Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1108

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
16/652648-18 en 20/003827-15 (vord. tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee 37-jarige mannen zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor het verduisteren van audioapparatuur bij voetbalvereniging HVC in Amersfoort. Een 37-jarige man is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Een 37-jarige medeverdachte is veroordeeld tot een celstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

Eén van de verdachte sloot vorig jaar een huurovereenkomst af met een bedrijf dat onder andere audioapparatuur verhuurt. Op 18 augustus is de apparatuur geleverd en opgebouwd bij de voetbalvereniging. Enkele uren later heeft de medeverdachte het audioapparatuur afgebouwd, in een aanhanger geladen en van het terrein gereden. De man die als huurder in de huurovereenkomst stond heeft na de verduistering aangifte gedaan van diefstal van de gehuurde apparatuur.

Naast de verduistering hebben beide verdachten zich ook schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten. De 'huurder' is veroordeeld voor het doen van een valse aangifte en het opzettelijk afleggen van een valse verklaring onder ede bij de rechter-commissaris. De andere verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het beledigen van een politieagent en het onbruikbaar maken van een politiecel, door in die cel te urineren. Naast de gevangenisstraf moeten de verdachten ook de schade aan de verhuurder vergoeden. Omdat beide mannen eerder zijn veroordeeld voor een voorwaardelijke gevangenisstraf moeten ze ook die gevangenisstraf uitzitten. De 'huurder' moet nog 15 dagen en de man medeverdachte nog 10 maanden gevangenisstraf uitzitten.

De twee mannen hebben het vertrouwen van de verhuurder ernstig beschaamd en hem overlast en financiële schade toegebracht. Zij hebben zich enkel laten leiden door hun zucht naar financieel gewin. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere rekening gehouden met straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken, de overige strafbare feiten die zijn gepleegd zijn en het strafblad van de mannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/652648-18 en 20/003827-15 (vord. tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 november 2018 en 4 maart 2019. De inhoudelijke behandeling heeft op 4 maart 2019 plaatsgevonden, waarbij de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd is behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (16/168278-18).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partij [benadeelde] naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 16 november 2018 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: (primair) op 18 augustus 2018 te Amersfoort samen met (een) ander(en) audioapparatuur en/of bijbehorende flightcases heeft verduisterd, welke goederen toebehoren aan [benadeelde] dan wel (subsidiair) dat hij die goederen toen samen met (een) ander(en) heeft gestolen dan wel (meer subsidiair) dat hij die goederen toen samen met (een) ander(en) heeft geheeld;

feit 2: (primair) op 24 augustus 2018 te Houten een groep mensen heeft beledigd, te weten het negroïde ras dan wel (subsidiair) dat hij toen een ambtenaar, te weten [A] , heeft beledigd door hem de woorden “Kankerzwarte” en/of “Kankerlijers” toe te voegen;

feit 3: op 24 augustus 2018 te Houten een cel onbruikbaar heeft gemaakt door onder meer tegen het etensluikje te urineren.

De rechtbank merkt ten aanzien van feit 1 op dat na de zinsnede “welke goederen verdachte” in de tekst van de tenlastelegging niet tevens is opgenomen “en/of zijn mededader”. De rechtbank ziet dat, gelet op de opbouw van het feit, evenwel als een kennelijke misslag en zal de tekst van de tenlastelegging verbeterd lezen en wel in die zin dat na “welke goederen verdachte” de zinsnede “en/of zijn mededader” wordt ingelezen.

Verdachte is door deze verbeterde lezing niet in zijn verdediging geschaad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich evenals de officier van justitie op het standpunt gesteld dat het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De raadsman heeft zich daarentegen ten aanzien van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte van deze feiten vrijgesproken dient te worden.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de audioapparatuur weliswaar heeft ingeladen, dat hij deze heeft weggebracht en dat hij voor zijn werkzaamheden een kleine vergoeding heeft gehad, maar dat op grond van de bewijsmiddelen, waarvan de verklaring van de medeverdachte volgens de raadsman uitgesloten dient te worden, niet valt vast te stellen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de criminele herkomst van de goederen of van de criminele intenties van zijn mededader.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde 1

De aangifte van [aangever] , namens [benadeelde] en [B] – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik ben (…) werknemer bij het bedrijf [benadeelde] (…). Dit bedrijf levert audiovisuele apparatuur voor feesten partijen en evenementen.2 Op zaterdag 18 augustus 2018 om 08:30 uur heb ik de audio-apparatuur gebracht en opgebouwd bij [voetbalclub] , een voetbalvereniging gevestigd (…) te [woonplaats] . (…) Ik had met de huurder genaamd [medeverdachte] een overeenkomst gesloten om deze apparatuur voor een feest bij de [voetbalclub] te leveren en op te bouwen. Beiden hadden wij het contract getekend voor het huurbedrag van 930,- euro. Nadat ik samen met de heer [medeverdachte] de apparatuur op het podium opgebouwd had ontving ik 250,- euro borg van de heer [medeverdachte] . De afspraak die ik had met de heer [medeverdachte] was, dat ik de apparatuur op zondag 19 augustus 2018 omstreeks 10.30 uur weer zou afbouwen en meenemen. De heer [medeverdachte] zou dan aanwezig zijn en mij de huur van de apparatuur betalen. Ik had geleverd aan deze voetbalvereniging:

2x Pioneer CDJ 2000 Nexus (…) (voorzien van flightcase (…))

1. x Pioneer DJM 900 Nexus 2 (…) (voorzien van flightcase (…))

6 x Electro Voice QRX118 subwoofers (…)

4 x Electro Voice QRX212 speakers. (…)

1. x legergroene Fligthcase (…)

1. x Shure SM 58 microfoon

1. x Soundcraft EFX8 mixer, inclusief flightcase (…)

2 x Electro Voice ZLX-12P speakers

Complete kabelset (…)

1. x DJ booth (…).

Op zondag 19 augustus 2018 omstreeks 10.30 uur kwam ik bij de locatie in Amersfoort om de apparatuur op te halen. Toen ik het terrein op liep zag ik dat een groot gedeelte van de apparatuur niet aanwezig was. (…) Ik ben naar een man gelopen en ik heb hem gevraagd of hij wist waar de apparatuur gebleven was. Ik hoorde hem zegen dat de apparatuur op zaterdagmiddag 18 augustus 2018 rond 12:00 uur al was opgehaald. (…) Een van de mannen vertelde mij dat hij een man had gezien met een tattoo in zijn nek. Deze man had gezien dat de apparatuur werd ingeladen in een personenauto met aanhanger.3

De verklaring van verdachte – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Verdachte verklaart dat hij inderdaad op zaterdag 18 augustus 2018 in Amersfoort is geweest bij de voetbalvereniging [voetbalclub] . Verdachte verklaart ook dat het klopt dat hij op de camerabeelden is te zien en dat er te zien is dat hij geluidsapparatuur aan het verplaatsen is. (…)

De bevindingen van [verbalisant 1] – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Hierop volgend heb ik aan [C] gevraag hoe laat hij afgelopen zaterdag 18 augustus 2018, op het terrein bij voetbalvereniging [voetbalclub] aan kwam (…). Ik hoorde dat [C] het volgende vertelde:

-dat hij omstreeks 11.00 uur a 11.30 uur aan kwam op het terrein van [voetbalclub] ;

-dat hij bij aankomst een compleet podium, met professionele geluids- en draaiapparatuur zag staan;4

(…)

-dat hij (…) een persoon aan de professionele apparatuur zag rommelen;

-dat hij deze persoon als volgt kan omschrijven: blanke man (…) opvallende tatoeages.

(…)

Ik hoorde dat [C] vertelde dat hij zich 1 van deze tatoeages in de hals nog goed weet te herinneren, namelijk: horizontale streepjes, daarbij de afbeelding van een schaar, daarbij de tekst “Cut Here” (…) vanaf dit moment verdachte 1 genoemd;

-dat hij zag dat verdachte 1 nog steeds aan het klooien was met de apparatuur;5

(…)

-dat hij nog aan verdachte 1 gevraagd had of het DJ meubel wel mocht blijven staan;

-dat verdachte 1 antwoordde: “DJ meubel heb ik niet nodig, die mag je van mij gebruiken en kom ik morgen wel ophalen.”

(…)

-dat verdachte 1 dus gewoon hulp aan hem vroeg;

(…)

-dat zijn 3 maatjes, verdachte 1, geholpen hebben, om de speakers van de speakertoren, samen me verdachte 1 in de aanhangwagen van verdachte 1 te leggen;

(…)

-dat verdachte 1, zeker 1 tot 1,5 uur bezig geweest is met het demonteren van de geluidsapparatuur;

(…)

-dat hij zag, dat verdachte 1 tijdens het demonteren, voortdurend contact had met een tweede man;

-dat het heel duidelijk was, dat verdachte 1 en de tweede man elkaar kenden, dit vanwege de wijze waarop ze met elkaar spraken.

(…)

Ik hoorde dat [C] vertelde dat hij sinds gisteren ook de naam van de tweede verdachte weet, namelijk [medeverdachte] .6

De bevindingen van [verbalisant 2] – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik was belast met het uitluisteren van geluidsopnamen welke waren opgenomen in twee verschillende penitentiaire inrichtingen. (…) Ik hoorde dat de gesprekken gevoerd werden tussen verschillende personen (…). Het is mij bekend dat de persoon welke vanuit de penitentiaire inrichting belt is genaamd [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] de meeste gesprekken voert met [medeverdachte] . Het is mij ambtshalve bekend dat dit [medeverdachte] betreft. Ik zal hieronder de meest relevante en zaak gerelateerde gesprekken samenvatten:

2 september 2018 om 14.27.04 uur

(…)

[verdachte] : Ik ga regelen dat de spullen terug komen, dat gaat een hoop ellende schelen. Als ik vrij ben dan rijden we samen naar Werkendam en dan zoeken we die twee loodsen op en gaan we even snuffelen of die spullen er nog staan. (…)

20 oktober 2018 om 15.06.55 uur

(….)

[verdachte] : Weet je wat het is [medeverdachte] , ze hebben ons samen weg zien gaan van het terrein om die aanhanger te halen. (…)

[medeverdachte] : Ik heb met jou die aanhangwagen opgehaald in Leusden (…).7

De ter terechtzitting van 4 maart 2019 afgelegde verklaring van getuige [medeverdachte] – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik en Erik [verdachte] hadden samen het plan bedacht om geluidsapparatuur te verduisteren. Ik zou de geluidsapparatuur huren en deze laten bezorgen bij voetbalclub [voetbalclub] te Amersfoort. [verdachte] zou daar de audioapparatuur ophalen en deze vervolgens verkopen.

Ik heb bij [benadeelde] professionele geluidsapparatuur gehuurd en deze is op 18 augustus 2018 bij [voetbalclub] bezorgd. De huur van de geluidsapparatuur bedroeg € 930,-- en ik heb een borg betaald van € 250,--. Ik heb die dag ook samen met [verdachte] een aanhanger opgehaald. [verdachte] heeft de geluidsapparatuur op de aanhanger geladen en is met vervolgens met de geluidsapparatuur vertrokken. Ik weet niet waar de goederen zijn gebleven, maar ik heb van [verdachte] gehoord dat deze ergens in een loods staan.8

4.3.2

Overwegingen over het onder 1 primair ten laste gelegde

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de verduistering. De audioapparatuur was immers legaal door [medeverdachte] gehuurd.

De rechtbank oordeelt hieromtrent anders en overweegt dat zij de verklaring van [medeverdachte] omtrent het gezamenlijke plan om de audioapparatuur te verduisteren aannemelijk acht omdat die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen en in de uiterlijke verschijningsvorm, zoals deze uit de bewijsmiddelen naar voren komt. De rechtbank ziet, hoewel [medeverdachte] wisselend heeft verklaard, geen reden om die verklaring van [medeverdachte] uit te sluiten van het bewijs. In dat kader wijst de rechtbank er op dat verdachte en [medeverdachte] samen de aanhanger hebben opgehaald waarop op een later moment de audioapparatuur is geladen, dat verdachte en [medeverdachte] veelvuldig contact hebben tijdens het afbreken van de audioapparatuur en het inladen daarvan, en dat verdachte er van op de hoogte was waar de audioapparatuur heen moest. Daar komt nog bij dat verdachte volgens [C] heeft gezegd dat hij nog wel een dag gebruik mocht maken van het DJ-meubel omdat hij, verdachte, deze een dag later wel zou komen ophalen, hetgeen duidt op verdergaande betrokkenheid dan het enkel in opdracht heen en weer rijden van audioapparatuur.

Verdachte heeft tegenover dit belastende bewijs geen geloofwaardige en aannemelijke verklaring gegeven die zijn betrokkenheid bij de verduistering zou ontzenuwen. Integendeel. Zo heeft hij verklaard geen [medeverdachte] te kennen, terwijl uit het dossier volgt dat zij elkaar voorafgaand aan het ten laste gelegde al langere tijd kennen, hetgeen bovendien ook blijkt uit de veelvuldige contacten die hij met [medeverdachte] heeft gehad vanuit de PI. Uit diezelfde PI-gesprekken blijkt voorts dat verdachten wilden gaan controleren of de goederen nog in de loods in Werkendam stonden, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij de spullen ergens langs de snelweg aan een voor hem onbekende man heeft afgegeven. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij voor zijn aandeel, naar eigen zeggen het enkel inladen en vervoeren van de audioapparatuur, € 100,-- en benzinegeld heeft ontvangen, hetgeen niet aannemelijk is nu uit het dossier blijkt dat hij € 50,-- heeft gegeven aan een drietal voor hem onbekende jongens die hem hielpen met inladen.

De rechtbank stelt op grond van het bewijs, in onderling verband en samenhang bezien, dan ook vast dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.3.3

Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte van dat feit dan ook vrijspreken.

4.3.4

Het oordeel over het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde

Verdachte heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten onder 2 subsidiair en 3, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard, een bekennende verklaring afgelegd. De verdediging heeft ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

feit 2 subsidiair:

- de aangifte van [A] ;9

- de bevindingen van [A] ;10

- de bekennende verklaring van verdachte.11

feit 3:

- de bevindingen van [verbalisant 3] ;12

- de aangifte van [A] , namens Apu Houten;13

- de bekennende verklaring van verdachte.14

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

op 18 augustus 2018 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk audio apparatuur en bijbehorende flightcases, toebehorende aan

[benadeelde] , welke goederen verdachte en zijn mededader, anders dan door misdrijf, te weten als huurder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2 subsidiair.

op 24 augustus 2018 te Houten, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [A]

, surveillant van politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende en ter

zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "Kankerzwarte".

3.

op 24 augustus 2018 te Houten, opzettelijk en wederrechtelijk een cel, toebehorende aan APU Houten, onbruikbaar heeft gemaakt, door toen aldaar

opzettelijk en wederrechtelijk in die cel te urineren en tegen het etensluikje van die cel te urineren.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van verduistering.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de hierna genoemde (en door de reclassering geadviseerde) bijzondere voorwaarden, te weten

– kort gezegd –:

 een meldplicht bij de reclassering;

 een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);

 het meewerken aan schuldhulpverlening;

 meewerken aan ambulante woonbegeleiding (indien geïndiceerd gedurende het toezicht).

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, in geval van bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde, aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van de voorlopige hechtenis, zoals verdachte die tot het moment dat de voorlopige hechtenis is geschorst heeft uitgezeten. In het geval de rechtbank ook één van de onder 1 ten laste gelegde feiten bewezen acht is het aandeel van verdachte dermate gering geweest dat ook in dat geval volstaan dient te worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 89 dagen. De raadsman heeft daarnaast verzocht een voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan verduistering van zeer waardevolle audioapparatuur en bijbehorende flightcases. Hiermee hebben zij het vertrouwen van de verhuurder in ernstige mate beschaamd. Daarnaast heeft dit misdrijf veel overlast en financiële schade bij de verhuurder teweeggebracht. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stilgestaan en zich enkel laten leiden door zijn zucht naar geldelijk gewin.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het beledigen van een verbalisant en het onbruikbaar maken van een cel door in die cel tegen het etensluikje aan te urineren. Met deze denigrerende handelingen heeft verdachte aangetoond weinig respect voor het gezag van autoriteiten te hebben en evenmin voor andermans goederen.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 21 januari 2019is gebleken dat hij in het verleden veelvuldig is veroordeeld, waarbij meerdere malen voor vermogensdelicten en ook voor een belediging van een ambtenaar in functie. De laatste onherroepelijke veroordeling dateert van 26 april 2017. Verdachte is toen door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter zake van onder meer meerdere verduisteringen en een belediging van een ambtenaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Dit betekent dat verdachte ten tijde van de hiervoor bewezen verklaarde feiten in een proeftijd liep en dat deze proeftijd en de hem boven het hoofd hangende forse gevangenisstraf hem er kennelijk niet van weerhouden hebben opnieuw strafbare feiten te plegen. Het strafblad wordt dan ook, gelet op de bestaande recidive, in strafverzwarende zin meegewogen.

Uit het strafblad is verder gebleken dat verdachte op 28 september 2018 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en de rechtbank zal op grond van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht met die straf rekening houden.

Namens Tactus Reclassering Flevoland heeft mw. W. Hanse, reclasseringswerker, een rapport over verdachte uitgebracht. In dit rapport van 7 november 2018 wordt onder meer weergegeven dat bij verdachte sprake is van een forse delictgeschiedenis waarbij er sprake is van een delictpatroon wat betreft vermogensdelicten. Het risico op recidive wordt op basis van de OXREC geschat als hoog. Dit komt mede door de financiële situatie van het gezin, waarbij sprake is van een gezamenlijke uitkering en een forse schuldenlast. Er zijn aanwijzingen voor een deviant netwerk, beperkte copingvaardigheden voor de verschillende problemen en een beperkte intelligentie. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de hiervoor bij de eis van de officier van justitie genoemde bijzondere voorwaarden te verbinden.

Op te leggen straf

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de op het strafblad vermelde eerdere feiten en strafopleggingen en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstaf.

In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte wat betreft het onder 1 bewezen verklaarde geen openheid van zaken heeft gegeven, dat hij wat dat feit betreft geen verantwoordelijkheid heeft genomen en dat hij er geen blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Verdachte is eveneens niet verschenen op de terechtzitting.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering genoemde voorwaarden verbinden.

Voorlopige hechtenis

Bij beslissing van 16 november 2018 is de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 20 november 2018 geschorst. Als een voorwaarde voor schorsing is door de rechtbank opgenomen dat verdachte dient te verschijnen op iedere oproeping door enige justitiële instantie. Ter terechtzitting van 16 november 2018 is verdachte de zittingsdatum van 4 maart 2019 aangezegd, maar verdachte is op laatstgenoemde zitting echter niet verschenen. De rechtbank heeft, nu verdachte één van de schorsingsvoorwaarden dus niet was nagekomen, ter terechtzitting van 4 maart 2019 de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis toegewezen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 31.530,15. Dit bedrag bestaat geheel uit materiële schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit. De materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    schade apparatuur, € 28.765,00;

  • -

    porto aangetekende brief, € 9,23;

  • -

    kilometervergoeding, € 21,00;

  • -

    facebookadvertentie, € 175,55;

  • -

    niet ontvangen huurbedrag, € 768,60;

  • -

    uren besteed aan onderzoek , aangifte etc, € 1.800,00;

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade betreft.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering integraal hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich allereerst, gelet op het gevoerde pleidooi tot vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dien te worden dan wel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Tot diezelfde conclusies dient de rechtbank volgens de raadsman te komen omdat de vorderingen, die volgens de raadsman thans onvoldoende onderbouwd is, een te grote belasting vormt voor behandeling in het strafproces.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde] als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit schade heeft geleden. De rechtbank zal het totaalbedrag dat door de benadeelde partij wordt gevorderd ten aanzien van de kostenpost ‘schade apparatuur’ toewijzen tot een bedrag van € 10.000,00. De rechtbank acht de schade tot dit bedrag voldoende aannemelijk. Meer dan € 10.000,00 voor de apparatuur zal de rechtbank in dit strafgeding niet toewijzen, onder meer omdat niet bekend is hoe oud de verduisterde apparatuur was. De kostenposten ‘porto aangetekende brief’, ‘kilometervergoeding’ en ‘niet ontvangen huur bedrag’ zal de rechtbank eveneens toewijzen, nu deze kostenposten voldoende zijn onderbouwd. Met betrekking tot de kostenpost ‘niet ontvangen huur’ sluit de rechtbank zich aan bij de berekening van de raadsman en zal die kostenpost toewijzen voor een bedrag van € 680,00. De rechtbank zal daarom de vordering tot een bedrag van € 10.710,23 toewijzen.

Nu de verdachte samen met zijn mededader aansprakelijk is voor deze geleden schade, zal de vordering van de benadeelde partij derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen conform artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel, dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd, een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering voor dat deel desgewenst aan de orde stellen in een procedure bij de burgerlijke rechter.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde] aan verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 10.710,23, te vermeerderen met voornoemde wettelijke rente. Als door verdachte en/of zijn mededader niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 88 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien de betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden ten uitvoer te leggen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 april 2017 (parketnummer: 20-003827-15) is aan verdachte onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk opgelegd. Aan dit voorwaardelijke deel heeft de rechtbank een proeftijd van 2 jaren verbonden, met onder andere de voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet schuldig zou maken aan een strafbaar feit.

Uit voornoemde bewezenverklaring is gebleken dat verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Om die reden zal de eerdere voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden alsnog ten uitvoer gelegd worden.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 47, 57, 63, 266, 267, 321 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende proeftijd:

* zich binnen 3 werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zich meldt bij Novadic-Kentron reclassering Breda (bij mevr. Van der Nap) op het adres: Verlengde Poolseweg 2 te Breda. Hierna moet verdachte zich bij de reclassering blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

* zich laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zo veel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig alcoholgebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat de kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

* dient mee te werken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft daarbij inzicht in zijn financiën en schulden.

* dient, indien geïndiceerd en door de toezichthouder noodzakelijk geacht, mee te werken aan een traject van ambulante woonbegeleiding, gericht op de ondersteuning bij zowel praktische als sociale zaken, aangaande betrokkene en zijn gezin, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 20/003827-15

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 26 april 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden;

Benadeelde partij

- wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.710,23 (zegge: tienduizend zevenhonderdentien euro en drieëntwintig cent), geheel bestaande uit materiële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2018 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat

€ 10.710,23 (zegge: tienduizend zevenhonderdentien euro en drieëntwintig cent) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2018 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 88 dagen hechtenis. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.B. Snijders Blok, voorzitter, mrs. E.J. van Rijssen en

C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2019.

Mr. E.J. van Rijssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 18 augustus 2018 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk audio apparatuur en/of bijbehorende

flightcases, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Audivi, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten

als huurder, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 18 augustus 2018 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, audio apparatuur en/of (bijbehorende) fligthcases en/of een

meer andere goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende Audivi, in elk geval aan een ander of anderren dan aan verdachte, heeft weggenomen;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 18 augustus 2018 te Amersfoort tezamen en in vereniging,

althans alleen, audio apparatuur en/of bijbehorende flightcases, in elk geval

enig goed, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van die goederen, althans dit goed, wist, althans redelijkwijs moest

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 24 augustus 2018 te Houten, in elk geval in Nederland,

zich in het openbaar, mondeling opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over

een groep mensen, te weten het negroïde ras, wegens hun ras, door opzettelijk

beledigend naar [A] , surveillant van politie, te roepen:

"Kankerzwarte";

art 137c lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 augustus 2018 te Houten, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [A]

, surveillant van politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende en/of ter

zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het/de woorden "Kankerzwarte"

en/of "Kankerlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 augustus 2018 te Houten, in elk geval in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een ophoudruimte/cel, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan APU Houten, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, onbruikbaar heeft gemaakt, door toen aldaar

opzettelijk en wederrechtelijk in die ophoudruimte/cel te urineren en/of

op/tegen het etensluikje van die ophoudruimte/cel te urineren en/of water al

dan niet vermengd met urine op de grond van die ophoudruimte/cel te gooien

en/of door op de grond van die ophoudruimte/cel te spugen.

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van processen-verbaal die zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2018247801Z, opgemaakt door politie Midden-Nederland, basisteam Amersfoort, doorgenummerd pagina 1 tot en met 123. Wanneer paginanummers verwijzen naar andere processen-verbaal, dan wordt dit expliciet vermeld. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal die op ambtseed of ambtsbelofte en in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever] , namens [benadeelde] en [B] , pag. 44.

3 Idem, pag. 45.

4 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , pag. 56.

5 Idem, pag. 57.

6 Idem, pag. 58.

7 Losbladig proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] (proces-verbaalnummer: PL0900-2018242089-44.

8 Verklaring van de getuige [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 4 maart 2019.

9 Proces-verbaal van verhoor van aangever [A] , pag. 113.

10 Proces-verbaal van bevindingen van [A] , pag. 115.

11 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pag. 106

12 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] , pag. 118.

13 Proces-verbaal van verhoor van aangever [A] , namens Apu Houten, pag. 116.

14 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pag. 106.