Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:916

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
16/660183-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21- jarige man die in 2014 op gewelddadige wijze de Burger King in Amersfoort overviel is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. De man heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval waarbij medewerkers van het restaurant onder schot werden gehouden. De overvallers hebben tijdens de overval medewerkers van de Burger King bedreigd met een vuurwapen en met messen. Daarbij zijn meerdere medewerkers onder schot gehouden en is een mes op de keel gelegd. De medewerkers moesten geld uit de kassa’s halen en de kluis openen. In totaal namen de overvallers bijna vierduizend euro mee. Op kledingstukken die na de overval zijn weggegooid zijn DNA-sporen gevonden. De 21- jarige man moest vanwege een andere veroordeling DNA afstaan, mede hierdoor kon hij alsnog geïdentificeerd worden als de derde overvaller. De twee andere verdachten zijn al eerder door de rechtbank veroordeeld. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij volledig voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn daad voor de slachtoffers. Ook weegt de rechtbank mee dat de man op zitting geen openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De straf die de rechtbank de man oplegt is conform de eis van de officier van justitie. Daarnaast moet de man een schadevergoeding aan de Burger King betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660183-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1996] te [geboorteplaats] ,
gedetineerd in PI Nieuwegein – HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. H. Seton, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 29 augustus 2014 te Amersfoort, samen met anderen, 3.818,46 euro, toebehorende aan

[slachtoffer 1] of [benadeelde] , heeft weggenomen, door middel van geweld en bedreiging met geweld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de DNA-match tussen het DNA van verdachte en het aangetroffen afgeleide DNA-profiel aan de binnenzijde van de rechterhandschoen geen redengevend bewijs oplevert voor de aanwezigheid en betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit. Ook het signalement van de onbekend gebleven dader, het (telefonisch) contact tussen verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de mutatie met betrekking tot de moeder van verdachte is, al dan niet in samenhang met elkaar, geen redengevend bewijs voor het ten laste gelegde feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij werkzaam is bij de [benadeelde] gelegen aan [adres] te [vestigingsplaats] .2 Op 28 augustus 2014 is hij om 15:30 uur begonnen met werken. Vanaf ongeveer 23:00 uur waren aangever, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] alleen in de zaak. Aangever besloot rond 23:45 uur de voordeur te sluiten. Hij was in de koelcel bezig en hoorde op een gegeven moment lawaai. Een paar seconden later stond er een man bij hem in de koelcel/vriezer. Aangever zag dat hij een wit masker droeg en in zijn hand een mes had. De man pakte aangever beet en zette het mes op aangevers keel. Hij riep ‘lopen nu, ik wil geld, geld ik wil geld’. Aangever zag dat een tweede persoon erbij was gekomen. Zij liepen naar het kantoor waar de kluis was. Aangever was bang dat ze hem wat aan zouden doen.

Hij kreeg de kluis niet open en wist de code niet meer. De man drukte het mes op de keel van aangever nog eens stevig aan en aangever zag zijn leven in een flits voorbij gaan. Het lukte aangever uiteindelijk om de kluis te openen. De man pakte het zakje met geld. De twee mannen gingen vervolgens het kantoor uit.3

Uit de kluis werd een bedrag weggenomen van 1995,00 euro. Daarnaast werd een sealbag weggenomen waarin een bedrag van 1263,00 euro zat. Uit de kassalade van [slachtoffer 3] werd een bedrag van 560,46 euro weggenomen.4

Getuige [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij om 24:00 uur naar boven liep richting de kassa’s. Toen zij daar aankwam zag zij dat haar collega [slachtoffer 2] onder schot werd gehouden door een overvaller met een pistool. Zij zag dat de overvaller een doekje voor zijn gezicht had en dat hij het pistool op [slachtoffer 2] richtte. De getuige hoorde dat hij zei: ‘blijf staan, anders schiet ik je neer’ en ‘ik tel tot 10 en dan moet je me geld geven’. Zij hoorde dat hij dit drie keer zei.

Zij heeft alle drie keren gezegd: ‘doe rustig je krijgt je geld’.

Zij hoorde dat hij toen schreeuwde: ‘hou je bek, anders schiet ik jou’.

Elke keer als de getuige met of tegen de overvaller sprak, zag zij dat hij het pistool op haar richtte. Inmiddels hoorde zij kabaal uit de richting van het kantoor van de manager [manager] . Zij zag uit het kantoor een tweede overvaller komen. Hij droeg een wit masker en had twee grote keukenmessen in zijn handen.5 Zij zag dat er ook een derde dader uit het kantoor kwam.6

Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij in de keuken stond toen er een drietal gemaskerde mannen op hem afkwamen.7 Hij werd vastgepakt door één van de daders. Hij zag dat de dader met het witte masker en dader drie richting het magazijn liepen.8

[slachtoffer 2] moest onder bedreiging meelopen naar de balie en de kassa’s. 9 Hij werd meegenomen door dader 2 en hem werd verzocht de kassa’s open te maken.

Dader 2 richtte al die tijd een pistool op hem. Hij zei: ‘je hebt 10 seconden om de kassa open te maken, of ik schiet’. Daarna begon hij af te tellen, vanaf 10 telde hij terug. Uiteindelijk lukte het [slachtoffer 2] om de kassa open te krijgen. [slachtoffer 2] heeft de kassalade eruit gehaald en op de balie gezet. [slachtoffer 2] zag dat hij het geld in zijn broekzak stopte. De twee overvallers kwamen ook teruglopen en met zijn drieën zijn ze naar buiten gerend.10

Getuige [getuige ] heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2014 op zijn balkon zat gelegen aan [adres] te [woonplaats] . Omstreeks 00:10 uur keek hij vanaf het balkon in de richting van het park en de Eem. Hij zag dat een jongeman vanaf de zijde van de Eem aan kwam rennen en richting het parkje rende. Hij hoorde vlak daarna een geluid, alsof er iets in de prullenbak werd gegooid.11 Hij is naar buiten gelopen en liep naar de prullenpak. Hij zag een zwart kledingstuk. Naast het kledingstuk zag hij twee grote messen liggen. Hij heeft vervolgens de zwarte spullen en de messen uit de prullenbak gehaald en mee naar binnen genomen. Binnen zag hij dat het handschoenen, twee messen, een bivakmuts en een trainingsbroek waren.12

Door de verbalisant zijn de trainingsbroek en de handschoenen gewaarmerkt en veiliggesteld, respectievelijk AAHM0682NL en AAHM0686NL.13

AAHM0682NL betreft een bemonstering van de binnenzijde van de tailleband van de broek.

AAHM0686NL#01 en #02 betreffen bemonsteringen van de binnenzijde van de linker- respectievelijk de rechterhandschoen.14

Uit het NFI-rapport van 22 februari 2018 volgt dat, ten aanzien van de bemonstering van identiteitszegel AAHM0686NL#02, uit het DNA-mengprofiel een DNA-hoofdprofiel is afgeleid en dat dit DNA-hoofdprofiel overeenkomt met dat van [verdachte] . Dit betekent dat een prominente hoeveelheid DNA in deze bemonstering afkomstig kan zijn van [verdachte] .

De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man overeenkomt met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Ten aanzien van de bemonstering identiteitszegel AAHM0682NL#01 blijkt dat het gaat om een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen en dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van [verdachte] , [getuige ] en minimaal één andere persoon.

Ten aanzien van de bemonstering identiteitszegel AAHM0686NL#01 blijkt dat het gaat om een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen en dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van [verdachte] en minimaal twee andere persoon.15

Door de verbalisant is een vergelijkend onderzoek verricht tussen de camerabeelden van de [benadeelde] gevestigd aan [adres] te [vestigingsplaats] en de foto’s van de aangetroffen goederen op de [adres] . Op de prints van de camerabeelden is te zien dat dader 2 onder zijn capuchon een zwarte bivakmuts met één opening voor de ogen en één opening voor de mond draagt. De op de [adres] aangetroffen en in beslag genomen bivakmuts heeft eveneens één opening voor de ogen en één opening voor de mond. Tevens is gebleken dat dader 3 op de prints een zwarte trainingsbroek met witte bies draagt. De op de [adres] aangetroffen en in beslag genomen zwarte trainingsbroek heeft een soortgelijke witte bies.16

Op de camerabeelden is voorts te zien dat dader 2 en 3 om 00.06.46 uur goederen uit de kluis mee het kantoor uit nemen.17

De afstand tussen de adressen [adres] en [adres] te [vestigingsplaats] bedraagt te voet 640 meter en per fiets 890 meter.18

Bewijsoverweging

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt het ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de kleding en messen die door de getuige [getuige ] zijn aangetroffen in de prullenbak en door de politie in beslag zijn genomen, dezelfde zijn als de kleding en messen die de daders tijdens de overval op de [benadeelde] aan hadden, dan wel hadden gebruikt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er een korte tijdspanne is tussen 00.06.46 uur, het tijdstip waarop de overvallers 2 en 3 met de goederen uit de kluis het kantoor van [benadeelde] verlaten en omstreeks 00:10 uur,

het tijdstip waarop getuige [getuige ] de jonge man richting het parkje zag komen aanrennen, welke tijd voldoende is om de afstand tussen beide locaties rennend of per fiets te overbruggen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat op de bivakmuts die, samen met de andere goederen in de prullenbak is gevonden door de getuige [getuige ] , DNA-materiaal van medeverdachte [medeverdachte 2] is aangetroffen. Daarnaast is medeverdachte [medeverdachte 1] door verbalisanten herkend als één van de daders van de overval op de [benadeelde] .

Uit het dossier blijkt dat aan de hand van deze omstandigheden, medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn aangemerkt als twee van de drie daders van de overval op de [benadeelde] . Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] elkaar kenden en voorafgaand aan de overval met elkaar omgingen. Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen hem en verdachte en uit de bezoekerslijst van de PI waar [medeverdachte 1] gedetineerd zat, dat [medeverdachte 1] en verdachte ook na de overval contact hadden met elkaar. Medeverdachte [medeverdachte 1] zat immers al gedetineerd voor de overval op de [benadeelde] en uit het tapgesprek blijkt dat [medeverdachte 1] aan verdachte zegt dat het hem niet zou verbazen als “ze morgen voor de deur van verdachte staan”.

De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het tapgesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , in combinatie met bovengenoemde omstandigheden, erop wijst dat verdachte betrokken is geweest bij de overval op de [benadeelde] .

Verdachte heeft ter terechtzitting een alternatief scenario geschetst voor de aanwezigheid van de DNA-sporen in de handschoenen en aan de binnenzijde van de trainingsbroek.

Verdachte heeft verklaard dat hij in augustus 2014 is verhuisd en in die periode regelmatig bij vrienden logeerde. Verdachte heeft verklaard dat hij en zijn vrienden regelmatig kleding van elkaar leenden en elkaars kleding ook aantrokken.

De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig, gelet op de hiervoor genoemde in de prullenbak aangetroffen combinatie van goederen, waarop naast het DNA van verdachte ook DNA is aangetroffen van mededader [medeverdachte 2] en waarvan de trainingsbroek

- met daarop DNA dat mogelijk van verdachte is – sterk lijkt op de trainingsbroek die door dader 3 wordt gedragen op de beelden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte zich zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris én in de raadkamer heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting in eerste instantie verklaard dat hij geen verklaring heeft voor aantreffen van zijn DNA in de handschoenen en de trainingsbroek en heeft verdachte pas nadat de voorzitter ter terechtzitting de resultaten van het DNA-onderzoek zoals opgenomen in het rapport van het NFI van 22 februari 2018 had voorgehouden, deze verklaring afgelegd.

Bezien in het licht van alle feiten en omstandigheden wijst het aantreffen van celmateriaal van verdachte in de handschoenen en de trainingsbroek, die in diezelfde prullenbak lagen als de bivakmuts en twee messen, op zijn betrokkenheid bij het hem ten laste gelegde feit.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met anderen de [benadeelde] heeft overvallen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 29 augustus 2014 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 3.818,46 euro, toebehorende aan [benadeelde] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van gewelden bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en

gemakkelijk te maken welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat

verdachte en/of zijn mededaders

- voornoemde [benadeelde] (vestiging gelegen aan [adres] ) heeft/hebben betreden met een vuurwapen en messen en met een bivakmuts op of een doek voor het gezicht en/of

- vervolgens dreigend een vuurwapen op die [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en vervolgens daarbij dreigend tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Je hebt 10 seconden om de kassa open te maken, of ik schiet" en/of

- vervolgens die [slachtoffer 2] onder bedreiging van een vuurwapen heeft/hebben gedwongen naar de balie en de kassa's te lopen en/of

- vervolgens dreigend een vuurwapen op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gericht en/of vervolgens daarbij dreigend tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd: "blijf staan, anders schiet ik je neer" en/of "ik tel tot tien en dan moet je mij geld geven" en/of "Hou je bek, anders schiet ik jou" en/of

- vervolgens dreigend met messen naar die [slachtoffer 1] is/zijn toegelopen en/of

- vervolgens een mes op de keel van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet en daarbij dreigend heeft/hebben gezegd: "Lopen nu, ik wil geld, geld ik wil geld", en/of

- vervolgens die [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen de kluis te openen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Het Jeugdinterventie Team heeft de persoonlijke omstandigheden van verdachte besproken en daaruit is een op verdachte afgestemde aanpak voortgevloeid waarbij voor verdachte een woonplek is gereserveerd in een Kamer Training Centrum (KTC) van het Leger des Heils. Deze plek is beschikbaar tot

1 april a.s. Verdachte kan daar terecht onder de voorwaarde dat hij de plek gaat bezetten vanaf uiterlijk 1 april a.s. en dat hem door de rechtbank een verplicht reclasseringscontact wordt opgelegd, zodat er een dwangkader is om verdachte aan te sturen. Indien de rechtbank tot strafoplegging zou komen, dan wordt verzocht om geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te verbinden, zodat verdachte deel kan gaan nemen aan het KTC traject en zijn leven op een goede manier op de rit kan zetten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een vestiging van [benadeelde] waarbij een geldbedrag van ruim drieduizend euro is weggenomen. Tijdens de overval zijn medewerkers van de [benadeelde] door verdachte en zijn mededaders bedreigd met een vuurwapen en met messen, waarbij meerdere medewerkers onder schot zijn gehouden en een mes op de keel is gelegd. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijke gewelddadige beroving hier nog lange tijd zowel fysiek als geestelijk last van kunnen hebben. De overval is uitermate beangstigend geweest voor de slachtoffers, zoals ook blijkt uit de verklaringen van de slachtoffers. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hiervan doorgaans nog lange tijd de nadelige gevolgen ervaren. Voorts geldt dat misdrijven als het onderhavige leiden tot een toename van gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij, in zijn zucht naar materieel gewin, volledig voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn daad voor de slachtoffers. In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte.

De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven, nog daargelaten dat hij er geen blijk heeft gegeven de strafwaardigheid van zijn handelen in te zien. Verdachte heeft ook tijdens de behandeling ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

18 januari 2018 is hij niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Wel is hij op

24 november 2016 door de rechtbank in Haarlem veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens mensenhandel.

Gelet op de ernst van de feiten, de gevolgen die de overval heeft gehad voor de slachtoffers en de houding van verdachte is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat op het handelen van verdachte niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een lange vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) waarin voor een overval op een winkel met licht geweld/bedreiging als uitgangspunt 2 jaren gevangenisstraf wordt geformuleerd. De rechtbank stelt vast dat er in het onderhavige geval sprake is van diverse strafverzwarende omstandigheden die door de rechtbank reeds hiervoor zijn aangehaald.

Alles overwegende is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] B.V. heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 15.466,35, bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat, op basis van de bijlagen bij de vordering, niet kan worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband is tussen de ziekmelding van beide medewerkers en de overval.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 15.466,35 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde] B.V. aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van

€ 15.466,35. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 112 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die door verdachte of zijn mededader(s) is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] B.V. in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling door verdachte of haar mededader(s) is gedaan aan de benadeelde partij.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde] B.V. toe tot een bedrag van € 15.466,35, bestaande uit materiële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] B.V. van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde] B.V. aan de Staat € 15.466,35 te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 112 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. J.W. Veenendaal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Benschop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 maart 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2014 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 3.818,46

euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [benadeelde] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld

en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of

[slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of

gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en /

of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte en/of zijn mededader(s)

- voornoemde [benadeelde] (vestiging gelegen aan [adres] )

heeft/hebben betreden met een vuurwapen en/of (een) mes(sen) en/of met een

bivakmuts op en/of een shawl/doek voor het gezicht en/of

- ( vervolgens) (dreigend) een vuurwapen op die [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht

en/of (vervolgens) (daarbij) (dreigend) tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben

gezegd: "Je hebt 10 seconden om de kassa open te maken, of ik schiet" en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] onder bedreiging van een vuurwapen heeft/hebben

gedwongen naar de balie en/of de kassa's te lopen en/of

- ( vervolgens) (dreigend) een vuurwapen op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gericht

en/of (vervolgens) (daarbij) (dreigend) tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben

gezegd: "blijf staan, anders schiet ik je neer" en/of "ik tel tot tien en dan

moet je mij geld geven" en/of "Hou je bek, anders schiet ik jou" althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) (dreigend) met (een) mes(sen) naar die [slachtoffer 1] is/zijn

toegelopen en/of

- ( vervolgens) een mes op de keel van die [slachtoffer 1] heeft/hebben

gezet/geduwd en/of (daarbij) (dreigend) heeft/hebben gezegd: "Lopen nu, ik wil

geld, geld ik wil geld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of

strekking en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen de kluis te openen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met mutatienummer 2014238734, zaaksdossier 4, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 885 tot en met 1103. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] , d.d. 29 augustus 2014, p. 886.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] , d.d. 29 augustus 2014, p. 887.

4 Het proces-verbaal geldbedrag/buit, d.d. 3 september 2014, p. 889.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , d.d. 29 augustus 2014,. p. 912.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , d.d. 10 september 2014, p. 915.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , d.d. 29 augustus 2014, p. 919.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , d.d. 30 augustus 2014, p. 922.

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , d.d. 29 augustus 2014, p. 919.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , d.d. 30 augustus 2014, p. 922.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige ] , d.d. 29 augustus, p. 939.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige ] , d.d. 29 augustus, p. 940.

13 Het proces-verbaal foto-opnamen handschoenen, messen, trainingsbroek en bivakmuts, d.d. 4 februari 2015, p. 950 en 951.

14 Een geschrift, te weten een NFI rapport, d.d. 6 oktober 2014, p. 1707, van het PV voorgeleiding met nummer PL0900 2014-285644 F.

15 Een geschrift, te weten een NFI rapport, d.d. 22 februari 2018, los geschrift.

16 Het proces-verbaal van vergelijkend onderzoek camerabeelden en in beslag genomen goederen, d.d. 8 januari 2015, p. 1039.

17 Het proces-verbaal beelden [benadeelde] 29/8/14, d.d. 30 augustus 2014, p. 1009.

18 Bron: ANWB routeplanner.