Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1370

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
7269163 UC EXP 18-11356
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijze van procederen in strijd met de goede procesorde. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7269163 UC EXPL 18-11356

Vonnis van 20 maart 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen de man,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. F.B.A. Verbeek,

tegen:

[de vrouw] ,

(voorheen genaamd: [naam] ),

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen de vrouw,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. M.L. Sterrenberg-Ellerbroek.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding en het betekende oproepingsbericht;

- het verweerschrift tevens houdende de incidentele vordering tot verwijzing naar de

kantonrechter en houdende een tegenvordering;

- het verweerschrift in het incident;

- het verweer op de tegenvordering van de man in de hoofdzaak;

- het vonnis in het incident van 4 oktober 2018;

- het (verbeterd) vonnis in het incident van 10 oktober 2018;

- het comparitievonnis van 2 januari 2019;

- de bij faxbericht van 5 maart 2019 ingediende producties (AGL I tot en met AGL XVI) van de man;

- de mondelinge behandeling, gehouden op 12 maart 2019, in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die in mei 2016 is verbroken.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is: [minderjarige] , geboren op [2015] .

2.3.

De rechtbank heeft bij (verbeterd) vonnis van 10 oktober 2018 de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

In dit incidentele vonnis is de man veroordeeld in de kosten, aan de zijde van de vrouw begroot op € 543,00. Deze proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vordering van de man luidt als volgt:

“Het de Rechtbank Midden-Nederland Locatie Utrecht moge behagen bij vonnis,

uitvoerbaar bij voorraad, en op gronden als hierna vermeld:

1. De vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na de betekening van het te

wijzen vonnis haar medewerking te verlenen van de hiervoor onder 1 genoemde

door al datgene te doen dat daartoe nuttig is, onder meer doch niet uitsluitend

bestaande uit:

2. De heer [de man] heeft aan gedaagde een bedrag van in totaal € 4.250

geleend

3. Zij heeft een bedrag van € 2.950 geleend voor een rij lespakket en rijexamens

4. Zij heeft een bedrag van € 650 geleend voor het aanvragen van de

Nederlandse Nationaliteit.

5. Zij heeft een bedrag van € 650 geleend voor overige zaken.

6. De vrouw heeft na het verlaten van de woning voor € 6.798 aan inboedel

meegenomen uit de woning. Deze spullen zijn door de man aangeschaft.

7. De vrouw heeft ook persoonlijke spullen van de man meegenomen na het

verlaten van de woning de waarde bedraagt totaal € 593

8. De vrouw heeft bevestigd en verklaard op 28-06-20 16 dat zij diverse spullen

welke aan de man behoort heeft verkocht met een waarde van € 1.875

a. De vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500 per dag

voor het geval zij niet zal voldoen aan de verplichtingen genoemd onder a t/m c.

9. De vrouw te veroordelen om op het eerste verzoek van de onder 1 genoemde

bedragen, binnen 7 dagen na betekening te voldoen.

10. De man/vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.”

3.2.

In de procesinleiding staat onder de kop ‘Gronden van de vordering (ten Einde)’

het volgende:

“inleiding

1. Eiseres, verder te noemen: De heer [de man] heeft samengewoond met verweerder,

verder te noemen: Mevrouw [naam] .

2. De relatie is beëindigd op

3. De heer [de man] heeft aan gedaagde een bedrag van in totaal € 4.250 geleend (productie

AGL..).

4. Zij heeft een bedrag van € 2.950 geleend voor een rijlespakket en rijexamens

5. Zij heeft een bedrag van € 650 geleend voor het aanvragen van de Nederlandse

Nationaliteit.

6. Zij heeft een bedrag van € 650 geleend voor overige zaken.

7. De vrouw heeft na het verlaten van de woning voor € 6.798 aan inboedel meegenomen

uit de woning (zie productie AGL ..)

8. Deze spullen zijn door de man aangeschaft.

9. De vrouw heeft ook persoonlijke spullen van de man meegenomen na het verlaten van

de woning de waarde bedraagt totaal € 593 (zie productie AGL ..)

10. De vrouw heeft bevestigd en verklaard op 28-06-20 16 dat zij diverse spullen welke aan

de man behoort heeft verkocht met een waarde van € 1.875 (productie AGL ..)

vordering

11. De heer [de man] wenst het geleende bedrag a € 4.250 terug te ontvangen en de waarde

van de meegenomen boedel a € 9.266, maar heeft daartoe de medewerking Mevrouw [naam]

maar weigert mee te werken. Van hem kan niet worden verlangd dat zij tot in

lengte van dagen deelgenoot blijft in een onverdeelde gemeenschap.

Nu partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over de schuld ziet De heer [de man]

zich genoodzaakt om ex art. 3:182 BW de rechtbank de wijze van verdeling te

laten vaststellen op een door de rechter vastgestelde wijze met verdeling van de netto-opbrengst daarvan.”

3.3.

Het verweer van de vrouw luidt als volgt:

“De man in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat hem de vorderingen zullen worden ontzegd;”

3.4.

In het verweerschrift staat bij punt 8 het volgende:

“Allereerst is de vrouw van oordeel dat het petitum van de man niet voor toewijzing vatbaar is. Een voorbeeld van de vele slordigheden en onjuistheden is het verzoek van de man de vrouw te veroordelen de onder genoemde bedragen binnen 7 dagen aan de man te voldoen. Echter onder 1 worden geen bedragen genoemd. Daarnaast stroken de bedragen, data en genoemde personen niet met de bewijsstukken zoals door de man in het geding gebracht. Een nummering van de bewijsmiddelen ontbreekt geheel. Ook de wijze van indiening van bewijsstukken zoals omschreven in artikel 1.6 van het procesreglement civiele dagvaardingszaken kei is in zijn geheel niet in acht genomen.

Naar hetgeen de man stelt en wenst te bewijzen kan enkel gegist worden. Door deze proceshouding handelt de man in strijd met artikel 21 Rv. Daarnaast is de vrouw van mening dat deze wijze van procederen in strijd is met de goede procesorde en met misbruik making van het procesrecht. Uw Rechtbank mag hier de gevolgtrekking aan verbinden die u geraden acht. De vrouw verzoekt u de man niet te ontvangen in zijn vorderingen dan wel de vorderingen van de man al op basis hiervan af te wijzen.”

in reconventie

3.5.

De vordering van de vrouw luidt als volgt:

“Tegenvordering

De man, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 2.226,00 aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betalingen zoals schematisch weergegeven in bewijsstuk 5 tot aan de dag der algehele voldoening;

De vrouw vordert verder de man te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat zij in de periode tussen 23 februari en 30 december 2015 in totaal € 2.226,00 aan de man heeft overgemaakt, dat de man haar heeft gedwongen tot deze betalingen, dat de man hiermee ongerechtvaardigd is verrijkt ofwel dat hij het geld onrechtmatig heeft verkregen en dat hij het bedrag (de schade) aan de vrouw dient te vergoeden.

3.7.

De man voert verweer tegen de tegenvordering van de vrouw. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering. De man betwist het door de vrouw gestelde.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

De rechtbank heeft in het vonnis van 10 oktober 2018 het volgende overwogen:

“2.4. De rechtbank stelt vast dat — anders dan de tekst bij nummer 1 en onder 8a doet

vermoeden — er geen punten zijn genoemd waaraan [de vrouw] haar medewerking zou kunnen of

moeten verlenen op straffe van verbeurte van een dwangsom. Evenmin is gevorderd dat de

rechtbank de wijze van verdelen vaststelt op de voet van artikel 3:182 BW, waarbij de

grondslag van de vordering aan is gerefereerd. [de man] heeft ook niet aangevoerd dat er

gemeenschappelijke goederen zijn die verdeeld zouden moeten worden. Het gaat [de man] er

kennelijk om dat [de vrouw] (die door [de man] ook wel [naam] wordt genoemd) wordt

veroordeeld tot betaling van € 4.250,00 en € 9.266,00 op grond van de onder de vordering

en onder de gronden opgesomde stellingen.

2.5.

Noch uit de — overigens erg warrige — formulering van de vordering, noch uit de

door [de man] aangevoerde feiten volgt dat het in deze zaak gaat om een verdeling na

echtscheiding. Overigens is de vraag of partijen gehuwd zijn geweest in dit verband niet van

belang; het gaat er om of de vordering naar zijn aard en omvang moet worden gezien als een

vordering die aan de kantonrechter moet worden voorgelegd. Dat is zo voor

geldvorderingen tot € 25.000,00 en andere vorderingen die een waarde vertegenwoordigen

van niet meer dan € 25.000,00, en voor kort gezegd ‘aardvorderingen’ zoals huur en

consumentenkoop. Andere vorderingen moeten worden voorgelegd aan de rechtbank. In

deze zaak gaat het om een geldvordering die is opgebouwd uit een aantal posten, in totaal

€ 13.516,00. Een dergelijke vordering dient te worden behandeld door de kantonrechter.”

4.2.

De kantonrechter heeft de gemachtigde van de man ter zitting van 12 maart 2019 gevraagd wat er nu precies gevorderd wordt, en met name waaraan de vrouw haar medewerking moet verlenen. Daarop is het volgende geantwoord:

“De vrouw moet meewerken aan de genoemde bedragen. Zij is die verschuldigd aan de man. Zij moet die betalen. Dit is de boedelscheiding van een samenwoning. Daar moet een dwangsom op. De man heeft ten behoeve van de samenwoning alles gekocht en de vrouw heeft alles meegenomen. De man wil geen goederen. Hij wil geld zoals is gevorderd onder 3 tot en met 8. Op de geldsom moet een dwangsom. Gelet op de verhouding tussen partijen verwacht de man niet dat de vrouw iets zal betalen. Er is daarom een prikkel nodig. Een deurwaarder kan niets bereiken.”

4.3.

De gemachtigde van de vrouw heeft verklaard dat er volgens haar geen sprake is van een toewijsbaar petitum en dat de vrouw haar verweer in conventie handhaaft alsook haar vordering in reconventie.

4.4.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader uiteen doen zetten en ook zelf het woord gevoerd.

4.5.

De man heeft daarna het volgende verklaard: “Ik wil niets meer met de vrouw te maken hebben. Ik trek al mijn vorderingen in.”

4.6.

De kantonrechter heeft daarop geantwoord: “Waarvan akte!”.

4.7.

De gemachtigde van de vrouw heeft vervolgens verklaard: “Ik trek namens mijn cliënte de vordering in reconventie in. Mijn cliënte wil wel een proceskostenveroordeling van de man.”

4.8.

De gemachtigde van de man heeft daarop verklaard: “Mijn cliënt trekt zijn vorderingen alleen in als hij geen proceskostenveroordeling krijgt en hij wil ook het geld terug dat hij in het kader van de vorige proceskostenveroordeling heeft betaald. Als dat niet gebeurt, trekt hij zijn intrekking in.”

4.9.

De kantonrechter heeft vervolgens de mondelinge behandeling gesloten en medegedeeld dat op 24 april 2019, of zoveel eerder als mogelijk, een vonnis zal worden gewezen.

4.10.

De kantonrechter is van oordeel dat de wijze van procederen van de man in strijd is met de goede procesorde, zoals hieronder nader zal worden toegelicht.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het incident in deze zaak reeds geoordeeld dat de vordering van de man erg warrig geformuleerd is. De kantonrechter is van oordeel dat dit nog een mild oordeel was. Hetgeen de man kennelijk als een vordering ziet, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Het onder 2 tot en met 8 gevorderde betreft een aantal stellingen en onder a wordt een dwangsom gevorderd die ziet op het voldoen aan de verplichtingen genoemd onder a tot en met c terwijl er geen verplichtingen worden genoemd en ook de letters b en c ontbreken. Bij de “gronden van de vordering” worden de stellingen herhaald en bij een aantal stellingen staat vermeld: (zie productie AGL ..).

De man heeft zijn vordering ondanks het eerdere oordeel van de rechtbank en het “antwoord ten principale” van de vrouw nimmer aangepast of aangevuld. De man heeft eerst op 5 maart 2019 (de laatst mogelijke dag) producties ingediend, terwijl hij de procedure reeds heeft aangevangen in juni 2018. Daarmee heeft hij de vrouw de gelegenheid ontnomen om voorafgaand aan de mondelinge behandeling daarop te reageren. Ook de kantonrechter is een goede voorbereiding van de zaak onmogelijk gemaakt. Eerst ter zitting van 12 maart 2019 is, na doorvragen van de kantonrechter en een gezamenlijke en moeizame speurtocht met partijen door de producties van de man, onder leiding van de kantonrechter, enigszins duidelijk geworden wat de man nu precies beoogt, op welke grondslag en welke stukken ter staving daarvan zouden moeten dienen. Hier kon de wederpartij zich niet op voorbereiden.

4.11.

De man heeft zijn vorderingen uiteindelijk ongeclausuleerd ingetrokken en zijn gemachtigde heeft daarop aanvankelijk niet geacteerd. De kantonrechter heeft de intrekking beantwoord met “Waarvan akte!”. Daarmee staat de intrekking vast. De man kan daar nadien niet op terugkomen met een intrekking van zijn intrekking. Dat zou in strijd zijn met de goede procesorde, te meer nu de wederpartij daarin reden heeft gevonden ook de vordering in reconventie onvoorwaardelijk en onherroepelijk in te trekken.

4.12.

De kantonrechter ziet in de hiervoor vermelde gang van zaken voldoende aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten van de vrouw in conventie, tot op heden begroot op € 720,- (2 punten maal € 360,-) aan salaris gemachtigde. De man heeft de vrouw nodeloos in een procedure betrokken. De proceskosten in reconventie zullen worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

in conventie

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 720,00, te vermeerderen met de eventuele kosten van betekening ten bedrage € 82,-, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.2.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van M.E. van den Akker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019.