Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1346

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3738
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Huurtoeslag, naar zijn aard van korte duur, proefwonen

Wetsartikelen: art. 1,aanhef en onder c van de Wht, 7:232 BW

Samenvatting:

Eiseres huurt een woning via De Tussenvoorziening. Deze organisatie heeft zich ten doel gesteld het tijdelijk begeleide huisvesting bieden aan personen die zonder begeleiding niet in staat zijn zelfstandig een thuissituatie te creëren, bijv. ex-daklozen. De vraag is of de overeenkomst tussen eiseres en de Tussenvoorziening “naar zijn aard slechts van korte duur” is. Deze vraag kan niet worden beantwoord aan de hand van alleen een taalkundige uitleg van de overeenkomst maar hierbij komt ook betekenis toe aan andere relevante omstandigheden, zoals de context van de desbetreffende bepaling en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg. Uit de overeenkomst kan niet worden afgeleid dat eiseres en De Tussenvoorziening hebben bedoeld een overeenkomst naar zijn aard van korte duur af te spreken. De overeenkomst is in beginsel aangegaan voor 18 maanden. Dit is tijdelijk, maar dat is niet hetzelfde als van korte duur. De enkele omstandigheid dat eiseres begeleiding krijgt of dat sprake is van ‘proefwonen’, betekent niet dat sprake is van een overeenkomst die naar zijn aard van korte duur is. Uit de overeenkomst kan worden afgeleid dat de begeleiding gericht is op maatschappelijk herstel van de cliënten, bewustmaking van verantwoordelijkheden, ontwikkeling van zelfredzaamheid en het aanleren van bepaalde (sociale) vaardigheden. Gelet op de doelgroep van De Tussenvoorziening en de aard en inhoud van de begeleiding, is niet onaannemelijk dat met het leerproces van de cliënten aanzienlijke tijd gemoeid kan zijn. Dit duidt er dus ook niet op dat het de bedoeling is geweest een overeenkomst aan te gaan die naar zijn aard van korte duur is. Mede gelet op de doelstelling van de huurtoeslag acht de rechtbank niet aannemelijk dat de wetgever heeft beoogd de doelgroep waartoe (ook) eiseres behoort, uit te sluiten van huurtoeslag. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3738

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: voorheen mr. E.R. Jonkman, thans mr. B.J.M. de Leest),

en

Belastingdienst/Toeslagen, [vestigingsplaats] , verweerder

(gemachtigde: I.M. Genee).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag huurtoeslag over 2018 van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 27 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres huurt met ingang van 11 april 2018 via [naam] een woning aan het [adres] (de woning). [naam] is een organisatie die zich ten doel heeft gesteld het tijdelijk begeleide huisvesting bieden aan personen die zonder begeleiding (nog) niet in staat zijn zelfstandig een thuissituatie te creëren en in stand te houden, bijvoorbeeld ex-daklozen. [naam] huurt woningen via verschillende woningcorporaties en stelt deze ter beschikking aan door [naam] te begeleiden personen (de cliënten) voor de duur van de begeleiding. De begeleiding is er – onder meer – op gericht de cliënten ‘woonvaardigheden’ aan te leren. Eiseres betaalt aan [naam] een vergoeding voor de woning van € 496,57 per maand (exclusief elektra, inclusief warmte). Eiseres heeft met ingang van 11 april 2018 huurtoeslag aangevraagd.

Eiseres en [naam] hebben een woonovereenkomst en een overeenkomst begeleid wonen gesloten. In de overeenkomst begeleid wonen (de overeenkomst) is de volgende bepaling opgenomen:

“Artikel 24

  1. (…)

  2. (…)

  3. Indien en voor zover de rechter later zou oordelen dat ondanks het in deze overeenkomst bepaalde het huurelement overheerst, zijn partijen het erover eens dat in dat geval sprake is van een gebruik van woonruimte dat naar zijn aard slechts van korte duur is en aldus valt onder de uitzondering van artikel 7:232 lid 2 Burgerlijk Wetboek.”

2. Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van de aanvraag huurtoeslag. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de overeenkomst een gebruik van de woning betreft die naar zijn aard slechts van korte duur is. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat in de overeenkomst een duidelijke koppeling is gemaakt tussen het gebruik van de woning en de begeleiding die eiseres krijgt. Er is daarom sprake van ‘proefwonen’. Mensen die ‘proefwonen’ hebben geen recht op huurtoeslag, zo volgt uit de antwoorden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op Kamervragen d.d. 29 mei 20181. Verweerder heeft daarnaast aangevoerd dat uit artikel 24c van de overeenkomst volgt dat eiseres en [naam] ook hebben bedoeld een gebruik dat naar zijn aard slechts van korte duur is. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hetgeen de partijen bij de overeenkomst hebben beoogd alleen kan worden afgeleid uit de tekst daarvan.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat aan de tekst van de overeenkomst geen doorslaggevende betekenis toekomt. Artikel 24c is in de overeenkomst opgenomen om te voorkomen dat cliënten van [naam] aanspraak kunnen maken op huurbescherming. [naam] en zij hebben beoogd een tijdelijke overeenkomst aan te gaan, namelijk voor de duur van de begeleiding. Dat is niet hetzelfde als ‘naar zijn aard slechts van korte duur’. Uit de omstandigheid dat eiseres begeleiding krijgt, kan niet worden afgeleid dat is beoogd een overeenkomst te sluiten die naar zijn aard slechts van korte duur is. Eiseres woont inmiddels bijna een jaar in de woning. Gemiddeld maken cliënten ongeveer 18 maanden gebruik van een woning via [naam] . Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat alleen in heel uitzonderlijke gevallen sprake is van een gebruik van een woning dat naar zijn aard slechts van korte duur is, bijvoorbeeld in geval van een vakantiewoning of een wisselwoning die voor een aantal weken wordt betrokken wanneer de eigen woning wordt gerenoveerd. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat het standpunt van verweerder met zich brengt dat een groeiend aantal bewoners van instellingen voor opvang en begeleid wonen geen huurtoeslag meer krijgt, terwijl dit al een kwetsbare groep betreft met een inkomen op of rond bijstandsniveau. Zonder huurtoeslag is woonruimte voor deze groep mensen onbetaalbaar. Dit is maatschappelijk ongewenst.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst voldoet aan de wettelijke kenmerken van een huurovereenkomst. Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt onder huurder verstaan: de persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning (…), tenzij de huurovereenkomst een gebruik van de woning betreft die naar zijn aard slechts van korte duur is. Dit is slechts in uitzonderlijke situaties het geval. Bij de uitleg van het begrip ‘huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur’ moet worden gekeken naar de aard van het gehuurde zelf, naar de aard van het gebruik en naar hetgeen partijen omtrent de duur van het gebruik voor ogen heeft gestaan, zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld2.

5.1.

In de hiervoor aangehaalde uitspraken van de ABRvS is aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad (HR) van 8 januari 19993. Hierin heeft de HR verwezen naar de parlementaire geschiedenis4 van het toenmalige artikel 7A:1623a, eerste lid BW, dat er op neer kwam dat de regels die het Burgerlijk Wetboek (BW) gaf ter bescherming van huurders van woonruimte niet golden voor de huurovereenkomst die naar zijn aard slechts van korte duur was. Dit is nu de strekking van artikel 7:232, eerste en tweede lid, van het BW. In de parlementaire geschiedenis was hierover het volgende opgemerkt:

“Een categorie die zeker behoort te worden uitgesloten, is die van vacantie- en seizoenwoningen. De omschrijving daarvan is ook al weer zeer moeilijk met enige nauwkeurigheid te geven. (…) De rechter zal van geval tot geval moeten beslissen, of een huurovereenkomst wel of niet door de art. 1623a-f B.W. wordt beheerst.”

En5:

“Het gaat hier om het gebruik dat naar zijn aard van korte duur is. Het is dus een uitzonderingsbepaling van een heel beperkte betekenis. Het beste voorbeeld is wellicht het gebruik als vakantiewoning. Een goed voorbeeld is ook het gebruik van een wisselwoning, die voor een aantal weken wordt betrokken als de eigen woning wordt gerenoveerd. Naar zijn aard is dat gebruik van beperkte duur. Het gaat dus om gevallen waarin voor iedereen duidelijk is, dat er geen sprake kan en mag zijn van een beroep op huurbescherming. De bepaling moet dan ook in onze opstelling zeer restrictief worden opgevat. Iedereen begrijpt dat het, als je een vakantiewoning huurt, onzinnig zou zijn om je na afloop van die paar weken op huurbescherming te beroepen. Het gaat trouwens ook niet om de aanduiding die je van de woning geeft, want het is best mogelijk dat een huis, dat je normaal als vakantiehuis zou typeren, permanent wordt verhuurd. Je moet het dus wel bekijken vanuit het concrete gebruik dat ervan wordt gemaakt en de daarbij passende huur.”

5.2.

In de onderhavige zaak zijn partijen het er over eens dat ‘de aard van het gehuurde’ een woonruimte betreft en dat deze ook als woning wordt gebruikt (‘aard van het gebruik’). Partijen verschillen van mening over de vraag wat eiseres en [naam] voor ogen heeft gestaan omtrent de duur van het gebruik. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze vraag niet worden beantwoord aan de hand van alleen een taalkundige uitleg van de overeenkomst, maar komt ook betekenis toe aan andere relevante omstandigheden, zoals de context van de desbetreffende bepaling en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg.

5.3.

Uit de overeenkomst blijkt dat het begeleidingstraject een essentieel onderdeel uitmaakt van de rechtsverhouding tussen [naam] en haar cliënten; het gaat er om de cliënten te leren zelfstandig te wonen. [naam] richt zich specifiek op dak- of thuislozen of mensen die een zwervend bestaan leiden en die geen acute en/of dominante psychiatrische of verslavingsproblematiek hebben. Het doel is maatschappelijk herstel van de cliënten. Het gebruik van de woonruimte is daarbij een van de middelen. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de cliënten zich bewust worden van eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. De cliënten mogen bijvoorbeeld geen overlast veroorzaken, moeten adviezen opvolgen ten aanzien van hygiëne, voeding en medische zorg, moeten open staan voor psychosociale en financiële of materiële begeleiding en hulpverlening en moeten in het algemeen de sociale vaardigheden aanleren om uiteindelijk zelfstandig te kunnen wonen. De inhoud en doelstelling van de begeleiding wordt per cliënt nader uitgewerkt in een ondersteuningsplan. De begeleiding is een voorwaarde voor het ter beschikking stellen van de woonruimte. De woning wordt beschikbaar gesteld voor de duur van de begeleidingsperiode. Dit is maximaal 18 maanden, met een mogelijkheid tot verlenging met ten hoogste 6 maanden. De cliënten moeten het Huishoudelijk Reglement, dat onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, in acht nemen en moeten zich houden aan de algemene voorwaarden voor zelfstandige woonruimte. Indien een cliënt één of meer bepalingen uit de overeenkomst overtreedt, is [naam] bevoegd de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen. De cliënten worden geacht in staat te zijn zelfstandig te wonen wanneer zij tijdens de begeleidingsperiode in staat zijn gebleken te voldoen aan de doelstellingen uit de overeenkomst en het ondersteuningsplan. Dit wordt binnen de begeleidingsperiode van – in beginsel – 18 maanden getoetst. Bij een positieve toetsing zal gedurende de laatste maanden van het traject worden bekeken of er mogelijkheden zijn voor herhuisvesting.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bepalingen in de overeenkomst niet worden afgeleid dat eiseres en [naam] hebben bedoeld een overeenkomst naar zijn aard van korte duur af te spreken. De overeenkomst is in beginsel aangegaan voor 18 maanden. Dit is tijdelijk, maar dat is niet hetzelfde als van korte duur. De overeenkomst kan weliswaar met onmiddellijke ingang worden opgezegd als eiseres zich niet aan de afspraken houdt en dit kan op zichzelf betekenen dat de overeenkomst al na korte tijd wordt beëindigd en dus van korte duur is geweest, maar uit de overeenkomst zelf volgt al dat dit een uitzondering is. Dit wordt bevestigd door de omstandigheid dat in de praktijk het gemiddelde gebruik van woonruimte via [naam] 18 maanden is. Eiseres heeft er voorts terecht op gewezen dat de enkele omstandigheid dat zij begeleiding krijgt of dat sprake is van ‘proefwonen’, niet betekent dat sprake is van een overeenkomst die naar zijn aard van korte duur is. Verweerder heeft overigens niet duidelijk kunnen maken wat precies wordt bedoeld met ‘proefwonen’. Verweerder lijkt deze term te hebben overgenomen uit de eerder genoemde antwoorden op Kamervragen, maar ook in die antwoorden wordt de term ‘proefwonen’ niet nader uitgelegd.

5.5.

Verder kan uit de overeenkomst worden afgeleid dat de begeleiding gericht is op maatschappelijk herstel van de cliënten, bewustmaking van verantwoordelijkheden, ontwikkeling van zelfredzaamheid en het aanleren van bepaalde (sociale) vaardigheden. Gelet op de doelgroep van [naam] en de aard en inhoud van de begeleiding, is niet onaannemelijk dat met het leerproces van de cliënten aanzienlijke tijd gemoeid kan zijn. Dit duidt er dus ook niet op dat het de bedoeling is geweest een overeenkomst aan te gaan die naar zijn aard van korte duur is.

5.6.

Eiseres heeft er terecht op gewezen dat de uitleg van de overeenkomst die verweerder heeft bepleit tot gevolg zou hebben dat eiseres, maar ook anderen die zich in een min of meer vergelijkbare situatie bevinden, worden uitgesloten van huurtoeslag. Blijkens de Memorie van Toelichting op de oude Huursubsidiewet (nu de Wht) is het doel van huurtoeslag: waarborgen dat huishoudens met lage inkomens goede en betaalbare woningen kunnen bewonen6. Mede gelet op deze doelstelling acht de rechtbank niet aannemelijk dat de wetgever heeft beoogd de doelgroep waartoe (ook) eiseres behoort, uit te sluiten van huurtoeslag.

5.7.

Gezien het eerste deel van artikel 24c van de overeenkomst (“Indien en voor zover de rechter later zou bepalen dat (…) het huurelement ontbreekt (…)”) en de expliciete verwijzing naar artikel 7:232, tweede lid, van het BW acht de rechtbank voorts aannemelijk dat deze bepaling uitsluitend is opgenomen om de huurbeschermingsregels uit het BW te omzeilen.

6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft dus ten onrechte de aanvraag huurtoeslag van eiseres afgewezen.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder aan eiseres het griffierecht van € 46,-vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. Seelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 TK 2018-2019, 295, p. 2 en 3.

2 Vergelijk ABRvS 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1136 en ABRvS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4027.

3 ECLI:NL:HR:1999:AA5088

4 Kamerstukken II 1969/1970, 10 451, nr 3, p. 2

5 Handelingen II 1978/1979, p. 5026

6 TK 1996-1997, 25090, nr. 3, p. 2