

6 Een geschrift, te weten een verslag betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, opgemaakt door G.W. Krever op 5 februari 2017, pagina 2449.

7 Het proces-verbaal onderzoek aangetroffen medicatie van 24 april 2017, pagina 2465.

8 Het proces-verbaal onderzoek aangetroffen medicatie van 24 april 2017, pagina 2472.

9 Een deskundigenrapport van 6 juli 2017, opgemaakt door J.D.J. van den Berg, pagina 2531.

10 Het proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2017, pagina 1031.

11 Het proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2017, pagina 1032.

12 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2019.

13 Het deskundigenrapport van 5 april 2017, opgemaakt door dr. M.J. Vincenten-van Maanen, pagina 2517.

14 Het deskundigenrapport van 5 april 2017, opgemaakt door dr. M.J. Vincenten-van Maanen, pagina 2521.

15 Het deskundigenrapport van 5 april 2017, opgemaakt door dr. M.J. Vincenten-van Maanen, pagina 2523.

16 Het deskundigenrapport van 19 april 2017, opgemaakt door A. Maes en ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, pagina 2490.

17 Het deskundigenrapport van 19 april 2017, opgemaakt door A. Maes en ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, pagina 2493.

18 Het deskundigenrapport van 19 april 2017, opgemaakt door A. Maes en ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, pagina 2494.

19 Het proces-verbaal van verhoor van deskundige V. Soerdjbalie-Maikoe bij de rechter-commissaris van 13 november 2018, pagina 3.

20 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 mei 2017, pagina 1485.

21 Een geschrift, te weten een uitdraai van een Whatsapp-conversatie (vertaald), pagina 1498.

22 Een geschrift, te weten een uitdraai van een Whatsapp-conversatie (vertaald), pagina 1499.

23 Een geschrift, te weten een uitdraai van een Whatsapp-conversatie (vertaald), pagina 1499.

24 Een geschrift, te weten een uitdraai van een Whatsapp-conversatie (vertaald), pagina 1507.

25 Een geschrift, te weten een uitdraai van een Whatsapp-conversatie (vertaald), pagina 1508.

26 Een geschrift, te weten een uitdraai van een Whatsapp-conversatie (vertaald), pagina 1509.

27 Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 26 januari 2017, pagina 1429.

28 Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 26 januari 2017, pagina 1430.

29 Het proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2017, pagina 1416.

30 Het proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2017, pagina 1417.

31 Het deskundigenrapport van 3 januari 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2663.

32 Het aanvullend deskundigenrapport van 15 mei 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2539.

33 Het deskundigenrapport van 3 januari 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2676.

34 Het aanvullend deskundigenrapport van 15 mei 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2545.

35 Het deskundigenrapport van 3 januari 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2678.

36 Het deskundigenrapport van 3 januari 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2680.

37 Het deskundigenrapport van 3 januari 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2682.

38 Het aanvullend deskundigenrapport van 15 mei 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2540.

39 Het aanvullend deskundigenrapport van 15 mei 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2546.

40 Het aanvullend deskundigenrapport van 11 december 2018, opgemaakt door dr. I.J. Bosman, pagina 4 (niet opgenomen in het einddossier).

41 Het deskundigenrapport van 29 juni 2012, opgemaakt door drs. E. Fromberg, pagina 11 (niet opgenomen in het einddossier).

42 Het deskundigenrapport van 29 juni 2012, opgemaakt door drs. E. Fromberg, pagina 12 (niet opgenomen in het einddossier).

43 Het deskundigenrapport van 29 juni 2012, opgemaakt door drs. E. Fromberg, pagina 13 (niet opgenomen in het einddossier).

44 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] van 9 januari 2018, pagina 1953.

45 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] van 9 januari 2018, pagina 1954.

46 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] van 9 januari 2018, pagina 1955.

47 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] van 9 januari 2018, pagina 1956.

48 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] van 9 januari 2018, pagina 1957.

49 Het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2017, pagina 2411 met bijlagen pagina’s 2414 en 2415.

50 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] van 30 mei 2018, pagina 2000.

51 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] van 30 mei 2018, pagina 2001.

52 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] van 30 mei 2018, pagina 1999.

53 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] van 30 mei 2018, pagina 2003.

54 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 28 mei 2018, pagina 2012.

55 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 28 mei 2018, pagina 2014.

56 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 28 mei 2018, pagina 2015.

57 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 28 mei 2018, pagina 2016.

58 Het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2017, pagina 1297.

59 Het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2017, pagina 1298.

60 Het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2017, pagina 2411 met bijlagen pagina 2414.

61 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [A] van 28 mei 2018, pagina’s 2030 en 2031.

62 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 4] van 8 januari 2018, pagina 1934.

63 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 4] van 8 januari 2018, pagina 1936.

64 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 4] van 8 januari 2018, pagina 1937.

65 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 4] van 8 januari 2018, pagina 1938.

66 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 4] van 8 januari 2018, pagina 1939.

67 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 mei 2017, pagina 1513.

68 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 5] van 29 mei 2018, pagina 2156.

69 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 5] van 29 mei 2018, pagina 2157.

70 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 5] van 29 mei 2018, pagina 2158.

71 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 5] van 29 mei 2018, pagina 2159.

72 Het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2017, pagina 2411 met bijlagen pagina’s 2414 en 2415.

73 Het proces-verbaal, opgemaakt door het Openbaar Ministerie te Bern, van 22 maart 2018, pagina 2102.

74 Het proces-verbaal, opgemaakt door het Openbaar Ministerie te Bern, van 22 maart 2018, pagina 2104.

75 Het proces-verbaal, opgemaakt door het Openbaar Ministerie te Bern, van 22 maart 2018, pagina 2105.

76 Het proces-verbaal, opgemaakt door het Openbaar Ministerie te Bern, van 22 maart 2018, pagina 2106.

77 Het proces-verbaal, opgemaakt door het Openbaar Ministerie te Bern, van 22 maart 2018, pagina 2107.

78 Het proces-verbaal, opgemaakt door het Openbaar Ministerie te Bern, van 22 maart 2018, pagina 2108.

79 Het proces-verbaal, opgemaakt door het Openbaar Ministerie te Bern, van 22 maart 2018, pagina 2109.

80 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2019.

81 Het aanvullend deskundigenrapport van 15 mei 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2552.

82 Het aanvullend deskundigenrapport van 15 mei 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2552.

83 Het aanvullend deskundigenrapport van 15 mei 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2553.

84 Het aanvullend deskundigenrapport van 15 mei 2012, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, pagina 2552.

85 Het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 oktober 2015, pagina 2583.

86 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2019.

87 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 mei 2018.