Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:113

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
6780221 UC EXPL 18-3584
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stellingen in conventie voldoende concreet, verweer niet. Bewijs niet nodig. Stellingen in reconventie onvoldoende concreet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6780221 UC EXPL 18-3584 nig/1449

Vonnis van 16 januari 2019

inzake

[eiser] ,

handelend onder de naam [handelsnaam],

wonend en zaakdoend in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [handelsnaam] , of [eiser] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde mr. M.G. Lodewijk (IP Nederland),

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. K. Walburg.

1 De procedure

1.1.

In het dossier zitten de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord met tegeneis (een eis in reconventie);

  • -

    de zelfgeschreven reactie daarop van [handelsnaam] van augustus 2018;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie;

  • -

    een ordner met stukken van [handelsnaam] ;

  • -

    de akte uitlating producties van [gedaagde] .

1.2.

De vonnisdatum is eenmaal uitgesteld, omdat het vonnis niet op tijd af was.

2 De beoordeling

2.1.

[handelsnaam] en [gedaagde] hebben enige tijd samengewerkt bij het installeren van zonnepanelen. [handelsnaam] werkte in opdracht van [gedaagde] , op basis van mondelinge afspraken. [gedaagde] heeft rond 24 januari 2018 de samenwerking beëindigd.

2.2.

[handelsnaam] vordert nu van [gedaagde] betaling van € 5.930,43 met rente en kosten. Het gaat om vijf facturen voor in totaal € 5.252,93, met rente tot 21 maart 2018 en incassokosten. [gedaagde] voert verweer. Daarnaast vordert zij in reconventie (als tegeneis) betaling van € 3.811,50 wegens teveel betaalde uren uit 2017 en € 15.000 aan schadevergoeding.

2.3.

De laatste alinea van de reactie van [handelsnaam] van augustus 2018 luidt als volgt:

Graag wil ik zien dan de rechtbank al die verloren uren en onwaarheden als betaalde vergoeding word voldaan van minstens 5 werk dagen van 8 uur om al zijn onwaarheden te bestrijden te rechtvaardigen en dan heb ik het nog niet eens over het vernielde gereedschap dat door zijn werknemers misbruikt is en niet vergoed is terwijl dhr [A] dat wel beloofde dit is ook digitaal aan te leveren.

[gedaagde] begrijpt dit niet, en vat het op als een vermindering van eis. Dat leest de kantonrechter anders. Kennelijk gaat het [eiser] hier om de tijd, besteed aan deze zaak (‘onwaarheden te bestrijden’). Dat wil zeggen dat het moet worden opgevat als een proceskostenvordering. Op die manier zal het worden beoordeeld.

in conventie

2.4.

Het eerste verweer van [gedaagde] is dat de dagvaarding zo onvolledig is dat de vordering van [handelsnaam] zonder meer moet worden afgewezen, of zelfs niet-ontvankelijk verklaard. Zij vindt dat zij daarom geen inhoudelijk verweer hoeft te voeren, en zij reserveert haar rechten om dat alsnog te doen, nadat [handelsnaam] bewijs geleverd heeft.

2.5.

Dat is niet hoe het burgerlijk procesrecht werkt. De dagvaarding is inderdaad niet erg uitgebreid, maar wel zo concreet dat duidelijk is waar de zaak over gaat. [handelsnaam] heeft de facturen waar het om gaat bijgevoegd. [gedaagde] heeft natuurlijk ook haar eigen administratie en kan op basis daarvan duidelijk maken wat er volgens haar niet klopt aan die facturen. Er waren voldoende aanknopingspunten om inhoudelijk verweer te kunnen voeren. Zolang [gedaagde] dat niet doet, gelden de stellingen van [handelsnaam] als onweersproken, en hoeft [handelsnaam] dus geen bewijs te leveren. Aanvulling van stellingen of verweren is alleen aan de orde als de kantonrechter daar aanleiding voor ziet. [gedaagde] had het recht niet om pas in een later stadium inhoudelijk verweer te voeren, en kon dat recht dus ook niet reserveren.

2.6.

Eén van de vijf facturen van [handelsnaam] gaat over brandstofkosten. Dit heeft [handelsnaam] pas bij zijn reactie van augustus toegelicht:

De brandstof heb ik voor geschoten aangezien dhr. [A] nog geen tankpassen had voor zijn eigen bussen (…)

Dat is een beetje laat, maar het is wel een duidelijke onderbouwing. [gedaagde] heeft op deze factuur niet gereageerd. Daarom kan worden aangenomen dat dit klopt. [gedaagde] zal in ieder geval deze factuur moeten betalen.

2.7.

De andere vier facturen gaan over gewerkte uren in de eerste vier weken van 2018. Deze zijn in zoverre gespecificeerd dat zij aantallen uren per dag vermelden, maar niet wat er in die uren precies gedaan is. Aan de andere kant was dat in de periode daarvoor kennelijk ook voldoende, want die facturen heeft [gedaagde] gewoon betaald. [gedaagde] moet een behoorlijk idee gehad hebben van wat er gedaan werd, want zij verklaart dat haar eigen medewerkster mevrouw [B] [handelsnaam] inroosterde. De kantonrechter ziet dus geen reden waarom [gedaagde] aan deze specificaties niet voldoende zou hebben om concreet verweer te voeren.

2.8.

Volgens [gedaagde] klopt het aantal uren niet, maar de toelichting daarop is onvoldoende concreet. Dat [eiser] op woensdag korter werkte vanwege de zwemles van zijn dochter, is niet relevant, omdat hij in die vier weken maar één keer op woensdag uren gedeclareerd heeft, en dat was maar een halve dag. Dat er op vrijdag korter gewerkt werd vanwege vrijdagmiddagborrels, is onvoldoende concreet, omdat [gedaagde] niet uitlegt op welke vrijdagen dat was en hoe laat precies. Volgens [handelsnaam] werd er regelmatig overgewerkt, en dat is niet zonder meer een vreemd verhaal: wanneer men per dag een aantal grote klussen doet, kan het best zijn dat het werk regelmatig niet precies in acht uur past. [gedaagde] ontkent dat er ooit gewerkt werd na 17:00 uur, maar zij baseert dat alleen op een verklaring van mevrouw [B] , die het rooster maakte. Ook als overwerk niet werd ingeroosterd, wil dat natuurlijk niet zeggen dat het ook niet gebeurde.

2.9.

Het enige verweer dat mogelijk hout snijdt is, dat op sommige dagen wel erg veel uren geschreven werden. Op de vrijdag in week 1 heeft [handelsnaam] wel 13 uren geschreven. Dat had zij wel mogen toelichten. Die toelichting ontbreekt, maar [handelsnaam] stelt dat [C] dezelfde uren heeft gedeclareerd, en dat ze aan hem wel zijn uitbetaald. Dat is volgens hem relevant, omdat [C] uit dezelfde regio kwam als [eiser] en altijd met hem meereed. Dan is het inderdaad logisch dat zij even veel uren werkten. [gedaagde] gaat daarop helemaal niet in. Daarom neemt de kantonrechter aan dat [C] die uren gewerkt heeft, en [eiser] dus ook.

2.10.

Kortom, [gedaagde] heeft onvoldoende concreet uitgelegd welke aantallen niet kloppen en waarop zij dat baseert. Daarom hoeft [handelsnaam] dat niet nader te onderbouwen en al helemaal niet te bewijzen. De bewijsstukken in de ordner heeft de kantonrechter daarom niet nodig, zodat die niet besproken hoeven te worden.

2.11.

[handelsnaam] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarop is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing. [handelsnaam] heeft voldoende toegelicht dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, en zij heeft een sommatiebrief overgelegd. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

in reconventie

2.12.

Volgens [gedaagde] klopten ook de facturen van 2017 niet, en heeft zij daarom recht op terugbetaling van € 3.811,50 aan teveel betaalde uren (€ 90 uur x € 55 + 21% btw). Zij wil dat verrekenen met de facturen van [handelsnaam] en zij vordert apart terugbetaling. Dat kan natuurlijk sowieso niet allebei worden toegewezen, maar de kantonrechter neemt aan dat [gedaagde] dat ook niet bedoelde.

2.13.

Zo’n terugbetalingsvordering vraagt wel om een goede toelichting. De facturen van [handelsnaam] zijn direct gebaseerd op de overeenkomst, die vaststaat. Dat geldt hiervoor niet. De overeenkomst staat vast, [handelsnaam] heeft werkzaamheden verricht en [gedaagde] heeft de facturen betaald. Als zij dan desondanks vindt dat het (achteraf gezien) niet klopt, moet zij behoorlijk uitleggen waarom zij dat vindt.

2.14.

Die uitleg ontbreekt. De specificatie in productie 2 is hoofdzakelijk gebaseerd op de aanname dat [handelsnaam] hoogstens acht uur per dag werkte; als er meer gewerkt was, wordt dat nu zonder meer beschouwd als ’teveel gedeclareerd’. Maar er zit geen enkele uitleg bij waarom zij die extra uren eerst gewoon heeft uitbetaald, en ze nu toch als niet gewerkt beschouwt. Daarom gaat deze tegenvordering niet op.

2.15.

Dat geldt ook voor de tweede tegenvordering, die gaat over schadevergoeding. Volgens [gedaagde] heeft [handelsnaam] haar werk niet goed gedaan en zijn er klachten geweest. Dat wordt echter niet gespecificeerd. Daarnaast heeft [eiser] bewoners gebeld. Dat was misschien niet zo verstandig van hem, maar het spreekt niet vanzelf dat [gedaagde] daardoor schade geleden heeft. Dat wordt op geen enkele manier uitgelegd. Daarom zal ook dit onderdeel worden afgewezen.

2.16.

Kortom de verweren van [gedaagde] gaan niet op. De eis van [handelsnaam] zal worden toegewezen, inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten. De eis in reconventie is onvoldoende onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.

proceskosten

2.17.

Omdat [gedaagde] in het ongelijk gesteld wordt, wordt zij ook in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [handelsnaam] worden in conventie begroot op:

- dagvaarding € 85,79

- griffierecht € 226,00

- salaris gemachtigde € 250,00

totaal € 561,79.

Het salaris is op de gebruikelijke manier berekend, namelijk één punt per proceshandeling en een tarief dat afhangt van de hoogte van de vordering. In dit geval is het tarief € 250,00 per punt en is er gerekend met één punt, omdat de gemachtigde alleen de dagvaarding heeft opgesteld.

De kosten in reconventie bestaan alleen uit salaris. Dat wordt begroot op nul, omdat de gemachtigde daarbij kennelijk niet betrokken is geweest.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen € 5.252,93 aan hoofdsom plus € 637,65 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 39,85 aan rente tot 21 maart 2018, met de wettelijke handelsrente over € 5.252,93 vanaf 21 maart 2018 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [handelsnaam] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 561,79, waarin begrepen € 250,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [handelsnaam] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nul.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.