Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:903

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
5628560 UC EXPL 17-323 nig/1449
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2017:6837
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht; verhuur van een perceel op een recreatiepark. Vervolg op tussenvonnis van 27 september 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5628560 UC EXPL 17-323 nig/1449

Vonnis van 7 maart 2018

inzake

de besloten vennootschap

[eiseres] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. O.P. van der Linden,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: eerst mr. E.A.S. van Spanje, nu mr. M.A.M. van Rhee.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 september 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van mr. Van Spanje van 23 oktober 2017;

  • -

    de brief van mr. Van der Linden van 1 november 2017.

Daarna is opnieuw vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

In deze zaak gaat het over een perceel grond op een recreatiepark, dat [gedaagde sub 1] huurt van [eiseres] . [gedaagde sub 1] heeft daar een chalet staan, waar hij woont. [eiseres] vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het perceel en betaling van een huurachterstand van € 2.404,85.

2.2.

In het tussenvonnis van 27 september 2017 is al geoordeeld dat voor dit perceel niet de regels gelden voor huur van een standplaats (dus van woonruimte), maar die voor huur van onbebouwde grond. Verder is geoordeeld dat er ruim voldoende grond is voor ontbinding van de overeenkomst. [gedaagde sub 1] heeft een huurachterstand, hij weigert een redelijke nieuwe huurovereenkomst te tekenen, en hij heeft niet serieus weersproken dat hij zich onaangenaam gedraagt tegenover [eiseres] en tegenover andere bewoners. Vanwege zijn leeftijd, en omdat hij er wel al heel lang woont, heeft de kantonrechter hem een allerlaatste kans willen geven. Daarvoor is een zitting bepaald om dat te bespreken, en zijn bepaalde voorwaarden geformuleerd, waaronder het betalen van de huurachterstand, het intrekken van een bezwaarschrift bij de gemeente en het maken van afspraken over zijn gedrag.

2.3.

De inhoud van de brief van 23 oktober 2017 komt neer op het volgende. Volgens [gedaagde sub 1] bedroeg de huurachterstand € 505,83, en dat bedrag zou hij betalen. Hij heeft nooit een bezwaarschrift ingediend, en kan dat dus ook niet intrekken. Hij is bereid de huurovereenkomst te ondertekenen, en hij zal zich ‘uiteraard’ niet lasterend en smadend uitlaten over [eiseres] of over andere parkbewoners. Hij vindt een zitting daarom niet nodig.

2.4.

Met een betaling van € 505,83 blijft het grootste deel van de huurachterstand bestaan (€ 1.899,02 tot en met 1 januari 2017). Dat is op zich al voldoende grond voor ontbinding. Dat [gedaagde sub 1] geen bezwaarschrift heeft ingediend is volgens [eiseres] in zoverre juist, dat de gemeente zijn geschriften niet als bezwaarschrift heeft aangemerkt. Deze stelling van [gedaagde sub 1] laat de mogelijkheid open dat hij met andersoortige geschriften geprobeerd heeft de wijziging van het bestemmingsplan te verhinderen, in strijd met het belang van [eiseres] en van de overige parkbewoners. [gedaagde sub 1] heeft hierover verder geen concrete informatie verstrekt, terwijl hij kon weten dat dit een punt van belang was (in het tussenvonnis was op dit punt een voorwaarde gesteld). De toezegging over zijn gedrag ten slotte is zo algemeen dat die vrijwel nietszeggend is. [gedaagde sub 1] gaat ook nu niet in op de klachten van [eiseres] hierover, en hij licht op geen enkele manier toe op welke manier hij zijn gedrag zal aanpassen.

2.5.

Nog afgezien van de blijvende huurachterstand geeft de brief van 23 oktober 2017 dus heel weinig reden om vertrouwen te hebben in een herstel van acceptabele verhoudingen. Daar komt nog bij dat [gedaagde sub 1] zelf heeft afgezien van de zitting die zijn laatste kans was om concrete afspraken te maken. Onder deze omstandigheden is er voldoende reden om te concluderen dat de tekortkoming de ontbinding inderdaad rechtvaardigt. De huurovereenkomst zal daarom worden ontbonden, en [gedaagde sub 1] zal het perceel moeten verlaten.

2.6.

Omdat [gedaagde sub 1] in het ongelijk gesteld wordt, zal hij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 100,51

- griffierecht € 470,00

- salaris gemachtigde € 300,00 (2 punten x tarief € 150,00)

Totaal € 870,51

3 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak [adres] [letter- en nummeraanduiding] in [woonplaats] ;

veroordeelt [gedaagde sub 1] om dit perceel binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarop aanwezige personen en zaken, voor zover die aan hem toebehoren en niet aan [eiseres] , en om het geheel ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen;

veroordeelt [gedaagde sub 1] om te betalen aan [eiseres] :

  • -

    € 1.899,02 aan achterstallige huur tot 1 januari 2017;

  • -

    € 244,50 voor elke maand of gedeelte van een maand tussen 1 januari 2017 en de daadwerkelijke ontruiming;

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 870,51, waarin begrepen € 300,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.