Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:116

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
NL18.3212
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kei-zaak. Bestuurdersaansprakelijkheid? nee. Tegenvordering verklaring voor recht dat conservatoir beslag onrechtmatig is toegewezen. Verwijzing naar schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.3212

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPIE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Breda,

eiseres van de vordering,

verweerster op de tegenvordering,

hierna te noemen: SPIE,

advocaat J.G.M. Roijers te Rotterdam,

tegen

1 [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerders op de vordering,

eisers van de tegenvordering,

hierna samen te noemen: [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s.,

advocaat D.C.J. Bogerd te Barneveld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding met producties

- het verweerschrift met voorwaardelijk tegenverzoek met producties

- het proces-verbaal van de op 2 november 2018 gehouden comparitie

- de door partijen ingediende reacties op het proces-verbaal

1.2.

De zaak is in eerste instantie aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Nadat partijen de rechtbank hebben laten weten dat de onderhandelingen niet tot resultaat hebben geleid, is vonnis bepaald.

2 Waar gaat het om?

Inleiding

2.1.

SPIE vordert betaling van een bedrag van € 460.570,06, vermeerderd met wettelijke rente en nog een aantal kosten van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. en zij beroept zich daarbij op bestuurdersaansprakelijkheid. [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. betwisten dat zij als bestuurders aansprakelijk zijn en hebben een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld voor het geval dat de vorderingen van SPIE worden afgewezen. In dat geval willen [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. een verklaring voor recht dat het door SPIE voorafgaand aan deze procedure gelegde conservatoire beslag onrechtmatig is en dat zij aansprakelijk is voor de door [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. als gevolg van de gelegde beslagen geleden schade.

Achtergrond partijen

2.2.

De vordering van SPIE komt voort uit een geschil dat zij heeft met [bedrijfsnaam] ( [bedrijfsnaam] ). In dat geschil is op 26 juli 2017 een eindvonnis gewezen door rechtbank Zeeland-West-Brabant. [bedrijfsnaam] is in dat vonnis veroordeeld tot betaling aan SPIE van een bedrag van € 396.134,49 in hoofdsom. [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] (gedaagde sub 1) is bestuurder van zowel [bedrijfsnaam] als [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] (gedaagde sub 2). [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] is enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam] .

2.3.

SPIE en [bedrijfsnaam] hebben op 12 juni 2015 een intentieverklaring ondertekend voor een samenwerkingsovereenkomst. Zij wilden er met de samenwerkingsovereenkomst onder meer voor zorgen dat de bij [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] aanwezige kennis van de industriële brandbeveiliging over werd gedragen aan SPIE. [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] wilde om en nabij 2018 met pensioen gaan en op dat moment zouden de activiteiten van [bedrijfsnaam] worden gestaakt. SPIE wilde door een nauwe samenwerking met [bedrijfsnaam] kort gezegd haar positie in de markt van brandveiligheid en industriële brandblussystemen vestigen en laten groeien. Uiteindelijk zijn partijen halverwege 2016 uit elkaar gegaan. Over de eindafrekening werden SPIE en [bedrijfsnaam] het niet eens, wat uiteindelijk tot de procedure bij rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geleid.

2.4.

In die procedure is [bedrijfsnaam] zoals gezegd veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 396.134,49 aan SPIE. De door [bedrijfsnaam] tegen SPIE ingestelde vorderingen zijn in diezelfde procedure afgewezen. [bedrijfsnaam] heeft tegen het vonnis van rechtbank Zeeland-West-Brabant hoger beroep ingesteld en heeft tot op heden niets aan SPIE betaald. SPIE heeft executoriaal beslag gelegd onder [bedrijfsnaam] en zij heeft op 18 januari 2018 [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. aangesproken voor de schade die SPIE lijdt doordat [bedrijfsnaam] niet tot betaling is overgegaan. SPIE becijfert die schade op dat moment op € 460.570,06. [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. hebben aansprakelijkheid afgewezen. SPIE heeft voorafgaand aan deze procedure conservatoir beslag gelegd onder [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. en een aantal derden.

3 De beoordeling van de vordering

Juridische context bestuurdersaansprakelijkheid

3.1.

Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade. Onder bijzondere omstandigheden kan daarnaast ook de bestuurder van de vennootschap aansprakelijk zijn. Dat is het geval als die bestuurder daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dan ook hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser – zoals hier het geval is – onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan de bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn als hij bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

3.2.

Een bestuurder kan ook aansprakelijk zijn als zijn handelen of nalaten als bestuurder tegenover de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan is in ieder geval sprake als de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg heeft dat deze haar verplichtingen niet nakomt en ook geen verhaal biedt voor de als gevolg daarvan optredende schade.

Aansprakelijkheid van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering]

3.3.

SPIE voert voor de doorbraak van aansprakelijkheid van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] aan dat [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] als bestuurder van [bedrijfsnaam] heeft bewerkstelligd, althans toegelaten, dat [bedrijfsnaam] de met SPIE aangegane overeenkomsten niet nakomt. Dat blijkt volgens SPIE onder meer uit:

- de omstandigheid dat het eigen vermogen van [bedrijfsnaam] in 2016 ten opzichte van 2015 aanzienlijk is gedaald, terwijl dat bedrag niet is gebruikt om de vorderingen van SPIE te betalen;

- er door [bedrijfsnaam] niet voldoende geld gereserveerd is om de facturen te voldoen, terwijl de vorderingen van SPIE door [bedrijfsnaam] voor het overgrote deel wel werden erkend;

- de omstandigheid dat [bedrijfsnaam] de door SPIE voor [bedrijfsnaam] uitgevoerde diensten heeft kunnen doorbelasten aan haar opdrachtgevers en daar dus voor betaald heeft gekregen;

- de omstandigheid dat [bedrijfsnaam] volgens haar eigen stellingen in de eerdere procedure zelfs winst heeft behaald. Desondanks zijn deze gelden niet aangewend om de vorderingen van SPIE te betalen.

3.4.

De vordering van SPIE op [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] wordt afgewezen. De door SPIE aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om een doorbraak van aansprakelijkheid te bewerkstelligen. Het enkele gegeven dat binnenkomende gelden niet worden gebruikt om de vordering van een schuldeiser te voldoen, brengt niet automatisch mee dat de bestuurder daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden vereist. [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] heeft gemotiveerd bestreden dat hem een persoonlijk verwijt valt te maken. Volgens [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] is er geen sprake van betalingsonwil, maar heeft het vonnis van 26 juli 2017 zeer negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam] . Totdat [bedrijfsnaam] met SPIE ging samenwerken, kon zij goed aan haar verplichtingen voldoen. De reden dat het eigen vermogen zo is gedaald in 2016 is volgens [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] dat [bedrijfsnaam] de agioreserve heeft gebruikt om de gevolgen van het vonnis in de jaarcijfers te verdisconteren. [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] heeft ter onderbouwing van zijn stelling een verklaring van de accountant overgelegd waaruit dit blijkt. SPIE heeft op haar beurt verder niet (voldoende) toegelicht waarom dit in de gegeven omstandigheden onrechtmatig tegenover haar zou zijn. Volgens [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] is [bedrijfsnaam] destijds een procedure gestart tegen SPIE, omdat zij van mening is dat SPIE (per saldo) nog een bedrag aan haar moet betalen. Deze gedachte is op zichzelf bezien niet vreemd. Weliswaar bleek de uitkomst van de procedure uiteindelijk anders, maar dat maakt een en ander niet onrechtmatig. Ook de overige door SPIE aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een andere uitkomst, alleen al omdat deze stellingen niet zijn onderbouwd terwijl ze wel gemotiveerd zijn betwist.

Aansprakelijkheid van [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering]

3.5.

[verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] is volgens SPIE aansprakelijk, omdat zij als moedermaatschappij van [bedrijfsnaam] haar zorgplicht tegenover SPIE, als contractspartij van [bedrijfsnaam] , heeft geschonden, omdat:

- er sprake is van een zeer sterke bestuurlijke verwevenheid van [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] als moedermaatschappij met haar dochtervennootschap [bedrijfsnaam] ;

- er een zeer nauwe bedrijfsmatige verwevenheid is tussen [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] en [bedrijfsnaam] , waaronder hetzelfde kantooradres;

- [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] niet heeft ingegrepen om schade bij SPIE te voorkomen;

- en [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] (evenals [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] ) als partij de intentieverklaring heeft medeondertekend op grond waarvan [bedrijfsnaam] is veroordeeld tot betaling aan SPIE van het bedrag van € 396.134,49.

3.6.

Ook deze vordering wordt afgewezen. SPIE baseert haar vordering op schending van de “ […] -norm”. Deze vergelijking gaat echter niet op, nu er in dit geval geen sprake is van een bedrijfsstructuur waaraan inherente risico’s voor crediteuren zijn verbonden. [bedrijfsnaam] is een ‘normale’ werkmaatschappij, die al ruim 25 jaar kennelijk zonder problemen functioneerde. De huidige betalingsproblemen lijken enkel toe te schrijven aan het conflict dat is ontstaan met SPIE en het daarmee verband houdende vonnis. Van een bijzondere zorgplicht van de moedermaatschappij ten opzichte van de dochtervennootschap is in zo’n geval geen sprake.

3.7.

Ook het laatste argument van SPIE gaat niet op. In de intentieverklaring staan weliswaar ook [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] en [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] genoemd, maar zij zijn daarin niet als partij genoemd. Uit de tekst van de intentieverklaring blijkt dat ‘slechts’ SPIE en [bedrijfsnaam] als partijen bij de intentieverklaring zijn aangemerkt. Dat partijen een andere bedoeling hebben gehad, is niet gesteld en de rechtbank ook niet gebleken. De intentieverklaring is ook niet uitdrukkelijk namens [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] en [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] ondertekend. Alleen SPIE en [bedrijfsnaam] (bij hoofde van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] ) hebben de verklaring ondertekend.

Gevolgen voor de vorderingen

3.8.

De conclusie is dat de door SPIE ingestelde vorderingen worden afgewezen. De daarmee verband houdende nevenvorderingen volgen daarom hetzelfde lot en worden ook afgewezen.

Proceskosten

3.9.

SPIE wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. Aan de zijde van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. worden deze kosten begroot op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 6.198,00 (2 punten x € 3.099,00)

Totaal € 10.144,00

De door [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. gevorderde nakosten zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden begroot. Ook de gevorderde rente over de (na)kosten zal op de in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen (zie 5.6).

4 De beoordeling van de tegenvordering

4.1.

[verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. heeft een tegenvordering ingesteld voor het geval dat de vordering van SPIE geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen. Aangezien aan die voorwaarde is voldaan, volgt hierna de beoordeling van de tegenvordering.

4.2.

Volgens [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. zijn de door SPIE gelegde conservatoire beslagen onrechtmatig, nu de vordering van SPIE volledig is afgewezen. [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. verwijzen daarvoor naar een uitspraak van het Hof Arnhem Leeuwarden uit 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7461) waarin kort gezegd staat vermeld dat er een risicoaansprakelijkheid rust op de beslaglegger als blijkt dat de vordering waarvoor beslag is gelegd volledig wordt afgewezen. In zo’n geval is de beslaglegger aansprakelijk voor de door het ten onrechte gelegde beslag geleden schade.

4.3.

Reden waarom [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. een verklaring voor recht vragen dat SPIE aansprakelijk is voor de schade die [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de ten onrechte gelegde beslagen en om SPIE te veroordelen deze schade, nader op te maken bij staat, aan [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. te vergoeden.

4.4.

SPIE betwist dat de conservatoire beslagen vexatoir en dus onrechtmatig zijn. SPIE wijst in dat verband op het vermeende onrechtmatige handelen van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. wegens de vordering van SPIE op [bedrijfsnaam] , het niet nakomen door [bedrijfsnaam] van haar betalingsverplichtingen tegenover SPIE en de geringe opbrengst van de gelegde executoriale beslagen. Verder betwist SPIE dat [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. enige schade heeft geleden door de gelegde conservatoire beslagen en als er al enige schade is geleden stelt zij dat dit door hun eigen schuld is ontstaan. [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. hadden namelijk al eerder om opheffing van de beslagen kunnen vragen dan wel een bankgarantie aan kunnen bieden.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat, behoudens bijzondere omstandigheden, er een risicoaansprakelijkheid rust op de beslaglegger in het geval dat een vordering waarvoor beslag is gelegd, geheel ongegrond is. In dat geval is de beslaglegger aansprakelijk voor de door de gelegde beslagen geleden schade (HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF284). Het verweer van SPIE dat de beslagen niet vexatoir zijn, is in dit geval waar de vorderingen volledig zijn afgewezen, dan ook niet relevant en wordt gepasseerd.

4.6.

De rechtbank vindt verder dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende aannemelijk is gemaakt dat [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. mogelijk schade hebben geleden als gevolg van de gelegde beslagen. Hoe hoog de schade zal zijn en of er eventueel rekening moet worden gehouden met de vermeende eigen schuld van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. is iets dat in de schadestaatprocedure aan de orde zal komen.

4.7.

Dit betekent dat de tegenvordering van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. zal worden toegewezen. Overigens betekent dit nog niet dat daarmee de conservatoire beslagen van rechtswege komen te vervallen. Dat is pas het geval als een uitspraak waarin de vorderingen van SPIE volledig worden afgewezen in kracht van gewijsde is gegaan (art. 704 lid 2 Rv).

4.8.

SPIE wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten. Aan de zijde van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. worden deze kosten begroot op € 3.099,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 3.099,00) aan salaris advocaat. De door [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. gevorderde nakosten zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. Ook de gevorderde rente over de (na)kosten zal op de in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

op de vordering

de rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt SPIE in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. tot op heden begroot op € 10.144,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

op de tegenvordering

de rechtbank

5.3.

verklaart voor recht dat SPIE jegens [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. aansprakelijk is voor de schade die door [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van de door SPIE op 1, 6 en 19 februari 2018 onder [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] en [verweerster sub 2 op de vordering/eiseres sub 2 van de tegenvordering] gelegde conservatoire beslagen,

5.4.

veroordeelt SPIE tot vergoeding aan [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. van die schade, op te maken bij staat,

5.5.

veroordeelt SPIE in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder sub 1 op de vordering/eiser sub 1 van de tegenvordering] c.s. tot op heden begroot op € 3.099,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

zowel op de vordering als op de tegenvordering

de rechtbank

5.6.

veroordeelt SPIE in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat SPIE niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 5.2 en 5.4 tot en met 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.