Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1288

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
705723-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming van opbrengst overvallen; vordering ontneming toewijzen, 36e

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/705723-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2019

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (Zuid-Afrika),

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

hierna te noemen: [veroordeelde] .

De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden op de met gesloten deuren gehouden terechtzitting van 23 januari 2019, waarbij zijn gehoord:

  • -

    mr. T. Tanghe, officier van justitie,

  • -

    mr. J.A. Neslo, advocaat te Almere, raadsvrouw van [veroordeelde] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:

  • -

    de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van 19 december 2018;

  • -

    het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 juli 2018, opgemaakt door [brigadier 1] , brigadier, medewerker […] van de Eenheid Midden-Nederland;

  • -

    het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 1 augustus 2017 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/705723-17;

  • -

    de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 16/705723-17.

OVERWEGINGEN

Bij vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2017 is [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak veroordeeld ter zake:

feit 1:

afpersing;

feit 2:

diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken

en

afpersing;

feit 3:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

en

afpersing.

De officier van justitie heeft bij vordering van 19 december 2018 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, welk voordeel wordt geschat op
€ 1.044,--. Ter terechtzitting van 23 januari 2019 heeft de officier van justitie voornoemd bedrag aangepast en gevorderd dat het voordeel wordt geschat op € 1.014,-- en voorts dat de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel.

[veroordeelde] heeft erkend uit de feiten waarvoor hij bij het even vermelde vonnis is veroordeeld wederrechtelijk voordeel te hebben genoten en hij heeft zich bereid verklaard dat voordeel terug te betalen. De raadsvrouw heeft verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 1.014,-- en heeft aangegeven dat verdachte bereid is dit te betalen. Zij heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het bedrag waartoe verdachte zal worden verplicht de Staat te betalen.

Dat [veroordeelde] op 7 februari 2017 te [plaatsnaam 1] , 3 maart 2017 te [plaatsnaam 2] en 10 maart 2017 te [plaatsnaam 3] verschillende overvallen heeft gepleegd, blijkt uit de in het vonnis van 1 augustus 2017 opgenomen bewezenverklaring van deze feiten en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen. Gelet op de inhoud van het vonnis en hetgeen ter terechtzitting van
23 januari 2019 naar voren is gebracht, is voldoende aannemelijk geworden dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van en/of uit de baten van de overvallen ter zake waarvan hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld.

[veroordeelde] heeft ter terechtzitting verklaard dat de opbrengsten van de laatste twee overvallen respectievelijk bedroegen € 465,-- en € 150,--.1 Ten aanzien van de opbrengst van de eerste overval heeft [veroordeelde] op 22 mei 2017 bij de politie verklaard dat deze € 629,35 betrof.2 Aangeefster [aangeefster] heeft blijkens het van de door haar gedane aangifte opgemaakte proces-verbaal verklaard dat € 629,-- is weggenomen.3

[veroordeelde] heeft bij de politie verklaard dat hij naast geld ook rond de 100 pakjes sigaretten heeft weggenomen, welke hij vervolgens voor € 4,-- per pakje heeft verkocht.4

De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van verdachte en gaat daarom bij haar schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van deze verklaring.

Gelet op het hiervoor overwogene stelt de rechtbank het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, als volgt vast:

Opbrengst eerste overval: € 629,35

Opbrengst tweede overval: € 465,--

Opbrengst derde overval: € 150,--

100 pakjes sigaretten à € 4,--: € 400,--

Totale opbrengst: € 1.644,35

De rechtbank zal van dit bedrag het bij vonnis van 1 augustus 2017 aan de benadeelde partij [naam onderneming] toegewezen bedrag van € 630,-- ter vergoeding van materiële schade, aftrekken.

De rechtbank stelt aldus het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.014,35.

De rechtbank zal aan [veroordeelde] de verplichting opleggen om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag gelijk aan de vordering van de officier van justitie van € 1.014,-- te voldoen.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op
€ 1.014,35;

- legt aan [veroordeelde] de verplichting op om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 1.014,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mrs. N.V.M. Gehlen en

M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A.L. van Dreumel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 februari 2019.

1 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer op 23 januari 2019.

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte [veroordeelde] , nummer 121, opgemaakt door [hoofdagent 1] , hoofdagent, Medewerker […] en [brigadier 2] , brigadier, Medewerker [......] , beiden werkzaam bij de Eenheid Midden-Nederland, 22 mei 2017, p. 6.

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0900-2017040151-2, opgemaakt door [hoofdagent 2] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland op 8 februari 2017, blad 1.

4 Proces-verbaal benoemd in noot 2, p. 10 en 12.