Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:141

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
16/236016-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vier verdachten die in oktober vorig jaar een met tape dichtgeplakte kartonnen doos voor het provinciehuis in Lelystad hebben gelegd zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot werkstraffen van 40 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken. Door het ’s nachts achterlaten van het pakketje, in combinatie met de spandoeken die ze hebben opgehangen, is het provinciehuis enkele uren afgesloten geweest. Ook het trein- en busstation van Lelystad was enkele uren ontruimd. Een vijfde verdachte is vrijgesproken.

In de nacht van 21 op 22 oktober 2018 hebben de vier op verschillende plekken spandoeken opgehangen en een afgesloten kartonnen doos voor de hoofdingang van het provinciehuis achtergelaten. Samen met de vijfde verdachte voerde de groep actie tegen het faunabeleid van de provincie Flevoland. De doos werd in de vroege ochtend van 22 oktober gevonden door surveillerende agenten. De autoriteiten hebben het zekere voor het onzekere genomen en, onder andere, de Explosieven Opruimingsdienst Defensie ingeschakeld. Ook is besloten om de omgeving rond het provinciehuis, waaronder het station van Lelystad, enkele uren af te luiten. Hierdoor was ook het provinciehuis onbruikbaar voor werknemers en publiek.

Uiteindelijk bleek er geen explosief in de kartonnen doos te zitten, maar een met rode vloeistof besmeurd knuffelbeertje, een plastic zeis en een dildo. Op de dildo stond de naam van een gedeputeerde van de provincie Flevoland geschreven. Volgens de verdachten ging het om een ludieke actie en hebben de hulpdiensten veel te groot opgeschaald. De rechtbank is het daarmee niet eens. In het licht van het huidige tijdsgewricht, terwijl de discussie over de Oostvaardersplassen in heftigheid wordt gevoerd, had het viertal moeten en kunnen weten dat hun actie niet zonder gevolgen zou blijven.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere meegewogen dat het provinciehuis, het station en de wegen rondom het provinciehuis enkele uren afgesloten waren. Met het opleggen van de werkstraf en de voorwaardelijke gevangenisstraf wil de rechtbank niet alleen de vier verdachten straffen, maar ook hen en anderen ervan weerhouden soortgelijke acties uit te voeren. Doordat de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachten met hun acties het provinciebestuur wilden dwingen hun besluitvorming te wijzigen wijkt de opgelegde straf af van de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/236016-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 januari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1983] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen verdachte en mr. L. Noordanus, advocaat te Lelystad, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Hierna zal alleen recht worden gedaan op de grondslag van het op de dagvaarding onder 2 tenlastegelegde feit, nu de rechtbank een tegen de geldigheid van de tenlastelegging van het feit 1 gevoerd preliminair verweer ter terechtzitting gegrond heeft verklaard.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 2

hij in de periode van 21 oktober 2018 tot en met 22 oktober 2018 te Lelystad samen met anderen het Provinciehuis Flevoland onbruikbaar heeft gemaakt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Wat ten aanzien van de feitelijke gang van zaken is komen vast te staan 1

In de nacht van zondag 21 op maandag 22 oktober 2018 zag verbalisant [verbalisant 1] in Lelystad op diverse plekken spandoeken en knuffelbeertjes hangen. Omstreeks 4.30 uur ging verbalisant [verbalisant 1] bij het Provinciehuis Flevoland (verder: het Provinciehuis) aan de Visarenddreef te Lelystad kijken. Daar zag hij dat er bij de hoofdingang aan de zijde van de Visarenddreef aan de reling van het bruggetje spandoeken en knuffelbeertjes hingen. Verbalisant zag op de spandoeken de teksten "De Dieren naar de Hel?" en "Hekken dicht ZORGPLICHT" staan. Tevens zag [verbalisant 1] een kartonnen doos van ongeveer veertig (40) centimeter breed en dertig (30) centimeter hoog voor de ingang van het Provinciehuis staan. Hij zag dat deze doos met zwarte tape was dichtgeplakt en dat aan het onderste gedeelte van de zijkant een witte sticker met barcode zat. Boven op de doos stond “AFZ: OVV+OVP.” Hierop heeft [verbalisant 1] via het Operationeel Centrum Flevoland om een explosieven verkenner gevraagd. Vervolgens heeft [verbalisant 1] op telefonisch verzoek van de explosieven verkenner aan de zijkant van de doos een gat gesneden en heeft hij in de doos gekeken. Hij zag in de doos een donker stuk plastic en een zwarte buis van ongeveer één (l) centimeter dik.2

Verbalisant [verbalisant 2] heeft het volgende gerelateerd:3

“Omstreeks 04.30 uur die dag (de rechtbank begrijpt: 22 oktober 2018], werd daar [de rechtbank begrijpt: bij het Provinciehuis Flevoland, gevestigd aan de Visarenddreef 1 te Lelystad] door een medewerker incidentafhandelingen een aantal spandoeken en knuffeldieren aangetroffen. Tegen de toegangsdeur werd een kartonnendoos aangetroffen. Aangezien de actiegroep aangekondigd had om haar acties te verzwaren, werd er contact opgenomen met de afdeling Team Explosieven Verkenning van de politie Midden-Nederland (TEV). Na beperkt onderzoek aan de doos in overleg met het TEV werd duidelijk dat de doos gevuld kon zijn met een explosief. Gezien deze bevindingen is besloten tot het afzetten van een ruim gebied rondom het provinciehuis om de gevolgschade van een eventuele explosie te beperken. Voor de grootte van het afzettingsgebied is overleg geweest tussen de Officier van Dienst Politie en de Dienstdoende specialist van het Team Explosieven Verkenning. Na het beschreven 'beperkte onderzoek aan het pakketje' is gezien die bevindingen door de dienstdoende Specialist TEV geadviseerd het afgezette

gebied te vergroten. Gezien de ernst van de situatie en de dreiging zijn op maandag 22 oktober 2018 naast de politie de navolgende hulpdiensten ingeschakeld; Explosieven Opruimingsdienst, Brandweer, gemeente Lelystad en de geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio ingeschakeld.”

Gezien deze bevindingen is besloten tot het afzetten van een ruim gebied rondom het provinciehuis om de gevolgschade van een eventuele explosie te beperken. De ambtenaren van de provincie zijn gedurende de afsluitingsperiode niet in staat geweest hun werkzaamheden uit te voeren.4


In het proces-verbaal sporenonderzoek heeft verbalisant [verbalisant 3] het volgende gerelateerd:5


“ […]

- De Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) had de doos onderzocht. Door de EOD

was de doos geopend door de duct-tape open te snijden. De doos was veilig verklaard.

Forensische bevindingen
Ik zag voor de draaideur van het provinciehuis een doos staan (foto 1, 2 en 5). Ik zag dat de doos dichtgeplakt was geweest met zwarte duct-tape. Ik zag dat er op de bovenkant van de doos stond geschreven: "AFZ: OVV&OVP" (foto 6). Ik zag dat er in de doos zaten: een vuilniszak, een knuffel met spaghetti in de buik met daarop rode kleurstof, een plastic speelgoed zeis en een dildo (foto 7). Na mijn onderzoek werd ik door een omstander gewezen op een masker van een paard die in het gras lag. Ik stelde dit masker veilig (foto 14).

Uitpakken doos
Op het politiebureau aan de Graaf Wichman in Huizen pakte ik de doos uit. Ik zag toen dat er het volgende in de doos zat.
- Een teddybeer met aan de voorkant een rits. De rits stond open en de ruimte in de teddybeer was gevuld met spaghetti en rode kleurstof (foto 8).
- Een plastic speelgoed zeis met daarop rode kleurstof (foto 9).
- Een dildo. Ik zag dat er op de dildo stond geschreven: [A] (foto 10).
- Een doos voor kiwifruit met daar omheen een vuilniszak, vastgeplakt met plakband (foto’s l1 en12).
- Onderin de kartonnen doos lagen een paar tie-wraps en een stukje garen (foto 13).”

Verdachte [verdachte] verklaart ter terechtzitting dat hij samen met zijn medeverdachten van mening was dat de acties ten aanzien van de Oostvaardersplassen breder konden worden opgezet. Hij verklaart dat zij ervoor hebben gekozen actie te gaan voeren bij het Provinciehuis, aangezien daar mensen werken die zijn betrokken bij de besluitvorming omtrent de OVP. Verder verklaart verdachte dat hij samen met zijn medeverdachten het plan heeft uitgewerkt en iedereen daarin zijn eigen aandeel heeft gehad. Hij verklaart de tekst ‘ [A] ’ op de dildo te hebben geschreven.

Getuige [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met de vier medeverdachten heeft gesproken over dat de doos voor het Provinciehuis zou worden geplaatst.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft tegenover de politie verklaard: ‘Wij zijn toen met z'n vieren naar het huis van [B] en [verdachte] gereden en daar bedachten we eigenlijk, wat hebben we nou gedaan. We hadden het er daar over. Over hoe het zou gaan.6

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft tegenover de politie het volgende verklaard:7

“Ja ik weet wel van andere acties met spandoeken. Ik heb een spandoek opgehangen

bij het Provinciehuis. Wij zijn met zijn 5-en die nacht bezig geweest om de spandoeken op te hangen. Ik weet niet wie daar die doos heeft neergelegd. Ik denk en vind dat we er allemaal verantwoordelijk zijn voor. We zaten met z'n alle gezellig te wezen bij [medeverdachte 1] en [verdachte] . Op een gegeven moment kwam [medeverdachte 1] met een enorme dildo met 2 van die enorme eikels aan beide zijde naar beneden. We zaten te geinen dat wat zou het leuk zijn om die in een doos te stoppen en dat die dildo er zo uitspringt als die geopend wordt. En dat er een tekst op zou staan van "Haha je bent een lul" of iets in die trant. Van het een kwam het ander. Ik wil er verder niet over praten wie wat gedaan heeft. Het is allemaal uit de hand gelopen.

[…]

V: Wie was er bij het Provinciehuis?

A: Dat waren [C] , [verdachte] en ik.”

Verdachte [verdachte] is bij de politie geconfronteerd met de vraag of hij zich kan voorstellen dat mensen, door alle terreuraanslagen van afgelopen jaren, meer op hun

hoede zijn als het gaat om verdachte pakketjes. Hierop antwoordt verdachte: ‘Ja dat kan ik mij voorstellen wie niet.’

4.3.2.

Het onbruikbaar maken van het Provinciehuis

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onbruikbaar maken van het Provinciehuis in de betekenis van artikel 352 Sr.

Onbruikbaar maken

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte met zijn handelen het Provinciehuis, voor korte dan wel langere tijd, onbruikbaar heeft gemaakt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat een drietal medeverdachten tijdens het nachtelijk uur een doos, dichtgeplakt met zwarte ducttape, voor de hoofdingang van het Provinciehuis heeft geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat op het moment dat er in de openbare ruimte een verdacht pakketje (in dit geval die dichtgeplakte doos) wordt gevonden, maatregelen worden getroffen voor de algemene veiligheid van goederen en personen. Het verdachte karakter van die toen en daar neergezette doos wordt bovendien versterkt door de tezelfdertijd opgehangen spandoeken.

Uit de inhoud van de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen volgt dat de politie de doos, gelet op het tijdstip en de plek waarop deze is aangetroffen, aangemerkt heeft als een verdacht voorwerp, welke situatie het bevoegd gezag noopte tot het gedurende enige tijd treffen van veiligheidsmaatregelen. Terwijl het onderzoek aan de doos gaande was is de omgeving van het Provinciehuis afgezet, is de toegang tot dat Provinciehuis aan derden ontzegd, en was het daarmee ook onbruikbaar voor werknemers en publiek.

De rechtbank gaat voorbij aan de suggestie van de verdediging dat het Provinciehuis via een andere ingang te betreden en dus te gebruiken was, terwijl de EOD voor de hoofdingang bezig was de doos op de aanwezigheid van een mogelijke bom te onderzoeken, omdat die suggestie is gespeend van realiteitszin.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van die aldus geplaatste doos en bezien in samenhang met de die plaatsing begeleidende feiten en omstandigheden heeft verdachte willens en wetens het risico aanvaard dat daardoor (veiligheids)maatregelen zouden worden getroffen, met het voorzienbare gevolg dat het Provinciehuis gedurende enige tijd ontoegankelijk zou zijn, bijvoorbeeld voor de ambtenaren die in dat huis hun taken vervullen en voor derden die in dat huis gebruik willen maken van de door die ambtenaren te verlenen diensten. Daarbij doet het er wat de bewezenverklaring betreft niet toe hoe lang het Provinciehuis onbruikbaar was.

Medeplegen

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van medeplegen van dit feit door verdachte. Voor het bewijs van medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en), gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. Daarbij is het niet nodig dat de mededaders alle bestanddelen van het delict verwezenlijken. Wel moet de verdachte een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict en moet hij zowel op het delict als het medeplegen het (voorwaardelijk) opzet hebben gehad. Voor de beoordeling van het medeplegen ligt de nadruk niet altijd op het gelijktijdig dan wel het samen ter plaatse handelen (daadwerkelijk uitvoeren). Bij de beoordeling kan ook van belang zijn de fase die aan het delict voorafgaat (gezamenlijk plan). Zo worden volgens vaste rechtspraak minder eisen gesteld aan de gezamenlijke (daadwerkelijke) uitvoering naar mate de bewuste samenwerking voorafgaand intensiever is.

Uit de inhoud van het procesdossier en wat ter terechtzitting is verklaard volgt, dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de avond van 21 oktober 2018 bijeen zijn gekomen om de protestactie bij het Provinciehuis voor te bereiden. De spandoeken zijn voorzien van teksten en de doos is voorzien van een opschrift, gevuld en dichtgeplakt met ducttape. Nadat alles grotendeels gereed was is medeverdachte [medeverdachte 4] bij de woning aangekomen en is onderling gesproken over hetgeen die avond stond te gebeuren. Daarbij is een onderlinge taakverdeling gemaakt. [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 4] zijn richting de Praambult bij het Oostvaardersplassengebied afgereisd om daar in de omgeving spandoeken op te hangen. Medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn naar het Provinciehuis gegaan om daar spandoeken op te hangen en de doos te plaatsen. Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 4] zouden richting de Oostvaardersplassen afreizen om daar in de omgeving spandoeken op te hangen.

De rechtbank stelt vast dat bij vertrek van de medeverdachten naar het Provinciehuis het voor verdachte [verdachte] duidelijk was dat onder andere de doos bij het Provinciehuis zou worden geplaatst. Tevens was het voor verdachte [verdachte] duidelijk wat zich in de doos bevond. Nadat verdachte [verdachte] zijn aandeel van de actie had uitgevoerd bij de Praambult is hij weer teruggekeerd naar zijn woning en heeft samen met de medeverdachten, met uitzondering van medeverdachte [medeverdachte 4] , besproken wat zij hadden gedaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte [verdachte] betrokken is geweest bij het plannen van de protestactie. Hij heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het plan, heel concreet door de naam van de gedeputeerde [A] op de dildo te schrijven, wat maakt dat tussen verdachte en zijn medeverdachten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging met anderen onbruikbaar maken van het Provinciehuis.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 21 oktober 2018 tot en met 22 oktober 2018 te Lelystad,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten het Provinciehuis Flevoland te Lelystad, onbruikbaar heeft gemaakt door op de grond voor de toegangsdeur van de hoofdingang van het Provinciehuis Flevoland te Lelystad een kartonnen doos met daarop zwarte tape neer te leggen, waardoor dit gebouw gedurende enige uren niet toegankelijk is geweest voor medewerkers en bezoekers van het Provinciehuis Flevoland vanwege onderzoek naar de inhoud van deze doos.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

In vereniging opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van één maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren,

- een taakstraf van 80 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Tevens verzoekt de verdediging over te gaan tot schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Ter bestraffing ligt het onbruikbaar maken van het Provinciehuis Flevoland voor.

Bij de beoordeling van de aard en ernst van dit feit – in het Wetboek van Strafrecht gerubriceerd als een vernielings-/beschadigingsmisdrijf – kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheden waaronder dit is begaan. Tijdens het nachtelijk uur hebben verdachte en zijn mededaders een met tape afgesloten doos voor de hoofdingang van het Provinciehuis neergezet, terwijl aan en bij dat Provinciehuis spandoeken met opschriften waren aangebracht. Voor vriend en vijand was aanstonds volstrekt duidelijk dat de bewezen geachte gedragingen zijn verricht in het licht van het soms hoogoplopende maatschappelijke debat over het door de autoriteiten gevoerde en te voeren faunabeleid in het Oostvaardersplassengebied, het toentertijd voorgenomen afschot van een deel van de populatie edelherten daaronder mede begrepen.

In het huidige tijdsgewricht vinden met enige regelmaat aanslagen plaats. Om die reden en bezien in het licht van dat soms heftige maatschappelijke debat over het in het Oostvaardersplassengebied gevoerde en te voeren faunabeleid is het even voorspelbaar als begrijpelijk dat de politie en de hulpdiensten zeer behoedzaam zijn omgegaan met de geplaatste doos voor de ingang van het Provinciehuis. Deze het onbruikbaar maken van het Provinciehuis implicerende protestactie heeft, naast de consternatie vanwege de mogelijke aanwezigheid van een scherp explosief, tot gevolg gehad dat veel mensen gedupeerd zijn geraakt. De ten aanzien van het Provinciehuis onbruikbaar makende gedraging – naar achteraf bleek een protestactie van verdachte en zijn mededaders – moet ontwrichtend zijn geweest voor de medewerkers en bezoekers van het Provinciehuis, voor reizigers die gebruik wilden maken van het naburige bus- en treinstation en voor het wegverkeer in de directe omgeving. Voorts moet worden aangenomen dat de gedragingen van verdachte en de zijnen gevoelens van onrust en onveiligheid hebben veroorzaakt bij inwoners van Lelystad.

De rechtbank onderkent dat het onbruikbaar maken van het Provinciehuis Flevoland de kern van het bewezen geachte verwijt inhoudt, en derhalve niet het misdrijf van artikel 142a van het Wetboek van Strafrecht: het doen/plaatsen van een valse bom(melding). De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheden waaronder dit onbruikbaar maken heeft plaatsgehad, zoals hiervoor omschreven. De rechtbank beoogt met de aan de verdachte op te leggen straf mede de norm te markeren en anderen ervan te weerhouden op deze wijze (publieke) gebouwen onbruikbaar te maken.

Daaruit volgt dat de rechtbank de verdediging in zoverre niet volgt in de stelling dat door justitie over de zaak te veel ophef zou zijn gemaakt of dat de autoriteiten de gevaarzetting die van de voor de ingang van het Provinciehuis geplaatste doos uitging te zwaar heeft aangezet.

De rechtbank zal alles afwegend aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 40 uren met aftrek van voorarrest, te vervangen door 20 dagen vervangende hechtenis indien verdachte zijn straf niet dan wel niet naar behoren uitvoert. Tevens zal aan verdachte, om hem ervan te weerhouden in de toekomst dergelijke, al dan niet onbezonnen, acties uit te voeren, een gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van twee weken geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 352 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee (2) weken;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mrs. D.S. Terporten-Hop en

M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Salet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 januari 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt, voor zover nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

feit 2

hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2018 tot en met 22 oktober 2018 te Lelystad,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten het Provinciehuis Flevoland te Lelystad,

geheel of ten dele toebehorende aan de Provincie Flevoland en/of de Rijksgebouwendienst, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader(s), onbruikbaar heeft gemaakt door op de grond voor de toegangsdeur van de hoofdingang van het Provinciehuis Flevoland te Lelystad een kartonnen doos met daarop en/of daaromheen zwarte tape neer te leggen, waardoor dit gebouw gedurende enige uren niet toegankelijk is geweest voor medewerkers en bezoekers van het Provinciehuis Flevoland vanwege onderzoek naar de inhoud van deze doos.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 december 2018, genummerd 2018120415116395, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 228. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 19, proces-verbaal bevindingen verbalisant [verbalisant 1] .

3 Pagina 41, proces-verbaal bevindingen verbalisant [verbalisant 2]

4 Pagina 42

5 Pagina 30 en bijbehorende foto’s op de pagina’s 33-40.

6 Pagina 210

7 Pagina 191