Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1354

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
16/661753-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 58-jarige man is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar. Hij deed zich tussen 2013 en 2015 voor als forensisch arts en patholoog. Met zijn oplichterspraktijken probeerde hij niet alleen die functie te bemachtigen, maar is hij ook daadwerkelijk aan het werk gegaan op de rampplekken van vliegtuigongelukken in Namibië en Frankrijk.

De man is opgeleid tot obductie-assistent: de rechterhand van een patholoog, maar deed zich voor alsof hij zelf een forensisch arts of patholoog was. In die hoedanigheid was hij gastdocent en examinator bij de Politieacademie en ook bij de GGD deed hij zich voor als forensisch arts. De Politieacademie heeft hem meerdere keren verzocht om zijn diploma op te sturen. Na diverse smoesjes heeft de man zelf een diploma van de Universiteit van Amsterdam in elkaar geknutseld. Ook is hij door Kenyon - een internationale organisatie – uitgezonden naar de twee rampplekken waar hij werkzaamheden verrichtte die bij uitstek zijn voorbehouden aan forensisch artsen en pathologen. Zijn bedrog kwam uit toen bij de GGD bleek dat hij niet in staat was om de bloeddruk bij een patiënt te meten.

Mensen moeten er op kunnen vertrouwen dat zij geholpen en voorgelicht worden door personen met kennis, kunde en de juiste bevoegdheid. De man heeft dit vertrouwen op ernstige wijze beschaamd, zo oordeelt de rechtbank. Hij heeft zich telkens laten leiden door zijn zucht naar geldelijk gewin en het verkrijgen van aanzien. Als stok achter de deur legt de rechtbank ook een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op. Indien de man opnieuw in de fout gaat moet hij die straf alsnog uitzitten. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf onder andere gekeken naar straffen in vergelijkbare zaken. Ook is er rekening gehouden met het feit dat het proces te lang heeft geduurd, waardoor de zogenoemde redelijke termijn is overschreden. Mede daarom wijkt de eis af van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/661753-15

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1961] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.J. van Dijck en van hetgeen verdachte en mr. R.P. Adema, advocaat te Apeldoorn, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 17 november 2014 tot en met 28 mei 2015 te Apeldoorn en/of Bennekom [A] en/of de Politieacademie heeft opgelicht door zich – kort gezegd – voor te doen als (forensisch) arts en hij hen op die wijze heeft bewogen tot de afgifte van geld en goederen;

feit 2: in de periode van 3 september 2013 tot en met 28 mei 2015 te Bennekom een diploma van de Universiteit van Amsterdam valselijk heeft opgemaakt;

feit 3: (primair) in de periode van 1 december 2014 tot en met 31 maart 2015 te Arnhem en/of Bennekom GGD Gelderland-Midden (hierna: GGD) en/of [B] heeft opgelicht door zich – kort gezegd – voor te doen als forensisch arts en hij hen op die wijze heeft bewogen tot de afgifte van meerdere goederen dan wel (subsidiair) dat hij op die wijze heeft geprobeerd hen te bewegen tot de afgifte van geld en goederen;

feit 4: in de periode van 1 november 2013 tot en met 19 augustus 2015 in Nederland, de Verenigde Staten, Namibië, Frankrijk en/of het Verenigd Koninkrijk het bedrijf [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) heeft opgelicht door zich – kort gezegd – voor te doen als (forensisch) patholoog en/of patholoog anatoom en hij op die wijze [bedrijf] heeft bewogen om hem werkzaamheden te laten verrichten als ‘team member’ met specialisme forensisch patholoog en/of tot het verstekken van een (hogere) vergoeding voor zijn werkzaamheden (met een totaalbedrag van € 126.631,98).

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het onder 3 primair en een deel van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Voor wat betreft het onder 3 subsidiair en een deel van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De door de verdediging gevoerde standpunten en verweren worden hierna besproken. Standpunten en verweren die niet van belang zijn voor de beoordeling worden niet besproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

t.a.v. feit 1:

De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat de namens de Politieacademie afgelegde verklaringen omtrent de oplichting van verdachte voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen, waaronder de ter terechtzitting van 19 maart 2019 afgelegde verklaring van verdachte dat hij zich al sinds 2013 voordoet als forensisch arts/patholoog. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat verdachte zich in zijn communicatie met de Politieacademie heeft voorgedaan als forensisch arts, dat hij op 17 november 2014 voor het eerst als gastdocent voor de Politieacademie heeft opgetreden en dat hij daarna andere werkzaamheden heeft verricht (waaronder als examinator en opsteller van het voorstel van een professionaliseringsprogramma), waarvoor hij vergoedingen betaald heeft gekregen. Dit heeft geduurd tot op 14 april 2015 werd ontdekt dat het door verdachte overgelegde bachelordiploma geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam valselijk bleek opgemaakt. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook bewezen, zoals dit hieronder in rubriek 5 is weergegeven.

t.a.v. feit 2:

De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat namens de Universiteit van Amsterdam aangifte is gedaan in verband met het vervalsen van een diploma op naam van voornoemde universiteit. Verdachte heeft dit feit ter terechtzitting van 19 maart 2019 bekend. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde dan ook bewezen, zoals dit hieronder in rubriek 5 is weergegeven.

t.a.v. feit 3:

Met betrekking tot het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte met zijn gedragingen, waaronder het zich voordoen als forensisch arts, niet het oogmerk heeft gehad om de GGD te bewegen om de in de tenlastelegging genoemde goederen aan hem af te geven. De raadsman heeft dan ook verzocht verdachte van het onder 3 primair ten laste gelegde vrij te spreken.

Dit verweer van de raadsman volgt de rechtbank niet. Uit vaste jurisprudentie (Hoge Raad 21 februari 1938, NJ 1938, 929 en 5 januari 1982, NJ 1982, 232) volgt dat ook als het handelen van de verdachte primair op een ander doel gericht was, maar de verdachte begreep dat het in het delict bedoelde gevolg door zijn handelen kon intreden, kan worden aangenomen dat hij ook het delictsoogmerk had.

Uit de aangifte van de GGD, die steun vindt in de andere gebruikte bewijsmiddelen, waaronder de ter terechtzitting van 19 maart 2019 afgelegde verklaring van verdachte dat hij zich gedurende en na de sollicitatieprocedure ten opzichte van de GGD heeft voorgedaan als forensisch arts, volgt dat verdachte zich door die hoedanigheid aan te nemen de GGD heeft bewogen tot de afgifte van een telefoon, een tablet en een toegangspas. Dat verdachtes oogmerk daarbij primair was gericht op het verkrijgen van de functie van forensisch arts en het daarbij behorende salaris, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte daarmee het delict niet heeft begaan. Verdachte had immers kunnen begrijpen dat bij een dergelijke functie ook de door de GGD aan hem afgegeven goederen behoren. Met het afgeven van deze goederen is de oplichting voltooid en de rechtbank acht het onder 3 primair ten laste gelegde dan ook bewezen, zoals dit hieronder in rubriek 5 is weergegeven.

t.a.v. feit 4:

I.

De raadsman heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de gedragingen in de richting van de nabestaanden van [C] , zoals weergegeven onder het 5de en 6de gedachtestreepje van de tenlastelegging, omdat deze gedragingen niet hebben bijgedragen aan de oplichting van [bedrijf] .

De rechtbank volgt dit verweer en overweegt hierover het volgende. [C] is op 24 maart 2015 omgekomen bij de vliegramp met een vliegtuig van [vliegtuigmaatschappij] in Frankrijk. Verdachte heeft namens [bedrijf] na die ramp werkzaamheden verricht en is op die wijze in contact gekomen met de nabestaanden van [C] . Aan hen heeft hij zich

– kort gezegd – gepresenteerd als patholoog en in dat licht de onder het 5de en 6de gedachtestreepje genoemde gedragingen verricht en de genoemde toezeggingen gedaan. Deze gedragingen en toezeggingen, die in de richting van de nabestaanden van [C] kwalijk waren, omdat verdachte daarmee de nabestaanden ten aanzien van zijn functie verkeerd heeft voorgelicht, kunnen echter niet onder het bereik van de ten laste gelegde oplichting worden gebracht. Dit feit van de tenlastelegging is immers gericht op oplichting van [bedrijf] . En door zich ten onrechte als arts voor te doen en te gedragen ten opzichte van derden, kan niet zonder meer gezegd worden dat die handelingen en gedragingen vallen onder oplichting jegens [bedrijf] . Van een voortgezette reeks aan handelingen en gedragingen, zoals de officier van justitie ter zitting heeft betoogd, kan in dit verband ook niet worden gesproken, nu deze specifieke handelingen en gedragingen niet gericht waren op [bedrijf] , maar op de nabestaanden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken voor zover de tenlastelegging ziet op het 5de en 6de gedachtestreepje.

II.

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte zich – kort gezegd – weliswaar als forensisch arts heeft voorgedaan, maar dat niet kan worden vastgesteld dat hij daarmee [bedrijf] heeft bewogen hem in dienst te nemen. In dit kader heeft de raadsman gewezen op de verklaring van [D] , algemeen directeur van [bedrijf] , dat verdachte niet is ingehuurd omdat hij zich voordeed als dokter en dat de doktersgraad ook niet nodig was voor de werkzaamheden als ‘team member’. Daarnaast heeft verdachte zich ter terechtzitting beroepen op bepaalde expertise die hij had, welke voor [bedrijf] doorslaggevend kan zijn geweest om hem in te huren. De raadsman heeft dan ook verzocht verdachte vrij te spreken voor zover de tenlastelegging erop ziet dat verdachte [bedrijf] heeft bewogen hem in dienst van dat bedrijf werkzaamheden te laten verrichten.

Voor zover de tenlastelegging ziet op de oplichting van [bedrijf] met het oogmerk een vergoeding te verkrijgen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte bij [bedrijf] heeft gesolliciteerd met een zogenaamde ‘Team member application’. Op het online sollicitatieformulier heeft verdachte onder meer ingevuld dat hij een afgestudeerd arts is en dat hij relevante werkervaring en expertise heeft opgedaan bij oorlogsslachtoffers (Irak, Libië, voormalige Joegoslavië), slachtoffers van natuurrampen (Thailand en Nederland), de vuurwerkramp in Enschede, de crash van het vliegtuig in de Bijlmer en het neergestorte vliegtuig van Turkish Airlines op Schiphol. Op het curriculum vitae van verdachte, dat door [bedrijf] is overgelegd, staat beschreven dat verdachte de bachelor medische geneeskunde heeft gehaald en bij de relevante werkervaring en expertise wordt de term DVI meermalen door verdachte gebruikt. Volgens [D] , algemeen directeur bij [bedrijf] , betreft dit een Europese term die betrekking heeft op de identificatie van slachtoffers bij rampen, met een graad in de forensische pathologie. Bij de eerste contacten die [D] met verdachte had, stelde hij zich ook voor als ‘dr. [verdachte] ’.

Op 21 januari 2014 sluit verdachte met [bedrijf] een overeenkomst als zelfstandig opdrachtnemer/adviseur. In deze overeenkomst staan een aantal definities benoemd, waaronder:

geactiveerd of activering” betekent dat de adviseur akkoord gaat met een inzet bij een incident overeenkomstig de voorwaarden in deze overeenkomst en activeringsberichten die [bedrijf] en adviseur hebben afgesloten;

activeringsbericht” betekent elke kennisgeving van [bedrijf] aan adviseur voor wat betreft activering ten behoeve van een incident.

Op de openbare website van [bedrijf] is verdachte voorgesteld als forensisch arts en patholoog. Verder wordt nog zijn bijnaam genoemd: dr. [bijnaam] en zijn slogan luidt: “I open corpses to close cases’.

Op “activeringsberichten” tussen [bedrijf] en verdachte, die gekoppeld kunnen worden aan het neerstorten van het LAM-Mozambique toestel in Namibië op 29 november 2013 en het neerstorten van het toestel van [vliegtuigmaatschappij] op 24 maart 2015, is als functie vermeld: forensisch specialist/patholoog. In het “activeringsbericht” van 14 januari 2014 komt verdachte met [bedrijf] een vergoeding van $ 1200,- per dag overeen voor het leveren van consulting services als ‘pathologist’. Op declaraties van verdachte aan [bedrijf] , die eveneens gekoppeld kunnen worden aan voornoemde vliegrampen, staat vermeld: patholoog en forensische patholoog. Ook zijn de bedragen passend bij de eerder genoemde activeringsberichten. Door [bedrijf] zijn de door verdachte ingediende declaraties ook daadwerkelijk uitbetaald.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen in de bewijsmiddelen wordt weergegeven volgt dat verdachte [bedrijf] op basis van zijn valse hoedanigheid, die eruit bestond dat hij zich voordeed als forensisch patholoog met veel werkervaring en tal van opleidingen, wel degelijk heeft bewogen om hem werkzaamheden te laten verrichten als ‘team member’ met specialisme forensisch patholoog en hem daarvoor ook heeft betaald. Dat [bedrijf] verdachte ook had aangenomen als hij geen medische graad had gehad acht de rechtbank in het licht van de gebruikte bewijsmiddelen (zoals de genoemde activeringsberichten, de declaraties en de uitbetaalde bedragen) niet aannemelijk geworden.

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde dan ook bewezen, zoals dit hieronder in rubriek 5 is weergegeven.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 17 november 2014 tot en met 14 april 2015 te Apeldoorn en Bennekom telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een

listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, de Politieacademie heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 4.353,- euro, en een

computeraccount en een toegangspas en een laptop, hebbende verdachte telkens

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-zich voorgedaan als ware hij een (forensisch) arts door het overleggen van

een valselijk opgemaakt diploma van de Universiteit van Amsterdam en

-terwijl verdachte daartoe niet bevoegd en bekwaam was meermalen,

opgetreden als gastdocent en examinator en auteur van het voorstel van een professionaliseringsprogramma van het onderwijs voor de Politieacademie en

-zich bij brieven en geheimhoudersverklaring en facturen en

e-mail voorgedaan als (GGD) forensisch arts en/of docent en/of

DVI Forensic Pathologist en/of Senior Incident Director, waardoor de Politieacademie telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.

2.

in de periode van 03 september 2013 tot en met 28 mei 2015 te Bennekom een diploma van de Universiteit van Amsterdam (Bachelor in de Geneeskunde),

zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid op dat document, vermeld en/of weergegeven en/of gebruik

gemaakt van onder meer,

-zijn persoonsgegevens, te weten zijn naam, voornaam, geboortedatum en

geboorteplaats, welke niet voorkomt in de studentenadministratie en zijn

handtekening gedateerd op 29 juni 1987 en

-een academic degree of Bachelor in de Geneeskunde en

-het logo van de Universiteit van Amsterdam en

-een handtekening van de rector,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken.

3 primair.

op tijdstippen in de periode van 01 december 2014 tot en met 31 maart 2015 te Arnhem en Bennekom telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, GGD Gelderland-Midden heeft bewogen tot de afgifte van een telefoon en tablet en een toegangspas, hebbende verdachte telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-zich bij brieven en oproepovereenkomst en aanstellingsformulier en sollicitatiebrief en in persoon voorgedaan als forensisch arts/patholoog en waardoor GGD Gelderland-Midden telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

4.

op tijdstippen in de periode van 1 november 2013 tot en met 19 augustus 2015 te Bennekom en in de Verenigde Staten en in Namibië en in Frankrijk en

en het Verenigd Koninkrijk telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid het bedrijf [bedrijf] ertoe heeft bewogen verdachte in dienst van [bedrijf] werkzaamheden te

laten verrichten als 'team member' met specialisme forensisch patholoog (in

het kader van de repatriëring van slachtoffers van neergestorte vliegtuigen

op het grondgebied van Namibië en Frankrijk) en tot het verstrekken

van een vergoeding voor die genoemde werkzaamheden, hebbende verdachte telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-terwijl verdachte geen arts is en niet staat ingeschreven in het

BIG-register bij het bedrijf [bedrijf] gesolliciteerd op

-op het sollicitatieformulier aangegeven dat hij de graad bachelor in de

medische geneeskunde heeft gehaald aan de Universiteit van Amsterdam en dat

hij werkzaamheden heeft verricht als medisch forensisch specialist en

patholoog anatoom voor de Nederlandse overheid en

-zich bij zijn sollicitatiegesprek voorgesteld als dr. [verdachte] en zich aan collega's bij [bedrijf] en aan andere zakelijke relaties

voorgesteld als forensisch patholoog en

-tijdens zijn werkzaamheden voor [bedrijf] in Frankrijk

(in het kader van het op 24 maart 2015 in Frankrijk neergestorte vliegtuig van

[vliegtuigmaatschappij] met vluchtnummer [vluchtnummer] ) op 24 juli 2015 twee zogenoemde 'incident

situation reports' ingevuld voor [bedrijf] waarin hij,

verdachte zijn eigen rol als die van arts beschrijft en

-tijdens zijn werkzaamheden in het kader van het in Namibië op 29 november

2013 neergestorte vliegtuig met vluchtnummer [vluchtnummer] een identificatiedocument

ingevuld en/of ondertekend dat bestemd is voor artsen in het kader van het

identificatieproces, beschreven in de DVI-guide van Interpol en

triagerapporten ondertekend als forensisch patholoog en

-op tijdstippen voor zijn werkzaamheden in Frankrijk en Namibië declaraties ingediend bij [bedrijf] waarop hij zijn werkzaamheden op meerdere dagen beschreef als forensisch patholoog of

forensisch specialist met het kennelijke doel hiervoor op die betreffende dag

ook als zodanig betaald te krijgen;

waardoor [bedrijf] telkens werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte en/of bovenomschreven handeling.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 4 bewezen verklaarde levert volgens de wet telkens de volgende strafbare feiten op:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Valsheid in geschrift.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Oplichting.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te onthouden van het verrichten of doen verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis, zoals verdachte die tot het moment dat de voorlopige hechtenis is geschorst reeds heeft uitgezeten en aan het door de rechtbank te bepalen voorwaardelijke deel bijzondere voorwaarden te verbinden. Met betrekking tot de aard van de bijzondere voorwaarden en de duur van de proeftijd heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft daarnaast verzocht aan verdachte de maximale taakstraf op te leggen.

Met betrekking tot de strafmaat heeft de raadsman er op gewezen dat in strafmatigende zin rekening gehouden dient te worden met – kort gezegd – het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft, dat verdachtes lichamelijke- en geestelijke gezondheid sinds zijn aanhouding achteruit is gegaan, dat deze zaak verdachte altijd zal blijven achtervolgen en dat het voor verdachte duidelijk is dat hij van zijn passie nimmer zijn beroep zal kunnen maken.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich, terwijl hij was opgeleid als obductie-assistent, voorgedaan als forensisch arts/patholoog. Door zich aldus voor te doen heeft hij onder meer opgetreden als gastdocent en examinator bij de Politieacademie, als basisarts openbare gezondheid, profiel forensisch arts bij de GGD en hij heeft als ‘team member’ met specialisme forensisch patholoog werkzaamheden verricht in dienst van het bedrijf [bedrijf] .

Voornoemde functies verkreeg hij door mensen structureel te laten geloven dat hij forensisch arts/patholoog was. Naar eigen zeggen deed verdachte zich al vanaf 2013 voor als forensisch arts. Verdachte deed er alles aan om de positie als forensisch arts/patholoog te verwerven en te waarborgen. Zo legde hij onder meer een curriculum vitae over met grotendeels verzonnen werkervaring en opleidingen, voerde hij in strijd met de waarheid de artsentitel en had hij zelfs op de website van [bedrijf] de bijnaam: “dr. [bijnaam] ”.

In het geval naar zijn BIG-registratie of zijn diploma’s werd gevraagd deed verdachte alsof zijn BIG-registratie administratief nog niet rond was en vertelde hij dat hij zijn diploma’s en opleidingen veelal in het buitenland had behaald. Op het moment dat hem door de Politieacademie herhaaldelijk werd gevraagd om zijn diploma’s te overleggen en hij niet meer weg kwam met zijn verzonnen verhalen heeft verdachte een diploma van de Universiteit van Amsterdam valselijk opgemaakt en deze overgelegd.

Met zijn oplichtingspraktijken heeft verdachte de Politieacademie en [bedrijf] bewogen om hem onder meer vergoedingen/salaris behorende bij de functie van forensisch arts/patholoog te verstrekken. In het geval van de GGD is het niet tot betaling van salaris gekomen, maar heeft hij wel diverse bij de functie behorende goederen ontvangen.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte niet alleen de genoemde instellingen/bedrijven heeft opgelicht met het doel om geld/goederen en een functie te bemachtigen, maar dat hij ook daadwerkelijk als forensisch arts/patholoog aan het werk is gegaan. Zo is verdachte door [bedrijf] uitgezonden geweest naar zogenaamde crashsites in Frankrijk en Namibië en heeft hij er aldaar niet voor teruggedeinsd om werkzaamheden te verrichten die bij uitstek zijn voorbehouden aan forensisch artsen/pathologen. Het bedrog van verdachte is uiteindelijk onder meer aan het licht gekomen toen bij de GGD bleek dat hij over onvoldoende kunde beschikte om de bloeddruk bij een patiënt te meten.

De rechtbank vindt het handelen van verdachte buitengewoon kwalijk en laakbaar. De handelingen en gedragingen die behoren bij de functie van forensisch arts/patholoog zijn immers voorbehouden aan speciaal voor die functies opgeleide medisch specialisten. Mensen moeten er op kunnen vertrouwen dat zij worden geholpen en voorgelicht door personen met kennis, kunde en de juiste bevoegdheid. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het in hem gestelde vertrouwen op ernstige wijze heeft beschaamd en dat hij ten tijde van de bewezen verklaarde feiten bij de gevolgen van zijn handelen kennelijk niet stil heeft gestaan. Verdachte heeft zich telkens laten leiden door zijn zucht naar geldelijk gewin en het verkrijgen van aanzien. In strafverzwarende zin zal de rechtbank er verder rekening mee houden dat verdachte geen volledige openheid van zaken heeft gegeven en hij niet heeft aangetoond het laakbare van zijn handelen in te zien.

De persoon van verdachte

Uit het de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van 5 februari 2019 is gebleken dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Het strafblad van verdachte zal dan ook niet in het voor- of nadeel van verdachte worden meegewogen.

Naar de persoon van verdachte hebben drs. M.R. Weeda, psychiater, drs. B van Giessen, klinisch psycholoog en J. Boenink, forensisch milieuonderzoeker, onderzoek verricht. Uit hun eerste triple rapportage van 29 februari 2016 is gebleken dat het onderzoek naar de persoon van verdachte niet kon niet worden afgerond omdat bij verdachte een Barret oesophagus (slokdarmaandoening) werd vast gesteld. In de tweede triple rapportage van 24 oktober 2016, wat gezien moet worden als een aanvulling op het eerdere onderzoek en rapport, is beschreven dat bij verdachte weliswaar sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken, maar dat deze stoornis niet aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Door de onderzoekers wordt dan ook geadviseerd om de ten laste gelegde feiten verdachte geheel toe te rekenen. Omdat een ziekelijk stoornis of gebrekkige ontwikkeling niet kon worden vastgesteld hebben de onderzoekers geen uitspraak kunnen doen over de recidivekans op grond van de pathologie. Wel hebben zij aangegeven dat financiële problemen aanleiding zouden kunnen geven tot recidive van feiten als ten laste gelegd, maar in de visie van de onderzoekers is het niet erg reëel dat verdachte in het vakgebied van de (forensische) pathologie nog voet aan de grond krijgt. Het is wel de verwachting van de onderzoekers dat verdachte zijn neiging tot verfraaiing en verdraaiing van de werkelijkheid niet direct kwijt is en in dat opzicht blijft een risico op herhaling bestaan. Nu er volgens de onderzoekers geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kunnen zij geen behandeladvies binnen een strafrechtelijk kader geven.

De rechtbank neemt het advies en de conclusies van voornoemde gedragsdeskundigen over en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat zij de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten volledig toerekeningsvatbaar acht.

Namens Reclassering Nederland heeft dhr. J.A.H. van der Brug een rapport over verdachte uitgebracht. In dit rapport van 12 maart 2019 is beschreven dat de reclassering voor zichzelf geen rol ziet weggelegd in het kader van een voorwaardelijke veroordeling. In dat verband heeft de reclassering er onder meer op gewezen dat het lopende reclasseringstoezicht geen meerwaarde heeft gehad. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag.

De op te leggen straf

De rechtbank is – rekening houdend met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor min of meer soortgelijke feiten worden opgelegd – van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse gevangenisstraf. Teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen zal een deel hiervan voorwaardelijk worden opgelegd. Aan dit voorwaardelijk deel zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde voorwaarde verbinden en zal overeenkomstig de vordering van de officier van justitie een proeftijd van 5 jaren worden verbonden. Hoewel de op te leggen straf aanzienlijk lager is dan de door de officier van justitie gevorderde straf is de rechtbank van oordeel dat hiermee de ernst van de feiten voldoende tot uitdrukking komt.

In hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andere strafmodaliteit of een andersluidend oordeel te komen.

Tot slot zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafvervolging op grond van artikel 6 EVRM tot een berechting moet komen. Verdachte is op 19 augustus 2015 in verzekering gesteld. Daaraan heeft hij in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Gelet op de datum van het wijzen van dit vonnis wordt de redelijke termijn van 2 jaren met bijna 20 maanden overschreden, terwijl deze overschrijding verdachte niet kan worden verweten.

Indien voornoemde termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren hebben opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren passend en geboden.

De voorlopige hechtenis

Bij de beoordeling of het afgegeven bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis in dit geval moet worden opgeheven, dient de rechtbank de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de veroordeelde af te wegen en na te gaan of deze opheffing geboden is. In dit geval wegen voor de rechtbank de strafvorderlijke belangen dat de voorlopige hechtenis weer komt te herleven zwaarder dan de persoonlijke belangen van de verdachte, met name gelet op de ernst van het bewezen verklaarde – zoals dit hiervoor is weergegeven – en de gevangenisstraf waartoe dit heeft geleid.

Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. De detentie van verdachte herleeft nu dus weer.

9 BESLAG

De rechtbank zal de in beslag genomen dokterskoffer en doktershamer verbeurd verklaren

omdat met betrekking tot deze voorwerpen de onder 1, 3 primair en 4 bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen liniaal.

10 BENADEELDE PARTIJ DE POLITIEACADEMIE

De Politieacademie heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en een bedrag van € 4.353,-- gevorderd. Dit bedrag bestaat geheel uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade betreft.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte het gevorderde bedrag heeft verdiend met door hem – tot ieders tevredenheid – verrichte werkzaamheden voor de Politieacademie. De raadsman heeft daarom verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de Politieacademie onvoldoende maatregelen heeft ondernomen om de schade te beperken. Zo is er geen betrouwbaarheidsonderzoek naar verdachte verricht en is hij onvoldoende doorgelicht. Om die reden heeft de raadsman verzocht het gevorderde bedrag te matigen.

In geval van (deels) toewijzing van de vordering heeft de raadsman verzocht de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de Politieacademie

als gevolg van het door verdachte onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Zonder de door verdachte gepleegde oplichting had de Politieacademie verdachte immers nimmer werkzaamheden laten verrichten. De door de Politieacademie gevorderde schade is voldoende onderbouwd en vloeit rechtstreeks voort uit het onder 1 bewezen verklaarde.

De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 4.353,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2015 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen en overweegt daaromtrent als volgt. De schadevergoedingsmaatregel is een zelfstandige maatregel die beoogt een door een strafbaar feit benadeelde te versterken in haar positie tot herstel van de rechtmatige toestand. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag de benadeelde de inspanningen om dat herstel te bereiken zo veel mogelijk uit handen te nemen. Die inspanningen worden door het opleggen van de maatregel in handen gelegd van het openbaar ministerie (de Staat). Nu de benadeelde in de onderhavige zaak een overheidsinstelling betreft, verhoudt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zich niet met het voormeld doel van die maatregel. Om die reden zal in dit geval de schadevergoedingsmaatregel niet aan verdachte worden opgelegd.

11 BENADEELDE PARTIJ MW. [benadeelde 1] EN DHR. [benadeelde 2]

Mevrouw [benadeelde 1] en de heer [benadeelde 2] , zijnde nabestaanden van

[C] , hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en een bedrag van

€ 1.500,-- gevorderd. Dit bedrag bestaat geheel uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde feit.

11.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade betreft.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op het gevoerde pleidooi tot vrijspraak van de onderdelen die zien op [C] , op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren nu verdachte voor zover het onder 4 ten laste gelegde betrekking heeft op de onderdelen die zien op [C] zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2, 3 primair of 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 5 jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende proeftijd:

zich dient te onthouden van het verrichten of doen verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

* een dokterskoffer, met inhoud;

* een doktershamer;

- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp:

* een liniaal;

Benadeelde partij Politieacademie

- wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de Politieacademie ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.353-- (zegge: drieënveertighonderddrieënvijftig euro), geheel bestaande uit materiële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de Politieacademie van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2015 tot de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

  • -

    verklaart [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. E.W.A. Vonk en

C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 april 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

17 november 2014 tot en met 28 mei 2015 te Apeldoorn en/of Bennekom

en/althans (elders) in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of

(een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen

van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [A]

en/of de Politieacademie heeft bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag van 4.353,- euro, althans een geldbedrag en/of een of meer

(computer)account(s) en/of een toegangspas en/of een laptop, in elk geval van

enig goed en/of enige dienst, hebbende verdachte (telkens) met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-zich voorgedaan als ware hij een (forensisch) arts (door het overleggen van

een vervalst/valselijk opgemaakt diploma van de Universiteit van Amsterdam)

en/of

-(terwijl verdachte daartoe niet bevoegd en/of bekwaam was) meermalen,

althans eenmaal opgetreden als gastdocent en/of examinator en/of schouwarts

en/of auteur van (het voorstel van) een professionaliseringsprogramma van het

onderwijs voor de Politieacademie en/of

-zich bij brie(f)ven en/of geheimhoudersverklaring en/of factu(u)r(en)) en/of

e-mail(s) voorgedaan/uitgegeven als (GGD) forensisch arts en/of docent en/of

DVI Forensic Pathologist en/of Senior Incident Director,

waardoor die [A] en/of de Politieacademie (telkens) werd(en) bewogen tot

bovenomschreven afgifte

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 september

2013 tot en met 28 mei 2015 te Bennekom en/althans (elders) in Nederland een

diploma van de Universiteit van Amsterdam (Bachelor in de Geneeskunde),

zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk en/of in strijd met de waarheid op dat

diploma, althans op dat document, vermeld en/of weergegeven en/of gebruikt

gemaakt van (onder meer),

-zijn persoonsgegeven (te weten zijn naam, voornaam, geboortedatum en

geboorteplaats), welke niet voorkomt in de studentenadministratie en/of zijn

handtekening gedateerd op 29 juni 1987 en/of

-een academic degree of Bachelor in de Geneeskunde en/of

-het logo van de Universiteit van Amsterdam en/of

-een handtekening van de rector,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

hij op één of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 december 2014 tot en met 31 maart 2015 te Arnhem en/of Bennekom en/althans

(elders) in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam

en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen

en/of door een samenweefsel van verdichtsels, GGD Gelderland-Midden en/of

[B] heeft bewogen tot de afgifte van een telefoon en/of tablet en/of

een toegangspas, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte (telkens) met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-zich bij brie(f)ven en/of oproepovereenkomst en/of aanstellingsformulier

en/of sollicitatiebrief en/of in persoon heeft voorgedaan/uitgegeven als

forensisch arts/patholoog en/of

-een referentie van Republic of Namibia overlegd waarop staat dat hij,

verdachte als forensisch patholoog heeft gewerkt bij een vliegtuigcrash in

Namibië en/of

-de voor artsen geldende eed afgelegd (terwijl hij niet staat ingeschreven in

het BIG-registrer)

waardoor GGD Gelderland-Midden en/of [B] (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op één of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 december 2014 tot en met 31 maart 2015 te Arnhem en/of Bennekom en/althans

(elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van

een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door

een samenweefsel van verdichtsels, GGD Gelderland-Midden en/of [B] te

bewegen tot de afgifte van een salaris en/of geldbedragen voor zijn

verdiensten, in elk geval enig geldbedrag en/of goed, (telkens) met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-zich bij brie(f)ven en/of oproepovereenkomst en/of aanstellingsformulier

en/of sollicitatiebrief en/of in persoon voorgedaan/uitgegeven als forensisch

arts/patholoog en/of

-een referentie van Republic of Namibia overlegd waarop staat dat hij,

verdachte als forensisch patholoog heeft gewerkt bij een vliegtuigcrash in

Namibië en/of

-de voor artsen geldende eed afgelegd (terwijl hij niet staat ingeschreven in

het BIG-register)

- ( op deze wijze) getracht een functie te verkrijgen als forensisch arts bij

de GGD Gelderland-Midden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 november 2013 tot en met 19 augustus 2015 te Bennekom en/althans (elders)

in Nederland en/of in de Verenigde Staten (Houston) en/of in Namibië en/of in

Frankrijk (Marseille en/of Lyon en/of Parijs en/of Prats Haute Bleone) en/of

en het Verenigd Koninkrijk (Liverpool) (telkens) met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het

aannemen van een valse hoedanigheid (medewerkers en/of de algemeen

directeur/mede-eigenaar [D] van) het bedrijf [bedrijf]

ertoe heeft bewogen verdachte in dienst van (althans door

tussenkomst van) [bedrijf] werkzaamheden te

laten verrichten als 'team member' met specialisme forensisch patholoog (in

het kader van de repatriëring van slachtoffers van neergestorte vliegtuigen

op het grondgebied van Namibië en/of Frankrijk) en/of tot het verstrekken

van een (hogere) vergoeding voor die genoemde werkzaamheden (met een totaal

bedrag van € 126.631,98 ), in elk geval tot het verstrekken van enig goed en/of

geldbedrag en/of dienst, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid

-(terwijl verdachte geen arts is en/of niet staat ingeschreven in het

BIG-register) bij het bedrijf [bedrijf] gesolliciteerd op

-op het sollicitatieformulier aangegeven dat hij de graad bachelor in de

medische geneeskunde heeft gehaald aan de Universiteit van Amsterdam en/of dat

hij werkzaamheden heeft verricht als medisch forensisch specialist en/of

patholoog anatoom voor de Nederlandse overheid en/of

-zich bij zijn sollicitatiegesprek voorgesteld als dr. [verdachte] en/of zich

(telkens) aan collega's bij [bedrijf] (waaronder

[E] ) en/of aan andere zakelijke relaties (zoals [F] )

voorgesteld als (forensisch) patholoog en/of

-tijdens zijn werkzaamheden voor [bedrijf] in Frankrijk

(in het kader van het op 24 maart 2015 in Frankrijk neergestorte vliegtuig van

[vliegtuigmaatschappij] met vluchtnummer [vluchtnummer] ) op 24 juli 2015 twee zogenoemde 'incident

situation reports' ingevuld voor [bedrijf] waarin hij,

verdachte zijn eigen rol als die van arts beschrijft en/of

-tijdens zijn werkzaamheden voor [bedrijf] (steeds)

opgetreden als ware hij (forensisch) patholoog in zijn contacten met [benadeelde 1]

en/of [benadeelde 2] en/of de overige nabestaanden van [C] ,

zijnde het enige Nederlandse slachtoffer in het voornoemde [vliegtuigmaatschappij]

-vliegtuig

-zich tijdens zijn werkzaamheden voor [bedrijf] International zich als

(forensisch patholoog gepresenteerd door aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]

brieven te sturen ondertekend met dr. [verdachte] en/of aan [benadeelde 1]

en/of [benadeelde 2] aan te geven dat hij de tweede identificatie van [C]

had gedaan en dat de eerste identificatie fout was gegaan

en/of

-(tijdens zijn werkzaamheden in het kader van het in Namibië op 29 november

2013 neergestorte vliegtuig met vluchtnummer [vluchtnummer] ) een identificatiedocument

ingevuld en/of ondertekend dat bestemd is voor artsen in het kader van het

identificatieproces, beschreven in de DVI-guide van Interpol en/of

triagerapporten ondertekend als forensisch patholoog en/of

-(op verschillende tijdstippen) voor zijn werkzaamheden in Frankrijk en

Namibië declaraties, althans zogenoemde 'letters of activation', ingediend bij

[bedrijf] waarop hij zijn (per dag in te vullen)

werkzaamheden op meerdere dagen beschreef als forensisch patholoog of

forensisch specialist (met het kennelijke doel hiervoor op die betreffende dag

ook als zodanig betaald te krijgen);

waardoor [bedrijf] (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte en/of bovenomschreven handeling;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht