Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:947

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
C/16/434384 / HA ZA 17-223
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig besluit KNMG, relativiteit, art. 6:163 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/286
GJ 2018/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/434384 / HA ZA 17-223

Vonnis van 21 maart 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. M.C. Hoogendam te Leusden,

tegen

de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ TOT BEVORDERING DER GENEESKUNST,

gevestigd in Utrecht,

gedaagde,

advocaat: mr. A.N.L. de Hoogh te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en KNMG genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 juni 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 december 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

Op 12 januari 2014 dient [eiser] , die op dat moment ongeveer 30 jaar huisarts is, bij de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (hierna: de RGS) van KNMG een verzoek tot herregistratie als huisarts per 1 april 2014 in.

2.2.

Bij besluit van 19 mei 2014 wijst de RGS deze aanvraag af. Reden voor de afwijzing is dat [eiser] volgens de RGS niet voldoet aan twee vereisten voor herregistratie: het draaien van avond-, nacht- en weekenddiensten (anw-diensten) en het volgen van intercollegiale toetsing.

2.3.

Met haar besluit van 17 oktober 2014 verklaart de RGS het bezwaar van [eiser] ongegrond, waarna hij in beroep gaat bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Die verklaart het beroep op 21 april 2015 ongegrond.

2.4.

Daarna gaat [eiser] in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die op 6 april 2016 uitspraak doet. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond. De RGS neemt op 20 mei 2016 een nieuw besluit dat inhoudt dat [eiser] registratie als huisarts met terugwerkende kracht per die datum voor een jaar wordt verlengd, dus tot 20 mei 2017.

2.5.

Op 30 augustus 2016 stelt [eiser] de RGS aansprakelijk, die bij brief van 15 november 2016 aansprakelijkheid (weer) van de hand wijst.

2.6.

In de tussentijd stelt [eiser] van het besluit van 20 mei 2016 beroep in bij de Raad van State. Die verklaart dat beroep op 22 maart 2017 ongegrond.

2.7.

Op 21 mei 2017 wordt [eiser] registratie als huisarts doorgehaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, kort gezegd, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  • -

    voor recht verklaart dat de door KNMG ingestelde RGS ten opzichte van hem toerekenbaar tekort is geschoten door zijn aanvraag tot herregistratie op 17 oktober 2014 te weigeren;

  • -

    KNMG veroordeelt tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente;

  • -

    KNMG veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.

3.2.

Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat zijn vordering ongelukkig is geformuleerd en dat hij zich – zoals ook uit de rest van de dagvaarding blijkt – op het standpunt stelt dat KNMG onrechtmatig heeft gehandeld. Omdat ook KNMG de vordering zodanig heeft opgevat, is in overleg met de raadslieden van partijen besloten tot een praktische oplossing en wordt de vordering van [eiser] opgevat als gebaseerd op onrechtmatige daad.

3.3.

KNMG voert verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen, althans deze af te wijzen. Ook wil zij dat [eiser] in de kosten van de procedure wordt veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De Raad van State heeft op 6 april 2016 geoordeeld dat [eiser] niet voldoet aan de vereisten voor herregistratie. De Raad van State heeft verder geoordeeld dat het besluit van de RGS ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat zij niet duidelijk heeft gemaakt of en in hoeverre aan de bescherming van de kwaliteit van de medische zorg afbreuk wordt gedaan doordat [eiser] geen anw-diensten heeft gedraaid als huisarts. Daarom is het hoger beroep gegrond.

Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit op bezwaar door de vernietiging ervan onrechtmatig is en dat deze onrechtmatigheid aan KNMG is toe te rekenen.

4.2.

KNMG voert als meest verstrekkende verweer aan dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens haar strekt de geschonden norm niet tot bescherming van inkomensbelangen van specialisten. Dit verweer slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Herregistratie als hier aan de orde is gebaseerd op artikel 14, lid 2 onder d van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en daarop gebaseerde regelgeving. In dat kader is van belang het Besluit van 21 augustus 2008 houdende algemene eisen voor de opleiding tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde en arts voor verstandelijk gehandicapten, de erkenning als opleider, opleidingsinrichting of opleidingsinstituut voor de opleiding tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde of arts voor verstandelijk gehandicapten en de registratie en herregistratie van huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen voor verstandelijk gehandicapten, zoals vastgesteld door het College voor Huisartsgeneeskunde, Verpleeghuisgeneeskunde en medische zorg voor verstandelijk Gehandicapten (verder: Kaderbesluit). De herregistratie-eisen voor huisartsen zijn uitgewerkt in het Besluit van 21 augustus 2008 houdende opleidings-, erkennings- en (her)registratie-eisen voor het specialisme huisartsgeneeskunde van het College voor Huisartsgeneeskunde, Verpleeghuisgeneeskunde en medische zorg voor verstandelijk gehandicapten (gepubliceerd in de Staatscourant van 27 november 2008).

4.4.

Beide voornoemde Besluiten stellen de eisen voor vijfjaarlijkse herregistratie vast van specialisten in het algemeen en van huisartsen in het bijzonder. Het gaat om eisen als in voldoende mate en regelmatige uitoefening van het specialisme, in voldoende mate deelnemen aan de deskundigheid bevorderende geaccrediteerde activiteiten op het terrein van het betreffende specialisme en het hebben deelgenomen aan het visitatieprogramma van de betreffende wetenschappelijke vereniging (artikel D.17 Kaderbesluit).

4.5.

Voor de beoordeling van de relativiteit dient onderzocht te worden wat het doel en de strekking van de overtreden norm was, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt (HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6095). Uit de eisen voor herregistratie volgt dat die eisen alleen zien op handhaving van de kwaliteit van de door de specialist (in dit geval: de huisarts) te leveren zorg jegens degenen die zorg behoeven.

4.6.

Dat handhaving van de kwaliteit de norm is voor herregistratie wordt bevestigd in het hier niet van toepassing zijnde Besluit van 9 september 2015 houdende de eisen voor herregistratie van specialisten van het College Geneeskundige Specialisten, waarin de bepalingen over herregistratie van Hoofdstuk D van het Kaderbesluit opnieuw zijn geregeld. In dit Besluit is in artikel B.1 het doel van onder meer herregistratie omschreven als:

“a. te borgen dat hernieuwing (…) van de bevoegdheid van de specialist tot het voeren van zijn specialistentitel plaatsvindt op voorwaarde dat deze beschikt over voldoende deskundigheid binnen het eigen werkgebied;

b. de kwaliteit van de zorg te bevorderen, voor zover deze beïnvloed wordt door de deskundigheid en het (individueel en in groepsverband) functioneren van de specialist.”

In de toelichting op dit Besluit staat “Aanleiding voor de vernieuwing van de herregistratiebepalingen is de breed gevoelde wens om individueel functioneren van de specialist en het functioneren in groepsverband te betrekken bij herregistratie. De koppeling van dit functioneren aan de bestaande herregistratie-eisen is tot uiting gebracht in een doelbepaling. (artikel B.1).”

4.7.

Uit het in de vorige rechtsoverweging genoemde Besluit en de toelichting op artikel B.1 daarvan volgt dat in de regelgeving van 2015 vastgelegd is dat ook vóór 2015 herregistratie het in artikel B.1 omschreven doel had, zij het dat in 2015 aan dat doel toegevoegd zijn eisen omtrent het individueel functioneren en het functioneren in groepsverband.

4.8.

Overwogen wordt dat de vordering van [eiser] , naar blijkt uit stellingen in de dagvaarding, ziet op door hem gepretendeerde schade wegens verlies aan inkomen en pensioenopbouw. Niet gezegd kan worden dat voldaan is aan de voor aansprakelijkheid vereiste relativiteit. Immers, de overtreden norm ziet op handhaving van de kwaliteit van de te leveren zorg jegens hen die zorg behoeven en niet op inkomens- en pensioenbescherming van de specialist (in dit geval: de huisarts). De vordering tot veroordeling van KNMG tot vergoeding van de schade (op te maken bij staat) dient dan ook afgewezen te worden. In die situatie heeft [eiser] geen belang meer bij de verklaring voor recht dat KNMG onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft.

4.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten verwezen worden. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van KNMG op

griffierecht € 618,--

salaris advocaat 2 punten à € 452,-- € 904,--

======

Totaal € 1.522,--

5 De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van KNMG begroot op € 1.522,--, met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na heden;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.