Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1008

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
16/219451-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor diefstal en het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, namelijk een woninginbraak en het in zijn bezit hebben van harddrugs. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte - waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeelt voor het plegen van strafbare feiten en heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft zelf het initiatief genomen om te stoppen met het gebruik van harddrugs en heeft thans naar eigen zeggen ruim een jaar geen verdovende middelen meer gebruikt. Verdachte heeft hard gewerkt om zijn leven te stabiliseren.

De rechtbank is gelet op de aard en ernst van met name de woninginbraak en de straffen die daarvoor doorgaans worden opgelegd van oordeel dat een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd moet worden opgelegd.

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/219451-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1984] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .


1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. M.A. Krikke, advocaat te Naarden, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 10 september 2017 in Naarden goederen van [aangeefster] heeft weggenomen door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

feit 2: op 11 september 2017 ongeveer 2,07 gram cocaïne en ongeveer 500 milliliter GHB in zijn bezit heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te stellen dat verdachte door middel van braak, verbreking en/of inklimming de woning heeft betreden. Aan de hand van de braaksporen aan het slaapkamerraam kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de woning via dat raam zou hebben betreden. De verklaring van verdachte, dat hij de woning via de niet-afgesloten voordeur heeft betreden, is niet onaannemelijk. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat enkel het geld en een roze tas bij verdachte zijn aangetroffen. Het is onduidelijk waar de rest van de goederen is gebleven. Verdachte moet daarom ook worden vrijgesproken van de diefstal van de handtas, de boekkluis en de zonnebril.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat, hoewel verdachte bekent dat hij drugs bij zich had, uit het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 13 oktober 2017 (p. 43 van het procesdossier) blijkt dat de verdovende middelen niet in de bestelbus van verdachte zijn aangetroffen, maar tijdens een onderzoek ingevolge de Opiumwet op het

adres [adres] te [woonplaats] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring feit 1 en 2

Bewijsmiddelen 1

Mevrouw [aangeefster] heeft aangifte gedaan van inbraak in haar woonwagen aan de [adres] in [woonplaats] op 10 september 2017 waarbij aan haar toebehorende goederen zijn weggenomen. Zij heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

Op 10 september 2017 hebben mijn man en ik onze woning te [woonplaats] omstreeks 13.00 uur afgesloten achtergelaten.2 Toen wij omstreeks 23.50 uur weer bij de woning terugkwamen zag ik dat er papiertjes op de grond lagen, de kledingkast in de slaapkamer openstond en dat er kledingstukken op de grond lagen. Ook zag ik dat het slaapkamerraam openstond en was beschadigd. Mijn tas is weggenomen. Hierin zaten een zonnebril van het merk Bulgari en mijn portemonnee met inhoud, te weten ongeveer 130 euro, mijn ING-bankpas, mijn rijbewijs, mijn donorpas en een aantal winkelpasjes.3

Er is sporenonderzoek verricht in en om de woning van aangeefster. Daartoe is het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat de beplanting onder het slaapkamerraam was beschadigd. Ik zag dat de raamuitzetters waren vervormd. Ik zag op de binnenzijde van het openslaand keukenraam vettige vegen. Soortgelijke vegen, van een transparante vettige substantie, zag ik ook op de buitenzijde van het naastgelegen raam. Tijdens het forensisch onderzoek waren de bewoners aanwezig. Zij verklaarden dat het keukenraam een week geleden nog was schoongemaakt. De ruit aan de buitenzijde van het vaste keukenraam werd met een wattenstaafje bemonsterd op de aanwezigheid van biologisch celmateriaal. Deze bemonsteringen werden gewaarmerkt en veiliggesteld (SIN: AAKN7006NL).4

Het NFI heeft het DNA-profiel van verdachte vergeleken met het DNA-profiel in het sporenmateriaal dat is verkregen aan de buitenzijde van het keukenraam van de woning van aangeefster. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat het DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel AAKN7006NL afkomstig kan zijn van verdachte met een matchkans van één op één miljard.5

Verdachte is op 11 september 2017 aangehouden. Hij zat op dat moment in een witte bestelbus.6 Bij de doorzoeking van de bestelbus werd een roze tas met zwarte hartjes aangetroffen.7 Daarnaast is een geldbedrag aangetroffen.8 Verbalisanten hebben de tas aan aangeefster getoond. Aangeefster herkende de tas als haar eigendom.9


Bij de doorzoeking van de bestelbus van verdachte zijn ook papieren envelopjes met daarin wit poeder en een flesje met een dikke, doorzichtige, vloeibare substantie aangetroffen.10

Uit de kennisgeving inbeslagneming blijkt dat de envelopjes met wit poeder zijn aangetroffen in de bestelbus van verdachte. Deze zijn in beslag genomen en geregistreerd onder het nummer PL0900-2017278581-2036875. Het in de bestelbus van verdachte gevonden flesje met stroperige doorzichtige vloeistof is in beslag genomen en geregistreerd onder het nummer PL0900-2017278581-2036877.11

Het inbeslaggenomen goed met nummer PL0900-2017278581-2036875 heeft het SIN-nummer AAJY8871NL gekregen. Het materiaal betreft een hoeveelheid van 2,07 gram poeder.12 Het inbeslaggenomen goed met nummer PL0900-2017278581-2036877 heeft het SIN-nummer AAJY8872NL gekregen. Dit materiaal betreft een hoeveelheid van 500 milliliter vloeistof.13

Onderzoek door het NFI heeft uitgewezen dat het materiaal onder SIN-nummer AAJY8871NL cocaïne bevat en het materiaal onder SIN-nummer AAJY8872NL GHB bevat.14

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 10 september 2017 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] was geweest en spullen uit die woning had weggenomen. De drugs die de verbalisanten in zijn bestelbus hadden aangetroffen betrof cocaïne en GHB.15

Bewijsoverwegingen feit 1

Braak en inklimming

Het door de raadsman gevoerde verweer dat verdachte de woning niet door middel van braak en/of inklimming heeft betreden, maar via de niet-afgesloten voordeur, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. Aangeefster heeft verklaard dat de woning was afgesloten toen zij die verliet. Gelet op de beschadigingen aan de raamuitzetters van het slaapkamerraam, de beschadigingen aan de beplanting onder het slaapkamerraam en de omstandigheid dat het DNA van de verdachte op de buitenkant van het keukenraam is aangetroffen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet aannemelijk.

De weggenomen goederen

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal van de handtas, de boekkluis en de zonnebril. Verdachte heeft verklaard goederen te hebben weggenomen uit de woning van aangeefster, maar niet alle goederen die in de tenlastelegging worden genoemd. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte onaannemelijk, nu hij ter terechtzitting ook heeft verklaard dat hij zich door gebruik van een grote hoeveelheid verdovende middelen grote delen van die avond niet kan herinneren. De rechtbank stelt vast dat de tas een aantal uur na de inbraak in de bestelbus van verdachte is aangetroffen. Gelet op deze omstandigheid, de verklaring van aangeefster dat het om haar tas gaat en de verklaring van verdachte dat hij op 10 september 2017 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] spullen heeft weggenomen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die de tas met inhoud, namelijk een portemonnee met inhoud en een zonnebril, uit de woning van aangeefster heeft weggenomen.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de boekkluis met inhoud heeft weggenomen. Het procesdossier biedt hiervoor onvoldoende ondersteuning, nu de boekkluis of de inhoud daarvan niet onder verdachte is aangetroffen en ander bewijs dat verdachte deze heeft weggenomen ontbreekt.

Bewijsoverweging feit 2

Het voorhanden hebben van harddrugs

Het door de raadsman gevoerde verweer, dat niet uit het procesdossier blijkt dat de onderzochte drugs in de bestelbus van verdachte zijn aangetroffen, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 10 september 2017 te Naarden met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, heeft weggenomen een handtas met inhoud waaronder een portemonnee met een bedrag van ongeveer € 130, een ING bankpas, een rijbewijs, een donorpas, winkelpasjes en een zonnebril van het merk Bvlgari die geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangeefster] , terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

2.

Op 11 september 2017 te Naarden opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,07 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 500 ml van een materiaal bevattende gammahydroxybutyraat (GHB), zijnde cocaïne en gammahydroxybutyraat (GHB), telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis vooropgesteld dat de richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor dergelijke feiten uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hij heeft echter rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en het onderzoek ter terechtzitting. Op grond daarvan acht de officier van justitie het niet opportuun om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te eisen. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van feit 1 en 2 te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 150 uur, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts de teruggave gevorderd van het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van 110 euro aan de beslagene.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging in aanmerking te nemen dat de drugs voor eigen gebruik waren. Ook heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder het feit dat verdachte uit eigen beweging is gestopt met het gebruiken van drugs, hij nu ruim een jaar ‘clean’ is en een fulltime baan heeft als monteur bij een scootergarage. Het is van belang dat verdachte zijn baan kan behouden. De verdediging heeft verzocht de door de officier van justitie gevorderde taakstraf te matigen, zodat hij zijn baan kan behouden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, namelijk een woninginbraak en het in zijn bezit hebben van harddrugs. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken bovenal een forse inbreuk op de privacy en het gevoel van veiligheid van bewoners. Woningen zijn bij uitstek de plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Het is voor slachtoffers vaak bijzonder onaangenaam dat er iemand in hun woning is geweest en hun persoonlijke spullen heeft doorzocht. Door zijn handelen heeft verdachte dit gevoel van veiligheid aangetast. Verdachte heeft slechts gehandeld uit eigen financieel belang en laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

Daarnaast heeft verdachte cocaïne en GHB aanwezig gehad. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in verdovende middelen andere vormen van (zware) criminaliteit met zich meebrengt. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 29 januari 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar niet voor soortgelijke feiten als thans bewezenverklaard.

De straf

De rechtbank stelt voorop dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor woninginbraak uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en voor het aanwezig hebben van harddrugs van een forse taakstraf. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft zelf het initiatief genomen om te stoppen met het gebruik van harddrugs en heeft thans naar eigen zeggen ruim een jaar geen verdovende middelen meer gebruikt. Verdachte heeft hard gewerkt om zijn leven te stabiliseren. Hij heeft thans een woning en een vaste baan die hij, blijkens de ter terechtzitting overgelegde informatie van zijn werkgever, mogelijk kan verliezen in geval hij tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zal worden veroordeeld. Daarnaast neemt hij de gedeelde verantwoordelijkheid in de opvoeding van zijn beide kinderen. In deze persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf op te leggen. Daarbij overweegt de rechtbank dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en hij in de afgelopen anderhalf jaar niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. De rechtbank acht het in het belang van verdachte en de samenleving dat hij zijn baan kan behouden, om zo de kans op recidive in de toekomst te verkleinen.

De rechtbank is gelet op de aard en ernst van met name de woninginbraak en de straffen die daarvoor doorgaans worden opgelegd van oordeel dat een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd moet worden opgelegd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 200 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden is.

9 BESLAG

Teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal teruggave gelasten van het in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van 110 euro, aan degene die gelet op de bewijsmiddelen redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt, te weten [aangeefster] .

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [aangeefster] , van het volgende voorwerp: een geldbedrag ter hoogte van 110 euro.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.D. Kleijne, voorzitter, mrs. A.W.M. van Hoof en H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Carbo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2019.

Mr. Kleijne is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 10 september 2017 te Naarden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, heeft weggenomen

een handtas met inhoud (waaronder een portemonnee met een bedrag van ongeveer €130, een ING bankpas, een rijbewijs, een donorpas, winkelpasjes en een zonnebril van het merk Bvlgari) en/of een (boek)kluis met inhoud (waaronder een geldbedrag van ongeveer

€3000), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangeefster] , terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

2

hij op of omstreeks 11 september 2017 te Naarden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 2.07 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 500 ml, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende gammahydroxybutyraat (GHB),

zijnde cocaïne en/of gammahydroxybutyraat (GHB), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 13 november 2018, genummerd PL0900-2017278581, opgemaakt door politie Midden-Nederland, district Gooi en Vechtstreek, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 72. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pagina 8.

3 een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pagina 9.

4 een proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 16.

5 een rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte, pagina 55 en 57.

6 een proces-verbaal van aanhouding, pagina 27 tot en met 29.

7 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 23.

8 een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 66 en 71.

9 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 25.

10 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 23 en 24.

11 een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 66 en met 69.

12 een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina 43.

13 een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina 44.

14 een rapport identificatie van veelvoorkomende drugs, pagina 48.

15 de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 27 februari 2019.