Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:885

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
16/706502-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 55-jarige man uit Amsterdam is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar. Hij importeerde ruim 70 kilo cocaïne vanuit Brazilië naar zijn meubelzaak in Almere.

De man verstopte de cocaïnepasta in geprepareerde ruimtes in twee stoelen en een bank. Die kwamen in een container de haven van Rotterdam binnen. Een speurhond vertoonde afwijkend gedrag bij een van de bankstellen, waarna de cocaïne werd gevonden. Vervolgens zijn de meubels in Almere bij de meubelwinkel van de man afgeleverd. Ook zijn er in een opslagbox chemicaliën aangetroffen die gebruikt worden voor het terugwinnen van cocaïne uit cocaïnepasta. De opslagbox werd verhuurd aan de verdachte.

De verdachte was geschorst uit zijn voorarrest zodat hij zijn proces in vrijheid kon afwachten. De rechtbank bepaalt dat de verdachte direct de gevangenis in moet om zijn straf uit te zitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/706502-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1962] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 oktober 2016, 21 december 2016, 10 mei 2017, 27 september 2017, 17 januari 2018 en 22 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 21 december 2016 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

in de periode van 13 februari 2016 tot en met 8 juli 2016 tezamen en in vereniging met een ander of anderen 70,14 kilogram cocaïnepasta binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

subsidiair

medeplichtig is geweest aan het in de periode van 13 februari 2016 tot en met 8 juli 2016 binnen het grondgebied van Nederland brengen van 70,14 kilogram cocaïnepasta;

meer subsidiair

in de periode van 13 februari 2016 tot en met 8 juli 2016 opzettelijk 70,14 kilogram cocaïnepasta aanwezig heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte ontkent iets te hebben geweten van de cocaïnepasta in de meubels en dat hij misbruikt moet zijn door een derde persoon, mogelijk [A] . Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte mogelijk naïef heeft gehandeld, maar dat geen sprake is geweest van opzettelijk handelen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op donderdag 30 juni 2016 is in de haven van Rotterdam onderzoek ingesteld naar container GESU 313763-0.2 De container was afkomstig uit Brazilië.3 Een gecertificeerde narcoticaspeurhond vertoonde afwijkend zoekgedrag bij één van de bankstellen in de container. Na het inbrengen van een stalen prikker in de bank bleef een witte substantie hieraan kleven. De substantie is getest en gaf een positieve indicatie voor de aanwezigheid van cocaïne.4 In twee fauteuils en een bank werden in totaal 10 kokers aangetroffen met daarin een netto gewicht van 70,14 kilogram cocaïnepasta.5 Uit onderzoek van het Douane Laboratorium blijkt dat het onderzoeksmateriaal cocaïne bevat.6

Op de Commercial Invoice staat als ontvanger vermeld: [verdachte] , [bedrijf] , [adres] , [woonplaats] .7 Het bedrijf [bedrijf] is een eenmanszaak die wordt gedreven door verdachte.8

Op 7 juli 2016 is de container met meubelstukken afgeleverd bij het bedrijfspand van verdachte in Almere. Door verbalisanten is waargenomen dat uit de container mede door verdachte drie banken het bedrijf van verdachte in worden gedragen. De overige voorwerpen uit de container worden naar het naastgelegen pand gebracht.9 Op 8 juli 2016 zijn bij een doorzoeking in het bedrijfspand van de verdachte een bank en twee stoelen in beslaggenomen.10 In de bank en stoelen werden de monsters aangetroffen die daar door de douane waren ingestopt.11

Tijdens een doorzoeking bij een opslagruimte in Lijnden zijn 47 jerrycans met het opschrift MEK en Methylethylketon aangetroffen.12 Deze opslagbox werd gehuurd door verdachte.13 Uit onderzoek van het NFI is naar voren gekomen dat de monsters, genomen van de aangetroffen chemicaliën in de jerrycans, onder meer methylethylketon en zwavelzuur bevatten.14 MEK wordt gebruikt voor het terugwinnen c.q. kristalliseren van cocaïnebase uit bijvoorbeeld cocaïnepasta.15

Verdachte is op 13 februari 2016 in Brazilië aangekomen en op 19 februari 2016 is hij uit Brazilië vertrokken.16 Verdachte heeft in deze periode in Brazilië een bankstel gekocht.17 Verdachte heeft dit bankstel opgeslagen in een door hem gehuurde box bij Selfstorage te Belém, Brazilië.18 Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] is een witte iPhone 5S in een rood hoesje in beslag genomen.19 Het telefoonnummer bij deze iPhone is [telefoonnummer] .20 Verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer is.21 Op de iPhone zijn een aantal foto’s aangetroffen waarop een zitbank en een fauteuil zijn te zien, verpakt in doorzichtig plastic die qua model, stoffering, kleur en verpakking een sterke gelijkenis vertonen met de zitbank en de twee fauteuils waarin cocaïnepasta werd aangetroffen.22 Deze foto’s zijn gemaakt op

19 februari 2016, rond 00:30 uur.23 Verdachte heeft verklaard dat het bankstel dat bij de box is afgeleverd, lijkt op het bankstel op de foto’s en dat het kan zijn dat hij daar foto’s van heeft gemaakt.24

Verdachte is op 11 mei 2016 wederom in Brazilië aangekomen en op 26 mei 2016 is hij uit Brazilië vertrokken.25 Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte aan de

[adres] te [woonplaats] is een zwarte lederen documentenmap in beslag genomen.26 In deze map werd een aankoopbon d.d. 18 mei 2016 aangetroffen van

[winkel] te [woonplaats] , Brazilië ten aanzien van een bank (sofa) en twee fauteuils (poltrona).27 Verdachte heeft deze meubels gekocht.28 Verdachte heeft van deze meubels een foto gemaakt.29 De foto’s zijn op de iPhone van verdachte aangetroffen.30 In de documentenmap werden drie exportfacturen aangetroffen van [winkel] , [naam] en [naam] .31 Deze drie exportfacturen waren vervangen door één exportfactuur.32 De zitbank en de fauteuils op de aankoopbon van [winkel] en op de exportfactuur, zijn niet de zitbank en de twee fauteuils die in Nederland in beslag zijn genomen.33

Verdachte heeft verklaard dat hij het onderste balletje in de boom is.34 Op 20 mei 2016 heeft verdachte naar zijn vrouw het volgende sms-bericht verstuurd: “Ja schat zit te wachten op levering br heeft winkels al gebeld 2e box ook betaald met cc moet alleen nog 1 mille reaal betalen voor mensen om container te laden vr [naam] vanavond nog voor wat pla 1 mille is zat”.35 De jerrycans met MEK uit de opslagloods in Lijnden en de verpakkingen waarin de jerrycans hebben gezeten zijn onderzocht op de aanwezigheid van dactyloscopische sporen. Op een vuilniszak in dezelfde ruimte werden twee dactyloscopische sporen aangetroffen.36 Het spoor met kenmerk AAFS0184NL heeft geleid tot individualisatie van een persoon, genaamd: [B] .37

Bewijsoverweging

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank het volgende.

Verdachte is in februari 2016 in Brazilië geweest. Hij is – blijkens zijn eigen verklaring en de berichten aangetroffen op de telefoon van verdachte- aanwezig geweest toen de bank en de fauteuils, waarin in Nederland de cocaïnepasta werd aangetroffen, werden aangeleverd bij de door hem gehuurde box in Belém. In mei 2016 is verdachte naar Brazilië afgereisd om de deklading voor het transport van de meubels met cocaïnepasta aan te kopen. Verdachte heeft bij [winkel] opzettelijk een bank en stoelen gekocht die lijken op de meubelstukken waarin cocaïnepasta was verborgen. Deze bij [winkel] gekochte meubelen zijn in Brazilië achtergebleven en de factuur van de aankoop en de exportfactuur dienden uitsluitend ter dekking van de uit- en invoer van de drie meubelstukken waarin de cocaïnepasta was verborgen. De bank en de stoelen van [winkel] bevonden zich immers niet in de container die op 7 juli 2016 bij het bedrijfspand van verdachte is afgeleverd. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de twee reizen van verdachte naar Brazilië als doel hebben gehad de export van cocaïne naar Nederland te verwezenlijken. Verdachte heeft niet uit kunnen leggen waarom hij, met een noodlijdend bedrijf, twee maal naar Brazilië is gereisd om daar uiteindelijk een container die slechts voor de helft gevuld is met meubels, uit te voeren.

De rechtbank neemt in overweging dat het niet anders kan dan dat een drugssmokkel van een

omvang als hier ten laste gelegd en vanuit Brazilië, medewerking van verschillende personen vergt. In dit verband acht de rechtbank het van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij het onderste balletje in de boom is, dat verdachte in een sms-bericht naar zijn vrouw de naam “ [naam] ” heeft genoemd en dat op het verpakkingsmateriaal van de jerrycans met MEK een dactyloscopisch spoor van een ander persoon is aangetroffen.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte of het bedrijf van verdachte is misbruikt door een (of meer) derde(n), zoals de raadsman heeft gesteld. De raadsman heeft dit scenario niet onderbouwd en de rechtbank heeft voor dit scenario in het dossier geen aanwijzingen gevonden.

De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt dat verdachte het strafbare feit heeft begaan door het navolgende.

Ondanks dat het bedrijf van verdachte niet goed liep, werden door verdachte en zijn gezin grote (contante) uitgaven gedaan. Verdachte heeft verklaard alles betaald te hebben uit de erfenis van zijn schoonvader. De rechtbank kan niet uitsluiten dat verdachte daadwerkelijk een geldbedrag heeft geërfd van zijn schoonvader, maar acht het niet aannemelijk dat dit geldbedrag zodanig hoog was dat het een verklaring kan vormen voor alle door verdachte en zijn gezin gedane contante uitgaven en stortingen. Verdachte heeft wisselend verklaard over de hoeveelheid bij zijn schoonvader contant aangetroffen geld. Naarmate de tijd vorderde, werd het gevonden geldbedrag steeds hoger. In de loop van zijn verklaringen is het geldbedrag opgelopen van € 120.000,- naar € 200.000,-. Daarbij komt dat verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag in louter euro’s gevonden is. De euro is op 1 januari 2002 ingevoerd, hetgeen zou betekenen dat de schoonvader van verdachte in zijn laatste tien levensjaren ongeveer € 200.000,- aan contant geld gegenereerd zou hebben. Dit acht de rechtbank zonder concrete toelichting niet aannemelijk. De omstandigheid dat in 2017 kennelijk aangifte is gedaan bij de belastingdienst maakt al het voorstaande niet anders. De rechtbank gaat er van uit dat de aangifte is gedaan om het verhaal van verdachte kloppend te maken. De rechtbank concludeert dat een deel van de uitgaven van verdachte niet kan worden verklaard door de erfenis of legale inkomsten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair

in de periode van 13 februari 2016 tot en met 8 juli 2016 te Nederland en Brazilië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 70,14 kilogram cocaïnepasta, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen onder primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. De eis van de officier van justitie is fors. In vergelijkbare zaken worden lagere straffen opgelegd. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest. Een gevangenisstraf zal het gevolg hebben dat verdachte zijn baan verliest. Een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met elektronische controle als bijzondere voorwaarde en een taakstraf voor de duur van 240 uren is passend.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan de invoer van 70,14 kilogram cocaïnepasta via de haven van Rotterdam. De cocaïnepasta zat verstopt in geprepareerde ruimten in meubels afkomstig uit Brazilië, hetgeen duidt op een professionele en geraffineerde werkwijze. Verdachte heeft aldus gehandeld in harddrugs, zonder daarbij rekening te houden met de maatschappelijke gevolgen. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten. Het is algemeen bekend dat gebruikers vaak met forse gezondheidsproblemen en verslavingsproblematiek worden geconfronteerd en, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, veelvuldig strafbare feiten plegen, welke vaak met overlast en onveiligheid gepaard gaan. Internationale drugshandel op deze schaal en wijze werkt bovendien ondermijnend op de samenleving. Dit is onaanvaardbaar.

De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat hij gedurende het strafproces geen openheid van zaken heeft gegeven, terwijl hij meerdere malen te kennen heeft gegeven op enig moment een inhoudelijke verklaring af te zullen leggen. Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte zijn familie bij zijn handelen heeft betrokken. Uit het dossier komt naar voren dat het bedrijf van verdachte verliesgevend was. Geld vanaf een privé-rekening van de dochter van verdachte wordt doorgeboekt naar de zakelijke rekening. Ook wordt er in 2014 een kapitaalstorting gedaan van ruim € 24.000,-. Uit de grootboekrekening van 2015 volgt dat er geen ondernemerssalaris werd uitgekeerd. De winkel was geopend van woensdag tot en met zaterdag van 10 tot 16 uur. Gedurende de tijd dat verdachte op reis was, was de winkel gesloten. Het commerciële bestaansrecht van het bedrijf van verdachte is de rechtbank niet duidelijk geworden. Voorts bevat het dossier aanwijzingen dat het onderhavige transport niet het eerste transport met verdovende middelen was dat verdachte heeft verricht. Verdachte is eind 2015 naar Argentinië gereisd om meubels te kopen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er ook wat in die zending gezeten schijnt te hebben. Opvallend is dat verdachte in januari en februari 2016 een bedrag van € 25.000,- aan achterstallige huur heeft betaald. De rechtbank heeft dan ook op basis van de financiële situatie, de wijze waarop de onderneming werd gedreven en de aanwijzingen voor een eerder transport, de indruk dat verdachte [bedrijf] heeft gebruikt als dekmantel om verdovende middelen in te voeren teneinde er zelf financieel beter van te worden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 14 augustus 2017, waaruit volgt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 februari 2018, uitgebracht door J.M. van Hagen.

Uit het reclasseringsadvies maakt de rechtbank het volgende op. Omdat verdachte het

tenlastegelegde ontkent, is het niet mogelijk om risicofactoren voor recidive vast te stellen.

Verdachte maakt deel uit van een steunend netwerk. Hij maakt kans op een vaste baan

bij zijn huidige werkgever. Een gevangenisstraf zou tot gevolg hebben dat hij zijn baan

kwijtraakt, hetgeen volgens de reclassering een onwenselijke situatie zou zijn. De

reclassering adviseert thuisdetentie op te leggen. De rechtbank deelt de conclusie van de

reclassering niet. Naar het oordeel van de rechtbank staat thuisdetentie niet in verhouding tot

de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

Voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. De oriëntatiepunten gaan voor de in- en uitvoer van meer dan 20 kilogram harddrugs uit van een gevangenisstraf van meer dan 60 maanden (5 jaar). Voor het meerdere is er geen nader concreet oriëntatiepunt, uit de rechtspraak valt wel een enigszins afvlakkende lijn bij grotere hoeveelheden af te leiden. De onderhavige zaak ziet op een aanmerkelijk grotere hoeveelheid dan 20 kilogram.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 5 jaren met aftrek van het voorarrest passend en geboden is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLAG

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 2.00 STK Stoel hout (45205);

- 1.00 STK Bank 1.5 zits (45213);

- 1.00 STK Bank 2-zitsbank (45202);

- 1.00 STK Stoel fauteuil (45211);

- 1.00 STK Bank Sofa (45210);

- 1.00 STK Bank 2.5 zits (45209);

- 1.00 STK Kast hout (45208);

- 2.00 STK Stoel hout (45207);

- 2.00 STK Bank Hockers (45206);

- 2.00 STK Bed 2-persoons (45191);

- 1.00 STK Bank 1,5 zits (45214);

verbeurdverklaren.

De rechtbank overweegt dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot deze voorwerpen dan wel met behulp van deze voorwerpen is begaan.

11 VOORLOPIGE HECHTENIS

11.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de voorlopige hechtenis bij einduitspraak op te heffen dan wel te schorsen en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft laten zien dat hij niet recidivegevaarlijk is. De gronden zijn niet meer aanwezig. Ook indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt en een gevangenisstraf oplegt langer dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, is dat geen reden om de verdachte niet te schorsen tot de behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

11.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak en heeft zich op het standpunt gesteld dat de ernstige bezwaren en de gronden nog onverkort aanwezig zijn.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst tot aan de einduitspraak. Dat betekent dat verdachte op het moment van deze uitspraak (8 maart 2018) weer in voorlopige hechtenis zit. Gelet op de inhoud van de uitspraak en de veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek ziet de rechtbank, nu ook de gronden onverkort aanwezig zijn, geen ruimte voor hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • -

    2.00 STK Stoel hout (45205);

  • -

    1.00 STK Bank 1.5 zits (45213);

  • -

    1.00 STK Bank 2-zitsbank (45202);

  • -

    1.00 STK Stoel fauteuil (45211);

  • -

    1.00 STK Bank Sofa (45210);

  • -

    1.00 STK Bank 2.5 zits (45209);

  • -

    1.00 STK Kast hout (45208);

  • -

    2.00 STK Stoel hout (45207);

  • -

    2.00 STK Bank Hockers (45206);

  • -

    2.00 STK Bed 2-persoons (45191);

  • -

    1.00 STK Bank 1,5 zits (45214);

Voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en

W.S. Ludwig, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 maart 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

primair:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 februari 2016 tot en met 8 juli 2016 te Rotterdam en/of Almere en/of Amsterdam, althans te Nederland en/of Brazilië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

70,14 kilogram cocaïnepasta, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair:

een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 februari 2016 tot en met 8 juli 2016 te Rotterdam en/of Almere, althans in Nederland, en/of Brazilië tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeMiebben gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

70,14 kilogram cocaïnepasta, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meerdere tijdstippen in of

omstreeks de periode van 13 februari 2016 tot en met 8 juli 2016 te Almere, Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland en/of in Brazilië, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door de meubels (bevattende de cocaïnepasta):

- te importeren en/of naar Nederland te laten vervoeren en/of

- zorg te dragen voor een zogeheten (verhullende) deklading en/of

- naar het (bedrijfs)pand te laten vervoeren waarvan hij, verdachte, gebruik maakte en/of

- op te slaan en/of te bewaren in het (bedrijfs)pand in gebruik bij verdachte;

meer subsidiair:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 juni 2016 tot en met 8 juli

2016 te Rotterdam en/of Almere en/of Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 70,14 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 22 november 2016, genummerd 60039 (Chesterfield), opgemaakt door de Belastingdienst/FIOD, doorgenummerd 1 tot en met 1003. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 21.

3 Pagina 25.

4 Pagina 22.

5 Pagina 25.

6 Pagina 137.

7 Pagina 376.

8 Pagina 378.

9 Pagina 238.

10 Pagina 143.

11 Pagina 181.

12 Pagina 76.

13 Pagina 318.

14 Pagina 297-299.

15 Pagina 83.

16 Pagina 122.

17 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2018.

18 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2018 en pagina 223.

19 Pagina 56.

20 Pagina 244.

21 Pagina 302.

22 Pagina 225.

23 Pagina 226.

24 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2018.

25 Pagina 122.

26 Pagina 64.

27 Pagina 537.

28 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2018.

29 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2018.

30 Pagina 233.

31 Pagina’s 232 en 234.

32 Pagina 570.

33 Pagina 234.

34 Pagina 296.

35 Pagina 250.

36 Pagina 185

37 Pagina 186.