Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1060

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
NL.18.12257
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Consumentenkoop. Begrip handelaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer: NL18.12257

Vonnis van 14 maart 2019

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat mr. T. Teke te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat mr. M.P.H. Sanders te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding met bewijsstukken 1 tot en met 16,

  • -

    het verweerschrift met bewijsstukken 1 tot en met 21,
    - het door [verweerder] op 28 september 2018 geüploade bewijsstuk 5,
    - de door [eiser] op 20 en 23 januari 2019 geüploade bewijsstukken 17 tot en met 31,
    - de door [verweerder] op 29 januari 2019 geüploade bewijsstukken 22 en 23,
    - het door [eiser] op 29 januari 2019 geüploade bewijsstuk 32,
    - de spreekaantekeningen van [eiser] ,

  • -

    de spreekaantekeningen van [verweerder] ,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 30 januari 2019 en de reacties van

[eiser] en [verweerder] hierop.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In september 2016 heeft [eiser] aan [verweerder] een klein Tang-dynastie paard met ruiter verkocht en geleverd en in oktober 2016 een Han-dynastie vaas.

2.2.

Op 10 november 2016 heeft [verweerder] in het appartement van [eiser] aan [eiser] laten weten dat hij twee ' Chinese Tang- dynastie polospelers te paard (hierna: de beelden) wilde kopen voor een bedrag van € 250.000,-. [eiser] heeft hiermee ingestemd.

2.3.

Op 26 november 2016 heeft [verweerder] aan [eiser] gezegd van de koop van de beelden te willen afzien.

2.4.

In zijn brief van 2 december 2016 heeft [eiser] aan [verweerder] , onder meer, het volgende vermeld:
“(…) Het kon niet aan de prijs liggen, want je had onmiddellijk een scherpe prijs uit onderhandeld (ondanks dat € 250.000 een 'aanzienlijk' bedrag is) omdat ik bij uitzondering geen eigenaar was van dit object (en ik je dit, inclusief de redenen ervan, vertrouwelijk had medegedeeld) en derhalve met een uiterst bescheiden marge genoegen nam c.q. moest nemen. Sterker nog, had ik de financiële middelen gehad dan had ik de polo-ruiters zelf gehouden!
(…)
Het feit dat ik woord kon houden richting mijn Hong Kong contact (wiens geduld - en dat van zijn Chinese relatie-verzamelaar - al danig op de proef gesteld was omdat ik de polo-spelers door omstandigheden niet kon voorfinancieren) was echter veel waard, omdat ik als trouwe afnemer zodoende de goede relatie in stand hield en ik ook in de toekomst de weinige échte topstukken exclusief aangeboden zou blijven krijgen. lk kan de deal met de Chinezen nooit terugdraaien en zou dat ook/zelfs niet moeten willen. (…)”
2.5. In zijn brief van 9 december 2016 heeft [eiser] aan [verweerder] , onder meer, het volgende vermeld:
“(…) Toen je die avond, na mijn toelichting op de opgestelde kunst, onmiddellijk aangaf de unieke 'blauwe' polo-spelers te willen kopen; heb ik je zelfs nog een paar keer gevraagd of je daar niet eerst nog eens rustig over na wilde denken. Maar je was heel resoluut in je beslissing. Waarop ik je nog een relevante vergelijkbare Sotheby's veiling-referentie liet zien om althans enigszins het 'prijskader' aan te geven. Je volgde me vervolgens direct naar de keuken om de aankoop met me af te wikkelen; na eerst een scherpe prijs te hebben bedongen. Hierbij heb ik nog herhaald - ik had je dit ook toevertrouwd tijdens een toevallige recentelijke ontmoeting in [voornaam van A] 's galerie - dat ik zelf (helaas) geen financiële armslag heb vanwege alle juridische mummie-kosten en ik daardoor zelfs (privé)kunst moest verkopen. lk heb je ook in vertrouwen gezegd dat ik de polo-spelers, bij grote uitzondering, 'in consignatie' had; ik met een relatief kleine marge blij was, maar ik mijn intermediair wel spoedig zou moeten betalen.
(…)
Na jouw aankoop op 10 november, heb ik vanzelfsprekend mijn intermediair bevestigd dat

de polo-spelers (die hij namens een Chinese verzamelaar mocht aanbieden) verkocht waren en ik ze zo spoedig mogelijk zou betalen. Uiteraard heeft mijn intermediair dit op zijn beurt aan zijn relatie bevestigd. Zoals ook jij goed weet, draait vooral in China alles om vertrouwen en de opgebouwde relatie; waarbij 'een man een man een woord een woord' heilig is. De reden dat me regelmatig, en sinds lang, daadwerkelijk unieke sculpturen aangeboden (eigenlijk 'gegund') worden. Om meerdere gegronde redenen kan ik derhalve niet op mijn toezegging en bevestiging terugkomen de polo-paarden (spoedig) met hem af te rekenen. (…).”
2.6. Bij brief van 16 december 2016 heeft [eiser] [verweerder] verzocht om te bevestigen dat de overeenkomst wordt nagekomen en om een datum te noemen waarop de beelden na betaling worden opgehaald. In de brief is verder, voor zover relevant, vermeld:

“(…) Voor de goede (en eerlijke) orde [voornaam van verweerder] , nogmaals de feiten kort op een rij. Op 10 november jongstleden, tijdens de door jou zelf georganiseerde middag-avond, riep je na mijn kunst-toelichting direct dat je de 'blauwe' polo-spelers wilde kopen. (…) Vervolgens heb je een scherpe prijs van € 250.000 bedongen waarbij ik je vertelde dat ik de polo-spelers in consignatie had omdat ik ze niet kon (voor)financieren wegens alle juridische mummie-kosten (hetgeen ik je reeds eerder toevertrouwde) en ik zelf spoedig financieel zou moeten afwikkelen met (de intermediair van) de eigenaar.
(…)

En vanzelfsprekend kun je altijd objecten overdoen aan andere particuliere verzamelaars. Zoals ik dat zelf - af-en-toe en bij gelegenheid - al meer dan twintig jaar pleeg te doen.
Díe bewuste zaterdag 26 november was ik net in [voornaam van A] 's galerie toen jij binnen paradeerde. Zonder aanleiding riep je out-of-the-blue "niet meer af te willen nemen omdat je onvoldoende kennis van (Chinese kunst)zaken zou hebben om een uitgave van € 250.000 voor jezelf te kunnen rechtvaardigen". Nota bene meer dan twee weken na je aankoop. Dit nadat je ons zelfs had aangegeven hoe je de polo-paarden thuis op wilde stellen. Dit terwijl je weet dat ik uitgerekend deze objecten in consignatie heb en ik, na (bevestiging van de) verkoop, op mijn beurt financieel spoedig af moet wikkelen. Terwijl je weet dat mijn relatie met de Chinezen hiervan afhangt en zij mij (terecht) altijd, volgens hun 'mores', aan mijn woord zullen houden.
(…).”
2.7. Op 28 augustus 2017 heeft op verzoek van [eiser] bij deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij partijen en de heer [A] , kunsthandelaar, zijn gehoord. [verweerder] heeft afgezien van het horen van getuigen.

[eiser] heeft, onder meer, verklaard:
“(…)
U vraagt mij hoe ik die beeldjes heb verkregen. Als ik naar Azië reis ga ik naar een speciale handelaar in Hong Kong die ik al 25 jaar ken en zaken mee doe. (…) Ze kennen mijn smaak na 25 jaar en weten zo waar ik in geïnteresseerd ben. (…) Over de betaling had ik met de Chinese handelaar geen harde afspraken gemaakt. De meeste beelden betaal ik van te voren maar deze zijn prijzig. Ik mocht deze op termijn betalen.
(…)
Ik oefen geen beroep op bedrijf uit in de kunsthandel. Ik heb 10 jaar een architectenbureau, kunst is voor mij puur een privéaangelegenheid. Ik heb geen galerie. Door de mummiekwestie zit ik in de financiële problemen. Daardoor moet ik stukken uit mijn privécollectie verkopen. Dat heb ik reeds in ons eerste contact in september 2015, en ook in onze contacten daarna, aan [verweerder] verteld. [verweerder] wilde mij helpen door de paardjes te kopen.
Tijdens het gesprek in de keuken op 10 november 2016 bij mij thuis heeft [verweerder] mij gevraagd naar de beste prijs. Hierop heb ik hem gezegd dat ik het bedrag zo laag mogelijk wilde houden maar of hij dan wel zo snel mogelijk wilde betalen. De Chinezen wilden ook snel betaald worden. Met de Chinezen had ik een prijs van € 220.000,00 afgesproken. Voor de betaling van die prijs was geen termijn gesteld. Dat zou hooguit binnen enkele maanden voldaan moeten worden.(…)
U vraagt mij hoe de € 220.000,00 voor de beeldjes door mij betaald zouden worden aan de Chinezen. Ik heb de Chinezen gezegd dat ik de beeldjes op enig moment zou kunnen afnemen door andere stukken uit mijn collectie te verkopen. Ik had geen geld om de beeldjes zelf te houden. Misschien was een andere verzamelaar wel geïnteresseerd en kon ik op deze manier het contact in stand houden. Zou zo ik dan de beelden kunnen doorschuiven naar een ander en zou ik zelf een marge overhouden. Ook is het mogelijk dat ik de beelden zonder marge voor mezelf doorschuif omdat het voor mij het allerbelangrijkste is dat ik het contact met de Chinezen in stand houdt en van hen te kunnen afnemen. In de afgelopen 2 jaar zijn er voor mij eigenlijk maar drie opties, te weten: afnemen en zelf houden, maar dat is niet vanwege mijn financiële situatie niet echt reëel, afnemen en uitstel vragen om te proberen om of wel te verkopen of wel te behouden door stukken uit mijn eigen collectie te verkopen en een derde is om de beelden door te schuiven naar een andere, mij bekende medeverzamelaar, waarbij ik al dan niet een marge realiseer.
(…).”
De heer [A] heeft, onder meer, verklaard:
“ (..) Ik heb eerder objecten van [eiser] verkocht. Dat was ook aan andere partijen dan [verweerder] . Dat kwam regelmatig voor. [eiser] factureerde zelf. Dan stuurde ik hem een commissiefactuur. Ook kwam het voor dat ik vanuit de galerie een factuur stuurde naar de koper van een object van [eiser] .
(…)”

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [verweerder] veroordeelt:
a. tot betaling van € 250.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2017 tot de dag van algehele betaling;

b. tot nakoming van de koopovereenkomst of afname van de beelden binnen twee dagen nadat [verweerder] de koopsom onder petitum sub a volledig aan [eiser] heeft betaald, onder verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,- per dag dat [verweerder] nalaat aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,-;

c. tot vergoeding van een bedrag van € 31.250,- als voorschot op de schade;

d. de verdere schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

e. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.660,26;

f. in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Er is sprake van een koopovereenkomst. [verweerder] heeft nagelaten de koopsom te betalen en de beelden af te nemen. Dit levert een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst op en kwalificeert als een onrechtmatige daad, zodat [verweerder] gehouden is de schade – bestaande uit de koopsom en gevolgschade – te vergoeden.

3.3.

[verweerder] voert verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen, althans de vorderingen af te wijzen met veroordeling van [eiser] in de kosten.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

Voordat aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak wordt toegekomen, moet eerst worden beoordeeld of [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen. [verweerder] heeft namelijk aangevoerd dat [eiser] geen eigenaar is van de beelden, omdat hij deze in consignatie behield. Daardoor zou [eiser] volgens [verweerder] beschikkingsonbevoegd zijn en dus geen zelfstandige vordering tot nakoming van de koopovereenkomst kunnen instellen.

4.2.

Dit verweer slaagt niet. Ook als [eiser] geen eigenaar is van de beelden geldt dat hij nakoming kan vorderen. Wellicht zou hij in dat geval niet kunnen leveren en dus tekortschieten in zijn eigen verbintenis jegens [verweerder] , maar dat staat niet ter discussie. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid gaat daarom niet op.
Inhoudelijke behandeling

4.3.

[verweerder] heeft niet alleen verweer gevoerd tegen de stelling van [eiser] dat op 10 november 2016 een koopovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen is, maar heeft ook diverse verweren opgeworpen tegen de stelling van [eiser] dat – als sprake is van een koopovereenkomst – hij gehouden was om de koopovereenkomst na te komen. Eén van die verweren betreft het beroep van [verweerder] op de omstandigheid dat de (vermeende) koopovereenkomst door hem volgens het consumentenrecht op 26 november 2016 is ontbonden. [eiser] heeft betwist dat sprake was van een consumentenkoop en daardoor ook dat sprake is van een terechte ontbinding van de koopovereenkomst.

4.4.

Als [verweerder] in het gelijk wordt gesteld, heeft dat tot gevolg dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Dit beroep zal daarom in het hierna volgende eerst worden behandeld.

Consumentenkoop

4.5.

Onder een consumentenkoop wordt verstaan de koop met betrekking tot een roerende zaak, die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 7:5 lid 1 BW).

4.6.

Artikel 6:230o lid 1 BW geeft de consument de bevoegdheid om zonder opgave van redenen een buiten verkoopruimte gesloten overeenkomst te ontbinden binnen een termijn van veertien dagen. Zonder opgave van redenen betekent dat de consument geen verplichting heeft om een reden voor de ontbinding te geven. Indien de verkoper dit ontbindingsrecht niet aan de koper heeft meegedeeld, wordt dit ontbindingsrecht volgens lid 2 van artikel 6:230o BW verlengd met maximaal twaalf maanden.

4.7.

[verweerder] heeft gesteld, en [eiser] heeft dat niet weersproken, dat [verweerder] als een consument handelde en dat sprake was van een verkoop buiten verkoopruimte. Evenmin heeft [eiser] betwist dat hij aan [verweerder] het ontbindingsrecht niet heeft meegedeeld en dat [verweerder] op 26 november 2016 een beroep op ontbinding heeft gedaan. [eiser] is evenwel van mening dat de regels betreffende consumentenkoop buiten toepassing blijven, omdat hij geen handelaar is in de zin van het consumentenrecht. Dit is door [verweerder] op zijn beurt weer weersproken.


Handelaar?

4.8.

Gelet op het debat tussen partijen moet de vraag worden beantwoord of [eiser] te gelden heeft als handelaar.

4.9.

Op grond van artikel 6:230g lid 1 onderdeel b BW wordt onder een handelaar verstaan: iedere natuurlijke of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit, al dan niet mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt. Het antwoord op de vraag of [eiser] als handelaar moet worden aangemerkt hangt af van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Daarbij spelen alle omstandigheden een rol (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). Veel zal afhangen van de manier waarop de verkoper naar buiten treedt. De professionaliteit van het handelen, dient dus van geval tot geval te worden beoordeeld (Gerechtshof Arnhem,
6 november 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BC2967). Daarbij rust de bewijslast op [verweerder] die zich beroept op de (consumenten)bescherming die de kwalificatie consumentenkoop oplevert.

4.10.

[verweerder] heeft verschillende omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat [eiser] als handelaar te gelden heeft. Eén daarvan is dat [eiser] de beelden in consignatie behield. [eiser] heeft ter weerlegging hiervan enkel aangevoerd dat de woorden in consignatie in zijn brief van 9 december 2016 tussen aanhalingstekens zijn geplaatst. De rechtbank begrijpt deze opmerking van [eiser] zo dat hij bedoelt te betwisten dat sprake was van consignatieverkoop. Echter geldt dat [eiser] niet alleen in de brief van 9 december 2016 gesproken heeft van het in consignatie houden van de beelden, maar dit ook – en zonder aanhalingstekens – vermeld heeft in de brief van 16 december 2016. Bovendien sluit de verkoop in consignatie, waarbij het eigendom van het desbetreffende goed blijft bij de lastgever en de consignatiehouder in eigen naam handelt, van de beelden aan bij de inhoud van de brieven van [eiser] aan [verweerder] van 2 december 2016 en 9 december 2016 en de getuigenverklaring van [eiser] . Zo heeft [eiser] in de brief van 2 december 2016 geschreven dat hij: bij uitzondering geen eigenaar was van dit object (en ik je dit, inclusief de redenen ervan, vertrouwelijk had medegedeeld) en derhalve met een uiterst bescheiden marge genoegen nam c.q. moest nemen. Sterker nog, had ik de financiële middelen gehad dan had ik de polo-ruiters zelf gehouden!” en dat hij “de polo-spelers door omstandigheden niet kon voorfinancieren”. In de brief van 9 december 2016 heeft [eiser] vermeld: “lk heb je ook in vertrouwen gezegd dat (…) ik met een relatief kleine marge blij was, maar ik mijn intermediair wel spoedig zou moeten betalen. (…) Na jouw aankoop op 10 november, heb ik vanzelfsprekend mijn intermediair bevestigd dat de polo-spelers (die hij namens een Chinese verzamelaar mocht aanbieden) verkocht waren en ik ze zo spoedig mogelijk zou betalen.” In zijn getuigenverklaring heeft [eiser] verklaard dat hij de beelden op termijn mocht betalen en dat hij geen geld had om de beelden zelf te houden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij de beelden in consignatie had. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat sprake was van verkoop in consignatie door [eiser] .

4.11.

Een andere relevante omstandigheid die [verweerder] genoemd heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat [eiser] kwalificeert als handelaar, is de omstandigheid dat [eiser] vaker kunst verkoopt. Zo heeft [eiser] in zijn brief aan [verweerder] van 16 december 2016 opgemerkt dat hij al twintig jaar objecten overdoet aan andere particuliere verzamelaars en staat vast dat [eiser] ook twee keer eerder kunst van [verweerder] heeft gekocht, namelijk in september en oktober 2016. Voorts heeft [eiser] tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij de laatste twee jaar op drie verschillende wijzen omgaat met de kunst: (i) afnemen en zelf houden, (ii) afnemen en uitstel vragen om te proberen om ofwel te verkopen of te behouden door stukken uit zijn collectie te verkopen en (iii) de beelden doorschuiven naar een medeverzamelaar, waarbij al dan niet een marge wordt gerealiseerd. Bovendien heeft de heer [A] tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat het regelmatig voorkwam dat [eiser] kunstvoorwerpen verkocht. Dat hij kunst verkocht is door [eiser] ook niet betwist. Hij heeft echter opgemerkt dat de verkoop van kunst plaatsvond vanwege tijdelijke financiële problemen. Dit is echter niet relevant voor het bedrijfsmatig karakter van verkopen.

4.12.

Verder gaat de rechtbank niet mee in het verweer van [eiser] dat het kopen en verkopen van kunst enkel hobbymatig plaatsvond. De verkoopactiviteiten van [eiser] overstegen naar het oordeel van de rechtbank het hobbymatige karakter. Te meer omdat hij ook inkomen genereerde met zijn verkopen. Dit blijkt uit de mededeling van [eiser] in zijn brieven aan [verweerder] van 2, 9 en 16 december 2016 dat hij op 10 november 2016 aan [verweerder] toevertrouwd heeft dat hij met een relatief kleine marge blij was als ook blijkt dit uit zijn verklaring bij het voorlopig getuigenverhoor dat hij

€ 220.000,00 voor de beelden aan de Chinezen moest betalen, terwijl hij van [verweerder]

€ 250.000,00 voor de beelden zou ontvangen. Derhalve een winst van € 30.000,00.

4.13.

De door [eiser] – in het kader van zijn verweer tegen het bedrijfsmatig karakter van zijn handelen - overgelegde verklaring van de heer [B] , registerbelastingadviseur bij [naam belastingbureau] van 23 december 2016 kan [eiser] ook niet baten. Hierin is onder meer vermeld dat [eiser] hoofdzakelijk als architect werkzaam is, dat het verzamelen van vroege Chinese kunst uitsluitend een privéaangelegenheid is en dat in de besloten vennootschappen van [eiser] geen activiteiten plaatsvinden die verband houden met kunst in welke vorm dan ook. Zoals [verweerder] terecht hiertegen heeft ingebracht zegt de verklaring van de heer [B] niets over de mogelijkheid dat [eiser] als natuurlijke persoon in kunst kan handelen. Voorts betekent zijn verklaring dat “het verzamelen” van vroeg Chinese kunst een privé aangelegenheid is niet dat daarmee “de verkoop” van deze kunst niet bedrijfsmatig wordt verricht. Daarbij komt dat ook al zou de verkoop van kunst niet de hoofdactiviteit van [eiser] zijn, dit niet behoeft uit te sluiten dat [eiser] kan worden gekwalificeerd als handelaar (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 13 mei 2018, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5810). De verkopen die gedaan zijn door [eiser] moeten dan ook worden aangemerkt als de uitoefening van een beroep of bedrijf.

4.14.

Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] de beelden in consignatie hield, regelmatig kunstvoorwerpen verkocht en daar geld mee verdiende. Dit wijst, zoals [verweerder] terecht heeft aangevoerd, op het zijn van handelaar. Daar sluiten ook de door [eiser] in zijn brieven aan [verweerder] gebezigde bewoordingen als "mijn intermediair” en “de deal met de Chinezen” bij aan, evenals de verklaring van [eiser] in het voorlopig getuigenverhoor “als ik naar Azië reis ga ik naar een speciale handelaar in Hong Kong die ik al 25 jaar ken en zaken mee doe”.

4.15.

Alle voornoemde omstandigheden tezamen, in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat [verweerder] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat [eiser] een handelaar was in de zin van artikel 6:230g lid 1 onderdeel b BW. Voor zover een koopovereenkomst is gesloten, dat oordeel zal dus in het midden worden gelaten, heeft deze derhalve te gelden als een consumentenkoop.

4.16.

Het door [eiser] ingebrachte nieuwsartikel van 23 juli 2017 en de door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaringen van derden – die door [verweerder] zijn betwist – doen aan voormelde conclusie niet af, omdat deze zich niet verzetten tegen de mogelijkheid dat [eiser] – gelet op hetgeen hij en [verweerder] jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden – als handelaar in de zin van het consumentenrecht kan worden beschouwd.

Ontbinding

4.17.

Tussen partijen staat vast dat de levering van de kunst aan [verweerder] niet heeft plaatsgevonden. Gelet echter op de in artikel 6:230o BW lid 1 en 2 gegeven termijn is een koper ook vóór ontvangst van de zaak bevoegd is om de koopovereenkomst te ontbinden vanwege de nutteloze exercitie die zou volgen indien de koper zou moeten wachten met de ontbinding van de overeenkomst totdat de zaak is ontvangen. Daarin ligt besloten dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden bevoegd was de koopovereenkomst zonder opgave van redenen te ontbinden. Dat heeft [verweerder] gedaan op 26 november 2016.

4.18.

De ontbinding heeft ingevolge artikel 6:217 BW geen terugwerkende kracht, maar leidt er in praktische zin toe dat [verweerder] niet gehouden is tot nakoming van zijn (eventuele) verbintenissen tot betaling van € 250.000,- en afname van de beelden. Derhalve is van een toerekenbare tekortkoming en onrechtmatig handelen geen sprake en ontbreekt de grondslag voor een schadevergoeding, toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten zoals door [eiser] gevorderd.

4.19.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen en dat de rest van de verweren van [verweerder] onbesproken kunnen blijven.

Proceskosten

4.20.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op:

- griffierecht € 1.565,00

- salaris advocaat 6.005,00 (2,5 punt × tarief € 2.402,00)

Totaal € 7.570,00

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 7.570,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op

14 maart 2019.