Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:104

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
7137279 AC EXPL 18-2535
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging door werknemer van arbeidsovereenkomst. Door wn aan wg verzonden mail kan niet anders worden begrepen dan een bevestiging van een eerdere mondelinge opzegging en als ondubbelzinnige verklaring gericht op beeindiging dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 7137279 AC EXPL 18-2535 VS/1257

Vonnis van 2 januari 2019

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. Ch. M. van Beuningen,

tegen:

[gedaagde] , tevens h.o.d.n. [handelsnaam],

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R.L. van der Sanden, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is op 25 april 2018 als teammanager afdeling decoraties bij [gedaagde] in dienst getreden, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Het betreft een oproepovereenkomst met een arbeidsomvang van 0 uren.

Het brutoloon bedraagt € 12,00 per uur exclusief vakantietoeslag.

De arbeidsovereenkomst bevat een proeftijdbeding.

2.2.

Bij e-mailbericht van 28 mei 2018 (11:52) meldt [gedaagde] het volgende:

“(…)

Op 25 april 2018 ben je een 0 uren arbeidsovereenkomst aangegaan bij [handelsnaam] .

Wij hebben helaas besloten om dit dienstverband niet te continueren.

Dit is mondeling met je gedeeld op 24 mei 2018. Dit valt helaas binnen je proeftijd.

De argumenten voor dit besluit hebben wij mondeling besproken.

(…)

Bijgaand je uren overzicht mei 2018. Zou je deze willen nalopen, dan kunnen wij je salaris overmaken.

(…)”.

2.3.

[eiseres] reageert bij e-mailbericht van 28 mei 2018 (14:00 uur) als volgt:

“Dank voor uw mail.

Zoals zondag 27 mei jl. telefonisch besproken heb ik het overeenkomst beëindigt en wel om het volgende redenen.

- (…)

- (…)

- (…)

(…)

Ik voel mij niet prettig en veilig bij uw bedrijf, u heeft mij reputatie beschadigt en mij onzeker gemaakt. Ik kan het niet meer opbrengen om voor u te werken.

(…)

(…)

Het lijkt mij verstandig en netjes dat wij dit goed afsluiten.

Gaarne het bedrag van € 1752,82 uitbetalen.

(…)”.

2.4.

Bij e-mailbericht van 28 mei 2018 (17:14 uur) stelt [gedaagde] dat hij het door [eiseres] vermelde brutobedrag in het loon zal verwerken en het nettoloon zal overmaken tussen 1 en 5 juni 2018.

2.5.

Bij brief van 1 juni 2018 heeft de gemachtigde van [eiseres] geprotesteerd tegen het ontslag en daarbij verzocht om het achterstallige loon te betalen, de reiskosten te vergoeden en het salaris te betalen totdat er rechtsgeldig een einde aan het dienstverband is gekomen.

2.6.

De gemachtigde van [gedaagde] heeft op 7 juni 2018 gereageerd. Hij stelt – kort gezegd – dat de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd is opgezegd, wat op 28 mei 2018 schriftelijk is bevestigd, en dat [eiseres] na 24 mei 2018 niet meer gewerkt zou hebben.

2.7.

Op 6 juni 2018 heeft [eiseres] een bedrag van € 1.666,00 van [gedaagde] ontvangen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] :

I. tot betaling van het in randnummer 8 van de dagvaarding genoemde tekort van

€ 139,11, te vermeerderen met het in randnummer 11 vermelde brutoloon en vakantiegeld totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig in hoogste instantie zal zijn geëindigd, alsmede € 172,92 aan reiskosten;

II. een en ander te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 30 juni 2018 en iedere maandelijkse vervaltermijn;

III. tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] - zakelijk weergegeven - dat het dienstverband tot 27 april 2019 voortduurt. [eiseres] betwist dat de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd door [gedaagde] is opgezegd. Zelfs als dat wel zo zou zijn, dan geldt dat partijen direct daarna dan wel de volgende dag stilzwijgend een nieuwe overeenkomst zijn aangegaan, in de uitvoering waarvan [eiseres] tot 28 mei 2018 dagelijks heeft gewerkt.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten die in beginsel van rechtswege eindigt op 25 april 2019. [gedaagde] voert primair het verweer

– zakelijk weergegeven – dat aan de arbeidsovereenkomst al op een eerder moment rechtsgeldig een einde is gekomen. Zo heeft hij de arbeidsovereenkomst op 24 mei 2018 tijdens de proeftijd opgezegd, wat op 28 mei 2018 schriftelijk aan [eiseres] is bevestigd. Daarnaast heeft [eiseres] de arbeidsovereenkomst ook zelf opgezegd. Van enige loonbetalingsverplichting is daarom geen sprake, aldus [gedaagde] .

4.2.

De beoordeling van de vraag of [gedaagde] de arbeidsovereenkomst op 24 mei 2018

- tijdens de proeftijd - heeft opgezegd kan achterwege blijven omdat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende is komen vast te staan dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst een paar dagen daarna zelf heeft opgezegd. In dit verband is het volgende relevant.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie dient uit de verklaringen of gedragingen van de werknemer te blijken van een duidelijke en ondubbelzinnige op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte verklaring (zie onder meer HR 28 mei 1982, NJ 1983, 2, HR 25 maart 1994, JAR 1994,92 en HR 19 april 1996, JAR 1996,116).

4.4.

[eiseres] heeft gesteld dat haar mail van 28 mei 2018 moet worden gezien als een gekrenkte en emotionele reactie op de mail van [gedaagde] en niet als een ondubbelzinnige wilsverklaring gericht op beëindiging van het dienstverband. De kantonrechter volgt haar daarin niet. In haar mail stelt [eiseres] dat zij al op 27 mei 2018 de arbeidsovereenkomst mondeling heeft beëindigd. Vervolgens heeft [eiseres] in haar mail een duidelijke en gemotiveerde opsomming gegeven van de redenen waarom zij niet meer voor [gedaagde] wil werken. [gedaagde] mocht er, gelet op deze schriftelijke onderbouwing, vanuit gaan dat [eiseres] haar mondelinge opzegging op 27 mei 2018 gestand wilde doen. In zijn brief van 1 juni 2018 heeft haar gemachtigde zich er weliswaar op beroepen dat er geen opzegging door [gedaagde] tijdens de proeftijd heeft plaatsgevonden, maar hij stelt tegelijkertijd dat [eiseres] het niet zou betreuren dat de wegen zouden scheiden. Ook gelet hierop kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de wil van [eiseres] er op 27 mei 2018 op was gericht de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] te beëindigen.

4.5.

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 27 mei 2018 en dat de vordering van [eiseres] , voor zover deze betrekking heeft op loon na 27 mei 2018, moet worden afgewezen.

4.6.

Ten aanzien van het gevorderde tekort van € 139,11 en het bedrag aan reiskosten van € 172,92 overweegt de kantonrechter het volgende.

4.7.

Vast staat dat [gedaagde] een bedrag van € 1.666,00 aan [eiseres] heeft betaald, conform de salarisspecificatie van mei 2018. [gedaagde] voert het verweer dat [eiseres] haar stelling dat er te weinig zou zijn uitbetaald niet heeft onderbouwd. Dit verweer slaagt. Uit het gestelde in randnummer 8 van de dagvaarding – waarop [eiseres] het gevorderde tekort van € 139,11 baseert – kan niet worden afgeleid waarom het uitbetaalde (netto)bedrag te laag zou zijn. Bovendien heeft [eiseres] een en ander niet (meer) weersproken zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van [gedaagde] . Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen. De vordering wat betreft de reiskosten deelt ditzelfde lot. [eiseres] heeft ook op dit punt niet geconcretiseerd waarom het in de salarisspecificatie van mei 2018 opgenomen bedrag te laag zou zijn.

4.8.

Gelet op het vorenstaande bestaat voor toewijzing van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente geen grond. Dit onderdeel van de vordering zal eveneens worden afgewezen.

4.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 72,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2019.