Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:997

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 706
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:8229, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart vier beroepen gegrond, die zijn gericht tegen de leges van omgevingsvergunningen voor de bouw van huizen in Almere. De uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente worden vernietigd en de legesaanslagen worden herroepen. Dat betekent dat de vier eisers geen leges hoeven te betalen en dat verweerder moet terugbetalen wat al betaald is.

De hoogte van de leges was afhankelijk van de inhoud van de te bouwen huizen. Volgens de legesverordening van de gemeente Almere moet die inhoud worden bepaald aan de hand van de norm NEN 2580. Deze NEN-norm heeft niet samen met de legesverordening ter inzage gelegen. De uitspraak van de rechtbank volgt de lijn van de Hoge Raad over dit onderwerp. Daaruit volgt dat de legesverordening in dit geval onverbindend is, voor zover die het toepassen van de NEN-norm voorschrijft. De heffingsambtenaar was daarom niet bevoegd om de legesaanslagen aan de vier eisers op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/626
Belastingblad 2018/211 met annotatie van S. BOSMA
Viditax (FutD), 20-03-2018
FutD 2018-0858
NLF 2018/0739 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 17/706, UTR 17/452, UTR 17/509 en UTR 17/597

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van

6 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] , UTR 17/706, eiser 1,

[eiser 2] , te [woonplaats] , UTR 17/452, eiser 2

(gemachtigde: mr. J.M. Smits),

[eiser 3] , te [woonplaats] , UTR 17/509, eiser 3,

[eiser 4] , te [woonplaats] , UTR 17/597, eiser 4,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij nota van 1 december 2016 heeft verweerder bij eiser 1 een bedrag van € 9.631,20 aan leges in rekening gebracht.

Bij nota van 11 augustus 2016 heeft verweerder bij eiser 2 een bedrag van € 10.972,14 aan leges in rekening gebracht.

Bij nota van 6 oktober 2016 heeft verweerder bij eiser 3 een bedrag van € 10.121,50 aan leges in rekening gebracht.

Bij nota van 3 november 2016 heeft verweerder bij eiser 4 een bedrag van € 8.948,09 aan leges in rekening gebracht.

Bij uitspraken op bezwaar van 11 januari 2017 (eiser 1), 4 januari 2017 (eiser 2), 21 december 2016 (eiser 3) en 5 januari 2017 (eiser 4) (de bestreden uitspraken op bezwaar) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft in de zaken van eisers 2 en 3 een verweerschrift ingediend.

Op 12 juni 2017 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden in de zaken van eisers 2 en 3

door een enkelvoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Almere. Eiser 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn partner [A] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser 3 is verschenen, vergezeld door zijn partner [B] . Verweerder heeft zich laten

vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [C] .

De rechtbank heeft in de zaak van eiser 2 het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder

in de gelegenheid te stellen nadere informatie te overleggen over de kostendekkendheid van

de Legesverordening Almere 2016 (de legesverordening). Verweerder heeft die informatie ingebracht. Eiser 2 heeft hierop gereageerd.

Op 10 juli 2017 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden in de zaken van eisers 1 en 4

door een enkelvoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Almere. Eiser 1 is verschenen, vergezeld door zijn partner [D] . Eiser 4 is verschenen, vergezeld door zijn partner [E] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [C] .

De enkelvoudige kamers van de rechtbank hebben het onderzoek in de zaken van eisers 1, 3 en 4 heropend en hebben de vier zaken verwezen naar de meervoudige kamer. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de vier zaken gevoegd.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. Eiser 1 is verschenen, vergezeld door zijn partner [D] . Eiser 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser 3 is verschenen, vergezeld door zijn partner [B] . Eiser 4 is verschenen, vergezeld door zijn partner [E] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [F] . Nadat partijen hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek openbaar is.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen van eisers gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar;

- herroept de legesaanslagen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 157,51, in de proceskosten van eiser 2 tot een bedrag van € 1.503,- en in de proceskosten van eiser 3 tot een bedrag van € 176,49.

Overwegingen

1. De legesaanslagen hebben betrekking op het in behandeling nemen van aanvragen van eisers om omgevingsvergunningen voor het bouwen van woningen. Op grond van de legesverordening worden de leges in deze zaken bepaald aan de hand van de bouwsom, die forfaitair wordt berekend op basis van de inhoud van de te bouwen woning. De inhoud wordt berekend aan de hand van de norm NEN 2580, waarnaar in de legesverordening wordt verwezen.

2. Op de zitting is het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1669) besproken. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.4.3. van dit arrest overweegt de rechtbank dat de artikelen 139 en 217 van de Gemeentewet eisen stellen aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven. In een geval waarin de gemeentelijke regelgeving in het kader van de omschrijving van de heffingsmaatstaf verwijst naar NEN-normen, is aan voormelde eisen voldaan indien de gemeente die normen bekend maakt op de wijze die in artikel 139 van de Gemeentewet is voorzien.

3. Zoals op de zitting door verweerder is bevestigd, lagen de NEN-normen waarnaar in de legesverordening wordt verwezen niet ter inzage op het moment van de bestreden uitspraken op bezwaar. Verweerder heeft het niet kenbaar maken van de NEN-normen niet gerepareerd door publicatie van deze normen op een later moment. Daarnaast is het in het licht van het genoemde arrest van de Hoge Raad niet voldoende dat verweerder inzage in de NEN-normen gegeven heeft als daarom gevraagd werd. Dit leidt ertoe dat de legesverordening in dit geval onverbindend moet worden verklaard, voor zover deze voorschrijft dat de opgelegde leges worden berekend aan de hand van NEN 2580. Gelet hierop was verweerder niet bevoegd om de legesaanslagen aan eisers op te leggen.

4. De beroepen van eisers zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaken te voorzien, door de aan eisers opgelegde legesaanslagen te herroepen. Eisers zijn geen leges verschuldigd aan verweerder. Dit betekent dat de leges, voor zover betaald door eisers, door verweerder moeten worden terugbetaald.

5. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers 1, 2 en 3 gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank voor eisers 1 en 3 vast conform hun opgave van reis- en verletkosten. Dit komt neer op een totale vergoeding voor eiser 1 van € 157,51 en voor eiser 3 van € 176,49. Voor eiser 2 stelt de rechtbank deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen op de twee zittingen, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Voor een verdere proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, mr. drs. R. in 't Veld en
mr. N.M. Spelt, leden, in aanwezigheid van mr. M. Knoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.