Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:1004

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
7090550
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Betreft een vordering tot opheffing of schorsing van een stadionverbod. Vordering van onbepaalde waarde. Geen duidelijke aanknopingspunten dat de vordering geen hogere waarde dan € 25.000,- vertegenwoordigt. Kantonrechter verklaart zich onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7090550 UV EXPL 18-205 LvdH/1470

Kort geding vonnis van 14 september 2018

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: diens vader [A] ,

tegen:

de vereniging

Koninklijke Nederlandse Voetbalbond,

gevestigd te Zeist,

verder ook te noemen KNVB,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H.J.A. Knijff.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    het faxbericht en de brief van mr. Knijff van 27 augustus 2018 met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 30 augustus 2018;

  • -

    de pleitnota van de gemachtigde van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van de gemachtigde van de KNVB.

1.2.

De gemachtigden hebben de pleitnota voorgedragen voor zover deze betrekking had op de bevoegdheid van de kantonrechter.

1.3.

Na een korte schorsing van de zitting voor beraad heeft de kantonrechter partijen meegedeeld zich onbevoegd te zullen verklaren om van de zaak kennis te nemen.

1.4.

Daarna is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

De KNVB heeft aan [eiser] een stadionverbod opgelegd voor de periode van 8 juni 2018 tot 8 maart 2022 (45 maanden). Dit verbod houdt in dat [eiser] niet mag vertoeven in of rond een stadion waar voetbalwedstrijden of voetbalevenementen plaatsvinden, in of buiten Nederland, waaraan een Nederlandse betaald voetbalorganisatie of een vertegenwoordigend elftal van de KNVB deelneemt.

2.2.

[eiser] heeft op 14 juni 2018 een beroepschrift ingediend bij de Commissie Stadionverboden van de KNVB. De commissie stadionverboden van de KNVB heeft op 22 augustus 2018 de beslissing van de KNVB waartegen beroep was ingesteld bevestigd en het stadionverbod gehandhaafd.

2.3.

[eiser] vordert in dit kort geding als voorlopige voorziening:

primair: opheffing van het aan [eiser] door de KNVB opgelegde stadionverbod;

subsidiair: schorsing van het aan [eiser] door de KNVB opgelegde stadionverbod;

primair en subsidiair: veroordeling van de KNVB in de kosten van de procedure.

2.4.

Volgens [eiser] is de kantonrechter bevoegd om een voorlopige voorziening te treffen omdat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vordering geen hogere waarde dan

€ 25.000 heeft. De KNVB betwist dat de kantonrechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

2.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.

3 De beoordeling

Bevoegdheid kantonrechter

3.1.

De voorzieningenrechter is de rechter die in alle spoedeisende zaken bevoegd is om een voorziening bij voorraad te geven. Dat staat in artikel 254 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De voorzieningenrechter en de kantonrechter zijn beiden bevoegd een voorziening te geven in zaken die ten gronde door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Dat staat in artikel 254 lid 4 Rv.

3.2.

Voor de beoordeling van de bevoegdheid van de kantonrechter om een voorziening te geven gaat het dus om de vraag of de kantonrechter bevoegd is om het geschil tussen [eiser] en de KNVB als bodemrechter te beslissen. Een vordering tot opheffing of schorsing van een stadionverbod moet worden gekwalificeerd als een vordering van onbepaalde waarde. Daar zijn partijen het op zichzelf ook wel over eens. Vorderingen van onbepaalde waarde worden in beginsel niet door de kantonrechter behandelt en beslist. Dat is alleen anders indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat een vordering van onbepaalde waarde geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000. Deze uitzondering staat in artikel 93 aanhef en onder b Rv. Volgens [eiser] zijn die duidelijke aanwijzingen in deze zaak aanwezig. Hij heeft de waarde van de vordering berekend op € 5.500 (€ 3000 +

€ 2.500). Volgens de KNVB is geen sprake van duidelijke aanwijzingen dat de vordering een waarde heeft van minder dan € 25.000.

3.3.

De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn betoog. [eiser] heeft berekend hoeveel wedstrijden PSV, de voetbalclub waarvan hij fanatiek supporter is, in de periode van het stadionverbod waarschijnlijk zal spelen. Hij heeft vervolgens de waarde van het stadionverbod berekend door het aantal wedstrijden van PSV (17 thuis per seizoen, 17 uit per seizoen, 25 internationaal) te vermenigvuldigen met de prijs van een toegangskaart. [eiser] miskent met die berekening dat het stadionverbod niet alleen ziet op wedstrijden van PSV, maar op alle wedstrijden in binnen- en buitenland waaraan een Nederlandse betaald voetbalorganisatie of een vertegenwoordigend elftal van de KNVB zal deelnemen. [eiser] miskent ook dat de waarde van het mogen bijwonen van een wedstrijd in het stadion niet zonder meer en in alle gevallen gelijk is aan de waarde van een toegangskaartje. Er zijn supporters die wedstrijden van hun club nog ‘voor geen goud’ zouden willen missen. Bij het opgelegde stadionverbod spelen bovendien ook nog andere moeilijk op geld waardeerbare zaken. Zo diende [eiser] als onderdeel van de opgelegde maatregel en ter voorkoming van een verdubbeling van de periode waarin het stadionverbod geldt een recente pasfoto in te leveren. Deze foto mag verspreid worden om de controle op het verbod te vergemakkelijken. Gelet op dit alles is discussie mogelijk over de vraag welke waarde de vordering vertegenwoordigt. De kantonrechter kan niet oordelen dat er duidelijke aanknopingspunten zijn dat de vordering in ieder geval geen hogere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigt. Het oordeel moet daarom zijn dat alleen de voorzieningenrechter bevoegd is om over de gevraagde voorziening te oordelen.

Proceskosten

3.4.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de KNVB worden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;

4.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de KNVB tot op heden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

4.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.