Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1125

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
C/16/475840 / JL RK 19-111 en C/16/475920 / JL RK 19-116
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

overweging gezamenlijk gezag ingevolge art. 1:251 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Zittingsplaats: Almere

zaakgegevens : C/16/475840 / JL RK 19-111 en C/16/475920 / JL RK 19-116

datum uitspraak: 26 februari 2019

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaken van

Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en

Samen Veilig Midden-Nederland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam van minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de vader,

woende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 18 februari 2019, ingekomen bij de griffie op
20 februari 2019;

- het verzoek met bijlagen van de GI van 20 februari 2019, ingekomen bij de griffie op
21 februari 2019.

Op 26 februari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld en gehoord:
- de minderjarige [voornaam van minderjarige] , die apart is gehoord,

- de moeder,

- de vader,

- de heer [A] namens de Raad,

- mevrouw [B] namens de GI.

De feiten
Ten aanzien van het gezag overweegt de kinderrechter als volgt. Ingevolge de toelichting op artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek, heeft ook de ouder die het kind heeft erkend voordat ouders in het huwelijk treden, door het sluiten van het huwelijk het (gezamenlijk) gezag over het kind. De kinderrechter gaat er dan ook vanuit dat, in tegenstelling tot hetgeen in de verzoeken is vermeld, het gezag over [voornaam van minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam van minderjarige] woont in een accommodatie van de jeugdhulpaanbieder. Bij beschikking van 29 november 2019 is [voornaam van minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 28 februari 2019. De kinderrechter heeft, laatstelijk bij beschikking van 6 december 2018, een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] in een accommodatie van de jeugdhulpaanbieder verleend, voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Het verzoek

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [voornaam van minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden. De GI heeft de uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] in een accommodatie van de jeugdhulpaanbieder verzocht, voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De standpunten

Moeder heeft zich ter zitting niet verzet tegen het verzoek. Het gaat goed met [voornaam van minderjarige] op de groep. Hij krijgt daar therapie en er zal op korte termijn worden gestart met dagbesteding.

Ook vader heeft ter zitting aangegeven dat het naar omstandigheden goed gaat met [voornaam van minderjarige] . De cognitieve therapie is inmiddels gestart.

Namens de GI is ter zitting naar voren gebracht dat er wordt gezocht naar een soort zorgboerderij waar [voornaam van minderjarige] kan wonen. Het is belangrijk dat er een plek voor hem gevonden wordt waar hij weinig prikkels ervaart en waar verstand is van zijn complexe problematiek. Het is voor hem lastig om te functioneren in een groep. [voornaam van minderjarige] is afhankelijk van de mensen om hem heen die spanning en stress bij hem kunnen signaleren. De hoop is dat hij daar straks, na het afronden van zijn therapieën, zelf ook meer in kan doen. [voornaam van minderjarige] laat een voorzichtige positieve ontwikkeling zien, maar er is meer nodig.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt het volgende. [voornaam van minderjarige] verblijft inmiddels al geruime tijd op de behandelgroep. Hij ontvangt daar meerdere keren per week therapie. Gezien wordt dat hij daar baat bij heeft. Inmiddels is er ook dagbesteding voor [voornaam van minderjarige] gevonden waar hij snel kan starten. Gelet op de complexe problematiek van [voornaam van minderjarige] moet gezocht worden naar een plek waar hij goede begeleiding en behandeling kan ontvangen. Daar is de afgelopen periode met alle betrokkenen naar gezocht. Inmiddels is er zicht op een plek die zou kunnen aansluiten bij de problematiek van [voornaam van minderjarige] (ADHD en MCDD). Ook gaat [voornaam van minderjarige] afwisselend op verlof naar beide ouders. De verlofmomenten van [voornaam van minderjarige] bij vader verlopen positief. [voornaam van minderjarige] speelt daar steeds vaker buiten. Ook het verlof bij moeder verloopt positief, al vindt [voornaam van minderjarige] de buurt waarin moeder woont soms erg eng. De problematiek van [voornaam van minderjarige] is erg complex wat maakt dat het lastig is om de passende hulpverlening daarvoor in het vrijwillig kader te kunnen inzetten. Een ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. Gelet op de plaatsing op de behandelgroep is eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk.

Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [voornaam van minderjarige] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:

- [voornaam van minderjarige] woont op een plek waar zijn veiligheid voldoende wordt gewaarborgd en waar wordt aangesloten bij zijn complexe problematiek;

- [voornaam van minderjarige] ontvangt een passende behandeling;

- [voornaam van minderjarige] heeft dagbesteding en gaat naar school.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom [voornaam van minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [voornaam van minderjarige] onder toezicht van Samen Veilig Midden-Nederland, met ingang van 26 februari 2019 tot 26 februari 2020;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] in een accommodatie van de jeugdhulpaanbieder, voor de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019 door mr. L.P. de Haas, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van Garderen als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op