Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1394

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
C/16/473456 / FL RK 19-41
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

moeder is zonder (vervangende) toestemming verhuisd naar een andere woonplaats, rechtbank beslist dat de vrouw moet terugverhuizen met minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

Locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/473456 / FL RK 19-41

datum:

beschikking van de enkelvoudige familiekamer

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. H. Durdu,

hierna als de vrouw aangeduid,

verzoekster,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. M.F. Hofman,

hierna als de man aangeduid,

belanghebbende.

Het procesverloop

De vrouw heeft op 10 januari 2019 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing met de hierna vermelde minderjarigen en tot het wijzigen van een zorgregeling.

De man heeft een verweerschrift ingediend, dat tevens zelfstandige verzoeken inhoudt over onder meer terugverhuizen van de vrouw met de minderjarigen en het nakomen van de zorgregeling.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van:

- een brief van 11 februari 2019, met bijlagen, namens de vrouw.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren op 12 februari 2019.

Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Durdu;

- de man, bijgestaan door mr. Hofman, en

- mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna als de Raad aangeduid).

Vaststaande feiten

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

De minderjarige kinderen van de man en de vrouw zijn:

  1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 in de gemeente [geboorteplaats 1] , en

  2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 in de gemeente [geboorteplaats 2] .

De minderjarigen zijn door de man erkend.

Tijdens hun relatie hebben partijen samengewoond, eerst vanaf 2009 in Amsterdam en vanaf 2010 in [woonplaats 1] tot de relatie, nadat partijen meerdere keren tijdelijk uiteen zijn gegaan, medio 2016 definitief is geëindigd. De man is na de relatiebreuk naar [woonplaats 2] verhuisd en de vrouw is toen met de minderjarigen bij haar moeder in [woonplaats 1] gaan wonen. De vrouw is in september 2016 met de minderjarigen eveneens naar [woonplaats 2] verhuisd.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2017 zijn partijen gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen.

Tevens is bij die beschikking een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vastgesteld conform het ingediende verzoek van de man dat heeft geleid tot die beschikking, inhoudende:

  • -

    indien de vier vrije dagen van de man die volgen op zes dagen werken in het weekend vallen, verblijven de minderjarigen bij hem van vrijdagmiddag uit school tot zondag 18:00 uur;

  • -

    indien de man van vrijdag op zaterdag nachtdienst heeft, verblijven de minderjarigen van zaterdag 12:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de man;

  • -

    twee weken tijdens de zomervakantie;

  • -

    één week tijdens de meivakantie of de herfstvakantie;

waarbij de ouder bij wie de minderjarigen het laatst hebben verbleven, de minderjarigen naar de andere ouder brengt.

In aanvulling daarop geldt de regeling dat, indien de man op doordeweekse dagen ochtenddiensten heeft, hij de minderjarigen steeds na de laatste ochtenddienst uit de opvang zal halen en de volgende dag naar school zal brengen.

De vrouw heeft sinds begin 2018 een affectieve relatie met haar huidige partner. Zij verwachten een kind.

De vrouw woont sinds 1 januari 2019 met haar partner en de minderjarigen in een huurwoning van haar partner in [woonplaats 1] . Blijkens een uitdraai uit de Basisregistratie Personen (BRP) staan de minderjarigen in de gemeente [woonplaats 1] ingeschreven. De minderjarigen zijn ook ingeschreven op een school en op een buitenschoolse opvang in [woonplaats 1] .

De man is begin januari 2019 een kort gedingprocedure gestart waarin hij onder meer heeft gevorderd:

  • -

    de vrouw te verbieden met de minderjarigen naar [woonplaats 1] te verhuizen, althans de vrouw te bevelen om binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn met de minderjarigen te blijven/gaan wonen binnen een straal van 25 kilometer van de woonplaats van de man, de vrouw te verbieden de minderjarigen in te schrijven in de gemeentelijke registers in [woonplaats 1] en de minderjarigen uit te schrijven van hun school in [woonplaats 2] alsmede in te schrijven op een andere school, en

  • -

    subsidiair: indien de vrouw geen woning meer heeft in [woonplaats 2] , het hoofdverblijf van de minderjarigen tijdelijk te wijzigen in die zin dat zij hun hoofdverblijf bij de man krijgen tot het moment dat de vrouw weer in [woonplaats 2] woonachtig is.

Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 15 januari 2019 zijn de vorderingen van de man afgewezen.

Beoordeling van de zaak

Verzoeken en verweer

De vrouw heeft verzocht bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- haar vervangende toestemming te verlenen met de minderjarigen te verhuizen naar [woonplaats 1] ; - de bij beschikking van 17 augustus 2017 vastgestelde zorgregeling tussen de man en de minderjarigen te wijzigen in die zin dat de doordeweekse omgangsdag met overnachting wordt beëindigd. Hierbij is opgemerkt dat de vrouw bereid is deze dag te compenseren met dagelijkse (beeld)belmomenten, aanvullende omgangsdagen doordeweeks (zonder overnachting) en extra dagen tijdens feestdagen en vakantiedagen (met overnachting) alsmede door het halen en brengen van de minderjarigen voor haar rekening te nemen.

De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw en heeft verzocht die verzoeken af te wijzen.

Hij heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te bevelen dat de vrouw in de voorjaarsvakantie 2019 dient terug te verhuizen naar [woonplaats 2] , althans op/voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft om aan de te geven beschikking te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

  • -

    de vrouw te veroordelen de bij beschikking van 17 augustus 2017 vastgestelde zorgregeling na te komen, waarbij de vrouw zorgt voor het halen en brengen van de minderjarigen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft om aan de te geven beschikking te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

  • -

    vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen:

- in te schrijven bij de gemeente [woonplaats 2] , onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft om aan de te geven beschikking te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

- uit te schrijven van de school in [woonplaats 1] en in te schrijven op een school in [woonplaats 2] , althans te bepalen zoals de rechtbank juist acht;

- uit te schrijven van de buitenschoolse opvang in [woonplaats 1] en in te schrijven op een buitenschoolse opvang in [woonplaats 2] , althans te bepalen zoals de rechtbank juist acht;

- in te schrijven bij een huisarts en tandarts in [woonplaats 2] , althans te bepalen zoals de rechtbank juist acht.

Vervangende toestemming verhuizing of terugverhuizen

Ter onderbouwing van haar verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming om met de minderjarigen naar [woonplaats 1] te verhuizen heeft de vrouw - kort en zakelijk weergegeven -het volgende naar voren gebracht.

De vrouw mocht van de man niet met hem mee toen hij in 2016 had besloten om vanuit [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] te verhuizen. Zij had in [woonplaats 1] geen zelfstandige woonruimte en studeerde in [woonplaats 2] . Om dicht bij haar school te wonen is zij vervolgens ook naar [woonplaats 2] verhuisd. De vrouw heeft altijd te kennen gegeven dat zij na haar studie weer in [woonplaats 1] zou gaan wonen.

Zij woonde in een huurwoning in [woonplaats 2] . De huur van deze woning heeft zij opgezegd toen zij per 1 januari 2019 is terugverhuisd naar [woonplaats 1] .

Zij heeft begin 2018 een affectieve relatie gekregen met haar huidige partner. De partner van de vrouw woonde in Amsterdam en heeft daar een fulltime baan.

De partner van de vrouw heeft een woning gehuurd in [woonplaats 1] , die groot genoeg is om met de minderjarigen en de baby die op komst is te wonen.

De vrouw is per 1 januari 2019 in dienst getreden bij haar huidige werkgever in Amsterdam.

Als verweer op het verzoek van de vrouw en ter onderbouwing van zijn verzoek de vrouw te bevelen terug te verhuizen naar [woonplaats 2] heeft de man - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Tijdens de kerst 2018 heeft de vrouw de man per e-mail meegedeeld dat zij met de minderjarigen per 1 januari 2019 in [woonplaats 1] zou gaan wonen. De man had kort daarvoor van de minderjarigen vernomen dat zij met de vrouw in [woonplaats 1] een woning hadden bekeken. De advocaat van de man heeft de advocaat van de vrouw op 18 december 2018 schriftelijk bericht dat de man geen toestemming aan de vrouw geeft om met de minderjarigen naar [woonplaats 1] te verhuizen.

De man heeft tevergeefs getracht vóór 1 januari 2019 een kort gedingprocedure aanhangig te maken.

De man betwist dat het de intentie van de vrouw was om slechts tijdelijk in [woonplaats 2] te wonen. De vrouw heeft dit nooit laten merken. Ook de minderjarigen verkeerden niet in die veronderstelling. De vrouw heeft eerder in [woonplaats 2] gewoond en had het daar toen naar haar zin. De man is naar [woonplaats 2] verhuisd omdat hij, na de beëindiging van de relatie tussen partijen, het vermoeden had dat de vrouw ook naar [woonplaats 2] zou verhuizen.

De verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar [woonplaats 1] komt het contact tussen de man en de minderjarigen niet ten goede. Er bestond voor de vrouw ook geen noodzaak om vanuit [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] verhuizen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tijdens de zitting is gebleken dat partijen zijn overeengekomen middels mediation te trachten hun onderlinge communicatie te verbeteren. De vrouw heeft verzocht de beslissingen op de verzoeken van partijen aan te houden in afwachting van de resultaten van de mediation. De man heeft hier verweer tegen gevoerd. Hij wenst dat de rechtbank beslissingen neemt over de verzoeken van partijen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat partijen er niet in zullen slagen in onderling overleg tot een oplossing te komen over de verhuizing van de vrouw met de minderjarigen zodat de rechtbank zal overgaan tot het nemen van beslissingen op de verzoeken van partijen.

Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke gezagsuitoefening, waaronder geschillen omtrent de verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de afweging van de belangen onder andere de volgende aspecten te betrekken:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen
van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te
compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar
in hun vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de andere ouder voor en na de
verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij geworteld zijn in hun
omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat een ouder bij wie de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarigen en een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank een afweging dient te maken tussen het belang van de minderjarigen om in een rustige en stabiele opvoedingssituatie op te groeien en daarbij de mogelijkheid tot contact met de vader als niet-verzorgende ouder te behouden, het belang van de moeder om een nieuw bestaan op te bouwen en het belang van de vader om deel te blijven uitmaken van het leven van de minderjarigen.

Vast staat dat de vrouw met de minderjarigen naar [woonplaats 1] is verhuisd, als door de man onweersproken gesteld, zonder dat zij daarvoor tijdig in overleg is getreden met de man en zonder dat zij voor deze verhuizing toestemming van de man had gekregen, dan wel vervangende toestemming van de rechter had gekregen. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank eigenmachtig en in strijd met het uitgangspunt van gezamenlijke gezagsuitoefening van beide ouders gehandeld en daarbij de belangen van de minderjarigen en de belangen van de man veronachtzaamd. De vrouw heeft de man, en ook de rechtbank, voor een voldongen feit geplaatst. Ook heeft de vrouw geen overleg gepleegd met de man over de school waar zij de minderjarigen heeft ingeschreven en ook niet over de buitenschoolse opvang in [woonplaats 1] .

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het voor de vrouw noodzakelijk was om van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] te verhuizen. De man heeft de stellingen van de vrouw op grond waarvan zij meent dat de verhuizing wel noodzakelijk was, gemotiveerd en voldoende onderbouwd weersproken. De rechtbank overweegt ter zake als volgt.

Voor zover de stelling van de vrouw al juist is, dat de huurwoning in [woonplaats 2] waarin zij met de minderjarigen woonde niet geschikt was voor haar gezin, is niet gebleken dat de vrouw geen geschikte woonruimte in [woonplaats 2] zou kunnen vinden. Gelet hierop kan op grond van die stelling niet worden geconcludeerd dat het voor de vrouw noodzakelijk was om naar [woonplaats 1] te verhuizen. Ook in de door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat het voor haar noodzakelijk was om naar [woonplaats 1] te verhuizen vanwege de reisafstand tussen [woonplaats 2] en haar werk in Amsterdam, in combinatie met de zorg voor de minderjarigen, ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat het voor de vrouw noodzakelijk was om naar [woonplaats 1] te verhuizen. Daargelaten de vraag of de reisafstand tussen [woonplaats 2] en Amsterdam zodanig groot is dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij in [woonplaats 2] was blijven wonen, is onvoldoende gebleken dat de vrouw in de omgeving van [woonplaats 2] geen baan kan vinden. De man heeft aangetoond dat er vele vacatures zijn betreffende de huidige functie van de vrouw in (de regio) [woonplaats 2] bij dezelfde werkgever als waar de vrouw nu voor werkt en ook bij andere organisaties. De door de vrouw overgelegde afwijzingen betreffende door haar verrichte sollicitaties zijn onvoldoende om tot de conclusie te komen dat zij voldoende heeft geprobeerd een baan in (de omgeving van) [woonplaats 2] te vinden. Ook is van belang, zoals door de man is gesteld, dat de huidige werksituatie van de vrouw onzeker is nu zij een contract voor bepaalde tijd heeft.

De door de vrouw gestelde omstandigheid dat haar familie in [woonplaats 1] woont is voorts onvoldoende om op grond daarvan te oordelen dat het voor de vrouw noodzakelijk was om naar [woonplaats 1] te verhuizen.

Verder ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de huidige partner van de vrouw in Amsterdam werkt en in [woonplaats 1] een huurwoning heeft, geen reden om te oordelen dat de vrouw noodzakelijkerwijs naar [woonplaats 1] moest verhuizen. Vast staat dat de partner van de vrouw tot voor kort in Amsterdam woonde en uit de stelling van de vrouw valt af te leiden dat hij in [woonplaats 1] een woning heeft gehuurd omdat de vrouw in [woonplaats 1] wilde wonen. Dat de partner in Amsterdam werkt brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat van hem niet kan worden verwacht om in [woonplaats 2] te wonen. Verder is ook niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat van de partner van de vrouw niet kan worden gevergd in [woonplaats 2] te wonen.

Verder heeft de vrouw geen omstandigheden gesteld en zijn er geen omstandigheden gebleken op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat het voor de vrouw anderszins noodzakelijk was vanuit [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] te verhuizen.

Het belang van de man bij toewijzing van zijn verzoek is dat hij een volwaardig aandeel kan hebben in de zorg van de minderjarigen en dat de zorgregeling zoals deze eerder is vastgesteld doorgang blijft vinden. De man heeft aangevoerd dat door de verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar [woonplaats 1] de bij beschikking van 17 augustus 2017 van de rechtbank [woonplaats 2] vastgestelde zorgregeling praktisch niet meer is uit te voeren.

De man werkt in een ploegendienst. De man werkt steeds zes dagen (twee ochtenddiensten, twee middagdiensten en twee avonddiensten) waarna hij vier dagen vrij is. Uitgaande van de vastgestelde zorgregeling en het werkrooster van de man zouden de minderjarigen om de week doordeweeks inclusief overnachting bij de man verblijven. De man heeft gesteld dat hij omgang op doordeweekse dagen belangrijk vindt omdat hij op die manier betrokken is bij de dagelijkse routine van de minderjarigen en hun doordeweekse activiteiten.

De vrouw heeft aangeboden het gemis aan omgang op doordeweekse dagen te compenseren. Deze voorstellen houden in dat zij het halen en brengen van de minderjarigen in het kader van de omgang voor haar rekening zal nemen, de minderjarigen gedurende de feestdagen en vakanties meer tijd bij de man kunnen doorbrengen, de man elke dag met de minderjarigen mag (beeld)bellen, en hij op zijn vrije doordeweekse dagen met de minderjarigen in [woonplaats 1] tijd mag doorbrengen. Deze voorstellen acht de man onvoldoende om de negatieve gevolgen van de verhuizing voor de man te compenseren.

De rechtbank overweegt dat de door de rechtbank [woonplaats 2] vastgestelde zorgregeling door de verhuizing van de vrouw praktisch niet meer uitvoerbaar is wat betreft de doordeweekse dagen. Ook de mogelijkheden voor de man om bij de school van de minderjarigen en hun overige activiteiten aanwezig te zijn, zijn door de verhuizing flink ingeperkt als gevolg van de door de vrouw gecreëerde grote afstand tussen de woonplaatsen van de man en de minderjarigen. Hieraan doet niet af de door de vrouw aangevoerde omstandigheid, die door de man overigens gemotiveerd is weersproken, dat de man toen de vrouw met de minderjarigen nog in [woonplaats 2] woonde slechts een keer per maand doordeweeks contact met de minderjarigen had en niet betrokken was bij school of de andere activiteiten van de minderjarigen.

Betreffende het belang van de minderjarigen overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht het in het algemeen in het belang van kinderen dat hun ouders na scheiding dicht bij elkaar wonen omdat het dan voor kinderen het makkelijkst is met beide ouders een goede band te hebben. De eerder door de rechtbank [woonplaats 2] vastgestelde zorgregeling komt aan dit belang tegemoet. Door te verhuizen naar [woonplaats 1] heeft de vrouw zonder dat daarvoor een noodzaak bestond in één keer een streep door deze zorgregeling gehaald en dat is niet in het belang van de minderjarigen. Temeer nu de door de vrouw aangeboden compensatie wat betreft de uitbreiding van de omgang tijdens feestdagen en vakanties voor de man niet uitvoerbaar is gelet op zijn werkrooster.

Alles overziend zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen en het verzoek van de man toewijzen. Dit betekent dat de vrouw zal moeten terugverhuizen naar [woonplaats 2] . De rechtbank realiseert zich dat dit tot onrust bij de minderjarigen zal leiden. Echter, de minderjarigen hebben tot voor kort ruim twee jaar in [woonplaats 2] gewoond en daar op school gezeten. Van belang is voorts dat door de vrouw naar voren is gebracht dat de minderjarigen door een misverstand niet op dezelfde school zitten waardoor één van hen nog van school zou moeten wisselen als zij in [woonplaats 1] blijven wonen. De start van de minderjarigen op de scholen in [woonplaats 1] is nog pril en de rechtbank ziet geen zodanige beletselen op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat zij niet op een school in [woonplaats 2] zouden kunnen wennen. In de door de vrouw gestelde omstandigheden dat de minderjarigen in [woonplaats 1] meer vriendjes hebben dan zij in [woonplaats 2] hadden en dat het leefklimaat in [woonplaats 1] beter is dan in [woonplaats 2] , ziet de rechtbank evenmin reden om te beslissen dat de minderjarigen in [woonplaats 1] moeten blijven wonen. Ook verder zijn er geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat het terugverhuizen naar [woonplaats 2] dermate ingrijpende gevolgen heeft dat dit niet in het belang van de minderjarigen is.

De Raad heeft ook niet van bezwaren tegen een terugverhuizen van de minderjarigen naar [woonplaats 2] doen blijken.

De omstandigheid dat de vrouw op dit moment geen woonruimte heeft in [woonplaats 2] dient voor haar rekening en risico te komen. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat zij dit schooljaar kunnen afmaken op hun huidige scholen in [woonplaats 1] .

De rechtbank zal dan ook de vrouw tot het nieuwe schooljaar (dat in [woonplaats 2] op

2 september 2019 aanvangt) de tijd geven om terug te verhuizen naar [woonplaats 2] .

In de omstandigheid dat de vrouw zonder voorafgaande toestemming van de man of vervangende toestemming van de rechtbank met de minderjarigen is verhuisd naar een andere woonplaats, ziet de rechtbank aanleiding een dwangsom te verbinden aan de beslissing dat zij moet terugverhuizen naar [woonplaats 2] . De door de man gevorderde dwangsom zal als volgt worden beperkt.

Zorgregeling

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek tot wijziging van de geldende zorgregeling alleen aangevoerd dat door de verhuizing naar [woonplaats 1] de overnachting doordeweeks van de minderjarigen bij de man niet meer uitvoerbaar is.

Gelet op de in deze beschikking te nemen beslissing dat de vrouw dient terug te verhuizen naar [woonplaats 2] zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.

Het verzoek van de man betreffende de zorgregeling zal worden toegewezen vanaf het moment dat de vrouw weer met de minderjarigen in [woonplaats 2] woont. Niet gesteld of gebleken is dat de belangen van de minderjarigen zich verzetten tegen de vastgestelde zorgregeling.

Het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw zorgt voor het halen en brengen van de minderjarigen zal worden afgewezen. Nu de rechtbank zal beslissen dat de vrouw moet terugverhuizen naar [woonplaats 2] ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van de door de rechtbank [woonplaats 2] vastgestelde regeling betreffende het halen en brengen.

Ook de door de man verzochte dwangsom zal worden afgewezen nu niet is gebleken dat de vrouw de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet is nagekomen voordat zij is verhuisd naar [woonplaats 1] .

Vervangende toestemming inschrijving gemeente, in- en uitschrijving school en buitenschoolse opvang en inschrijving huisarts en tandarts

Het verzoek van de man betreffende het verlenen van vervangende toestemming tot inschrijving van de minderjarigen in de gemeente [woonplaats 2] zal worden afgewezen. Hoewel de vrouw de minderjarigen kennelijk zonder toestemming van de man heeft uitgeschreven uit de gemeente [woonplaats 2] en heeft ingeschreven in de gemeente [woonplaats 1] , ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat de vrouw haar medewerking niet zal verlenen aan het opnieuw inschrijven van de minderjarigen in de gemeente [woonplaats 2] . Deze inschrijving zal logischerwijs niet eerder kunnen plaatsvinden dan wanneer de minderjarigen daadwerkelijk weer in [woonplaats 2] wonen. De vrouw zal er dan ook belang bij hebben dat de minderjarigen staan ingeschreven in de gemeente waar zij wonen.

Ook de overige verzoeken van de man betreffende het in- en uitschrijven van de minderjarigen betreffende school, buitenschoolse opvang, huisarts en tandarts zullen worden afgewezen nu die verzoeken onvoldoende zijn geconcretiseerd. Zo heeft de man niet vermeld op welke school en buitenschoolse opvang in [woonplaats 2] de man wenst dat de minderjarigen worden ingeschreven en ook niet bij welke huisarts en tandarts. Het gaat te ver om de door de man verzochte vervangende toestemming te verlenen omdat de man dan zonder overleg met de vrouw kan bepalen naar welke school en buitenschoolse opvang de minderjarigen zullen gaan en wie hun huisarts en tandarts zal worden.

Proceskosten

Gelet op de status van de man en de vrouw ten opzichte van elkaar zal de rechtbank de kosten van de procedure in die zin compenseren, dat beiden de eigen kosten zullen dragen.

Beslissing

De rechtbank:

beveelt de vrouw uiterlijk voor 2 september 2019 met de minderjarigen te verhuizen naar [woonplaats 2] ,

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan het hiervoor vermelde bevel voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

veroordeelt de vrouw met ingang van de dag dat zij in [woonplaats 2] woont en uiterlijk met ingang van 2 september 2019 tot nakoming van de bij beschikking van 17 augustus 2017 door de rechtbank [woonplaats 2] vastgestelde zorgregeling tussen de man en de minderjarigen,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten in die zin dat de man en de vrouw ieder de eigen kosten dragen,

wijst het meer of anders gevraagde af.

Aldus gegeven door mr. P.A.M. Wijffels, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. Franken, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de verschenen belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De termijn is voor andere belanghebbenden drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden. Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een advocaat verplicht.