Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1177

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
C/16/442859 / FA RK 17-3976
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Man werkt in horeca, rechtbank houdt rekening met fooi. Onderlinge draagplicht voor schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2019-0068
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummers:

C/16/442859 / FA RK 17-3976 (echtscheiding met nevenvoorzieningen)

C/16/448443 / FA RK 17-5793 (huwelijksvermogensrecht)

Beschikking van 12 maart 2019

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat voorheen mr. M.L. Winters, heden mr. S. Rozemeijer,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.C. Otten.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op de griffie van deze rechtbank op

12 juli 2017;

  • -

    het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man,

  • -

    het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw;

  • -

    de correspondentie, waaronder met name:

o het F-formulier met bijlagen van 11 januari 2018, van de vrouw;

o het F-formulier met bijlagen van 1 februari 2018, van de vrouw;

o het F-formulier met bijlagen van 6 april 2018, van de vrouw;

o het F-formulier van 10 april 2018, van de man;

o het F-formulier van 29 augustus 2018, van de vrouw;

o het F-formulier met bijlagen van 1 november 2018, van de vrouw.

1.2.

Op 2 november 2018 heeft er een regiezitting plaatsgevonden in verband met het ontbreken van een door partijen ondertekend ouderschapsplan.

1.3.

Nadien zijn nog bij de rechtbank binnengekomen:

  • -

    het F-formulier met bijlagen van 1 februari 2019, van de vrouw;

  • -

    het F-formulier met bijlagen van 4 februari 2019, van de man;

  • -

    Het F-formulier met bijlagen van 5 februari 2019, van de vrouw.

1.4.

De rechtbank heeft de hierna nader te noemen minderjarigen [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de verzoeken van partijen.

1.5.

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting met gesloten deuren van 12 februari 2019. Daar zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten, en mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op [trouwdatum] 2000 in [plaatsnaam] met elkaar gehuwd.

2.2.

Partijen zijn de ouders van:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] .

2.3.

Op 29 juni 2000 hebben partijen ten overstaan van de notaris huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Zij hebben daarbij elke gemeenschap van goederen uitgesloten. Verder zijn zij een periodiek verrekenbeding van overgespaard inkomen overeengekomen dat tijdens het huwelijk niet is uitgevoerd, alsmede een vergoedingsplicht van hetgeen uit het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van het vermogen van de andere echtgenoot.

2.4.

Tijdens het huwelijk van partijen hadden partijen een woning in gemeenschappelijk eigendom. Deze woning is inmiddels verkocht. Aan de woning was verbonden een polis bij Reaal . Deze polis, alsmede de inboedelgoederen behoren tot de tussen partijen nog bestaande eenvoudige gemeenschap.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

  2. te bepalen dat het hoofdverblijf van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] bij de vrouw zal zijn;

  3. een zorgregeling vast te stellen;

  4. een informatie- en consultatieregeling vast te leggen;

  5. te bepalen dat de man binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking een gespecificeerde en schriftelijke opgave dient te doen van de te verdelen inkomsten/het te verdelen vermogen voorzien van specificaties, onder verbeuring van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat de man hieraan geen gehoor geeft met aanhouding van de zaak voor verdere afwikkeling van “de gemeenschap van goederen (sic)”;

  6. indien afrekening tussen partijen dient plaats te vinden op grond van het periodieke verrekenbeding opgenomen in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden: de afrekening tussen partijen vast te stellen conform het voorstel als door de vrouw onder randnummer 15 van het verzoekschrift is gedaan, dan wel een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen afrekening;

  7. te bepalen dat de eenvoudige gemeenschap wordt verdeeld op de wijze zoals onder punt 18 tot en met 21 van het verzoekschrift vermeld, waarbij partijen worden veroordeeld om aan de verdeling mee te werken, dan wel een zodanige wijze van verdeling vast te stellen en te gelasten op de voet van artikel 3:185 BW als de rechtbank juist vindt;

Primair: te bepalen dat, voor zover de man niet mee zal werken aan de daartoe in het verzoekschrift onder 19 omschreven handelingen te verrichten, deze beschikking ex artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt voor alle noodzakelijke handelingen ten behoeve van de tijdelijke levering van de rechten voortvloeiend uit de Reaal polis aan de notaris (de heer mr. [B] , van [naam notariskantoor] in [vestigingsplaats] );

Subsidiair: te bepalen dat de beschikking in de plaatst komt van de wil van de niet meewerkende echtgenoot;

Meest subsidiair: te bepalen dat de rechter de niet meewerkende echtgenoot veroordeelt om mee te werken aan de verdeling van de eenvoudige gemeenschap onder straffe van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat de man geen gehoor geeft aan deze beschikking.

3.2.

De man voert verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandige verzoeken om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat één van de minderjarige kinderen van partijen haar hoofdverblijf heeft bij de man en één bij de vrouw;

II. te bepalen dat de kinderen bij de man zullen verblijven de ene week van maandag uit school tot maandagochtend naar school en de helft van alle feestdagen en vakanties;

III. te bepalen dat de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling aan de man een bedrag van € 200,- per kind per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding;

IV. te bepalen dat de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling aan de man een bedrag van € 300,- netto per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;

V. het onder de huwelijkse voorwaarden vallende af te rekenen en te verdelen vermogen als volgt te verdelen en verrekenen onder voorbehoud van de man om dit verzoek nader te concretiseren dan wel aan te passen c.q. aan te vullen:

a. te bepalen dat de saldi op de betaal- en spaarrekeningen tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld en daarbij te bepalen dat de bankrekeningen ten name van de man worden toegescheiden aan de man en de bankrekeningen ten name van de vrouw worden toegescheiden aan de vrouw;

b. te bepalen dat de contante waarde van de polis bij REAAL tussen partijen verrekend dient te worden;

c. te bepalen dat de contante waarde van de polis bij REAAL op een derdengeld rekening van notaris [C] in [vestigingsplaats] wordt gestort;

VI. te bepalen dat een bedrag van € 16.653,13 met de man moet worden verrekend, door te bepalen dat ofwel dit bedrag uit de contante waarde van de REAAL polis aan de man dient te worden voldaan binnen 10 dagen na deze beschikking, of dat de vrouw de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 8.326,56 aan de man dient te voldoen binnen 10 dagen na de in deze af te geven beschikking;

VII. te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 175,- aan de man dient te voldoen binnen 10 dagen na deze beschikking van het door haar ontvangen bedrag van de kopers van de voormalige echtelijke woning voor het alarm;

VIII. te bepalen dat partijen beiden aansprakelijk en gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schulden als genoemd in punt 17 van het verzoekschrift van de vrouw en in punt 13 en 17 van het verweerschrift van de man;

IX. te verklaren voor recht dat partijen dienen over te gaan tot verevening van pensioenaanspraken op grond van de Wet verevening pensioen bij scheiding, en de vrouw te gelasten binnen 30 dagen na deze beschikking aan de man gegevens te verstrekken waaruit blijkt op welke wijze en bij welke pensioenfondsen zij ouderdomspensioen heeft opgebouwd, met opgaaf van de relevante polis- en/of registratienummers, en om haar te gebieden om op eerste verzoek van de man haar medewerking te verlenen aan het afwikkelen van de formaliteiten, die eventueel nodig zijn om deze aanspraken geldend te maken;

X. te bepalen dat de vrouw het Cartier horloge van de man aan de man dient af te geven binnen 10 dagen na deze beschikking onder verbeurte van een dwangsom van

€ 500,- per dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft;

XI. te bepalen dat de vrouw de navolgende stukken aan de rechtbank dient te overleggen:

a. bruikleenovereenkomst en bewijs van eigendom van de auto AUDI 80 met kenteken [kenteken]

b. afschriften van de banksaldi op de rekeningen van de vrouw op de peildatum;

c. bewijs van lening aan de vader van de vrouw van € 10.000,-.

4 Beoordeling van de verzoeken

Echtscheiding (sub A)

4.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken. De man voert hiertegen geen verweer.

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan te bevatten, waarin in ieder geval afspraken zijn opgenomen over de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatie- en consultatieregeling en de kinderalimentatie.

4.3.

Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Wel heeft de vrouw een concept-ouderschapsplan overgelegd. Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij overeenstemming hebben over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de informatie- en consultatieregeling. Over de kinderalimentatie hebben zij geen overeenstemming bereikt. Zij verzoeken de rechtbank hierover een beslissing te nemen. De overeenstemming van partijen is opgenomen in het door de vrouw overgelegde concept-ouderschapsplan. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen alsnog zullen overgaan tot het ondertekenen van een definitief ouderschapsplan en acht gelet hierop de vrouw ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding.

4.4.

Het verzoek tot echtscheiding is gegrond op de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De duurzame ontwrichting is tussen partijen niet in geschil, zodat deze vaststaat. De rechtbank zal het verzoek dan ook als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Hoofdverblijf, zorgregeling en informatie- en consultatieregeling (sub B,C,D, I en II)

4.5.

Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij overeenstemming hebben bereikt over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de informatie-en consultatieregeling en dat deze overeenstemming conform het ingediende concept-ouderschapsplan is.

4.6.

De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats en zorgregeling vaststellen conform het ingediende concept ouderschapsplan. Ten aanzien van de informatie- en consultatieregeling merkt de rechtbank op dat deze niet in het concept-ouderschapsplan is opgenomen. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de regeling zoals door de vrouw is verzocht in haar verzoekschrift nu de man daar geen verweer tegen heeft gevoerd.

4.7.

De rechtbank zal de verzoeken dienaangaande voor het overige voor zover nodig als gewijzigd dan wel als ingetrokken beschouwen en beslissen als hierna in het dictum vermeld.

Kinderalimentatie (sub III)

4.8.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling aan de man een bedrag van € 200,- per kind per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

4.9.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van dit verzoek.

Behoefte

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen per 2017 € 567,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar heden is dat € 587,- per maand.

Draagkracht van de man

4.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat het gemiddelde bruto maandinkomen van de man € 1.704,- exclusief vakantietoeslag is.

4.12.

De man heeft ter zitting gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden dient te worden met een bedrag van gemiddeld € 210,- per maand dat de man aan reiskosten voldoet. Deze kosten bestaan uit € 153,- per maand aan openbaar vervoerkosten en € 64,- per maand aan parkeerkosten, omdat de man één keer per week met de auto naar zijn werk gaat vanwege een late dienst. Ter onderbouwing van deze kosten heeft de man de facturen van de Nederlandse Spoorwegen van oktober tot en met januari overgelegd en één afschrijving van parkeerkosten in Amsterdam . De man ontvangt geen reiskostenvergoeding van zijn werkgever. Verder heeft de man ter zitting verklaard dat hij geen fooi ontvangt.

4.13.

De vrouw betwist dat er rekening gehouden dient te worden met de door de man te maken reiskosten. De vrouw stelt dat zij ook reiskosten maakt. Verder heeft de vrouw naar voren gebracht dat de man ongetwijfeld wel fooi ontvangt. Volgens de vrouw zal de man met de door hem te ontvangen fooi zijn reiskosten kunnen voldoen en dient er bij de berekening van zijn draagkracht dan ook uitgegaan te worden van zijn volledige maandinkomen.

4.14.

De rechtbank brengt de door de man opgevoerde reiskosten niet in mindering op zijn inkomen. Gelet op het feit dat de man werkzaam is in de horeca en het in die branche gebruikelijk is om fooi te ontvangen, vindt de rechtbank het redelijk om ervan uit te gaan dat de man met door hem te ontvangen fooi zijn reiskosten kan voldoen. Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen exclusief vakantiegeld van € 1.704,-.

Uitgaande van deze gegevens becijfert de rechtbank - onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening - het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 1.646,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% van [1646 – (0,3 x 1646 + 950)] =
€ 142,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

4.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat het jaarinkomen van de vrouw € 47.952,- bedraagt, conform haar jaaropgaaf 2018. Uitgaande van deze gegevens becijfert de rechtbank - onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening - het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 3.160,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% van [3160 – (0,3 x 3160 + 950)] = € 883,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

4.16.

Zoals hiervoor is overwogen bedraagt de draagkracht van de man € 142,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 883,- per maand. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dan ook € 1.025,- per maand. Dit is voldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van

€ 587,- per maand te voorzien. Na vergelijking van ieders draagkracht becijfert de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op € 81,- per maand en dat van de vrouw op € 506,- per maand.

Zorgkorting

4.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting van 20% van de behoefte, zijnde € 117,- per maand.

Conclusie

4.18.

De door de man te verzilveren zorgkorting van € 117,- per maand is hoger dan zijn hiervoor berekende aandeel in de kosten van de kinderen van € 81,- per maand. De zorgkorting wordt normaliter in mindering gebracht op het aandeel van de ouders bij wie de kinderen niet wonen, omdat er vanuit wordt gegaan dat die ouder (in natura) kosten moet maken voor het verblijf van de kinderen bij hem of haar. In dit geval overstijgen de verblijfskosten het aandeel van de man met (117-81 =) € 36,- per maand. De man komt dus maandelijks € 36,- per maand tekort om de kosten van de kinderen, wanneer ze bij hem verblijven, te voldoen. Tegelijkertijd houdt de vrouw dit bedrag maandelijks over. De verblijfskosten van de vrouw bedragen immers (80% van 587 =) € 470,- per maand en haar hiervoor berekende aandeel is € 506,- per maand. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de vrouw het bedrag van € 36,- per maand, te weten € 18,- per kind per maand aan de man dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Partneralimentatie (sub IV)

4.19.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling aan de man een bedrag van € 300,- netto per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.

4.20.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van dit verzoek.

4.21.

Ter zitting is door de man verklaart dat op dit moment zijn netto besteedbaar inkomen hoger is dan zijn behoefte van € 1.337,61 netto per maand. Nu de man dus met zijn inkomen in zijn kosten van levensonderhoud kan voorzien zal de rechtbank het verzoek om partneralimentatie afwijzen.

De eenvoudige gemeenschappen

Partijen zijn het erover eens dat zij samen rechthebbende zijn ten aanzien van de polis bij REAAL en dat de inboedel gezamenlijk eigendom is van partijen.

De inboedel (sub G en X)

4.22.

Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel. Het Cartier horloge gaat naar de man en de overige inboedel gaat naar de vrouw, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal aldus bepalen en de verzoeken dienaangaande voor zover nodig als gewijzigd dan wel als ingetrokken beschouwen.

De polis bij REAAL (sub G, V (onder b en c) en VI)

4.23.

Ter zitting is besproken dat partijen het erover eens zijn dat het vrijgekomen geld uit de polis bij REAAL op een derdengeldrekening bij een notaris dient te worden gestort, zodat onder begeleiding van een notaris de (gezamenlijke) schulden van partijen met het geld uit de polis afgelost kunnen worden en het restant vervolgens door deze notaris onder partijen gelijkelijk kan worden verdeeld. Daarbij hebben partijen de rechtbank gevraagd een notaris te benoemen.

4.24.

De rechtbank zal aldus bepalen en de verzoeken dienaangaande voor zover nodig als gewijzigd dan wel als ingetrokken beschouwen. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat er gelet op de overeenstemming van partijen geen aanleiding is om deze beschikking in de plaats te laten treden voor de benodigde toestemming of wil van de man noch om hieraan een dwangsom te verbinden, zoals (oorspronkelijk) door de vrouw verzocht.

Vergoedingsrecht man (sub VI)

4.25.

De man verzoekt te bepalen dat een bedrag van € 16.653,13 met de man moet worden verrekend, door te bepalen dat ofwel dit bedrag uit de contante waarde van de REAAL polis aan de man dient te worden voldaan binnen 10 dagen na deze beschikking, of dat de vrouw de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 8.326,56 aan de man dient te voldoen binnen 10 dagen na de in deze af te geven beschikking. De man stelt daartoe dat hij een schenking van zijn ouders heeft ontvangen waarmee hij een storting heeft gedaan van
€ 16.653,13 in de polis bij REAAL en dat in de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat al hetgeen door partijen krachtens erfenis of schenking is verkregen niet wordt verrekend tussen partijen. Ter zitting heeft de man nog gewezen op artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden ingevolge waarvan hij een reprise heeft omdat het bedrag van € 16.653,13 is onttrokken uit zijn vermogen ten behoeve van de tot de eenvoudige gemeenschap behorende REAAL polis. Ter onderbouwing van de gestelde schenking heeft de man een verklaring van zijn ouders overgelegd en een e-mail van een medewerker van [naam] met de mededeling dat er op 1 september 2001 een storting op de polis is gedaan van € 16.653,13.

4.26.

De vrouw betwist dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de man. De vrouw stelt primair dat het bedrag van € 16.653,13 dat op de polis gestort is, de overwaarde van de vorige woning van partijen betreft en dus gemeenschappelijk is. Daarbij merkt de vrouw op dat het een vreemd bedrag is voor een schenking. Ook indien het bedrag wordt omgerekend naar guldens komt dit niet uit op een rond bedrag. Evenmin is dit bedrag gerelateerd aan een schenkingsvrijstelling in die periode. Subsidiair stelt de vrouw dat indien het bedrag door de ouders van de man geschonken is, dit een schenking aan het gezin en dus aan beide partijen betreft.

4.27.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist zodat het aan de man is te bewijzen dat de storting van € 16.653,13 een schenking van de ouders van de man aan de man betreft. De rechtbank is van oordeel dat de man dit - gelet op het verweer van de vrouw - onvoldoende heeft gedaan. Uit de door de man ingediende e-mail van de medewerker bij [naam] volgt dat er een storting is gedaan van € 16.653,13. Daaruit volgt niet de oorsprong van dit bedrag. De verklaring van de ouders van de man, waarin zij verklaren een bedrag van € 16.653,13 aan de man hebben geschonken ten behoeve van de levensverzekering, is opgesteld op 24 januari 2019. De rechtbank vindt deze verklaring van de ouders van de man onvoldoende, nu deze achteraf en in het licht van de echtscheiding is opgesteld. De man had ter onderbouwing van zijn standpunt in elk geval, zoals ook door de vrouw gesteld, de bankafschriften van de gestelde schenking kunnen indienen. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de man af.

Verrekenvordering (sub E, F en V onder a)

Peildatum

4.28.

Partijen zijn het erover eens dat 12 juli 2017 als peildatum geldt voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen.

Omvang van de verrekenplicht

4.29.

Voor de beoordeling van de omvang van de verrekenplicht dient eerst te worden vastgesteld welk deel van het vermogen van ieder van partijen is verkregen met overgespaard inkomen. Daarbij geldt dat het per de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (artikel 1:141 lid 3 BW). De verrekenvordering beloopt de helft van het verschil van de saldi van beide te verrekenen vermogens en komt toe aan de partij die het laagste saldo aan te verrekenen vermogen heeft.

Het vermogen van de vrouw

4.30.

Tussen partijen is niet in geschil dat het saldi op de bankrekeningen op naam van de vrouw bij de SNS bank en de HSBC bank tot het te verrekenen vermogen behoren. De vrouw heeft bankafschriften overgelegd. Daaruit volgt dat het saldo op de SNS-rekening op de peildatum € 1.063,43 bedroeg en het saldo op de HSBC rekening £ 329,87. Partijen waren het erover eens dat de koers op dit moment zo goed als één op één is zodat de rechtbank uitgaat van € 329,87.

4.31.

Partijen zijn het erover eens dat de auto van het merk AUDI 80 met kenteken
[kenteken] niet tot het te verrekenen vermogen behoort.

4.32.

De rechtbank stelt vast dat op 12 juli 2017 aan de zijde van de vrouw in totaal sprake was van een te verrekenen vermogen van (1063,43 + 329,87) € 1.393,30.

Het vermogen van de man

4.33.

Niet gesteld of gebleken is dat er aan de zijde van de man sprake was van te verrekenen vermogen op 12 juli 2017.

4.34.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de man een vordering heeft op de vrouw van € 1.393,30 : 2 = € 696,65. De rechtbank zal deze verrekenvordering vaststellen en de verzoeken van partijen met betrekking tot de verrekening voor het overige afwijzen.

Schulden (sub VIII)

Zakelijke schulden
4.35. Partijen zijn het erover eens dat de zakelijke schulden van de man, te weten een schuld bij [bedrijfsnaam] B.V. en een schuld uit een huurkoopovereenkomst, privé schulden zijn van de man en dat de man, in de onderlinge verhouding van partijen, volledig draagplichtig is voor deze schulden.

Schuld bij vader van de vrouw
4.36. Ook zijn partijen het erover eens dat de vrouw, in de onderlinge verhouding van partijen, volledig draagplichtig is voor de schuld bij haar vader van € 10.000,-.

Nota makelaar
4.37. Voorts hebben partijen ter zitting verklaard dat zij voor de kosten van de makelaar in verband met de verkoop van de echtelijke woning ad € 2.800,- ieder een nota van € 1.400,- hebben ontvangen. De vrouw heeft de aan haar gerichte nota voldaan, de man de aan hem gerichte nota nog niet. Partijen zijn het erover eens dat de man dan ook, in de onderlinge verhouding, volledig draagplichtig is voor de aan hem gerichte nota van € 1.400,-.

Roodstand bankrekening Rabobank
4.38. De man is van mening dat ook de roodstand op de bankrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer] van € 4.240,26 een gezamenlijke schuld is. De man stelt daartoe dat dit een gezamenlijke en/of rekening is en dat de hypotheeklasten van deze rekening zijn betaald, zodat de roodstand een huishoudelijke schuld is.

4.39.

De vrouw betwist dat de roodstand op voornoemde rekening een gezamenlijke schuld is. De vrouw stelt dat deze bankrekening de privérekening van de man is en dat zij daar nooit gebruik van heeft gemaakt. De vrouw erkent dat er hypotheeklasten van deze rekening zijn voldaan, maar zij stelt daar tegenover dat zij ook kosten van de huishouding heeft voldaan van haar privérekening.

4.40.

Partijen zijn buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd zodat het uitgangspunt is dat partijen ieder de eigen schulden dragen, tenzij dit schulden ter zake kosten van de huishouding betreffen. Ter zitting is duidelijk geworden dat partijen beiden een privérekening hadden. De vrouw een bankrekening bij de SNS en de man voornoemde bankrekening bij de Rabobank. Op een bepaald moment is de rekening bij de Rabobank omgezet naar een en/of rekening. Dit wijzigt de verhouding van partijen ten opzichte van de bank, maar dit betekent niet per definitie dat de bankrekening vanaf dat moment een gezamenlijke bankrekening betreft. De rekening was nog steeds bij de man in gebruik en zijn inkomen werd op deze rekening gestort. Het inkomen van de vrouw kwam op haar rekening. Het enkele feit dat van de rekening de hypoheeklast werd betaald is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de schuld aan de bank als een gemeenschappelijke schuld aan te merken. Het is immers niet ongebruikelijk dat beide partijen vanaf hun privérekening bijdragen in de kosten van de huishouding. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat zij ook kosten van de huishouding voldeed van haar rekening. Dat de roodstand op de bankrekening bij de Rabobank geheel is ontstaan uit kosten voor de huishouding is door de man – gelet op het verweer van de vrouw – onvoldoende onderbouwd. In die zin verschilt deze roodstand niet van de schuld van de vrouw aan haar vader, waarvan de vrouw onbetwist heeft gesteld dat hiermee ook kosten van de huishouding zijn betaald. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man, zijnde te bepalen dat partijen beiden aansprakelijk en gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schulden, ter zake de schuld bij de Rabobank van

€ 4.240,26 afwijzen.

Overige schulden
4.41. Verder hebben partijen de volgende schulden genoemd:

  • -

    schuld aan de […]

  • -

    nota […]

  • -

    nota […]

  • -

    nota […]

  • -

    schuld bij […]

  • -

    schuld bij de […]

  • -

    schuld bij […]

Partijen zijn het erover eens dat dit gezamenlijke schulden zijn. Voor deze gezamenlijke schulden geldt dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder gehouden zijn voor de helft aan het totaal verschuldigde bedrag bij te dragen. Conform hetgeen partijen zijn overeengekomen dienen deze schulden, voor zover ze nog niet zijn betaald, betaald te worden uit de opbrengst van de REAAL polis. Een aantal van deze schulden is reeds voldaan door één van partijen. Indien één van partijen meer dan zijn aandeel van een schuld voldoet, kan hij de andere partij voor dit meerdere aanspreken (artikel 6:10 BW).

4.42.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank met betrekking tot de schulden beslissen als hierna in het dictum vermeld.

Alarm woning (sub VII)

4.43.

De man heeft oorspronkelijk verzocht te bepalen dat de vrouw een bedrag van
€ 175,- aan de man dient te voldoen binnen 10 dagen na deze beschikking, van het door haar ontvangen bedrag van de kopers van de voormalige echtelijke woning ter zake het alarm. Ter zitting heeft de man verklaard af te zien van verrekening op dit punt, zodat de rechtbank dit verzoek als ingetrokken beschouwd.

Pensioen (sub IX)

4.44.

De man verzoekt te verklaren voor recht dat partijen dienen over te gaan tot verevening van pensioenaanspraken op grond van de Wet verevening pensioen bij scheiding, en de vrouw te gelasten binnen 30 dagen na deze beschikking aan de man gegevens te verstrekken waaruit blijkt op welke wijze en bij welke pensioenfondsen zij ouderdomspensioen heeft opgebouwd, met opgaaf van de relevante polis- en/of registratienummers, en om haar te gebieden om op eerste verzoek van de man haar medewerking te verlenen aan het afwikkelen van de formaliteiten, die eventueel nodig zijn om deze aanspraken geldend te maken.

4.45.

De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat partijen in de huwelijkse voorwaarden pensioenverevening zoals voorzien in de Wvps hebben uitgesloten. Indien er pensioenrechten zijn opgebouwd die verdeeld dienen te worden conform de Wvps vloeit dit rechtstreeks voort uit de wet. Bovendien heeft de vrouw ter zitting toegezegd de gevraagde gegevens aan de man te verstrekken. De rechtbank zal daarom dit verzoek van de man wegens gebrek aan belang afwijzen.

Overleggen van stukken (sub XI)

4.46.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de navolgende stukken aan de rechtbank dient te overleggen:

a. bruikleenovereenkomst en bewijs van eigendom van de auto AUDI 80 met kenteken [kenteken]

b. afschriften van de banksaldi op de rekeningen van de vrouw op de peildatum;

c. bewijs van de lening aan de vader van de vrouw van € 10.000,-.

4.47.

Nu partijen over de zaken betreffende deze stukken overeenstemming hebben bereikt, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen bij gebrek aan belang.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [trouwdatum] 2000 in [plaatsnaam] ;

5.2.

bepaalt dat de minderjarige kinderen van partijen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;

5.3.

stelt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:

de kinderen verblijven bij de man:

  • -

    om de week van maandag uit school tot woensdag naar school;

  • -

    de eerste 3 weken van de zomervakantie 2019;

  • -

    op 31 december 2019 tot en met 1 januari 2020;

partijen zullen vóór 15 januari van elk jaar met elkaar overleggen over het vakantierooster, waarbij de vrouw de eerste keus heeft in de even jaren en de man de eerste keus heeft in de oneven jaren;

5.4.

stelt de volgende informatie- en consultatieregeling vast:

  • -

    partijen zullen elkaar over en weer op de hoogte stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen en elkaar over deze zaken raadplegen;

  • -

    degene die rapporten, nieuwsbrieven of andere schoolinformatie ontvangt, zal deze direct ter kennisname doorgeleiden naar de ander, voor zover de ander deze informatie niet rechtsreeks van school kan ontvangen;

  • -

    beslissingen van enig gewicht zoals schoolkeuze, medische behandelingen en ingrepen en verblijf in het buitenland gedurende een langere periode dan drie weken zullen door partijen gezamenlijk dienen te worden genomen;

  • -

    in het geval zich een acuut medisch probleem voordoet zal de ouder onder wiens hoede de kinderen op dat moment zijn de noodzakelijke maatregelen treffen en de ander terstond, dat wil zeggen zo spoedig als de omstandigheden dat mogelijk maken, informeren;

5.5.

bepaalt het bedrag dat de vrouw aan de man met ingang van heden zal verstrekken tot bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op € 18,- per kind per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.6.

verdeelt de eenvoudige gemeenschap van inboedel als volgt:

- deelt toe aan de man:

o het Cartier horloge, zonder nadere verrekening;

- deelt toe aan de vrouw:

o de overige inboedel, zonder nadere verrekening;

5.7.

gelast partijen over te gaan tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap betreffende de levensverzekeringspolis bij REAAL op de wijze zoals hierboven onder 4.23. overwogen, waarbij partijen zich dienen te wenden tot mr. [D] , notaris te [vestigingsplaats] , of diens waarnemer of opvolger;

5.8.

veroordeelt de vrouw om aan de man € 696,65 te voldoen uit hoofde van de verrekenvordering zoals vermeld in rechtsoverweging 4.34. van deze beschikking;

5.9.

bepaalt dat - in hun onderlinge verhouding - de man, onder vrijwaring van de vrouw, volledig draagplichtig is voor de zakelijke schuld bij [bedrijfsnaam] B.V., de zakelijke schuld uit de huurkoopovereenkomst van zijn auto en de restschuld van € 1.400,- bij de makelaar;

5.10.

bepaalt dat - in hun onderlinge verhouding - de vrouw, onder vrijwaring van de man, volledig draagplichtig is voor de schuld aan de vader van de vrouw;

5.11.

bepaalt dat partijen - in hun onderlinge verhouding - ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden genoemd onder punt 4.41. van deze beschikking;

5.12.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens de echtscheiding;

5.13.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Vaart als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..