Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1036

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
16/705577-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 15 september 2017 met, in ieder geval, één andere persoon een cafetaria overvallen. Er waren op dat moment, naast een medewerker, twee bezoekers in de cafetaria aanwezig. Het moet voor hen een angstaanjagende ervaring zijn geweest om opeens oog in oog te staan met twee onherkenbare, gewapende mannen in donkere kleding die om geld schreeuwden. Dit soort misdrijven berokkenen veel leed bij zowel de medewerker van de cafetaria als de bezoekers en omstanders die met dit geweld worden geconfronteerd. Dat verdachte dit feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd, weegt strafverzwarend mee. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank overweegt dat de eis van de officier van justitie in haar ogen een passende eis is. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Verdachte heeft echter al een periode van ruim een maand in voorlopige hechtenis doorgebracht en volgt momenteel een behandeling, samen met zijn ouders. Daarnaast heeft het geruime tijd geduurd voordat de zaak door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank is aangebracht. Er is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank neemt de lange duur van de procedure, wat voor een verdachte een belasting oplevert omdat hij niet weet waar hij aan toe is, wel mee in de bepaling van de strafmaat.

Gelet op de positieve ontwikkeling die verdachte doormaakt en heeft doorgemaakt is de rechtbank van oordeel dat verdachte op dit moment niet terug hoeft naar een justitiële jeugdinrichting. Omdat het wel om een ernstig feit gaat en de rechtbank verdachte ervan wil weerhouden nog een keer impulsief te handelen en de fout in te gaan, legt de rechtbank een groot deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op. Ook acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte als straf gaat werken.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van het aantal dagen dat verdachte in voorarrest gezeten heeft. Een groot deel van de jeugddetentie, 110 dagen, wordt voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 2 jaar. Ook wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705577-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.S. Martherus-Meijers en van hetgeen verdachte en mr. J. van Wijk, advocaat te Eindhoven, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 15 september 2017 te Nieuwegein samen met anderen onder bedreiging met een vuurwapen en een taser cafetaria [cafetaria] heeft overvallen;

feit 2: primair:

op 3 maart 2018 te Uden een portemonnee van [benadeelde] heeft gestolen;

subsidiair:

in de periode van 3 maart 2018 tot en met 26 maart 2018 te Uden of Nieuwegein een portemonnee van [benadeelde] heeft verduisterd;

meer subsidiair:

in de periode van 3 maart 2018 tot en met 26 maart 2018 te Uden of Nieuwegein een portemonnee van [benadeelde] heeft geheeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

De officier van justitie acht het onder 2 primair, subsidiair, en meer subsidiair ten laste gelegde niet te bewijzen omdat verdachte niet over de aangetroffen portemonnee verklaart. Gelet op de inhoud van het procesdossier kan niet worden bewezen of verdachte de portemonnee heeft gestolen, verduisterd, geheeld of dat de portemonnee op een andere manier in zijn kamer terecht is gekomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de bewezenverklaring voor feit 1 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman bepleit vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak voor het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de portemonnee heeft gestolen, verduisterd of geheeld. De portemonnee is weliswaar in verdachtes kamer aangetroffen, maar er is geen eenduidig bewijs dat vervolgens leidt tot ofwel diefstal, ofwel verduistering, ofwel heling. De juridisch juiste gevolgtrekking daaruit is volgens de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde vrijspraak. De rechtbank zal verdachte dus integraal vrijspreken van het ten laste gelegde feit 2.

Bewijsmiddelen voor het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank is van oordeel dat het feit door verdachte is begaan.

De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 maart 2019;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 16 september 2017, genummerd PL0900-2017283740-1, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende een verklaring van aangever, doorgenummerde pagina’s 106 tot en met 109.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 15 september 2017 in de gemeente Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal ongeveer 400 euro, geheel toebehorende aan cafetaria [cafetaria] , welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- met capuchon(s) en/of zonnebril(len) en/of muts(en) op en/of gezichtsbedekking en donkere kleding aan en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en een taser in de hand bij voornoemde cafetaria naar binnen zijn gegaan en

- meermalen, althans éénmaal, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht (gehouden) en

- een taser op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht (gehouden) en/of meermalen, althans éénmaal, de knop van die taser heeft/hebben ingedrukt waardoor die taser afging en een knetterend geluid maakte en

- (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld, ik wil geld zien" en (nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een plastic tas aan die [slachtoffer 1] had(den) gegeven) "Vullen, snel" en "Opschieten" en "Geef hier", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd/geschreeuwd: "Bek houden" en/of "Handen omhoog"., althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden meewerken aan reclasseringstoezicht, meldplicht bij de jeugdreclassering, meewerken aan het MDFT-traject en indien nodig meewerken aan andere therapieën;

- een taakstraf van 100 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen jeugddetentie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat de bedoeling van het voorwaardelijke deel van haar eis is dat verdachte nu niet terug hoeft naar een justitiële jeugdinrichting, maar een stevige stok achter de deur nodig heeft voor de toekomst. Daarnaast is het volgens haar van belang dat verdachte ook een straf krijgt waar hij op dit moment de consequenties van moet ervaren en daarom eist zij ook een onvoorwaardelijke taakstraf.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat ze zich kan vinden in de eis van de officier van justitie. De raadsman heeft benadrukt dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop vanaf het plegen van het feit en de start van de vervolging tot de uitspraakdatum. Daarnaast is van belang dat verdachte zich meewerkend opstelt ten opzichte van de reclassering.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft samen met in ieder geval 1 ander persoon een cafetaria overvallen. Zij maakten hierbij gebruik van gezichtsbedekkende kleding, een vuurwapen (of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) en een taser. Er waren op dat moment, naast een medewerker, twee bezoekers in de cafetaria aanwezig. Het moet voor hen een angstaanjagende ervaring zijn geweest om opeens oog in oog te staan met twee onherkenbare, gewapende mannen in donkere kleding die om geld schreeuwden. Dit soort misdrijven berokkenen veel leed bij zowel de medewerker van de cafetaria als de bezoekers en omstanders die met dit geweld worden geconfronteerd. De ervaring leert dat slachtoffers hier nog lang last van hebben. Verdachte heeft alleen aan zijn eigen financiële gewin gedacht (namelijk het verkrijgen van geld), en kennelijk niet nagedacht over de mogelijke gevolgen voor de betrokken personen die zoiets mee moeten maken. Dat verdachte dit feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd, weegt strafverzwarend mee.

Persoon van verdachte

De rechtbank weegt mee dat verdachte ter terechtzitting en ook eerder bij de politie heeft verklaard dat hij impulsief heeft gehandeld en achteraf wel besefte wat hij had gedaan. Hij heeft verklaard dat hij er gelijk al spijt van had. Ook heeft verdachte een brief gestuurd aan de eigenaar van de cafetaria en daarin zijn spijt betuigd. Aan de andere kant heeft verdachte niet direct blijk gegeven van deze spijt door open kaart te spelen. Ook toen zijn vader hem confronteerde met de camerabeelden die bij Opsporing Verzocht op televisie zijn getoond, wilde verdachte niet zelf naar de politie gaan maar liet hij dit over aan zijn vader. Daarnaast heeft verdachte tot op heden geen openheid van zaken willen geven over zijn mededader(s), zodat zij vooralsnog vrijuit gaan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 24 januari 2019 waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is geweest.

Op 9 juli 2018 is een psychologisch rapport uitgebracht door J.S.H. Stolk, GZ-psycholoog. Voor zover van belang blijkt daaruit dat er in zijn totaliteit een matig recidiverisico is omdat er naast risicofactoren ook beschermende factoren zijn. Er is geen sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid maar wel van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling/bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en van ADD. Een behandeladvies binnen een juridisch kader is gerechtvaardigd, aldus de psycholoog. Het behandeladvies is inzet van Functional Family Therapy/Multi Systeem Therapie (FFT/MST) om de communicatie en omgang tussen ouders en verdachte te verbeteren.

Er is verder een rapportage uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming van 27 december 2018. Daarin wordt beschreven dat het algemeen recidiverisico laag is doordat er beschermende factoren zijn als gezin en school. De risicofactoren zijn relaties en attitude. Het voorarrest en de enkelband hebben grote impact op verdachte gehad en hij houdt zich goed aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering. Verdachte is gediagnosticeerd met ADD. Beschreven wordt dat verdachte impulsief is en een gering inlevingsvermogen heeft. De ouders van verdachte zien strikt toe op naleving van de schorsingsvoorwaarden.

Geadviseerd wordt een straf op te leggen waarbij verdachte voelt dat zijn gedrag consequenties heeft. Extra begeleiding en ondersteuning met betrekking tot school door jeugdreclassering en een MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT) zijn noodzakelijk als stok achter de deur.

Zowel verdachte als ouders hebben ter terechtzitting toegelicht dat de communicatie tussen hen een stuk is verbeterd en dat het goed gaat met verdachte.

Conclusie

De rechtbank overweegt dat de eis van de officier van justitie in haar ogen een passende eis is. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Verdachte heeft echter al een periode van ruim een maand in voorlopige hechtenis doorgebracht en volgt momenteel een behandeling, samen met zijn ouders. De toezichthouder van de jeugdreclassering heeft ter terechtzitting toegelicht dat met dit traject positieve resultaten worden geboekt. Daarnaast heeft het geruime tijd geduurd voordat de zaak door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank is aangebracht. Er is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank neemt de lange duur van de procedure, wat voor een verdachte een belasting oplevert omdat hij niet weet waar hij aan toe is, wel mee in de bepaling van de strafmaat.

Gelet op de positieve ontwikkeling die verdachte doormaakt en heeft doorgemaakt is de rechtbank van oordeel dat verdachte op dit moment niet terug hoeft naar een justitiële jeugdinrichting. Omdat het wel om een ernstig feit gaat en de rechtbank verdachte ervan wil weerhouden nog een keer impulsief te handelen en de fout in te gaan, legt de rechtbank een groot deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op. Ook acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte als straf gaat werken.

De rechtbank zal verdachte een jeugddetentie opleggen van 150 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 100 uren.

Als bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie bepaalt de rechtbank dat verdachte moet meewerken aan reclasseringstoezicht, dat hij zich moet (blijven) melden bij de jeugdreclassering en dat hij moet (blijven) meewerken aan het MDFT-traject en indien nodig aan andere (individuele) therapieën. Dit alles voor zover en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht.

9 BENADEELDE PARTIJ

Cafetaria [cafetaria] (in het dossier: “het Ankertje”) (vertegenwoordigd door [A] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 617,65. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij van € 617,65 in zijn geheel hoofdelijk toe te wijzen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 5 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 617,65 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 september 2017 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van cafetaria [cafetaria] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 617,65, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 september 2017 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank legt geen vervangende jeugddetentie op bij niet-betaling.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 150 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie hechtenis in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 110 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen jeugddetentie;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

* zich zal melden bij Bureau Jeugdzorg Midden-Limburg, afdeling Jeugdreclassering en zich blijft melden, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht;

* meewerkt aan het MDFT-traject en indien de jeugdreclassering dit nodig acht ook meewerkt aan andere therapieën;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan cafetaria [cafetaria] van het toegewezen bedrag van € 617,65, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van cafetaria [cafetaria] aan de Staat € 617,65, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2017 tot de dag van volledige betaling, te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 0 dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. E. Slager en I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.L. de Gier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 15 september 2017 in de gemeente Nieuwegein, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een

geldbedrag van in totaal ongeveer 400 euro, in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan cafetaria [cafetaria] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s)

- met capuchon(s) en/of zonnebril(len) en/of muts(en) op en/of

gezichtsbedekking en/of donkere kleding aan en/of een vuurwapen, althans een

op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een taser in de hand(en) bij

voornoemde cafetaria naar binnen is/zijn gegaan en/of

- meermalen, althans éénmaal, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2]

heeft/hebben gericht (gehouden) en/of

- een taser op/aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2]

heeft/hebben gericht (gehouden) en/of getoond en/of meermalen, althans

éénmaal, de knop van die taser heeft/hebben ingedrukt waardoor die taser

afging en/of een knetterend geluid maakte en/of

- ( daarbij) tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld, ik wil geld

zien" en/of (nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een plastic tas aan

die [slachtoffer 1] had(den) gegeven) "Vullen, snel" en/of "Opschieten" en/of "Geef

hier", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben

gezegd/geschreeuwd: "Bek houden" en/of "Handen omhoog", althans woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2. Primair

hij op of omstreeks 3 maart 2018 te Uden, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (waaronder een

rijbewijs op naam van [benadeelde] ), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2018 tot en met 26 maart 2018 te

Uden en/of Nieuwegein, althans in Nederland, opzettelijk een portemonnee met

inhoud (waaronder een rijbewijs op naam van [benadeelde] ),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder,

onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2018 tot en met 26 maart 2018 te

Uden en/of Nieuwegein, een goed te weten een portemonnee met inhoud (waaronder een rijbewijs op naam van [benadeelde] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit/deze goed(eren) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht