Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1278

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
NL18.4328
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Lening onder valse voorwendselen. Oplichting. Schadevergoeding,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.4328

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,

hierna te noemen: [achternaam van eiser] ,
advocaat mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden,

tegen

[bewindvoerder] , handelend onder de naam [handelsnaam],

hierna ook te noemen: de bewindvoerder,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[onderbewindgestelde],
wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [onderbewindgestelde] ,

verweerster,
advocaat mr. M. Heikens te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Hoe de procedure is gegaan blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de procesinleiding met bewijsstukken, van 2 maart 2018

  • -

    het verweerschrift met bewijsstukken, van 26 april 2018

  • -

    het door [achternaam van eiser] op 25 januari 2019 ingediende bewijsstuk

  • -

    de akte van [achternaam van eiser] van 28 januari 2019 (met een vermindering van de eis)

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 30 januari 2019.

1.2.

Daarna heeft de rechtbank beslist dat een vonnis uitgesproken zal worden.

1.3.

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juni 2018 zijn de goederen van [onderbewindgestelde] onder bewind gesteld. Daardoor moet [onderbewindgestelde] in deze procedure door de bewindvoerder worden vertegenwoordigd. De bewindvoerder is na de mondelinge behandeling opgeroepen om als zodanig partij te worden in deze procedure. Mr. Heikens heeft vervolgens een e-mail van de bewindvoerder aan de rechtbank verstrekt waaruit volgt dat het verweer van [onderbewindgestelde] – gevoerd in het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling – geacht kan worden mede namens haar te zijn gedaan. Dit heeft tot gevolg dat de advocaat van [onderbewindgestelde] met terugwerkende kracht als advocaat van de bewindvoerder is opgetreden, zodat dit vonnis zonder aanvullende proceshandelingen kan worden gewezen.

2 De beoordeling

Wat is er gebeurd?

2.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. [achternaam van eiser] heeft tussen 24 juli 2017 en 17 oktober 2017 meerderde keren geld overgemaakt naar een bankrekening van [onderbewindgestelde] . In totaal gaat het om € 36.415,17.

  2. [achternaam van eiser] zegt dat hij het geld heeft overgemaakt omdat [onderbewindgestelde] daar om vroeg via WhatsApp en omdat ze zei dat ze het terug zou betalen ( [achternaam van eiser] heeft screenshots van whatsappberichten overgelegd). Op 15 november 2017 heeft de advocaat van [achternaam van eiser] [onderbewindgestelde] gevraagd het geld terug te betalen. [onderbewindgestelde] heeft dit tot vandaag nog niet gedaan.

  3. [achternaam van eiser] wil dat [onderbewindgestelde] het geld terugbetaalt om een van de volgende redenen.

i. Er is sprake van een lening en [achternaam van eiser] heeft haar gevraagd om terugbetaling (nakoming van de leningsovereenkomst).

ii. [achternaam van eiser] is opgelicht door [onderbewindgestelde] of door andere personen die [onderbewindgestelde] goed kennen. Als het anderen waren dan heeft [onderbewindgestelde] hen die gelegenheid gegeven. In dat geval heeft [achternaam van eiser] het geld zonder juridisch geldige reden overgemaakt (onverschuldigd betaling). [onderbewindgestelde] moet dan ook het geld terugbetalen want het is nog steeds van [achternaam van eiser] .

Er moet nog € 36.215,17 worden terugbetaald (er is namelijk één keer € 200,-- overgemaakt van de bankrekening van [onderbewindgestelde] naar de bankrekening van [achternaam van eiser] ). [achternaam van eiser] wil ook dat [onderbewindgestelde] de kosten betaalt die hij heeft gemaakt omdat hij een advocaat moest inschakelen om zijn geld terug te krijgen (buitengerechtelijke incassokosten). Verder wil [achternaam van eiser] dat [onderbewindgestelde] de kosten betaalt voor het beslag dat [achternaam van eiser] heeft gelegd op haar bankrekening, en dat zij zijn kosten voor deze procedure betaalt.

[onderbewindgestelde] zegt dat het klopt dat [achternaam van eiser] in totaal een bedrag van € 36.215,17 naar haar bankrekening heeft overgemaakt. Maar zij vindt dat ze het geld niet hoeft terug te betalen om de volgende redenen.

i. [achternaam van eiser] heeft al het geld al terug want hij heeft dat zelf van haar rekening gehaald.

ii. [onderbewindgestelde] is zelf het slachtoffer van fraude. Ze is door haar moeder en stiefvader gebruikt om [achternaam van eiser] op te lichten. Ze wist niet dat het geld op haar rekening stond. Haar moeder en stiefvader hebben via Whatsapp gedaan alsof ze [onderbewindgestelde] waren en hebben daarna het geld van de rekening van [onderbewindgestelde] gehaald met haar pas.

Moet [onderbewindgestelde] het door [achternaam van eiser] overgemaakte geld terugbetalen?

2.2.

De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat [onderbewindgestelde] het geld aan [achternaam van eiser] moet terugbetalen. Hieronder zal worden uitgelegd waarom.

2.3.

Omdat [onderbewindgestelde] zegt dat [achternaam van eiser] het geld van haar rekening heeft gehaald, had zij dit moeten aantonen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarom gaat de rechtbank er vanuit dat [achternaam van eiser] dit niet gedaan heeft. [onderbewindgestelde] onderbouwt haar verhaal namelijk alleen met screenshots van een gesprek op Facebook Messenger tussen haar en iemand met de naam ‘ [naam] ’ (met daarbij een foto van [achternaam van eiser] ). Maar dit is niet genoeg om aan te tonen dat [achternaam van eiser] het geld van haar rekening heeft gehaald. Los van de vraag of de persoon die berichten stuurt met de naam [naam] ook echt [achternaam van eiser] is (hij zegt namelijk dat hij geen Facebook heeft en dat hij die berichten niet heeft verstuurd) wijzen de volgende omstandigheden erop dat [achternaam van eiser] niet degene kan zijn geweest die het geld van haar rekening heeft gehaald.

  1. De persoon met de naam [naam] schrijft in het gesprek op Facebook Messenger dat hij haar bankpas en identiteitskaart heeft (die volgens haar medio februari 2017 gestolen zijn). Maar uit een bericht van ING van 14 februari 2017 blijkt dat de gestolen bankpas is geblokkeerd. [achternaam van eiser] kan dus niet met die pas hebben gepind.

  2. Verder is in de bankafschriften van [onderbewindgestelde] te zien dat in de periode 24 juli 2017 tot en met 17 oktober 2017 maar één bankpas werd gebruikt voor het pinnen bij geldautomaten en voor de betalingen in de winkels. Dat is de bankpas met volgnummer [volgnummeraanduiding 1] . Dat is niet de gestolen pas want die had volgnummer [volgnummeraanduiding 2] (zie ook het bericht van ING van 14 februari 2017). Dat er volgens de bankafschriften maar één pas is gebruikt betekent ook dat de andere pas niet van belang is voor deze zaak.

  3. Uit de overwegingen a en b hiervoor volgt dat als [achternaam van eiser] het geld van de rekening heeft gehaald, hij dit met de bankpas met volgnummer [volgnummeraanduiding 1] moet hebben gedaan. Maar dat is niet gebeurd. [onderbewindgestelde] heeft gezegd dat ze in de periode 24 juli 2017 tot en met 17 oktober 2017 zelf ook gebruik heeft gemaakt van de rekening (ze heeft betaald bij verschillende winkels). Zij heeft dus zelf ook steeds de bankpas met volgnummer [volgnummeraanduiding 1] gehad en gebruikt. Dat betekent dat als [achternaam van eiser] ook geld van haar rekening heeft gepind, dat [achternaam van eiser] dan haar pas meerdere keren moet hebben gepakt en gebruikt zonder dat zij het wist. Ze heeft niet uitgelegd hoe dat kan. Ze zegt namelijk dat ze [achternaam van eiser] niet kende. Dat [achternaam van eiser] haar pas dan meerdere keren heeft kunnen gebruiken is ongeloofwaardig.

2.4.

Nu niet is aangetoond dat [achternaam van eiser] het geld van haar rekening heeft gehaald, blijven de volgende mogelijkheden over:

  1. [onderbewindgestelde] heeft het geld geleend van [achternaam van eiser] en heeft het nog niet terugbetaald.

  2. [onderbewindgestelde] heeft [achternaam van eiser] opgelicht.

  3. De moeder en stiefvader van [onderbewindgestelde] hebben [achternaam van eiser] opgelicht, eventueel met medewerking/medeweten van [onderbewindgestelde] .

2.5.

De rechtbank gaat er vanuit dat er sprake is van oplichting, dat wil zeggen dat met valse redenen geld aan [achternaam van eiser] is gevraagd en dat het nooit de bedoeling was om dit terug te betalen. De rechtbank komt tot die conclusie om de volgende redenen:

  1. [onderbewindgestelde] zegt zelf dat er sprake is van oplichting, namelijk door haar moeder en stiefvader. [onderbewindgestelde] heeft verder ook niets gezegd dat er op wijst dat sprake was van een lening.

  2. Ook de overgelegde whatsappberichten (uit de periode van 25 tot en met 31 oktober 2017) en de afschriften van de bankrekening van [onderbewindgestelde] , in combinatie met andere stellingen van [onderbewindgestelde] , wijzen op oplichting:

i. [onderbewindgestelde] heeft gezegd dat ze heel kort een hond, met de naam [X] heeft gehad en dat ze die nooit heeft laten onderzoeken of opereren. Maar in de whatsappberichten is gevraagd om € 1.300 over te maken voor een operatie van [X] . En bij veel overboekingen van [achternaam van eiser] staat dat het voor de dierenarts is, of voor antibiotica, operatie, echo, onderzoek of therapie van ‘ [X] ’. Een veel kleiner bedrag dan het totaal van die overboekingen is volgens de bankafschriften overgemaakt naar een dierenarts.

ii. Op de bankafschriften staan overboekingen van [achternaam van eiser] met als omschrijving ‘Onkosten hotel […] in [vestigingsplaats] ’ (6 oktober 2017) en ‘Vijf weken bijboeken hotel […] [vestigingsplaats] ’ (9 oktober 2017). Uit de bankafschriften blijkt niet dat dit geld aan dat hotel is betaald. En [onderbewindgestelde] zelf heeft gezegd dat ze daar nooit heeft overnacht.

iii. [achternaam van eiser] heeft twee keer geld overgemaakt met als omschrijving ‘OV jaarkaart van de NS en levensonderhoud’ (28 september 2017) en ‘OV-jaarkaart’ (29 september 2017). Uit de bankafschriften blijkt niet dat dit geld aan de NS is betaald.

iv. Op 10 oktober 2017 heeft [achternaam van eiser] geld overgemaakt met als omschrijving ‘nieuwe wasmachine en droger’. Uit de bankafschriften blijkt niet dat dit geld is gebruikt om een wasmachine en een droger te kopen.

v. Op 24 juli 2017 heeft [achternaam van eiser] geld overgemaakt voor een auto. Maar [onderbewindgestelde] zegt dat ze toen geen auto en geen rijbewijs had.

2.6.

De volgende vraag is dan of [onderbewindgestelde] zelf [achternaam van eiser] heeft opgelicht of dat ze kan aantonen dat haar moeder en stiefvader dit hebben gedaan. Voor de uitkomst van deze zaak maakt dat niet uit. In allebei de gevallen moet [onderbewindgestelde] namelijk het geld terugbetalen.

2.7.

Als [onderbewindgestelde] [achternaam van eiser] heeft opgelicht, dan is dat onrechtmatig want oplichting is ernstig en strafbaar (artikel 326 Wetboek van strafrecht). In dat geval moet [onderbewindgestelde] schadevergoeding aan [achternaam van eiser] betalen. Die schadevergoeding is gelijk aan het bedrag dat [achternaam van eiser] aan haar heeft overgemaakt (€ 36.215,17). Dat is namelijk het bedrag waarvoor hij is opgelicht.

2.8.

Als de moeder en stiefvader van [onderbewindgestelde] [achternaam van eiser] hebben opgelicht en [onderbewindgestelde] wist ervan, dan is dat ook onrechtmatig van [onderbewindgestelde] , want dan heeft zij eraan meegewerkt. Zij moet ook dan € 36.215,17 als schadevergoeding betalen aan [achternaam van eiser] .

2.9.

Het is ook mogelijk dat [onderbewindgestelde] niet wist dat haar moeder en stiefvader [achternaam van eiser] oplichtten. Volgens de rechtbank is dit niet waarschijnlijk, omdat gebruik is gemaakt van het telefoonnummer en de bankrekening van [onderbewindgestelde] en zij niet heeft kunnen uitleggen hoe dat kan (zie overweging 2.10). Maar ook als [onderbewindgestelde] van niks wist moet zij het geld aan [achternaam van eiser] terugbetalen. [achternaam van eiser] heeft in dat geval het geld zonder geldige juridische reden naar [onderbewindgestelde] overgemaakt (onverschuldigde betaling). Dat betekent dat [achternaam van eiser] nog steeds recht heeft op dat geld.

2.10.

Uit het standpunt van [onderbewindgestelde] dat zij niks aan [achternaam van eiser] hoeft terug te betalen omdat zij het slachtoffer is geweest van fraude begrijpt de rechtbank dat zij vindt dat het onredelijk zou zijn als zij het geld moet terugbetalen. Met andere (juridische) woorden, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [achternaam van eiser] een beroep doet op terugbetaling wegens onverschuldigde betaling. Daar is de rechtbank het niet mee eens. Dat standpunt van [onderbewindgestelde] zou alleen kans van slagen hebben gehad als zou vast staan dat [onderbewindgestelde] er niks aan kon doen dat haar moeder en stiefvader [achternaam van eiser] hebben opgelicht. Maar dat had [onderbewindgestelde] dan aan moeten tonen. Dat heeft ze niet gedaan.

  1. [onderbewindgestelde] heeft ten eerste niet kunnen uitleggen hoe er zonder dat zij het wist met haar telefoonnummer whatsappberichten naar [achternaam van eiser] zijn gestuurd waarin om (grote) geldbedragen is gevraagd. Ze zegt dat haar stiefvader dit heeft kunnen doen omdat er twee simkaarten in omloop waren. Maar ze heeft hier geen bewijsstukken van en ze legt ook niet uit hoe het kan dat er twee simkaarten in omloop zijn voor één telefoonnummer. En zelfs als dat zou kunnen is het ongeloofwaardig dat [onderbewindgestelde] die whatsappberichten niet op haar eigen telefoon heeft gezien.

  2. Daarnaast heeft ze ook niet aangetoond dat haar bankpas over een periode van bijna drie maanden vele malen is gebruikt zonder dat zij het wist. Ze zegt dat haar moeder meerdere keren haar pas moet hebben gepakt, maar ze legt niet uit hoe dit kon zonder dat zij daar iets aan kon doen.

2.11.

De conclusie van het bovenstaande is dat [onderbewindgestelde] het geld aan [achternaam van eiser] moet terugbetalen. [onderbewindgestelde] heeft niet kunnen aantonen dat er redenen zijn waarom zij het geld niet zou moeten terugbetalen. De rechtbank zal daarom de bewindvoerder (als de vertegenwoordiger van [onderbewindgestelde] ) veroordelen om aan [achternaam van eiser] € 36.215,17 te betalen.

Wettelijke rente

2.12.

Omdat er in deze zaak sprake is van schadevergoeding vanwege oplichting (onrechtmatige daad) of van het terugbetalen van een bedrag dat zonder reden is overgemaakt (onverschuldigde betaling), mag [achternaam van eiser] ook wettelijke rente in rekening brengen. Als sprake is van oplichting dan mag vanaf het moment dat de oplichting plaatsvond de wettelijke rente in rekening worden gebracht. Als sprake is van onverschuldigde betaling, dan mag wettelijke rente in rekening worden gebracht vanaf het moment dat de betalingstermijn uit de brief van 15 november 2017 was verlopen (verzuim van [onderbewindgestelde] ). Omdat [achternaam van eiser] wettelijke rente eist vanaf het moment dat de betalingstermijn uit de brief van 15 november 2017 was verlopen (wat dus een latere datum is dan wanneer de wettelijke rente zou zijn gaan lopen als er sprake zou zijn van oplichting), maakt het niet uit welke situatie van toepassing is. De rente begint te lopen vanaf de eerste dag na het verlopen van de betalingstermijn. Dat is 1 december 2017. De wettelijke rente loopt door tot het moment dat [onderbewindgestelde] het totale bedrag betaalt. De rechtbank zal daarom de bewindvoerder veroordelen om aan [achternaam van eiser] de wettelijke rente over € 36.215,17 te betalen vanaf 1 december 2017 tot aan de dag dat het totale bedrag is betaald.

Buitengerechtelijke incassokosten

2.13.

De rechtbank zal de bewindvoerder ook veroordelen om aan [achternaam van eiser] € 1.137,15 te betalen voor kosten die [achternaam van eiser] heeft gemaakt omdat hij een advocaat moest inschakelen om het geld terug te krijgen (buitengerechtelijke incassokosten). [achternaam van eiser] heeft voldoende onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt. [onderbewindgestelde] en de bewindvoerder zeggen ook niet dat deze kosten niet zijn gemaakt. Het bedrag dat gevorderd wordt is redelijk en de kosten zijn in redelijkheid gemaakt.

Beslagkosten

2.14.

[achternaam van eiser] heeft (conservatoir) beslag gelegd op een bankrekening van [onderbewindgestelde] . De kosten die [achternaam van eiser] daarvoor heeft gemaakt moeten door [onderbewindgestelde] worden vergoed. [achternaam van eiser] heeft beslagstukken ingediend en daarin staat dat de kosten van de deurwaarder € 82,98 waren. Uit de stukken valt ook af te leiden dat een beslagrekest is gemaakt en daarvoor zijn de kosten € 695,00 voor salaris advocaat (1 punt x tarief € 695,00). Daarom zal de bewindvoerder veroordeeld worden om € 775,95 te betalen aan [achternaam van eiser] als vergoeding voor de beslagkosten.

Proceskosten en nakosten

2.15.

De bewindvoerder en [onderbewindgestelde] krijgen ongelijk in deze zaak. Daarom moet de bewindvoerder de kosten betalen die van [achternaam van eiser] heeft gemaakt om deze procedure te volgen. Die kosten zijn in totaal € 2.076,98 (kosten deurwaarder voor het uitbrengen van de procesinleiding € 82,98, griffierecht 604,00 en salaris van de advocaat van [achternaam van eiser] € 1.390,00 (2 punten × tarief € 695,00).

2.16.

De bewindvoerder zal ook de kosten moeten betalen van de advocaat van [achternaam van eiser] die na het vonnis worden gemaakt (nakosten). Die zullen worden toegewezen voor de bedragen die [achternaam van eiser] eist.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] , om aan [achternaam van eiser] te betalen een bedrag van € 37.352,32 (zevenendertig duizenddriehonderdtweeënvijftig euro en tweeëndertig eurocent) (€ 36.215,17 aan hoofdsom en € 1.137,15 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 36.215,17 met ingang van 1 december 2017 tot de dag van volledige betaling van dit bedrag,

3.2.

veroordeelt [bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] , tot vergoeding van de beslagkosten van [achternaam van eiser] , tot op heden begroot op € 775,95,

3.3.

veroordeelt [bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] , tot vergoeding van de proceskosten, aan de zijde van [achternaam van eiser] tot op heden begroot op € 2.076,98,

3.4.

veroordeelt [bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] ,in de na dit vonnis ontstane kosten van [achternaam van eiser] , begroot op € 131,00 aan salaris advocaat als er geen betekening plaatsvindt, of € 191 aan salaris advocaat vermeerderd met de explootkosten van betekening van de uitspraak als [onderbewindgestelde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.