Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1122

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
UTR 18/1554
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:713, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invorderingsbeschikking. De rechtbank oordeelt dat eiseres binnen de haar gegeven begunstigingstermijn niet aan de haar opgelegde last heeft voldaan, zodat de dwangsom van rechtswege is verbeurd. Niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van gehele of gedeeltelijke invordering van de dwangsom moet worden afgezien. Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/1554

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. van der Loos),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder

(gemachtigden: drs. D.W.L.J. Cramers en mr. F. van de Kamp).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij 1] en [derde-partij 2], [derde-partij 3], [derde-partij 4] en [derde-partij 5], en

[derde-partij 6] en [derde-partij 7], alle woonachtig te [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. F.B. van Schendel.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder van eiseres een dwangsom van € 4.000,- ingevorderd.

Bij besluit van 7 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een

verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen zijn ook verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is eigenaresse van een paardenhouderij onder de naam [paardenhouderij] op een grasland, grenzend aan en gelegen achter haar woning op het perceel aan de [adres] te [woonplaats] (het perceel). Bij besluit van 16 april 2014 heeft verweerder eiseres gelast een aantal overtredingen op het perceel ongedaan te maken onder verbeurte van dwangsommen. Bij besluit van 25 september 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 februari 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:953) heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen genoemd besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover daarbij aan eiseres de last is opgelegd om de schuur weer in de oude staat, zonder de twee illegaal gerealiseerde gedeelten, te herstellen en hersteld te houden. Daarbij heeft de rechtbank deze last als volgt geherformuleerd: “eiseres wordt gelast om, uiterlijk drie maanden na deze uitspraak, het gebruik, in welke vorm dan ook, van de schuur ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 4.000,- per constatering per twee weken, met een maximum van € 20.000,-.” Bij uitspraak van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:911) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het door eiseres naar aanleiding van deze uitspraak ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

1.2

Op 17 oktober 2017 hebben toezichthouders van verweerder op het perceel een controle uitgevoerd om te bezien of eiseres aan de lastgeving had voldaan. Tijdens die controle hebben de toezichthouders geconstateerd dat in de schuur achter de woning hoofdstellen en aanverwante paardrijspullen aanwezig waren, waarvan foto’s zijn gemaakt. De shetlanderij [paardenhouderij] staat ingeschreven in het Handelsregister. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluiten genomen.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat, gelet op de bevindingen van de toezichthouders, de overtredingen niet ongedaan zijn gemaakt. De dwangsom is daarom van rechtswege verbeurd. Verweerder is daarom overgegaan tot invordering daarvan.

3. Op grond van artikel 5:33 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een verbeurde dwangsom betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Op grond van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

4. De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot oplegging van een dwangsom met betrekking tot het strijdige gebruik van de schuur ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten in rechte vaststaat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017. Dit betekent dat de rechtmatigheid van de last onder dwangsom en de grondslag waarop dit besluit is gebaseerd niet meer aan de orde is. De begunstigingstermijn liep tot drie maanden na de verzenddatum van de uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBMNE:2016:953) van 3 maart 2016, dus tot 3 juni 2016.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuur binnen de woonbestemming van het perceel staat. Verder staat vast dat in de schuur hoofdstellen en aanverwante paardrijspullen aanwezig waren, zoals geconstateerd tijdens de controle op 17 oktober 2017 en waarvan foto’s zijn bijgevoegd. Eiseres stelt dat de last niet is overtreden, zodat de dwangsom ook niet is verbeurd. Volgens eiseres was er geen sprake van opslag van goederen in de schuur. Zij licht daarbij toe dat de spullen die ten tijde van de controle zijn geconstateerd niet in gebruik waren, privé noch bedrijfsmatig. Het waren oude zadels en caps die inmiddels zijn weggegooid. Tijdens de zitting heeft eiseres verder toegelicht dat deze spullen werden gebruikt voor de kleine shetlanders. Zij had 22 shetlanders die zij op vijf na heeft verkocht. De geconstateerde spullen in de schuur kunnen niet gebruikt worden voor de grote IJslandse paarden. De vijf shetlanders heeft zij gehouden voor haar kleinkinderen. Van invordering van een verbeurde dwangsom is volgens eiseres dan ook geen sprake.

6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1179), dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen. Verweerder heeft het invorderingsbesluit gebaseerd op de bevindingen op 17 oktober 2017 van zijn toezichthouders zoals deze blijken uit het opnamerapport met bijbehorende foto’s. Uit die foto’s blijkt dat er in de schuur een grote hoeveelheid hoofdstellen en andere aanverwante paardrijspullen zoals zadels en caps aanwezig waren. Gezien de aard en de hoeveelheid opgeslagen spullen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van opslag die verband houden met het bedrijf van eiseres en werd de schuur ten tijde van de controle dus gebruikt ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten. Daarbij betrekt de rechtbank verweerders verwijzing ter zitting naar het door eiseres in bezwaar ingebrachte [naam] -advies van 27 november 2017, waarin melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van zo’n 10 pony’s waar recreatief op wordt gereden. De pony’s worden achter de aanwezige schuur verzameld en klaar gemaakt voor een rit, waarbij de benodigde materialen zoals zadels en leidsels worden opgeslagen in de reeds aanwezige schuur. Dat de spullen ten tijde van de controle niet werden gebruikt, doet hier niet aan af. Daarmee wordt immers het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van deze schuur zoals omschreven in de last niet opgeheven. In het dwangsombesluit is eiseres opgedragen om elke vorm van opslag te verwijderen en verwijderd te houden. Ook de stelling van eiseres dat naderhand de spullen zijn weggegooid, maakt dit niet anders. Het gaat er immers om of de opslag van de spullen in de schuur vóór het einde van de begunstigingstermijn zijn verwijderd en verwijderd zijn gehouden. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres voert verder aan dat er een bedrijfswijziging heeft plaatsgevonden. Zij heeft nu een agrarisch bedrijf met daarbij paardrij-activiteiten als nevenactiviteiten. De recreatieve activiteiten zijn afgebouwd en de activiteiten zijn verschoven naar een fokkerij van IJslandse paarden zoals dit ook blijkt uit het ingebrachte advies van de Agrarische beoordelingscommissie (Abc) van 30 april 2018. Volgens eiseres zijn paardrij-activiteiten als nevenactiviteiten volgens het bestemmingsplan toegestaan en verwijst daarvoor naar artikel 4.1 van de planregels. Verder verwijst eiseres naar artikel 22.2.2 juncto artikel 22.3.1 van de planregels van het bestemmingsplan, waaruit volgt dat de omvang van het oppervlak aan bijgebouwen mag worden vergroot als de bijgebouwen noodzakelijk zijn voor het stallen van vee en/of voor activiteiten die het beheer van het landschap ten goede komen. Ter zitting heeft eiseres hierover toegelicht dat de paarden op het land het gras kort afgrazen, wat ook verplicht is, zodat gesproken kan worden van activiteiten die het beheer van het landschap ten goede komen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze stellingen geen doel treffen. Vast staat dat de schuur binnen de woonbestemming van het perceel staat en niet binnen de agrarische bestemming. Al wat eiseres in dit verband heeft aangevoerd met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten binnen de agrarische bestemming, doet in deze procedure dus niet ter zake. Verder overweegt de rechtbank dat binnen de woonbestemming agrarische nevenactiviteiten op grond van artikel 22.1, onder d, van de planregels weliswaar zijn toegestaan, maar enkel bij wijze van hobby. Voor toepassing van de artikelen 22.2.2 juncto 23.3.1, onder a, van de planregels moet dus sprake zijn van gebruik van de schuur voor het hobbymatig houden van paarden die passend zijn binnen de woonbestemming. Blijkens het door eiseres zelf overgelegde rapport is daarvan geen sprake.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres binnen de haar gegeven begunstigingstermijn niet aan de haar opgelegde last heeft voldaan, zodat de dwangsom van rechtswege is verbeurd. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1218) dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Dit betekent dat als er sprake is van een overtreding, dit er dus in beginsel toe moet leiden dat de verbeurde dwangsom wordt ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

11. Ter beoordeling staat dan ook of verweerder terecht heeft aangenomen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van gehele of gedeeltelijke invordering van de dwangsom moet worden afgezien.

12. Eiseres beroept zich in dit verband op het vertrouwensbeginsel. Tijdens de openbare commissievergadering van 13 mei 2015 is te beluisteren dat de gehele gemeenteraad de Shetlanderij van eiseres in de vorm van recreatie wenst te behouden op het perceel. De wethouder heeft zich achter de gemeenteraad geschaard en zodoende heeft verweerder een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt om de Shetlanderij via een Wabo-vergunning mogelijk te maken.

13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel in dit geval niet kan slagen. Daartoe overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Uit de door eiseres geciteerde uitlatingen van de wethouder tijdens de vergadering kan de rechtbank niet afleiden dat een dergelijke toezegging is gedaan. De wethouder heeft kennelijk tijdens die vergadering aangegeven mee te willen denken over het rond krijgen van de bedrijfsvoering van eiseres, maar daaruit blijkt niet dat verweerder heeft toegezegd niet handhavend op te zullen treden tegen het strijdige gebruik van de schuur zoals die in deze zaak is geconstateerd. Verder heeft verweerder al eerder een handhavingstraject ingezet ten aanzien van geconstateerde overtredingen op het perceel in het kader van de bedrijfsvoering van eiseres die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017. Eiseres had daaruit kunnen afleiden dat verweerder een met het bestemmingsplan overeenstemmende situatie nastreefde op het perceel. Eiseres heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan.

14. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het door eiseres aangevoerde geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder wegens bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. De stelling van eiseres dat de naaste buren geen klachten van overlast ondervinden, wat overigens door verweerder wordt betwist, kan niet als bijzondere omstandigheid gelden. De opgelegde last onder dwangsom moet worden nageleefd, ook bij afwezigheid van klachten hierover.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.