Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:138

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
16/236055-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vier verdachten die in oktober vorig jaar een met tape dichtgeplakte kartonnen doos voor het provinciehuis in Lelystad hebben gelegd zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot werkstraffen van 40 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken. Door het ’s nachts achterlaten van het pakketje, in combinatie met de spandoeken die ze hebben opgehangen, is het provinciehuis enkele uren afgesloten geweest. Ook het trein- en busstation van Lelystad was enkele uren ontruimd. Een vijfde verdachte is vrijgesproken.

In de nacht van 21 op 22 oktober 2018 hebben de vier op verschillende plekken spandoeken opgehangen en een afgesloten kartonnen doos voor de hoofdingang van het provinciehuis achtergelaten. Samen met de vijfde verdachte voerde de groep actie tegen het faunabeleid van de provincie Flevoland. De doos werd in de vroege ochtend van 22 oktober gevonden door surveillerende agenten. De autoriteiten hebben het zekere voor het onzekere genomen en, onder andere, de Explosieven Opruimingsdienst Defensie ingeschakeld. Ook is besloten om de omgeving rond het provinciehuis, waaronder het station van Lelystad, enkele uren af te luiten. Hierdoor was ook het provinciehuis onbruikbaar voor werknemers en publiek.

Uiteindelijk bleek er geen explosief in de kartonnen doos te zitten, maar een met rode vloeistof besmeurd knuffelbeertje, een plastic zeis en een dildo. Op de dildo stond de naam van een gedeputeerde van de provincie Flevoland geschreven. Volgens de verdachten ging het om een ludieke actie en hebben de hulpdiensten veel te groot opgeschaald. De rechtbank is het daarmee niet eens. In het licht van het huidige tijdsgewricht, terwijl de discussie over de Oostvaardersplassen in heftigheid wordt gevoerd, had het viertal moeten en kunnen weten dat hun actie niet zonder gevolgen zou blijven.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere meegewogen dat het provinciehuis, het station en de wegen rondom het provinciehuis enkele uren afgesloten waren. Met het opleggen van de werkstraf en de voorwaardelijke gevangenisstraf wil de rechtbank niet alleen de vier verdachten straffen, maar ook hen en anderen ervan weerhouden soortgelijke acties uit te voeren. Doordat de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachten met hun acties het provinciebestuur wilden dwingen hun besluitvorming te wijzigen wijkt de opgelegde straf af van de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/236055-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 januari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1951] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen verdachte en haar raadsman mr. P.J. Verbeek, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

in de periode van 21 oktober 2018 tot en met 22 oktober 2018 te Lelystad samen met anderen door middel van geweld en/of bedreiging met geweld heeft geprobeerd om een lid of meerdere /leden van Gedeputeerde Staten van de Provincie Flevoland, te dwingen om wet- en/of regelgeving en/of besluitvorming omtrent (het jagen) in het Oostvaardersplassengebied aan te passen dan wel in te trekken;

feit 2

in de periode van 21 oktober 2018 tot en met 22 oktober 2018 te Lelystad samen met anderen het Provinciehuis Flevoland onbruikbaar heeft gemaakt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Wat ten aanzien van de feitelijke gang van zaken is komen vast te staan 1

In de nacht van zondag 21 op maandag 22 oktober 2018 zag verbalisant [verbalisant 1] in Lelystad op diverse plekken spandoeken en knuffelbeertjes hangen. Omstreeks 4.30 uur ging verbalisant [verbalisant 1] bij het Provinciehuis Flevoland (verder: het Provinciehuis) aan de Visarenddreef te Lelystad kijken. Daar zag hij dat er bij de hoofdingang aan de zijde van de Visarenddreef aan de reling van het bruggetje spandoeken en knuffelbeertjes hingen. Verbalisant zag op de spandoeken de teksten "De Dieren naar de Hel?" en "Hekken dicht ZORGPLICHT" staan. Tevens zag [verbalisant 1] een kartonnen doos van ongeveer veertig (40) centimeter breed en dertig (30) centimeter hoog voor de ingang van het Provinciehuis staan. Hij zag dat deze doos met zwarte tape was dichtgeplakt en dat aan het onderste gedeelte van de zijkant een witte sticker met barcode zat. Boven op de doos stond “AFZ: OVV&OVP.” Hierop heeft [verbalisant 1] via het Operationeel Centrum Flevoland om een explosieven verkenner gevraagd. Vervolgens heeft [verbalisant 1] op telefonisch verzoek van de explosieven verkenner aan de zijkant van de doos een gat gesneden en heeft hij in de doos gekeken. Hij zag in de doos een donker stuk plastic en een zwarte buis van ongeveer één (l) centimeter dik.2

Verbalisant [verbalisant 2] heeft het volgende gerelateerd:3

“Omstreeks 04.30 uur die dag (de rechtbank begrijpt: 22 oktober 2018], werd daar [de rechtbank begrijpt: bij het Provinciehuis Flevoland, gevestigd aan de Visarenddreef 1 te Lelystad] door een medewerker incidentafhandelingen een aantal spandoeken en knuffeldieren aangetroffen. Tegen de toegangsdeur werd een kartonnendoos aangetroffen. Aangezien de actiegroep aangekondigd had om haar acties te verzwaren, werd er contact opgenomen met de afdeling Team Explosieven Verkenning van de politie Midden-Nederland (TEV). Na beperkt onderzoek aan de doos in overleg met het TEV werd duidelijk dat de doos gevuld kon zijn met een explosief. Gezien deze bevindingen is besloten tot het afzetten van een ruim gebied rondom het provinciehuis om de gevolgschade van een eventuele explosie te beperken. Voor de grootte van het afzettingsgebied is overleg geweest tussen de Officier van Dienst Politie en de Dienstdoende specialist van het Team Explosieven Verkenning. Na het beschreven 'beperkte onderzoek aan het pakketje' is gezien die bevindingen door de dienstdoende Specialist TEV geadviseerd het afgezette

gebied te vergroten. Gezien de ernst van de situatie en de dreiging zijn op maandag 22 oktober 2018 naast de politie de navolgende hulpdiensten ingeschakeld; Explosieven Opruimingsdienst, Brandweer, gemeente Lelystad en de geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio ingeschakeld.”

Gezien deze bevindingen is besloten tot het afzetten van een ruim gebied rondom het provinciehuis om de gevolgschade van een eventuele explosie te beperken. De ambtenaren van de provincie zijn gedurende de afsluitingsperiode niet in staat geweest hun werkzaamheden uit te voeren.4


In het proces-verbaal sporenonderzoek heeft verbalisant [verbalisant 3] het volgende gerelateerd:5


“ […]

- De Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) had de doos onderzocht. Door de EOD

was de doos geopend door de duct-tape open te snijden. De doos was veilig verklaard.

Forensische bevindingen
Ik zag voor de draaideur van het provinciehuis een doos staan (foto 1, 2 en 5). Ik zag dat de doos dichtgeplakt was geweest met zwarte duct-tape. Ik zag dat er op de bovenkant van de doos stond geschreven: "AFZ: OVV&OVP" (foto 6). Ik zag dat er in de doos zaten: een vuilniszak, een knuffel met spaghetti in de buik met daarop rode kleurstof, een plastic speelgoed zeis en een dildo (foto 7). Na mijn onderzoek werd ik door een omstander gewezen op een masker van een paard die in het gras lag. Ik stelde dit masker veilig (foto 14).

Uitpakken doos
Op het politiebureau aan de Graaf Wichman in Huizen pakte ik de doos uit. Ik zag toen dat er het volgende in de doos zat.
- Een teddybeer met aan de voorkant een rits. De rits stond open en de ruimte in de teddybeer was gevuld met spaghetti en rode kleurstof (foto 8).
- Een plastic speelgoed zeis met daarop rode kleurstof (foto 9).
- Een dildo. Ik zag dat er op de dildo stond geschreven: [A] (foto 10).
- Een doos voor kiwifruit met daar omheen een vuilniszak, vastgeplakt met plakband (foto’s l1 en12).
- Onderin de kartonnen doos lagen een paar tie-wraps en een stukje garen (foto 13).”

Verdachte [verdachte] heeft bij de politie verklaard: ‘Er werd gezegd dat we rond 23.00 uur bij [medeverdachte 3] en [B] moesten komen. Wie wat doet gaat dan langs je heen. Wie wat heeft gedaan weet ik ook niet. Ik ben meer van, dat we allen verantwoordelijk zijn van wat we hebben gedaan. Op gegeven moment werden we over twee auto's verdeeld. Ik ben met [medeverdachte 1] en [B] met de auto naar het provinciehuis gereden.’6

Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de spandoeken en de knuffels bij het Provinciehuis heeft opgehangen. Voor vertrek naar het Provinciehuis Flevoland heeft zij OVP&OVV als afzender op de doos geschreven. Tevens heeft zij ter terechtzitting verklaard dat ervoor is gekozen om actie te voeren bij het Provinciehuis Flevoland, aangezien daar mensen werken die gaan over het beleid dat wordt gevoerd ten aanzien van het afschieten van de dieren op de Oostvaardersplassen.

Getuige [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met de vier medeverdachten heeft gesproken over dat de doos voor het Provinciehuis Flevoland zou worden geplaatst.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie het volgende verklaard:7

“Ja ik weet wel van andere acties met spandoeken. Ik heb een spandoek opgehangen

bij het Provinciehuis. Wij zijn met zijn 5-en die nacht bezig geweest om de spandoeken op te hangen. Ik weet niet wie daar die doos heeft neergelegd. Ik denk en vind dat we er allemaal verantwoordelijk zijn voor. We zaten met z'n alle gezellig te wezen bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Op een gegeven moment kwam [medeverdachte 2] met een enorme dildo met 2 van die enorme eikels aan beide zijde naar beneden. We zaten te geinen dat wat zou het leuk zijn om die in een doos te stoppen en dat die dildo er zo uitspringt als die geopend wordt. En dat er een tekst op zou staan van "Haha je bent een lul" of iets in die trant. Van het een kwam het ander. Ik wil er verder niet over praten wie wat gedaan heeft. Het is allemaal uit de hand gelopen.

[…]

V: Wie was er bij het Provinciehuis?

A: Dat waren [C] , [medeverdachte 3] en ik.”

4.3.2

De poging tot dwang

Inleidend

Het is van algemene bekendheid dat al gedurende langere tijd sprake is van (politieke) besluitvorming met betrekking tot het faunabeheer van het natuurgebied Oostvaardersplassen. Die besluitvorming is maatschappelijk bepaald niet onopgemerkt gebleven. Integendeel, zowel voorgenomen besluitvorming als de effectuering daarvan (in het bijzonder waar het gaat om het al dan niet bijvoeren van zogenoemde grote grazers gedurende de winterperiode, en afschot van edelherten) hebben mensen, al dan niet gegroepeerd gebracht tot het meer of minder krachtig uiten van verontwaardiging daarover, en het genereren van publicitaire aandacht daarvoor, bijvoorbeeld door middel van het voeren van meer of minder ludieke protestacties. In het spoor van die acties heeft verdachte, samen met de medeverdachten, besloten om in de nacht van 21 op 22 oktober 2018 activiteiten te ondernemen, die hebben bestaan in wat in dit vonnis onder 4.3.1 is weergegeven.

De bewijsvraag

De rechtbank dient op grond van de tenlastelegging te beoordelen of verdachte zich, al dan niet in vereniging met anderen, heeft schuldig gemaakt aan (poging tot) wederrechtelijke dwang tegen (een of meer leden van) Gedeputeerde staten van de provincie Flevoland door middel van geweld/een feitelijkheid, of de bedreiging daarmee. Die (poging tot) dwang is volgens de tenlastelegging gericht geweest op – kort gezegd – het aanpassen dan wel intrekken van besluitvorming of van wet- en regelgeving omtrent (het jagen in) het Oostvaardersplassengebied. De dwangmiddelen hebben bestaan in het ophangen van spandoeken met daarop leuzen, en in het voor de toegangsdeur van het Provinciehuis Flevoland plaatsen van een met tape beplakte kartonnen doos en voorzien van het opschrift: “Afz. OVV.OVP”. Die kartonnen doos bleek een met rode substantie vervuild knuffelbeertje, een plastic speelgoed-zeisje en een dildo te bevatten. Die dildo was voorzien van het opschrift “ [A] ”, kennelijk geadresseerd aan het lid van Gedeputeerde Staten, belast met de portefeuille Oostvaardersplassen.

Het beoordelingskader en de waardering van het voorhanden bewijs

De spandoeken en de dichtgeplakte doos (met inhoud) zouden, in de visie van het Openbaar Ministerie, in onderlinge samenhang bezien, een strafbare poging opleveren tot dwang tegen een lid dan wel leden van de Gedeputeerde Staten van de Provincie Flevoland tot aanpassing van de besluitvorming en regelgeving inzake het faunabeheer van de Oostvaardersplassen, meer in het bijzonder het met het oog op het decimeren van de populatie edelherten jagen in dat gebied.

De beoordeling van de tenlastelegging valt in een aantal onderdelen uiteen.

De rechtbank zal eerst onderzoeken of de tenlastegelegde gedragingen de functie van dwangmiddel hebben vervuld althans daarvoor toereikend zijn. Anders gezegd: houden die gedragingen op zichzelf en in samenhang beschouwd dwang in, en hebben die gedragingen voor degene tegen wie de dwang is gericht een zodanige psychische druk opgeleverd dat daartegen geen weerstand kon worden geboden, met gevolg dat hij zich gedwongen heeft gevoeld te voldoen aan wat van hem door de verdachte werd verlangd. Daarbij verdient het volgende opmerking.

Het onder 1 tenlastegelegde feit houdt het verwijt in van (poging tot) dwang. Het misdrijf dwang is – evenals het in het in artikel 285 Sr opgenomen misdrijf bedreiging – ondergebracht in het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht (Sr), Titel XVIII; deze titel draagt als opschrift “Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid”. Is het voor het bewijs van het misdrijf van bedreiging (art. 285 Sr) voldoende dat de door de verdachte verrichte gedraging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee is gedreigd ook zou worden gepleegd, voor het bewijs van strafbare dwang (artikel 284 Sr) is meer vereist. Voor het aannemen van het in deze bepaling strafbaar gestelde dwingen volstaat niet dat voldoende is dat vrees heeft kúnnen bestaan, maar vastgesteld dient te worden dat die vrees ook ís ontstaan, zodanig dat degene tegen wie de dwang is gericht door de gebezigde dwangmiddelen in zijn wilsvorming is beïnvloed, doordat hij anders dan overeenkomstig de eigen vrije wil door die dwang doet of nalaat, opdat hij daardoor het intreden van het voor hem dreigende voorkomt.

Bij de beoordeling van het bewijs komt betekenis toe aan de aard van de handelingen, de context waarin deze zijn verricht, het subject van die handelingen en de positie van het (vermeende) slachtoffer. Nu het tenlastegelegde verwijt niet de voltooide dwang maar de poging daartoe inhoudt, moet in elk geval vast komen te staan dat overeenkomstig de bedoeling van de verdachte de mogelijkheid heeft bestaan dat de gebezigde dwangmiddelen ter kennis konden komen van het subject van die dwang.

Vervolgens komen nog andere bewijsvragen aan de orde, zoals die naar het opzet van de verdachte: als de gedragingen voor het kunnen aannemen van dwang op zichzelf beschouwd toereikend zijn, is de wil van de verdachte ook daarop gericht geweest?

De spandoeken

In de eerste plaats is het de vraag of de spandoeken met de daarop geplaatste teksten toereikend zijn voor het aannemen van strafbare dwang. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Op geen van de spandoeken die rondom het Provinciehuis waren aangebracht is een tekst opgenomen waaruit ondubbelzinnig volgt dat een lid dan wel leden van de Gedeputeerde Staten van de Provincie Flevoland enige wet-, regelgeving en/of besluitvorming omtrent (het jagen op) de dieren die zich ophouden in het gebied Oostvaardersplassen zouden moeten aanpassen. De rechtbank kan uit de teksten op de spandoeken hooguit onvrede afleiden met de manier waarop met dieren in de Oostvaardersplassen wordt omgegaan en hun (toentertijd) veronderstelde lot van afschot. Daarbij heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank terecht aangegeven dat de op die spandoeken vermelde teksten de grenzen van de vrijheid van meningsuiting niet overschrijden.

De doos voor de hoofdingang van het Provinciehuis

In de tweede plaats dient de rechtbank te beoordelen of de doos, met zwarte ducttape dichtgeplakt, geplaatst voor de hoofdingang van het Provinciehuis, al dan niet in samenhang bezien met de terzelfdertijd opgehangen spandoeken, een geschikt middel was om ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde personen enige vorm van dwang te bewerkstellingen.

De rechtbank onderscheidt overeenkomstig de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging het enkele plaatsen van de dichtgeplakte kartonnen doos met het even vermelde opschrift van de na de opening daarvan gebleken inhoud.

De dichtgeplakte doos

Op de kartonnen doos was de tekst ‘AFZ: OVV&OVP’ geschreven. Deze tekst, geschreven op een dichtgeplakte doos is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf beschouwd niet dreigend en/of dwingend van aard. Echter, het is zeker niet ondenkbaar dat reeds het aantreffen van die aldus afgesloten en dichtgeplakte doos voor de hoofdingang van het met spandoeken behangen Provinciehuis, in het licht van wat hiervoor door de rechtbank inleidend is overwogen bij anderen dan de verdachte en de zijnen de vrees doet ontstaan dat die doos een onheilspellende inhoud omhult, zoals een scherp explosief. Zo beschouwd zou die doos als een in het algemeen voor dwang toereikend middel kunnen worden geduid. Overigens is de vraag of bij de verdachte met dat plaatsen van die doos ook dat opzet op dwang heeft voorgezeten daarmee nog niet beantwoord, en kan in het licht van wat hierna ten aanzien van het bewijs wordt geconcludeerd in het midden blijven.

De inhoud van de doos

De rechtbank dient tenslotte de vraag te beantwoorden of de inhoud van die doos als een dwangmiddel moet worden beoordeeld, in het bijzonder jegens gedeputeerde [A] . De doos bevatte een opengescheurd knuffelbeertje, besmeurd met een rode substantie, een plastic speelgoed zeisje en een dildo, voorzien van het opschrift ‘ [A] ’. De rechtbank beantwoordt ook deze vraag ontkennend. De aanblik van het opengescheurde knuffelbeertje, besmeurd met een rode substantie, in combinatie met het zeisje kan bij de waarnemer daarvan weliswaar een onheilspellend gevoel oproepen, terwijl de overige inhoud van de doos de grenzen van betamelijkheid evident overschrijdt, een dwangmiddel in de betekenis van artikel 284 Sr levert dit een en ander niet op, ook niet in samenhang bezien met de spandoeken.

Conclusie ten aanzien van het bewijs

In het voorgaande zijn de als (bedreiging met) geweld/feitelijkheid tenlastegelegde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld op hun geschiktheid voor het veroorzaken van dwang. Zoals door de rechtbank is uiteengezet komt het bij de beantwoording van de bewijsvraag vervolgens ook en vooral erop aan of door die handelingen bij een of meer leden van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland ook vrees ís ontstaan. Kan door de rechtbank feitelijk worden vastgesteld of een of meer van hen, dan wel het met name genoemde lid van Gedeputeerde Staten die handelingen heeft opgevat als dwangmiddelen waardoor de wilsvorming is of kon worden beïnvloed: was het misdrijf niet in het stadium van poging blijven steken, zou dan daardoor anders dan overeenkomstig de eigen vrije wil de besluit-/regelvorming door een of meer van die gedeputeerden zou zijn aangepast?

De rechtbank stelt vast dat het procesdossier onvoldoende concrete informatie bevat over de context waarin de vermeende bedreiging zou zijn gedaan. Zo houdt het procesdossier niets in of de aan de verdachte toegeschreven gedragingen feitelijk of kunnen worden vermoed samen te hangen met (ook) andere bedreigingen/feitelijkheden, gericht tegen (leden van) de Gedeputeerde Staten van de Provincie Flevoland, en te plaatsen in de sleutel van het (wederrechtelijk) beïnvloeden van besluitvorming of regelgeving inzake het faunabeheer van de Oostvaardersplassen. Evenmin bevindt zich in het dossier enige verklaring van of namens een lid van Gedeputeerde Staten of anderszins een vertegenwoordiger van de Provinciale Staten, waaruit had kunnen blijken of, en zo ja hoe de in de tenlastelegging vermelde gedragingen de wilsvorming heeft beïnvloed, zoals bedoeld in het hierboven verwoorde beoordelingskader. Met verwijzing naar dat beoordelingskader staat het de rechtbank niet vrij die bewijsleemten op te vullen, door aan die gedragingen een duiding te geven die tevens een oordeel inhoudt over de beïnvloeding van de wilsvrijheid van leden van Gedeputeerde Staten: hoe de spandoeken en (de inhoud van) de kartonnen doos door hen is gewaardeerd, en of zij zich door de gang van zaken gedwongen hebben gevoeld of hebben kunnen voelen om anders te handelen of te besluiten dan zij eerder voornemens waren, al dan niet in het licht van een zekere context.

Het voorgaande impliceert dat de rechtbank niet verder komt dan de beoordeling van de op zichzelf beschouwde gedragingen in de sleutel van de tenlastegelegde (bedreiging met) geweld of enige andere feitelijkheid. Of die gedragingen in het voorliggende geval op één of meer leden van Gedeputeerde Staten indruk hebben gemaakt en de functie van dwangmiddel hebben kunnen vervullen is op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voor de rechtbank niet vaststelbaar. Reeds op die grond zal de rechtbank de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit vrijspreken, en behoeft de vraag naar het bewijs van opzet van de verdachte geen bespreking.

4.3.3

Het onbruikbaar maken van het Provinciehuis

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onbruikbaar maken van het Provinciehuis in de betekenis van artikel 352 Sr.

Onbruikbaar maken

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte met zijn handelen het Provinciehuis, voor korte dan wel langere tijd, onbruikbaar heeft gemaakt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met de medeverdachten tijdens het nachtelijk uur een doos, dichtgeplakt met zwarte ducttape, voor de hoofdingang van het Provinciehuis heeft geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat op het moment dat er in de openbare ruimte een verdacht pakketje (in dit geval die dichtgeplakte doos) wordt gevonden, maatregelen worden getroffen voor de algemene veiligheid van goederen en personen. Het verdachte karakter van die toen en daar neergezette doos wordt bovendien versterkt door de tezelfdertijd opgehangen spandoeken, waarbij bovendien betekenis toekomt aan de in dit vonnis onder 4.3.2 inleidend beschreven context.

Uit de inhoud van de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen volgt dat de politie de doos, gelet op het tijdstip en de plek waarop deze is aangetroffen, aangemerkt heeft als een verdacht voorwerp, welke situatie het bevoegd gezag noopte tot het gedurende enige tijd treffen van veiligheidsmaatregelen. Terwijl het onderzoek aan de doos gaande was is de omgeving van het Provinciehuis afgezet, is de toegang tot dat Provinciehuis aan derden ontzegd, en was het daarmee ook onbruikbaar voor werknemers en publiek.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van die aldus geplaatste doos en bezien in samenhang met de die plaatsing begeleidende feiten en omstandigheden heeft verdachte willens en wetens het risico aanvaard dat daardoor (veiligheids)maatregelen zouden worden getroffen, met het voorzienbare gevolg dat het Provinciehuis gedurende enige tijd ontoegankelijk zou zijn, bijvoorbeeld voor de ambtenaren die in dat huis hun taken vervullen en voor derden die in dat huis gebruik willen maken van de door die ambtenaren te verlenen diensten. Daarbij doet het er wat de bewezenverklaring betreft niet toe hoe lang het Provinciehuis onbruikbaar was.

Medeplegen

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van medeplegen van dit feit door verdachte. Voor het bewijs van medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en), gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. Daarbij is het niet nodig dat de mededaders alle bestanddelen van het delict verwezenlijken. Wel moet de verdachte een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict en moet hij zowel op het delict als het medeplegen het (voorwaardelijk) opzet hebben gehad.

Uit de inhoud van het procesdossier en wat ter terechtzitting is verklaard volgt, dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de avond van 21 oktober 2018 bijeen zijn gekomen om de protestactie bij het Provinciehuis voor te bereiden. De spandoeken zijn voorzien van teksten en de doos is voorzien van een opschrift, gevuld en dichtgeplakt met ducttape. Nadat alles grotendeels gereed was is medeverdachte [medeverdachte 4] bij de woning aangekomen en is onderling gesproken over hetgeen die avond stond te gebeuren. Daarbij is een onderlinge taakverdeling gemaakt. Afgesproken is dat verdachte [verdachte] samen met medeverdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] naar het Provinciehuis zou gaan. Medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zouden richting de Oostvaardersplassen afreizen om daar in de omgeving spandoeken op te hangen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samen naar het Provinciehuis zijn gegaan. Zij hebben de doos in de auto meegenomen en hebben die doos ter plaatse voor de hoofdingang neergezet. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat bij verdachte en de medeverdachten in die zin reeds sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en dient verdachte te worden aangemerkt als medepleger. Dat geen van de (mede)verdachten heeft willen verklaren wie van hen het is geweest die de doos voor de ingang van het Provinciehuis heeft neergezet, doet aan het bewijs van de gezamenlijke uitvoering niet af.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging met anderen onbruikbaar maken van het Provinciehuis.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 2

in de periode van 21 oktober 2018 tot en met 22 oktober 2018 te Lelystad,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten het Provinciehuis Flevoland te Lelystad, onbruikbaar heeft gemaakt door op de grond voor de toegangsdeur van de hoofdingang van het Provinciehuis Flevoland te Lelystad een kartonnen doos met daarop zwarte tape neer te leggen, waardoor dit gebouw gedurende enige uren niet toegankelijk is geweest voor medewerkers en bezoekers van het Provinciehuis Flevoland vanwege onderzoek naar de inhoud van deze doos.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

In vereniging opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van de door de officier van justitie bewezen geachte feiten 1 en 2 te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van één maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren,

- een taakstraf van 80 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt,

rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Volgens de verdediging kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder toepassing van straf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Ter bestraffing ligt het onbruikbaar maken van het Provinciehuis Flevoland voor.

Bij de beoordeling van de aard en ernst van dit feit – in het Wetboek van Strafrecht gerubriceerd als een vernielings-/beschadigingsmisdrijf – kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheden waaronder dit is begaan. Tijdens het nachtelijk uur hebben verdachte en haar mededaders een met tape afgesloten doos voor de hoofdingang van het Provinciehuis neergezet, terwijl aan en bij dat Provinciehuis spandoeken met opschriften waren aangebracht. Voor vriend en vijand was aanstonds volstrekt duidelijk dat de bewezen geachte gedragingen zijn verricht in het licht van het soms hoogoplopende maatschappelijke debat over het door de autoriteiten gevoerde en te voeren faunabeleid in het Oostvaardersplassengebied, het toentertijd voorgenomen afschot van een deel van de populatie edelherten daaronder mede begrepen.

In het huidige tijdsgewricht vinden met enige regelmaat aanslagen plaats. Om die reden en bezien in het licht van dat soms heftige maatschappelijke debat over het in het Oostvaardersplassengebied gevoerde en te voeren faunabeleid is het even voorspelbaar als begrijpelijk dat de politie en de hulpdiensten zeer behoedzaam zijn omgegaan met de geplaatste doos voor de ingang van het Provinciehuis. Deze het onbruikbaar maken van het Provinciehuis implicerende protestactie heeft, naast de consternatie vanwege de mogelijke aanwezigheid van een scherp explosief, tot gevolg gehad dat veel mensen gedupeerd zijn geraakt. De ten aanzien van het Provinciehuis onbruikbaar makende gedraging – naar achteraf bleek een protestactie van verdachte en haar mededaders – moet ontwrichtend zijn geweest voor de medewerkers en bezoekers van het Provinciehuis, voor reizigers die gebruik wilden maken van het naburige bus- en treinstation en voor het wegverkeer in de directe omgeving. Voorts moet worden aangenomen dat de gedragingen van verdachte en de zijnen gevoelens van onrust en onveiligheid hebben veroorzaakt bij inwoners van Lelystad

De rechtbank onderkent dat het onbruikbaar maken van het Provinciehuis Flevoland de kern van het bewezen geachte verwijt inhoudt, en derhalve niet het misdrijf van artikel 142a van het Wetboek van Strafrecht: het doen/plaatsen van een valse bom(melding). De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheden waaronder dit onbruikbaar maken heeft plaatsgehad, zoals hiervoor omschreven. De rechtbank beoogt met de aan de verdachte op te leggen straf mede de norm te markeren en anderen ervan te weerhouden op deze wijze (publieke) gebouwen onbruikbaar te maken.

Daaruit volgt dat de rechtbank de verdediging in zoverre niet volgt in de stelling dat door justitie over de zaak te veel ophef zou zijn gemaakt of dat de autoriteiten de gevaarzetting die van de voor de ingang van het Provinciehuis geplaatste doos uitging te zwaar heeft aangezet.

De rechtbank zal alles afwegend aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 40 uren met aftrek van voorarrest, te vervangen door 20 dagen vervangende hechtenis indien verdachte haar straf niet dan wel niet naar behoren uitvoert. Tevens zal aan verdachte, om haar ervan te weerhouden in de toekomst dergelijke, al dan niet onbezonnen, acties uit te voeren, een gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van twee weken geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 352 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het onder 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee (2) weken;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mrs. D.S. Terporten-Hop en M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Salet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 januari 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

feit 1

zij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2018 tot en met 22 oktober 2018 te Lelystad,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten (één of meer lid/leden van) Gedeputeerde Staten van de Provincie Flevoland, door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het aanpassen dan wel intrekken van wet- en/of regelgeving en/of besluitvorming omtrent (het jagen in) het Oostvaardersplassengebied door

- één of meer spandoek(en) met daarop (een) leus/leuzen die betrekking heeft/hebben op de wet- en/of regelgeving en/of de besluitvorming over (het jagen in) het Oostvaardersplassengebied, te weten onder andere: ‘OVP weg ermee’ en/of ‘’ Welkom in de schiettent van SBB’ op/aan/bij het Provinciehuis Flevoland te Lelystad op te hangen / te

plaatsen en/of

- een kartonnen doos met daarop en/of daaromheen zwarte tape en/of met opschrift ‘AFZ: OVV.OVP’ en/of met als inhoud een knuffelbeer met daarop een rode substantie en/of een

(plastic) zeis en/of een dildo met daarop de tekst ‘ [A] ’, kennelijk gericht aan / verwijzend naar [A] , zijnde een lid van de Gedeputeerde Staten Flevoland die de wet- en/of regelgeving en/of besluitvorming omtrent (het jagen in) het Oostvaardersplassengebied in portefeuille heeft, op de grond voor de toegangsdeur van de hoofdingang van het

Provinciehuis Flevoland te Lelystad te leggen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

zij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2018 tot en met 22 oktober 2018 te Lelystad,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten het Provinciehuis Flevoland te Lelystad, geheel of ten dele toebehorende aan de Provincie Flevoland en/of de Rijksgebouwendienst, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader(s), onbruikbaar heeft gemaakt door op de grond voor de toegangsdeur van de hoofdingang van het Provinciehuis Flevoland te Lelystad een kartonnen doos met daarop en/of daaromheen zwarte tape neer te leggen, waardoor dit gebouw gedurende enige uren niet toegankelijk is geweest voor medewerkers en bezoekers van het Provinciehuis Flevoland vanwege onderzoek naar de inhoud van deze doos.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 december 2018, genummerd 2018120415116395, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 228. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 19, proces-verbaal bevindingen verbalisant [verbalisant 1] .

3 Pagina 41, proces-verbaal bevindingen verbalisant [verbalisant 2]

4 Pagina 42

5 Pagina 30 en bijbehorende foto’s op de pagina’s 33-40.

6 Pagina 210

7 Pagina 191