Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1218

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
476848 HA / RK 19-64
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verschoning
Inhoudsindicatie

Verschoningszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

VERSCHONINGSKAMER

Zaaknummer/rekestnummer: 476848 HA / RK 19-64

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 15 maart 2019

op het verzoek in de zin van artikel 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:

Mr. B. Fijnheer,

rechter,

(verder te noemen: verzoekster).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verschoningsverzoek van de rechter van 6 maart 2019.

1.2.

Het verschoningsverzoek behoeft op grond van artikel 8:20 Awb niet ter zitting te worden behandeld. De verschoningskamer acht een dergelijke behandeling ook niet nodig, gelet op de omstandigheid dat de rechter in deze stand van de zaak daar nog niet inhoudelijk aan heeft gewerkt, als ook gelet op het belang de afdoening van de zaak zo min mogelijk vertraging te laten oplopen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verschoningsverzoek

2.1.

Het verzoek tot verschoning is ingediend in de zaak met nummer UTR 18/4721 BESLU V85. In deze zaak is de eiser [A] , bijgestaan door mr. K. Schueller. De verweerder is de Minister voor Rechtsbescherming, vertegenwoordigd door mr. N.M.L. van den Herik.

2.2.

Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan haar verschoningsverzoek. In de zaak ligt een besluit tot geslachtsnaamwijziging voor. Aan deze geslachtsnaamwijziging ligt een onherroepelijke veroordeling wegens plegen van een misdrijf ten grondslag. Verzoekster is als voorzitter van de meervoudige strafkamer betrokken geweest bij deze veroordeling. Hierdoor voelt verzoekster zich niet vrij de beroepszaak te behandelen.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 8:19 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 Awb. Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten immers vertrouwen kunnen stellen in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.

3.4.

Uit het verzoek blijkt dat er sprake is van zodanige omstandigheden dat verzoekster zich niet voldoende vrij voelt om onderhavige zaak te behandelen De verschoningskamer ziet hierin een genoegzame grond voor toewijzing van het verschoningsverzoek. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de schijn kan bestaan dat het haar aan onpartijdigheid zal ontbreken. Het verzoek zal daarom gegrond worden verklaard.

4 De beslissing

De verschoningskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot verschoning gegrond;

4.2.

draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de partijen in de genoemde zaak, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. R. in ‘t Veld, voorzitter, mr. M.J. Slootweg en mr. G.J.J.M. Essink als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.