Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1217

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
474395 / HA RK 19-19
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 474395 / HA RK 19-19

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 8 maart 2019

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

gemachtigde mr. J.H.J. Rijntjes, advocaat te Rotterdam,

(verder te noemen: verzoekster).

1 De procedure

1.1.

Op 25 januari 2019 heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend.

1.2.

Op 31 januari 2019 heeft mr. Krepel schriftelijke op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.3.

Per fax van 6 februari 2019 heeft verzoekster een aanvullende grond voor wraking ingediend.

1.4.

Op 8 februari 2019 is het wrakingsverzoek van 25 januari 2019 behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Mr. Rijntjes is namens verzoekster verschenen. Mr. Krepel en belanghebbende, de heer [A] , zijn met kennisgeving niet verschenen. Zijdens [verzoekster] is een pleitnotie overgelegd.

1.5.

Ter zitting van 8 februari 2019 is bepaald dat het aanvullende wrakingsverzoek van 6 februari 2019 schriftelijk zal worden afgehandeld. In dat kader heeft mr. Krepel op 12 februari 2019 schriftelijk gereageerd op het aanvullende wrakingsverzoek, waarna verzoekster zich bij fax van 19 februari 2019 heeft uitgelaten.

1.6.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De wrakingsverzoeken

2.1.

Het verzoek tot wraking van 25 januari 2019 (hierna: het eerste wrakingsverzoek) en het aanvullende verzoek tot wraking van 6 februari 2019 (hierna: het aanvullende wrakingsverzoek) zijn gericht tegen mr. Krepel als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de bodemzaak met zaaksnummer C/16/436705 / HA ZA 17-323. De bodemzaak betreft een civiele procedure ingesteld door [A] tegen verzoekster. In die zaak heeft [A] primair gesteld dat - kort gezegd de overleden [A] (hierna: de erflater) op grond van medische redenen niet wilsbekwaam was ten tijde van het opmaken van zijn testament. Verzoekster is bij deze uiterste wilsbeschikking tot enig erfgenaam benoemd.

2.2.

Aan het eerste wrakingsverzoek legt verzoekster ten grondslag dat het (stelselmatig) niet‑reageren door de rechter op het bericht van de in de onder 2.1 bedoelde civiele procedure door de rechtbank benoemde deskundige, dr. G. Roks, blijk geeft van (een vrees van) vooringenomenheid van de rechter. Dit geldt te meer - aldus verzoekster – indien deze gedraging in samenhang wordt beschouwd met eerdere onbegrijpelijke beslissingen c.q. handelen van de rechter. Verzoekster wijst daarbij op de beslissing van de rechter tot rolvoeging van deze bodemzaak met een andere handelszaak alsook de volgens verzoekster onbegrijpelijke beslissing van de rechter om in die gevoegde bodemzaak geen vonnis te wijzen.

2.3.

Het bericht van de deskundige Roks aan de rechter betreft het door verzoekster gedane verzoek om uitstel om te reageren op het door de deskundige opgesteld conceptrapport in de bodemzaak. Omdat [A] op 2 januari 2019 bezwaar gemaakt had tegen het aanvankelijk door de deskundige verleende uitstel van de termijn waarbinnen verzoekster diende te reageren op het conceptrapport, heeft de deskundige op 3 januari 2019 deze kwestie aan de rechter voorgelegd. Daarbij is aan de rechter ook voorgelegd het verzoek van verzoekster tot afgifte (in afschrift) van het medisch dossier over de erflater. Ten slotte is op 11 januari 2019 door de deskundige het door verzoekster gedane aanvullend verzoek tot het verstrekken van een inventarislijst van het medisch dossier aan de rechter voorgelegd.

2.4.

De rechter heeft niet berust in het eerste wrakingsverzoek. In zijn schriftelijke reactie van 31 januari 2019 heeft de rechter gemeld dat dat hij in verband met een verlof eerst op 8 januari 2019 kennis had genomen van het bericht van de deskundige betreffende het uitstelverzoek en het verzoek tot het verstrekken van medische gegevens. De rechter deelt mee dat hij op 22 januari 2019 zijn antwoord op de aan hem voorgelegde vragen had opgesteld en dit aan de griffie van de rechtbank ter verzending had aangeboden, maar dat hem op 28 januari 2018, nadat hij kennis had genomen van het (eerste) wrakingsverzoek, gebleken was dat het antwoord nimmer verstuurd was. De rechter betreurt de gang van zaken, maar stelt dat daaruit niet kan worden afgeleid dat hij vooringenomen zou zijn.

Met betrekking tot de beslissing tot rolvoeging en de beslissing om nog geen vonnis te wijzen in de andere bodemzaak merkt de rechter op dat de beslissingen al bijna anderhalf jaar geleden genomen zijn. Voorts merkt de rechter op dat een rolvoeging en het aanhouden van de beslissing in de rede lag, omdat de uitkomst van de ene zaak van directe invloed is op die van de andere zaak en dat bij een eventueel toewijzend vonnis dit alleen maar complicaties zou opleveren als in de onderhavige zaak het testament zou worden vernietigd.

2.5.

Naar aanleiding van voormelde reactie van de rechter over de achterliggende reden van de beslissing tot rolvoeging en het aanhouden van de beslissing in de andere handelszaak heeft verzoekster een aanvullend wrakingsverzoek ingediend. Verzoekster stelt dat uit de reactie van de rechter zonder meer van de vooringenomenheid van de rechter blijkt. De niet eerder bekend gemaakte ‘mindset’ van de rechter is namelijk gericht op en wordt beheerst door vernietiging van het testament. Het voorkomen van complicatie kan op geen andere wijze worden uitgelegd dan dat voorkomen moet worden dat in geval van vernietiging van het testament [A] zich geplaatst ziet tot het nemen van allerlei conservatoire maatregelen.

2.6.

De rechter heeft ook niet berust in het aanvullende wrakingsverzoek. In zijn schriftelijke reactie van 12 februari 2019 heeft de rechter gemeld dat de beslissing tot rolvoeging en het aanhouden van de beslissing in de andere handelszaak een procedurele beslissing is, die ook al geruime tijd geleden genomen is. De rechter meldt dat hij beide partijen complicaties heeft willen besparen voor het geval er in feite tegenstrijdige uitspraken in de erfrechtzaak respectievelijk de handelszaak zouden worden gedaan. De rechter geeft verder aan dat hij de wilsbekwaamheid van de erflater zo goed als mogelijk wilde onderzoeken en dat dit los staat van de onbekende uitkomt van het onderzoek. Ook wilde hij voorkomen dat partijen onnodige (proces)kosten zouden maken.

2.7.

Verzoekster heeft in zijn schriftelijke reactie van 19 februari 2019 aangegeven dat de vrees van vooringenomenheid van de rechter niet is weggenomen. Sterker, volgens verzoekster is door de (ont)wijkende argumentatie van de rechter deze vrees juist versterkt. Als de rechter reeds nu bezig is om complicaties te voorkomen, is er dus gegronde vrees voor de gedachte dat hij voornemens is het testament te vernietigen, aldus verzoekster.

3 De beoordeling

algemeen

3.1.

Op grond van artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

het eerste wrakingsverzoek

3.3.

Het eerste wrakingsverzoek is gegrond op de omstandigheid dat de rechter niet gereageerd heeft op de door de deskundige aan de rechter voorgelegde kwesties als beschreven onder 2.3. Verzoekster legt dit niet-reageren uit als een teken van (een vrees van) vooringenomenheid van de rechter. Op grond van de reactie van de rechter van 31 januari 2019 (met bijlagen, waaronder het door de rechter geformuleerde antwoord dat door de griffie nog moest worden verwerkt) mag worden aangenomen dat de rechter wel een antwoord heeft opgesteld met betrekking tot de door de deskundige genoemde drie onderwerpen, maar dat dit antwoord partijen nimmer bereikt heeft omdat door de rechtbank is verzuimd het antwoord aan hen toe te zenden. Anders dan verzoekster ziet de wrakingskamer geen enkele aanleiding om de door de rechter geschetste gang van zaken rondom zijn (niet verzonden) antwoord niet te geloven. Dit betekent dat de door verzoekster ter onderbouwing van haar eerste wrakingsverzoek neergelegde grondslag (zie ook 2.2) niet aan de orde is. De door verzoekster in dit kader genoemde bijkomende omstandigheden kunnen dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten. Dit laatste geldt te meer, nu het (destijds niet nader onderbouwde) besluit tot rolvoeging en het aanhouden van de beslissing in de andere handelszaak reeds meer dan een jaar geleden genomen zijn.

het aanvullende wrakingsverzoek

3.4.

Het aanvullende verzoek tot wraking is gebaseerd op de door de rechter gegeven achtergrond van zijn besluit tot rolvoeging en het aanhouden van de beslissing in de andere handelszaak (zie 2.6). Hoewel de besluiten tot rolvoeging en tot aanhouding al meer dan één jaar geleden genomen zijn, heeft verzoekster pas in deze wrakingsprocedure kennis genomen en kunnen nemen van de door de rechter verstrekte achtergrond die tot die beslissingen geleid hebben. Gelet op het bepaalde in artikel 37 lid 1 Rv. is het aanvullende wrakingsverzoek dan ook tijdig gedaan.

3.5.

De beslissing van de rechter tot rolvoeging en het aanhouden van de beslissing in de andere handelszaak is een procesbeslissing. Van dergelijke beslissingen kan de juistheid in beginsel niet door de wrakingskamer worden getoetst. Slechts indien een procesbeslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoekster, althans dat de bij haar bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

3.6.

Volgens verzoekster staat de uitkomst van de bodemprocedure bij voorbaat al vast, namelijk vernietiging van het testament waarbij verzoekster tot enig erfgenaam is benoemd. Verzoekster kan deze overtuiging hebben, maar de door de rechter verstrekte reden tot rolvoeging en het aanhouden van de beslissing in de andere handelszaak (het voor beide partijen voorkomen van mogelijke complicaties) geeft daartoe geen aanleiding. Dit laatste geldt te meer, nu de rechter een onafhankelijke deskundige heeft benoemd die een onderzoek verricht naar de wilsbekwaamheid van de erflater. De beslissing tot rolvoeging en het aanhouden van de beslissing in de andere handelszaak betekent dan ook niet dat redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat de beslissing alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoekster, althans dat de bij haar bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

conclusie

3.7.

De slotsom is dat de door verzoekster genoemde gronden voor wraking, ook in onderling verband en samenhang beschouwd, geen blijk geven van vooringenomenheid of schijn van vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster. Het verzoek dient dan ook ongegrond te worden verklaard

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaksnummer C/16/436705 / HA ZA 17-323 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;

Deze beslissing is gegeven door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, en mr. A. van Dijk en mr. G.J.J.M. Essink als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. T. Stokvis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.