Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:904

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
C/16/444527 / JE RK 17-1734
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in verband met wachtlijsten voor afnemen noodzakelijk onderzoek door NIFP (en nu Bureau Formaat), terwijl dit onderzoek in augustus 2017 reeds is aangevraagd. Onduidelijkheid over perspectief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaakgegevens: C/16/444527 / JE RK 17-1734 en C/16/444529 / JE RK 17-1735

Datum uitspraak: 20 februari 2018

beschikking verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Utrecht,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [2008] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam van minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [2012] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam van minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[A] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

de heer [B] en mevrouw [C] , de pleegouders van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] , hierna te noemen de pleegouders, wonende te [woonplaats] ,

Samen Veilig Midden-Nederland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Utrecht.

De kinderrechter merkt als informant ten aanzien van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] aan:

[D] , hierna te noemen de partner van de moeder,

wonende te [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als informant ten aanzien van [voornaam van minderjarige 2] aan:

[E] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop


Voor het procesverloop wordt verwezen naar de beschikking van 23 augustus 2017.


Nadien zijn ontvangen:

- de brief d.d. 4 januari 2018 van de Raad met bijlagen, waaronder een rapportage, ingekomen bij de griffie op 8 januari 2018;

- de brief d.d. 12 januari 2018 van de GI, met als bijlage de SAVE-rapportage;

- een e-mailbericht d.d. 17 januari 2018 namens de pleegouders;

- e-mailberichten d.d. 7 en 8 februari 2018 van [F] , Raadsonderzoeker.

Op 20 februari 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. J.A. Comley,

- de partner van de moeder,

- de vader,
- mevrouw [G] , een vertegenwoordig(st)er van de Raad,

- mevrouw [H] en de heer [I] , namens de GI,
- de pleegouders (apart gehoord van de moeder, de partner van de moeder en de vader).

Aan mevrouw [J] van het Buurtteam is bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] wonen bij de pleegouders.

Bij beschikking van 23 augustus 2017 zijn [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 23 augustus 2018.

Bij beschikking van 23 augustus 2017 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 23 februari 2018 en is de behandeling van de verzoeken voor het overige aangehouden.

De verzoeken

De Raad heeft het aangehouden deel van het verzoek ten aanzien van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] gehandhaafd, inhoudende verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden.

De Raad heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het zeer vervelend en absoluut niet in het belang van de kinderen is dat er, ondanks de diverse inspanningen, nog geen concrete hulp is opgestart dan wel NIFP-onderzoek is verricht. Dit onderzoek is door het NIFP wegens wachtlijsten uitbesteed aan Bureau Formaat en verwacht wordt dat het onderzoek half maart 2018 afgerond zal zijn. Dit gegeven maakt dat er voor de jongens, de moeder en de pleegouders, langer dan wenselijk onduidelijkheid blijft bestaan.

Tussen de moeder, de pleegouders en de jeugdbeschermer is door gebrek aan voldoende onderlinge communicatie en openheid, sprake van frustratie, onbegrip en onrust over afspraken, verantwoordelijkheden en regie. De Raad acht dit zorgelijk te meer omdat het gedrag van met name [voornaam van minderjarige 1] als zeer heftig wordt omschreven en het risico op overbelasting van de pleegouders zeer groot is.


De Raad is van mening dat ondanks de gang van zaken de belangen van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] het beste kunnen worden behartigd in de huidige setting zodat hen onder de huidige omstandigheden de meeste continuïteit, rust en stabiliteit geboden worden. Er zijn te veel risico’s aanwezig bij een te snelle, niet onderbouwde terugplaatsing bij de moeder, zoals het risico van een herhaald trauma bij een nieuwe uithuisplaatsing. De Raad acht een kortere duur van de machtiging uithuisplaatsing niet in belang van de kinderen, daar het niet de verwachting is dat in een kortere periode de uitslagen van het NIFP-onderzoek en de eerste stappen in de daaruit voortvloeiende doelen kunnen worden gezet.

De standpunten

De moeder heeft verzocht om toewijzing van het verzoek voor een kortere duur dan zes maanden, te weten maximaal drie maanden. Hiertoe is aangevoerd dat het onderzoek half maart 2018 afgerond zal zijn en dat op dat moment duidelijk wordt of de kinderen terug kunnen naar de moeder. Een uithuisplaatsing dient zo kort mogelijk te duren. Indien de uithuisplaatsing nog langer voortduurt acht de moeder de kans groot dat haar zoons niet meer thuis komen. Daarnaast bestaat er bij de moeder frustratie en onvrede over het feit dat het onderzoek heel laat is gestart en daarnaast de hulpverlening nog altijd niet is gestart. De moeder wil het liefst haar zoons terug en, als dit niet mogelijk is, is wat haar betreft een co-ouderschapsregeling met de pleegouders een van de opties die dan besproken moet worden.

Door de GI is naar voren gebracht dat een verlenging van de machtiging voor een kortere duur de voorkeur heeft omdat het onderzoek reeds in maart 2018 afgerond zal zijn. Het is een complexe situatie, ook omdat er weinig zicht is op hoe het tussen de moeder en de kinderen gaat. Het Buurtteam is betrokken om hier meer zicht op te krijgen. De GI had een aanmelding bij @ […] gedaan, maar dit is afgewezen in verband met de complexiteit van de problematiek. Op dit moment is het voor [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] ook zwaar, omdat zij in twee verschillende systemen leven en constant moeten schakelen.

Door de pleegouders is naar voren gebracht dat zij weten dat de moeder met hen een co-ouderschapsregeling overeen zou willen komen, maar de pleegouders willen dit niet. De pleegouders ervaren sinds Kerst 2017 meer rust. Deze rust is ontstaan na een crisis tussen de moeder en [voornaam van minderjarige 1] . Sindsdien is [voornaam van minderjarige 1] meer open in het contact en stabieler in zijn gedrag. Hij lijkt minder weerstand tegen de plaatsing in het pleeggezin te hebben. Er moet voor [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] snel duidelijkheid komen. Voorts dient er volgens de pleegouders gewacht te worden met het eventueel uitbreiden van de bezoekregeling tussen de moeder en de kinderen. Eerst moeten de resultaten van het onderzoek bekend zijn. De pleegouders maken zich zorgen over het niet oppakken van de opvoedersrol door de moeder op de momenten waarop dit had gekund.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgt dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter overweegt in dit verband het volgende.

De moeder, de pleegouders en met name [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] hebben grote behoefte aan duidelijkheid over het perspectief. De kinderen laten zien grote moeite te hebben met het afscheid nemen, zowel ten aanzien van de moeder als ten aanzien van de pleegouders. [voornaam van minderjarige 1] lijkt stil te staan in zijn ontwikkeling en vertoont gedragsproblemen. De pleegouders proberen [voornaam van minderjarige 1] zo goed mogelijk op te vangen, zonder daarbij de behoeften van [voornaam van minderjarige 2] uit het oog te verliezen, maar het valt hen zwaar.

In dit verband is het dan ook teleurstellend dat het onderzoek door het NIFP (en nu door Bureau Formaat) in verband met de wachtlijsten zo lang op zich laat wachten. In de beschikking van 23 augustus 2017 heeft de kinderrechter reeds overwogen:

“Onderzocht dient te worden wat de (on)mogelijkheden zijn om de kinderen weer bij de moeder te laten wonen. Daarvoor is onderzoek nodig dat reeds bij het NIFP is aangevraagd. Nu de kinderen al een jaar in een pleeggezin wonen is hierbij haast geboden.”

Ten gevolge van het niet gereed zijn van het onderzoek blijft de onduidelijkheid over het perspectief van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] onverminderd voortduren. Intussen is tussen de betrokken partijen sprake van een gespannen verstandhouding waarbij constructieve en heldere communicatie veelal ontbreekt en het onderling vertrouwen gering is.

De kinderrechter acht verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] noodzakelijk. De resultaten van het onderzoek dat omstreeks 15 maart 2018 gereed zal zijn, dienen immers te worden afgewacht om te kunnen bepalen wat de vervolgstappen voor [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] zullen zijn. Gelet hierop zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] voor een kortere dan de verzochte duur verlengen, te weten drie maanden. De kinderrechter zal de behandeling van de verzoeken voortzetten op de zitting van 15 mei 2018 te 09.00 uur. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk één week voor de zitting actuele informatie aan de kinderrechter en belanghebbenden te sturen, waaronder in ieder geval het onderzoeksverslag van Bureau Formaat en de hieruit voortvloeiende plannen ten aanzien van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] , hun beider perspectief en de in te zetten hulpverlening. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI zich tot het uiterste zal inspannen om deze informatie tijdig in bezit te hebben, zodat de GI deze informatie ook tijdig met de belanghebbenden en de rechtbank kan delen.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 23 februari 2018 tot 23 mei 2018;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

zal het verzoek voor het overige behandelen op de zitting van 15 mei 2018 te 09.00 uur;

verzoekt de GI om uiterlijk één week voor de zitting actuele informatie aan de kinderrechter en belanghebbenden te sturen, waaronder het onderzoeksverslag van Bureau Formaat en de hieruit voortvloeiende plannen ten aanzien van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] , hun beider perspectief en de in te zetten hulpverlening;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J.G. van Osta, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D.B.T. Koster als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden