Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1300

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
C/16/475571 / KG ZA 19-105
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Executie. Er zijn geen dwangsommen verbeurd. Gelegde beslagen worden opgeheven. Geen grond voor schorsing van de tenuitvoerlegging. Schadevergoedingsvordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/475571 / KG ZA 19-105

Vonnis in kort geding van 27 maart 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] , Thailand,

eisers,

advocaat mr. L. Wijnbergen te Utrecht,

tegen

1. maatschap

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 5] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 6] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 7] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 8] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 9] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 10] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 11] B.V.,
voorheen handelende onder de naam [handelsnaam van gedaagde sub 11] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 12] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 13] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 14] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 15] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 16] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 17] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 18] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 19] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 20] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 21] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 22] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 23] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. R. van Biezen te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] respectievelijk [gedaagde sub 1] c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 maart 2019, met producties 1 tot en met 7

  • -

    producties 1 tot en met 15 van [gedaagde sub 1] c.s.

  • -

    productie 8 van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2]

  • -

    de mondelinge behandeling van 12 maart 2019

  • -

    de pleitnota van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] , met een productie

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] is een zogenaamde ‘dakmaatschap’ die door middel van een groep van vennootschappen een onderneming heeft gedreven op het vlak van accounting en advies (de [....groep] ). De gedaagden onder 2 tot en met 23 zijn direct of indirect maat van de [gedaagde sub 1] . [eiseres sub 1] , de zogenaamde ‘accountants-BV’ van [eiser sub 2] , was accountant en maat van de [gedaagde sub 1] .

2.2.

Op 19 augustus 2011 heeft [eiseres sub 1] een geldlening verstrekt aan [gedaagde sub 1] c.s. (hierna: de geldlening) in verband met de aflossing door [gedaagde sub 1] c.s. van een krediet bij de huisbankier van de [....groep] . In verband met de geldlening heeft [eiseres sub 1] pandrechten verkregen op vorderingen van afzonderlijke groepsvennootschappen op derden, die al waren verpand aan de huisbankier.

2.3.

In maart 2017 is [eiseres sub 1] overgegaan tot openbaarmaking van de pandrechten, doordat zij debiteuren van de [gedaagde sub 1] c.s. is gaan aanschrijven en daarbij aanspraak heeft gemaakt op directe betaling aan haar.

2.4.

[gedaagde sub 1] c.s. is naar aanleiding daarvan een kort geding gestart bij de Rechtbank Gelderland. De voorzieningenrechter van die rechtbank heeft in het vonnis van 18 mei 2017 (het “vonnis van 18 mei 2017”) onder meer bepaald:

“De voorzieningenrechter (…) verbiedt [eiseres sub 1] c.s. om op grond van de leningovereenkomst van 19 augustus 2011 pandrechten openbaar te maken aan relaties van de Maatschap c.s., waaronder begrepen maar niet beperkt tot: de klanten (debiteuren), leveranciers, banken, personeel en alle [afkorting] gelieerde personen en ondernemingen, (…)

Aan dit verbod heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland een dwangsom verbonden.

2.5.

Op 29 oktober 2018 zijn er door [eiser sub 2] brieven verstuurd aan [bedrijfsnaam 1] B.V., mevrouw [A] , [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 2] B.V. en op 2 november 2018 nogmaals aan deze vier geadresseerden en daarnaast aan [gedaagde sub 2] B.V., [bedrijfsnaam 3] B.V., [B] , [gedaagde sub 3] B.V., [C] , [bedrijfsnaam 4] B.V., [bedrijfsnaam 5] B.V., [D] , [bedrijfsnaam 6] B.V. en [E] (de “Brieven”). De Brieven hebben voor zover van belang een gelijke inhoud en vermelden onder meer:

“(…)

Openbaarmaking pandrecht [eiseres sub 1] BV

Herhaling

(…)

Bij overeenkomst d.d. 1 augustus 2012 (geregistreerd) en vervolgens een notariële akte d.d. augustus 2016 heeft [bedrijfsnaam 7] BV ons een pandrecht verleend op al haar activa, en dus ook op al haar bestaande en toekomstige vorderingen.

Dit pandrecht strekt mede tot de vordering(en) die de (voormalige [gedaagde sub 1] ) en [bedrijfsnaam 7] BV (Hierna gezamenlijk te noemen [bedrijfsnaam 7] c.s.) en op u heeft.

Bij overeenkomst d.d. januari 2002 (geregistreerd) en heeft de [gedaagde sub 1] en een groot aantal andere Schuldenaren ons een pandrecht verleend op al haar activa, en dus ook op al haar bestaande en toekomstige vorderingen.

Bij overeenkomst d.d. augustus 2011 (geregistreerd) en heeft de [gedaagde sub 1] , [bedrijfsnaam 2] BV en een groot aantal andere Schuldenaren ons een pandrecht verleend op al haar activa, en dus ook op al haar bestaande en toekomstige vorderingen.

Dit pandrecht strekt mede tot de vordering(en) die de (voormalige [gedaagde sub 1] ) en [bedrijfsnaam 7] BV (Hierna gezamenlijk te noemen [bedrijfsnaam 7] c.s.) en op u heeft.

Wij stellen u van deze verpanding op de hoogte, aangezien [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 2] BV c.s. en de overige tot deze [....] Groep behorende vennootschappen alsmede [A] en [bedrijfsnaam 1] BV alsmede de andere Schuldenaren in deze pandaktes genoemd in hun verplichtingen jegens ons tekort schieten, althans wij goede grond vrezen dat zij jegens ons tekort zal schieten.

Door de onderhavige mededeling (een mededeling ex. Artikel 3:246 BW) gaat de inningsbevoegdheid van [A] en [bedrijfsnaam 1] BV, [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 2] B.V. en andere Schuldenaren in de pandaktes genoemd (hierna gezamenlijk te noemen Debiteuren) over op ons. (…).

Hoogachtend,

1. [eiseres sub 1] BV

2. [bedrijfsnaam 7] BV (I.F.)

[eiser sub 2]

2.6.

Op 13 december 2018 heeft [gedaagde sub 1] c.s. aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] dwangsommen aangezegd ter hoogte van € 2.000.000,00. Vervolgens heeft [gedaagde sub 1] c.s. op 11 februari 2019 ten laste van zowel [eiseres sub 1] als [eiser sub 2] executoriaal derdenbeslag gelegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vorderen, samengevat, opheffing van de hiervoor genoemde beslagen, restitutie van de uit hoofde van de gelegde beslagen geïncasseerde bedragen en vergoeding van de schade die [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] als gevolg van de beslagen hebben geleden. Daarnaast vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] primair schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 mei 2017 en subsidiair een verbod tot tenuitvoerlegging van, of andere rechtsmaatregelen op grond van, dit vonnis voor zover die tenuitvoerlegging of deze rechtsmaatregelen zijn gegrond op de verzending van de brief van 29 oktober 2018, op straffe van een dwangsom. Tot slot vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de werkelijk door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gemaakte proceskosten.

3.2.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

Vooraf: zekerheidsstelling voor proceskosten; ontvankelijkheid van [eiser sub 2]

4.1.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat [eiser sub 2] niet ontvankelijk is omdat hij in Thailand, dus buiten Nederland, woont en geen zekerheid heeft gesteld voor de proceskosten. Dit gaat niet op. Alleen als [gedaagde sub 1] c.s. voor alle weren zekerheidstelling zou hebben gevorderd, zou [eiser sub 2] verplicht zijn geweest tot zekerheidstelling (artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). [gedaagde sub 1] c.s. heeft echter geen zekerheidstelling gevorderd. [eiser sub 2] is dus ontvankelijk.

Centrale vraag: hebben [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] gehandeld in strijd met het vonnis van 18 mei 2017?

4.2.

In dit kort geding staat centraal of [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] , doordat zij de Brieven hebben verzonden, in strijd hebben gehandeld met het vonnis van 18 mei 2017.

4.3.

Beantwoording van deze vraag moet plaatsvinden door middel van toetsing van de gedragingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (vgl. HR 20 mei 1994, NJ 1994, 652) Het dictum van het vonnis moet dan ook worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid (vgl. HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532).

4.4.

Ten aanzien van [eiser sub 2] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De inhoud van de Brieven biedt sterke aanwijzingen dat de Brieven door [eiser sub 2] slechts in de hoedanigheid van bestuurder of vertegenwoordiger van [eiseres sub 1] en [bedrijfsnaam 7] B.V. zijn ondertekend. Het briefhoofd van de Brieven vermeldt “ [eiseres sub 1] B.V.” Aan het slot worden “ [eiseres sub 1] BV” en “ [bedrijfsnaam 7] BV (I.F.)” vermeld, vetgedrukt en voorafgegaan door nummers. Daarna volgt, na enige witregels, niet vetgedrukt en zonder nummer, dus ter onderscheiding, “ [eiser sub 2] ”. Tegen deze achtergrond had het op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen om toe te lichten waarom het versturen van de Brieven een handelen in persoon door [eiser sub 2] oplevert. [gedaagde sub 1] c.s. heeft die toelichting niet gegeven. Naar voorlopig oordeel leveren de Brieven dus geen handelen van [eiser sub 2] in persoon op.

4.5.

Voor [eiseres sub 1] geldt het volgende. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de Brieven niet in strijd zijn met het verbod in het vonnis van 18 mei 2017, omdat zij om twee afzonderlijke redenen buiten de reikwijdte daarvan vallen.

4.6.

Om te beginnen ziet het verbod in het vonnis van 18 mei 2017 slechts op het openbaar maken van pandrechten “aan relaties van de Maatschap c.s.”. Met de aanduiding “relaties van de Maatschap c.s.” wordt in het vonnis van 18 mei 2017 klaarblijkelijk gedoeld op (rechts)personen buiten de maatschap zelf. Daarvoor zijn drie redenen.

De eerste reden is dat het bij de in het verbod genoemde voorbeelden, namelijk “klanten (debiteuren), leveranciers, banken, personeel en alle [afkorting] gelieerde personen en ondernemingen” telkens gaat om andere (rechts)personen dan (directe of indirecte) maten of vertegenwoordigers daarvan.

Verder blijkt uit rov. 2.4 dat aanleiding voor het kort geding vormde het feit dat [eiseres sub 1] brieven was gaan versturen aan “derden”. Daarmee wordt gedoeld op derden, niet zijnde leden van de [gedaagde sub 1] .

Tot slot blijkt uit andere dictumonderdelen dat de Gelderse voorzieningenrechter een onderscheid ziet tussen “relaties van de Maatschap c.s.” en (directe of indirecte) maten. Zo worden [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in 5.6 veroordeeld tot het verzenden van brieven aan “relaties”. Uit de door de Gelderse voorzieningenrechter voorgeschreven tekst van deze brieven volgt dat wordt verondersteld dat de geadresseerden van de brieven niet op de hoogte zijn van het geschil en dus ‘buitenstaanders’ zijn.

Anders dan [gedaagde sub 1] c.s. betoogt, moet voor de vraag of de geadresseerden van de Brieven “relaties van de Maatschap c.s.” zijn, niet een onderscheid worden gemaakt tussen de hoedanigheid van maat en de hoedanigheid van schuldenaar. Immers, als het verbod in het vonnis van 18 mei 2017 alle schuldenaren van de Maatschap c.s. op het oog zou hebben, dan zou de term “schuldenaren” in plaats van “relaties” voor de hand hebben gelegen.

4.7.

Tegen deze achtergrond zijn de Brieven naar voorlopig oordeel niet verstuurd aan “relaties van de Maatschap c.s.”. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben immers gesteld – en [gedaagde sub 1] c.s. heeft dat niet betwist – dat alle geadresseerden van de Brieven (vertegenwoordiger van een) direct of indirect maat van [gedaagde sub 1] zijn of waren, met uitzondering van mevrouw [A] (en “haar” vennootschap [bedrijfsnaam 1] B.V.). Ten aanzien van mevrouw [A] en [bedrijfsnaam 1] B.V. hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gesteld en heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet betwist dat zij de intentie had om toe te treden tot de maatschap en dat daarover werd onderhandeld. Mevrouw [A] en [bedrijfsnaam 1] B.V. kunnen, voor de toepassing van het vonnis van 18 mei 2017, worden gelijkgesteld met de (directe of indirecte) maten.

4.8.

Ook is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de Brieven geen pandrechten “op grond van de leningovereenkomst van 19 augustus 2011”, waartoe het verbod is beperkt, openbaar maken.

De debiteurenlijst die bij elke Brief is gevoegd is aangeduid met de woorden “overzicht openstaande facturen in debiteuren lijst Den Haag d.d. maart 2017”. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben gesteld dat daarmee werd gedoeld op vorderingen van de ontbonden maatschap [naam maatschap] . [gedaagde sub 1] c.s. heeft daar tegenin gebracht dat deze lezing niet strookt met de tekst van de Brieven, omdat daarin wordt gesproken van vorderingen van [bedrijfsnaam 7] B.V.

Wat daar ook van zij, de maatschap [naam maatschap] en [bedrijfsnaam 7] B.V. waren beide geen partij bij de geldlening van 19 augustus 2011. Er is geen aanwijzing dat één of beide een pandrecht heeft gevestigd voor de schuld uit hoofde van de geldlening. Ook om deze reden worden de Brieven naar voorlopig oordeel niet door het verbod bestreken.

4.9.

De conclusie is dat de Brieven niet hebben geleid tot het overtreden van het verbod in het vonnis van 18 mei 2017 en dus ook niet tot het verbeuren van dwangsommen door [eiseres sub 1] of [eiser sub 2] .

4.10.

De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat het betoog van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] dat met de Brieven niet de openbaarmaking van pandrechten is beoogd, volstrekt ongeloofwaardig is. De bewoordingen in de brief (de verwijzing naar de pandrechten) en de uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 3:246 BW, laten er geen twijfel over bestaan dat is bedoeld pandrechten openbaar te maken. Het is bovendien onaannemelijk dat [eiser sub 2] het openbaar maken van een pandrecht op vorderingen heeft verward met het innen van vorderingen. Dat verschil zal [eiser sub 2] als accountant hebben begrepen.

Opheffing van de beslagen en terugbetaling van het geïnde

4.11.

De beslagen die naar aanleiding van de aangezegde dwangsommen ten laste van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zijn gelegd, zullen, nu deze dwangsommen niet zijn verbeurd, worden opgeheven. Ten aanzien van [eiser sub 2] gaat het daarbij om de op 11 januari 2019 onder de Sociale Verzekeringsbank, op 8 februari 2019 onder Aegon Nederland B.V. en op 11 februari onder ABN AMRO Bank N.V. gelegde beslagen (productie 7 van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ).

[gedaagde sub 1] c.s. zal ook hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling van de uit hoofde van deze beslagen geïncasseerde bedragen. Dat er geen grond zou zijn voor een hoofdelijke veroordeling heeft [gedaagde sub 1] c.s. wel gesteld maar niet onderbouwd.

Het schorsen of verbieden van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 mei 2017

4.12.

De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 mei 2017 zal worden afgewezen. Dat geldt ook voor het subsidiair gevorderde verbod tot tenuitvoerlegging van het vonnis of het nemen van rechtsmaatregelen op grond van de verzending van de brieven. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben onvoldoende gemotiveerd waarom zij daarbij belang hebben. De voorzieningenrechter heeft immers hiervoor in 4.4 tot en met 4.9 overwogen dat de Brieven naar zijn oordeel niet in strijd waren met het vonnis van 18 mei 2017. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben niet duidelijk gemaakt waarom desondanks kan worden verwacht dat [gedaagde sub 1] c.s. het versturen van de Brieven opnieuw aan tenuitvoerleggingsdaden of andere rechtsmaatregelen ten grondslag zal leggen. Dat valt niet zonder meer te verwachten.

Voor de gevorderde schorsing geldt bovendien dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] – op andere wijzen dan door het versturen van de Brieven – wel in strijd met het vonnis van 18 mei 2017 kunnen handelen. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom het vonnis in een dergelijk geval niet ten uitvoer zou moeten kunnen worden gelegd.

De schadevordering

4.13.

De vordering tot vergoeding van de schade die [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] als gevolg van de gelegde beslagen hebben geleden zal worden afgewezen. Een dergelijke veroordeling is een verkapte verklaring voor recht en kan daarom in kort geding niet worden uitgesproken.

De proceskosten

4.14.

[gedaagde sub 1] c.s. wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld.

4.15.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het liquidatietarief. Daarvoor bestaat alleen aanleiding onder buitengewone omstandigheden. Een dergelijke omstandigheid kan onder meer zijn dat een partij een op voorhand kansloze procedure start of een op voorhand kansloos verweer voert (vgl. HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, rov. 5.3.3 en 5.3.4). Daarvan is in dit kort geding niet gebleken. Overigens blijkt uit wat hiervoor werd overwogen dat niet alle vorderingen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zullen worden toegewezen en het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. in zoverre terecht gevoerd is.

4.16.

Tegen deze achtergrond worden de proceskosten van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] begroot op:

- dagvaarding € 131,74

- griffierecht € 639,00

- salaris gemachtigde € 980,00 (1 punten x tarief € 980,00)

Totaal € 1.750,74

De informatiekosten worden toegewezen tot € 49,91 (23 x € 2,17) conform de geldende landelijk gehanteerde tarieven.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de door [gedaagde sub 1] c.s. ten laste van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] op grond van het vonnis van 18 mei 2017 gelegde beslagen, waaronder de volgende ten laste van [eiser sub 2] gelegde beslagen:

- op 11 januari 2019 onder de Sociale Verzekeringsbank,

- op 8 februari 2019 onder Aegon Nederland B.V.,

- op 11 februari 2019 onder ABN AMRO Bank N.V.;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk:

- tot betaling aan [eiseres sub 1] van een bedrag gelijk aan de som van de bedragen die uit hoofde van de ten laste van [eiseres sub 1] gelegde beslagen zijn geïncasseerd,

- tot betaling aan [eiser sub 2] van een bedrag gelijk aan de som van de bedragen die uit hoofde van de ten laste van [eiser sub 2] gelegde beslagen zijn geïncasseerd;

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tot op heden begroot op € 1.750,74;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.1

1 type: RB (5128) coll: