Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1035

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
16/705672-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De rechtbank heeft op grond van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Ook in onderlinge samenhang bezien, leiden de bewijsmiddelen niet tot de overtuiging dat verdachte de overval samen met medeverdachte heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705672-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.S. Martherus-Meijers en van hetgeen verdachte en mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 15 september 2017 te Nieuwegein samen met anderen onder bedreiging met een vuurwapen en een taser cafetaria [cafetaria] heeft overvallen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Daarbij wijst de officier van justitie op de aangifte, de camerabeelden waarop verdachte door een verbalisant wordt herkend, op het feit dat (bekennende) medeverdachte [medeverdachte] en verdachte goede vrienden zijn, een WhatsAppgesprek tussen medeverdachte en verdachte van 12 september 2017, het getapte telefoongesprek van 10 april 2018 tussen de vader en moeder van de medeverdachte en de verklaring van [getuige] dat zij de jas van verdachte herkent op de camerabeelden die op de politiewebsite staan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde. Daartoe voert de raadsman – zakelijk en samengevat – weergegeven het volgende aan.

Aanvankelijk beriep verdachte zich op zijn zwijgrecht. Er was in het geval van verdachte geen sprake van een situatie (bijvoorbeeld met betrekking tot het door de officier van justitie bedoelde WhatsAppgesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ) die riep om een verklaring. Aan het aanvankelijke beroep van verdachte op zijn zwijgrecht kunnen dan ook geen conclusies ten nadele van verdachte worden verbonden. Inmiddels is verdachte wel bereid een verklaring af te leggen, om duidelijk te maken dat het desbetreffende WhatsAppgesprek niet ziet op de ten laste gelegde overval, maar een geheel andere strekking heeft dan de officier van justitie suggereert.

Volgens verdachte heeft het door de officier van justitie bedoelde WhatsAppgesprek van 12 september 2017 met medeverdachte [medeverdachte] betrekking op de aanschaf van verdovende middelen op de hoek bij het [cafetaria] . Volgens de verdediging wordt deze verklaring ondersteund door andere chatgesprekken in het dossier afkomstig van de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] . In het WhatsAppgesprek wordt niet gesproken over een op handen zijnde overval, vuurwapen, taser, vermomming, vluchtauto, buit en evenmin over de datum van 15 september 2017. Daarbij komt dat de medeverdachte in het WhatsAppgesprek van 12 september 2017 aangeeft dat hij een tram wil halen. Een tram lijkt niet een voor de hand liggend middel om te vluchten na het plegen van een overval. De daders van de overval zijn bovendien gevlucht in een auto, en niet met de tram. Verdachte heeft deze verklaring niet eerder afgelegd, omdat de verklaring strafrechtelijk belastend kan zijn voor verdachte voor een ander strafbaar feit, namelijk drugshandel.

De verdediging betoogt verder op grond van feitenrechtspraak dat de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant 1] geen herkenning is die in rechte stand kan houden. De verbalisant heeft slechts verklaard dat het postuur van de persoon in beeld grote gelijkenis vertoont met het postuur van verdachte. Dit is onvoldoende om te spreken van een herkenning die kan bijdragen tot het bewijs.

De tapgesprekken in het dossier zijn volgens de raadsman niet belastend, maar veeleer ontlastend. De tapgesprekken tussen de ouders van medeverdachte [medeverdachte] bevatten slechts roddels en berusten slechts op een aanname.

Dat verdachte en de medeverdachte elkaar kenden en contact met elkaar onderhielden wordt niet betwist, maar kan en mag geen aanleiding vormen om ervan uit te gaan dat verdachte bij de overval was betrokken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft op grond van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Ook in onderlinge samenhang bezien, leiden de bewijsmiddelen niet tot de overtuiging dat verdachte de overval samen met [medeverdachte] heeft gepleegd.

Er zijn in het dossier verschillende bewijsmiddelen aanwezig, vier daarvan heeft de rechtbank ter terechtzitting met name aan verdachte voorgehouden en deze vier bewijsmiddelen heeft de officier van justitie ten grondslag gelegd aan haar standpunt dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. De rechtbank zal haar overwegingen ten aanzien van deze bewijsmiddelen hieronder weergeven.

WhatsAppgesprekken tussen verdachte en medeverdachte

De officier van justitie hecht met name waarde aan het gesprek dat plaatsvond tussen verdachte en medeverdachte op 12 september 2017. Dat WhatsAppgesprek luidt als volgt:

‘ [medeverdachte] : Wil je nog steeds die ding doen?

[verdachte] : Seh

[medeverdachte] : Mijn tram gaat 21.55

[verdachte] : Safe

[medeverdachte] : Dus het moet om 21.35 gebeuren of 40. Mensen zijn nog aan het chappen (volgens een verbalisant die het straatwoordenboek heeft geraadpleegd: eten) en komen misschien nu binnen. Ik zeg het je nu akertje is geen goed idee. Als je wilt. Ik ben met je. Maar als we gecatched worden. Ik heb het je gezegd

[verdachte] : Get rich or die trying

[medeverdachte] : Is ook open, mn pa kan ons mss nog zien. Maar aii bro dan ga ik nu omw

[verdachte] : Saffe neef

[medeverdachte] : Volgende keer schetsen we een waggie en pakken we iets groters. Grodt

[verdachte] : Isgoed neef. Die pit van die guy. Praat tele’.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat dit gesprek betrekking heeft op een afspraak op 12 september 2017 om drugs te kopen. [medeverdachte] zou die avond uit Rotterdam naar Nieuwegein komen om samen met verdachte op de hoek van het [cafetaria] van iemand 100 gram hasj te kopen. Het [cafetaria] is volgens verdachte een centrale plek in hun woonbuurt. [medeverdachte] laat weten dat hij op een bepaald tijdstip de tram moet pakken om diezelfde avond weer terug naar Rotterdam te gaan. Volgens verdachte wilde [medeverdachte] voorkomen dat hij door zijn vader zou worden gezien in Nieuwegein. Met “volgende keer pakken we iets groters” bedoelde [medeverdachte] volgens verdachte dat ze van plan waren volgende keer een grotere partij drugs te kopen.

De verklaring van verdachte voor het WhatsAppgesprek is niet bij voorbaat ongeloofwaardig. Verdachte komt er weliswaar op een zeer laat tijdstip mee, maar dit kan – zoals de verdediging heeft aangevoerd – worden verklaard uit het feit dat hij vervolging vreesde voor handel in drugs. De verdediging heeft terecht betoogd dat het gesprek geen concrete aanknopingspunten bevat die wijzen in de richting van een geplande overval, zoals wapens, vermommingen, een vluchtauto of de mogelijke datum.

Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] (herkenning verdachte)

Verbalisant [verbalisant 1] verklaart in dit proces-verbaal van 11 april 2018 dat hij op 9 april 2018 verdachte heeft aangehouden in Rotterdam en tijdens de aanhouding een paar uur contact met hem heeft gehad. Verbalisant beschrijft dat verdachte ongeveer 1.85 a 1.90 meter lang is, een fors postuur heeft en dat de stand van zijn benen naar buiten is. Hij bedoelt hiermee dat hij met zijn voeten naar buiten loopt. Als opvallend beschrijft verbalisant dat het bovenlichaam van verdachte fors is maar dat zijn benen normaal zijn en dat hij een apart loopje heeft. Verbalisant heeft op 10 april 2018 de bewegende camerabeelden bekeken van de overval op 15 september 2017 op cafetaria het [cafetaria] te Nieuwegein. Hij beschrijft dat de persoon met het vuurwapen op de beelden een grote gelijkenis heeft met het eerder omschreven postuur van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de verbalisant weliswaar een vrij lange tijd met verdachte heeft doorgebracht, maar geen specifieke kenmerken benoemt op de camerabeelden waaraan hij verdachte herkent. Dat het postuur van de persoon op de beelden een grote gelijkenis zou hebben met het postuur van verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank in elk geval niet een voldoende onderscheidend kenmerk om te kunnen spreken van herkenning. Daarbij moet bedacht worden dat verbalisant de camerabeelden heeft bekeken (en heeft geconcludeerd dat er wat het postuur betreft een grote gelijkenis bestaat), nadat verdachte was aangehouden voor het ten laste gelegde feit. Op basis van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de herkenning van verdachte onvoldoende specifiek is om als (overtuigend) bewijs te dienen dat verdachte degene is die het ten laste gelegde heeft gepleegd.

Verklaring [getuige] uit proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 11 april 2018

Het voorgaande geldt temeer voor de ‘herkenning’ van verdachte door [getuige] . [A] (een vriend/kennis van verdachte en medeverdachte) werd op 10 april 2018 gebeld door zijn vriendin [getuige] . In dit telefoongesprek zegt [getuige] : ‘maar ik heb net gekeken op de politiesite maar weet je zeker dat het niet [verdachte] is, want hij lijkt er wel op (…) Hij lijkt fucking veel op [verdachte] en die jas ook’. [getuige] is nadien bij de politie gehoord, maar is daarbij niet bevraagd over deze ‘herkenning’. De herkenning door [getuige] is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen onvoldoende specifiek (een jas is immers daarvoor onvoldoende, en overigens wordt in het dossier niet duidelijk waaraan [getuige] verdachte precies herkent) om als (overtuigend) bewijs te dienen dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de overval op het [cafetaria] .

Tapgesprek tussen vader en moeder medeverdachte [medeverdachte] van 10 april 2018

Op 10 april 2018 zegt de vader van medeverdachte [medeverdachte] in een tapgesprek tegen de moeder van [medeverdachte] :

‘weet je wat ie tegen mij gezegd heeft, he he zegt ie nou kan ik eindelijk vertellen het is [verdachte] . Hij zegt, je wil het toch zo graag weten, hij zegt maar jij mag het tegen niemand vertellen dat ik hier tegen jou gezegd heb dat het [verdachte] is. Ook niet de politie, niemand! Ik zeg nee jongen, dat zeg ik tegen niemand, ik zeg alleen tegen je moeder, maar hij heeft nu gezegd ja natuurlijk is het [verdachte] . (…) pa zegt ie, kun je [naam] bellen en tegen [naam] zeggen dat ik vind dat het beste is wat [verdachte] moet doen is meteen bekennen. (…) Dat is gewoon het allerbeste zegt ie want eh ze komen er toch wel achter. (…) [medeverdachte] heeft gezegd dat als hij dat filmpje zelf ziet [verdachte] nog 10 keer zo duidelijker in beeld is met z’n dikke reed dan hij.’

In dit tapgesprek verklaart de vader van medeverdachte [medeverdachte] dat [medeverdachte] tegen hem heeft gezegd dat hij de overval op het [cafetaria] met verdachte heeft gepleegd. Nog daargelaten dat de bewijswaarde van een zogenoemde de-auditu verklaring gering is, is de vader van [medeverdachte] over zijn uitlatingen in het tapgesprek door de politie verder niet gehoord. De rechtbank acht de enkele uitlating van de vader van [medeverdachte] in het tapgesprek daarom onvoldoende, ook in combinatie met de hiervoor besproken bewijsmiddelen, om te kunnen concluderen dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat verdachte het [cafetaria] heeft overvallen.

Het voorgaande betekent dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

5 BENADEELDE PARTIJ

Cafetaria [cafetaria] (in het dossier: “het Ankertje ”) (vertegenwoordigd door [B] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 617,65. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij van € 617,65 in zijn geheel hoofdelijk toe te wijzen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat verdachte het ten laste gelegde feit niet heeft gepleegd en vrijgesproken dient te worden.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

6 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- verklaart cafetaria [cafetaria] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. E. Slager en I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.L. de Gier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 september 2017 in de gemeente Nieuwegein, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een

geldbedrag van in totaal ongeveer 400 euro, in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan cafetaria [cafetaria] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- met capuchon(s) en/of zonnebril(len) en/of muts(en) op en/of gezichtsbedekking en/of donkere kleding aan en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een taser in de hand(en) bij voornoemde cafetaria naar binnen is/zijn gegaan en/of

- meermalen, althans éénmaal, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp op die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]

heeft/hebben gericht (gehouden) en/of

- een taser op/aan die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]

heeft/hebben gericht (gehouden) en/of getoond en/of meermalen, althans

éénmaal, de knop van die taser heeft/hebben ingedrukt waardoor die taser

afging en/of een knetterend geluid maakte en/of

- ( daarbij) tegen die [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld, ik wil geld

zien" en/of (nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een plastic tas aan

die [benadeelde 1] had(den) gegeven) "Vullen, snel" en/of "Opschieten" en/of "Geef

hier", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- tegen [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft/hebben gezegd/geschreeuwd: "Bek houden" en/of "Handen omhoog", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht