Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:829

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
C/16/411698 / HA ZA 16-203
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging overeenkomsten wegens bedrog. Aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/411698 / HA ZA 16-203

Vonnis van 28 februari 2018

in de zaak van

rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiseres] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.T. Eisenmann te Amstelveen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.C. Bijleveld te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam.

Eiseres wordt verder [eiseres] genoemd. De gedaagden samen worden als zodanig aangeduid. De gedaagden onder 1, 2 en 4 worden samen [gedaagde sub 2] c.s. genoemd. De gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 29 maart 2017

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 2] c.s.

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 3]

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

Inleiding

2.1. [eiseres] is een vennootschap die een deel van het kapitaal van een Russische familie (verder: de familie) beheert. Leden van de familie zijn [A] (verder: [A] ) en zijn ouders, mevrouw [B] en de heer [C] (verder: [B] en [C] ).

2.2. [gedaagde sub 2] is dé man achter de [gedaagde sub 2] groep, een conglomeraat van vennootschappen dat actief is in zestien landen, volgens de Engelstalige website onder meer op het gebied van personal trust, real estate, funds, financing within the group, private foundations, legal structures, taxation etc. Tot deze groep behoren ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] [gedaagde sub 1] legt zich als trustee toe op trustwerkzaamheden en [gedaagde sub 4] verleent juridische en financiële diensten.

[gedaagde sub 2] is de enige aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 1] en indirect bestuurder (via een stichting en een naamloze vennootschap) van [gedaagde sub 4]

2.3. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] waren gehuwd. Sinds 2011 leven zij gescheiden van elkaar en inmiddels zijn zij ook voor de wet gescheiden. [gedaagde sub 3] werkte vanaf het begin (in 2005) in de [gedaagde sub 2] -groep en is dat blijven doen na 2011.

2.4. De familie heeft [gedaagde sub 2] benaderd eind 2012, omdat zij een probleem had met haar voormalige zakenpartner [D] (verder: [D] ). De familie had hem in 2011 € 4.500.000,- geleend. Deze lening liep via [bedrijfsnaam 1] B.V. (verder: [bedrijfsnaam 1] ) waarvan [D] bestuurder was. [D] was tot 11 juli 2011 de enige aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] . Op enig moment daarna is [A] meerderheidsaandeelhouder (60%) geworden; [D] werd toen minderheidsaandeelhouder (40%). Dat was nog het geval toen de familie zich tot [gedaagde sub 2] wendde.

[D] bleek de familie te hebben opgelicht door het geld te verduisteren. Toen de familie zich tot [gedaagde sub 2] wendde, was [D] bezig om [bedrijfsnaam 1] (verder) leeg te halen. [D] wilde de lening niet terug betalen (ontkende zelfs de lening) en bedreigde de familie met de dood als zij niet nog eens € 1.500.000,- zou betalen.

2.5. [gedaagde sub 2] (dan wel vennootschappen binnen de [gedaagde sub 2] groep) heeft (hebben) werk verricht voor de familie. De betalingen voor deze werkzaamheden werden gedeclareerd via [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [bedrijfsnaam 2] B.V. (verder [bedrijfsnaam 2] ), ook een rechtspersoon binnen de [gedaagde sub 2] -groep. Ook [gedaagde sub 3] heeft werk verricht voor de familie, zij deed dit binnen [bedrijfsnaam 1] nadat zij daar na de schorsing van [D] tot interim bestuurder was benoemd. Ook derden hebben werk verricht voor de familie, in het bijzonder advocaat mr. [G] voor het voeren van een civiele procedure tegen [D] en recherchebureau [naam recherchebureau] voor het doen van (verhaals)onderzoek naar [D] . Ook zijn er nog andere werkzaamheden en activiteiten geweest die zijn afgerekend. Partijen verschillen van mening over de vraag of dit werk is verricht door en betaald aan onafhankelijke rechtspersonen, dat wil zeggen rechtspersonen die buiten de invloedssfeer van [gedaagde sub 2] en buiten de [gedaagde sub 2] -groep opereren.

2.6. Er zijn twintig betalingen gedaan namens de familie. Er is betaald door vier verschillende (rechts)personen: [C] , [A] , [eiseres] en (één keer) [bedrijfsnaam 3] Inc. (verder [bedrijfsnaam 3] ). De betaling door [bedrijfsnaam 3] was op verzoek van [A] . [eiseres] stelt dat [bedrijfsnaam 3] daarmee een schuld van haar aan [A] delgde.

2.7. Het geld is betaald aan acht verschillende rechtspersonen. Partijen zijn het erover eens dat daarvan drie rechtspersonen behoren tot de [gedaagde sub 2] -groep: [bedrijfsnaam 2] , [gedaagde sub 4] en [bedrijfsnaam 13] . Tussen partijen is in debat of vier andere rechtspersonen waaraan is betaald onafhankelijk zijn (rechtspersonen die opereren buiten de invloedssfeer van [gedaagde sub 2] en buiten de [gedaagde sub 2] -groep). Die vier rechtspersonen zijn: [bedrijfsnaam 4] , [bedrijfsnaam 5] , [bedrijfsnaam 6] (een andere rechtspersoon dan [bedrijfsnaam 5] ) en [bedrijfsnaam 8] .

De achtste rechtspersoon waaraan betalingen zijn gedaan is [bedrijfsnaam 1] . Dat gebeurde door [A] bij wijze van funding, om daarmee de tegen [D] gerichte activiteiten te bekostigen die vanuit [bedrijfsnaam 1] werden ondernomen.

In totaal is € 635.303,10 betaald in de loop van ongeveer 2,5 jaar. Partijen zijn het erover eens dat in alle gevallen [gedaagde sub 2] de familie heeft geïnstrueerd welke bedragen moesten worden betaald en aan welke vennootschap.

2.8. In een schema weergegeven, gaat het om de volgende betalingen. De nummering in de eerste kolom wordt verderop in het vonnis gehanteerd om naar specifieke betalingen te verwijzen.

Volg- nummer

Betaald op

Betaald door

Betaald aan

Betaald bedrag in euro

1

7 december 2012

[C]

[bedrijfsnaam 2]

114,95

2

13 december 2012

[C]

[bedrijfsnaam 2]

229,90

3

27 december 2012

[C]

[gedaagde sub 4]

2.389,75

4

29 april 2013

[C]

[gedaagde sub 4]

8.893,50

5

12 juni 2013

[A]

[bedrijfsnaam 1]

1.000,-

6

12 juli 2013

[A]

[bedrijfsnaam 1]

20.000,-

7

5 augustus 2013

[A]

[bedrijfsnaam 1]

25.000,-

8

4 september 2013

[A]

[bedrijfsnaam 13]

10.700,-

9

3 oktober 2013

[eiseres]

[bedrijfsnaam 4]

110.000,-

10

4 oktober 2013

[A]

[bedrijfsnaam 1]

25.000,-

11

14 oktober 2013

[A]

[bedrijfsnaam 1]

10.000,-

12

28 oktober 2013

[A]

[bedrijfsnaam 1]

28.000,-

13

5 maart 2014

[eiseres]

[bedrijfsnaam 5]

75.000,-

14

5 maart 2014

[eiseres]

[bedrijfsnaam 8]

50.000,-

15

12 mei 2014

[eiseres]

[bedrijfsnaam 8]

85.000,-

16

16 juni 2014

[bedrijfsnaam 3]

[bedrijfsnaam 8]

49.975,-

17

31 juli 2014

[eiseres]

[bedrijfsnaam 8]

30.000,-

18

23 februari 2015

[eiseres]

[bedrijfsnaam 8]

40.000,-

19

20 maart 2015

[eiseres]

[bedrijfsnaam 6]

14.000,-

20

22 mei 2015

[eiseres]

[bedrijfsnaam 8]

50.000,-

Totaal

635.303,10

2.9. [eiseres] eist dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan haar van
€ 735.303,-. Deze hoofdsom is de optelsom van de genoemde € 635.303,10 (door [eiseres] op hele euro’s naar beneden afgerond) en € 100.000,-. Dit laatste bedrag is de koopsom van het aandelenpakket van [A] in [bedrijfsnaam 1] dat niet aan hem is betaald door de koper [bedrijfsnaam 8] . Het uitblijven van die betaling rekent [eiseres] toe aan gedaagden.

[eiseres] stelt zich primair op het standpunt dat de betalingen tot de som van € 735.303,- onverschuldigd zijn. Zij baseert zich daarbij op vernietiging van alle overeenkomsten tussen partijen op grond van primair bedrog en subsidiair dwaling. Subsidiair voert [eiseres] aan dat sprake is van toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad en vordert zij op die basis een schadevergoeding ter hoogte van de betaalde bedragen. [eiseres] stelt dat door gedaagden vaag is gehouden wie op concrete momenten optrad en wat dan werd gedaan. Daarom houdt zij gedaagden hoofdelijk aansprakelijk.

[eiseres] is de enige eiseres. Zij stelt dat zij met drie aktes van cessie (productie 5 bij de dagvaarding) de vorderingen van [C] , [A] en [bedrijfsnaam 3] overgedragen gekregen heeft.

2.10. Gedaagden betwisten de vorderingen van [eiseres] op vele gronden en concluderen tot afwijzing daarvan. De rechtbank zal het debat tussen partijen hierna beoordelen.

In dat kader zullen de volgende onderwerpen worden besproken:

  1. De bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht

  2. De beoordeling van de cessies en de omvang van de gecedeerde vorderingen

  3. De aard en omvang van de betrokkenheid van [gedaagde sub 2]

  4. De kwaliteit van de in opdracht verrichte werkzaamheden

  5. De rol van [bedrijfsnaam 8] : vaststaande feiten en stellingen van partijen

  6. De rol van [bedrijfsnaam 8] : het oordeel van de rechtbank: bedrog

  7. Beoordeling van betalingen 8, 13 en 19

  8. Tussenconclusie toe- en afwijzingen van de diverse betalingen

  9. Beoordeling op grond van onrechtmatige daad

  10. Rente en kosten.

1 De bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht

2.11.

De rechtbank is bevoegd te oordelen over deze zaak op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012). Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De rechtbank begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.

2 De beoordeling van de cessies en de omvang van de gecedeerde vorderingen

De rechtsgeldigheid van de cessies aan [eiseres] door [C] , [A] en [bedrijfsnaam 3]

2.12.

Gedaagden hebben acht verweren gevoerd tegen de rechtsgeldigheid van de cessies. Al deze verweren worden verworpen. In 2.13 tot en met 2.20 staat per verweer waarom.

2.13.

Gedaagden voeren terecht aan dat [eiseres] eiseres is, terwijl in de aktes van cessie is gecedeerd aan [bedrijfsnaam 7] Inc. Volgens het handelsregister in [vestigingsplaats] bestaat [bedrijfsnaam 7] Inc niet. [eiseres] kan wel zeggen dat dit niet meer dan een verschrijving is, maar dat maakt niet dat op grond van deze aktes een vordering aan [eiseres] toekomt. Aan haar is gewoonweg niet gecedeerd, aldus gedaagden.

De rechtbank stelt vast dat ook gedaagden erkennen dat het om niet meer dan een verschrijving gaat. Er kan geen misverstand ontstaan over wie rechthebbende op de vorderingen is, want [bedrijfsnaam 7] Inc bestaat niet, zoals gedaagden zelf stellen. Daar komt bij dat gedaagden zelf beweren dat [eiseres] in bezit is van en wordt bestuurd door de familie. Dus gedaagden weten met wie zij te doen hebben als het om eiseres gaat. Ten slotte verklaren de drie leden van de familie schriftelijk dat zij hun vorderingen aan [eiseres] hebben gecedeerd en niet aan [bedrijfsnaam 7] Inc.

De rechtbank gaat op deze gronden aan het argument van gedaagden voorbij.

2.14.

Gedaagden stellen dat als er schade is geleden, dat die dan bij [bedrijfsnaam 1] in het vermogen wordt gevoeld, omdat [bedrijfsnaam 1] de opdrachtgever was van de trustee [gedaagde sub 1] en ook (al dan niet direct) van mr. [G] en [naam recherchebureau] . [A] heeft zelf geen vorderingsrechten en kan dus niets gecedeerd hebben. Voor zover [A] schade heeft geleden, is dat afgeleide schade. Die komt naar Nederlands recht niet voor vergoeding in aanmerking. Dat wordt niet anders nu [bedrijfsnaam 1] door de familie en door [eiseres] werd gefinancierd. Het blijft afgeleide schade.

Anders dan gedaagden met dit argument schetsen, is de stelling van [eiseres] niet dat [A] als aandeelhouder schade heeft geleden, maar dat hij zelf rechtstreeks schade leed, omdat hij bedragen leende aan [bedrijfsnaam 1] terwijl hij daarbij werd bedrogen door gedaagden. Dat vorderingsrecht zal de rechtbank hierna inhoudelijk beoordelen. Maar het verweer van gedaagden kan in ieder geval niet leiden tot de conclusie dat de cessie niet rechtsgeldig is.

2.15.

[A] onttrekt door de cessie van een vordering die alleen aan [bedrijfsnaam 1] toekomt, deze vordering aan het vermogen van [bedrijfsnaam 1] , dat is paulianeus en dus nietig, aldus gedaagden. De rechtbank oordeelt dat dit argument voortbouwt op wat al is afgewezen in 2.14. Het argument snijdt dus geen hout.

2.16.

Of de vorderingen daadwerkelijk bestaan, hangt af van een rechterlijk oordeel, dus waren de vorderingen toekomstig tijdens de cessie en toekomstige vorderingen kun je niet cederen, aldus gedaagden.

De rechtbank oordeelt dat dit betoog geen grondslag in het recht vindt: een vordering is niet toekomstig door het feit dat een rechter nog niet heeft beslist of die vordering in rechte slaagt.

2.17.

De aard van de vorderingen staat volgens gedaagden aan cessie in de weg: zij hebben een persoonlijk karakter, omdat dit geldt voor de dienstverlening in kwestie (trustee-diensten).

De rechtbank oordeelt dat dit verweer geen grondslag in de feiten vindt: het gaat om vorderingen tot vernietiging en om geldvorderingen en die hebben geen persoonlijk karakter.

2.18.

De cessie is ongeoorloofd, omdat gedaagden in een slechtere positie worden gebracht: zij kunnen geen tegenvordering instellen tegen [eiseres] , aldus gedaagden.

Volgens de rechtbank zou wat gedaagden opwerpen zich voordoen bij iedere cessie, terwijl de rechtsfiguur geldig is. Er is dus meer nodig dan alleen dit argument om een cessie ongeoorloofd te maken en méér hebben gedaagden niet gesteld. Daar komt bij dat gedaagden maar één tegenvordering pretenderen: het restant van nog onbetaalde facturen dat, zo neemt de rechtbank aan, aan [gedaagde sub 1] zou moeten toekomen. Niets stond eraan in de weg om zich ook tegenover [eiseres] op verrekening te beroepen. Aan de voorwaarden voor verrekening was immers - uitgaande van de stellingen van gedaagden - al voldaan vóór de cessie. Maar gedaagden hebben zich niet op verrekening beroepen. Het verweer wordt verworpen.

2.19.

Gedaagden hebben betwist dat aan de cessie een geldige titel ten grondslag lag, met als motivering dat de titel niet blijkt uit de overgelegde aktes van cessie.

De rechtbank vat dit op als een betwisting bij gebrek aan wetenschap. [eiseres] gaat daarop niet in. Dat hoefde zij ook niet. Uit de aktes van cessie blijkt dat de partijen bij die cessie het eens waren: zij wilden de vorderingen in kwestie overdragen en overgedragen krijgen. Daarin ligt hun wilsovereenstemming besloten. Dat die is gebaseerd op een titel die niet in de aktes van cessie staat, doet er niet toe. Het kan zijn dat die wilsovereenstemming niet bestaat of een ongeoorloofde titel heeft, maar gedaagden kunnen niet volstaan met de simpele betwisting dat een geldige titel ontbreekt. Zij hadden stellingen moeten ontwikkelen waardoor dit aannemelijk zou kunnen zijn. De betwisting wordt daarom gepasseerd.

2.20.

De cessie heeft volgens gedaagden een ongeoorloofde strekking, want de cessie constitueert een ongeoorloofde agressive tax planning en/of belastingontduiking en/of fraus legis.

Zonder verdere uitleg is dit verweer onbegrijpelijk, reden voor de rechtbank om het buiten beoordeling te laten.

2.21.

Dit betekent dat de cessies rechtsgeldig zijn.

Kan [eiseres] als cessionaris vorderingen instellen tot vernietiging wegens bedrog en dwaling of tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming?

2.22.

Gedaagden voeren aan dat [eiseres] als cessionaris geen recht heeft tot het instellen van vorderingen tot vernietiging op grond van bedrog en dwaling of tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming.

2.23.

Gedaagden lichten hun verweer aldus toe. Een vordering tot vernietiging komt alleen een contractspartij toe en die kan niet gecedeerd worden. Hetzelfde geldt voor de vorderingen tot ontbinding en schadevergoeding. Die vorderingen zijn nevenrechten die niet mee overgaan naar de cessionaris met de overdracht van de vordering uit overeenkomst (conclusie van antwoord 107 bij bedrog en 111 bij dwaling en 119 bij tekortkoming en conclusie van dupliek 3.23).

2.24.

Dit betoog verdraagt zich niet met de feiten. De vorderingen tot vernietiging en schadevergoeding zelf zijn overgedragen, niet de vorderingen tot nakoming van een tussen (een van) de cedenten en (een van) de gedaagden bestaande overeenkomst. Het gaat dus niet om nevenrechten die mogelijk niet mee overgaan met een cessie van een vordering tot nakoming.

De omvang van de gecedeerde vorderingen

2.25.

Om vast te stellen waarover de rechtbank heeft te oordelen, moet komen vast te staan welke vorderingen zijn gecedeerd aan [eiseres] en in welke omvang dat is gebeurd. Op grond van de aktes van cessie (“deeds of assignment”, productie 5 bij dagvaarding) stelt de rechtbank het volgende vast:

  • -

    [A] heeft zijn vordering op [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] op basis van bedrog, dwaling, tekortkoming en/of onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW gecedeerd en die vordering bedraagt € 219.700,-. Daarbij zijn de betalingen met nummers 5 tot en met 8 en 10 tot en met 12 genoemd die [A] heeft verricht en die, samen met een bedrag van € 100.000 (waarde van de aandelen van [bedrijfsnaam 1] ) opgeteld dat bedrag vormen.

  • -

    [C] heeft zijn vordering op [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] op basis van bedrog, dwaling, tekortkoming en/of onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW gecedeerd en die vordering bedraagt € 11.628,10. Daarbij zijn de betalingen met nummers 1 tot en met 4 genoemd die [C] heeft verricht en die opgeteld dat bedrag vormen.

  • -

    [bedrijfsnaam 3] heeft haar vordering op [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] op basis van onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW gecedeerd en die vordering bedraagt € 49.975,-. Daarbij is de betaling met nummer 16 genoemd die [bedrijfsnaam 3] heeft verricht en die dat bedrag omvat.

2.26.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen kennelijk telkens tot het in de aktes genoemde bedrag zijn gecedeerd. Voor zover de vordering van [A] , [C] en [bedrijfsnaam 3] dat bedrag te boven mocht gaan, is de vordering niet gecedeerd.

2.27.

Gelet op de grondslag en de omvang van de gecedeerde vorderingen, stelt de rechtbank vast dat de vorderingen van [A] , [C] en [bedrijfsnaam 3] op [gedaagde sub 4] niet zijn gecedeerd. Dit betekent dat [eiseres] niet met succes vorderingen die oorspronkelijk van hen waren, kan instellen tegen [gedaagde sub 4] Voor zover die vorderingen in deze procedure aan de orde zijn, worden zij afgewezen. Wel moet de rechtbank nog beoordelen of [eiseres] een eigen vordering heeft op gedaagden (waaronder [gedaagde sub 4] ).

2.28.

Verder constateert de rechtbank dat de vordering van [bedrijfsnaam 3] alleen aan [eiseres] is gecedeerd, voor zover deze is gebaseerd op onrechtmatige daad. Dit betekent dat de vordering van [bedrijfsnaam 3] , voor zover deze is gebaseerd op bedrog of dwaling, moet worden afgewezen.

2.29.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat in deze procedure wordt gevorderd om overeenkomsten te vernietigen. Volgens [eiseres] zijn de overeenkomsten gesloten door de familie, bestaande uit [A] , [C] en [B] . Alleen [A] en [C] hebben hun vordering uit hoofde van bedrog en dwaling gecedeerd aan [eiseres] en niet [B] . Dit betekent dat zij geen partij is in deze procedure. Op grond van artikel 3:51, tweede lid, BW moeten alle partijen bij de rechtshandeling betrokken zijn in de procedure waarin een rechtsvordering tot vernietiging wordt ingesteld. Niettemin oordeelt de rechtbank dat deze bepaling niet in de weg staat aan het uitspreken van de vernietiging in deze procedure. De ratio achter deze bepaling is dat alle partijen bij de overeenkomst in de gelegenheid moeten zijn gesteld om hun standpunt naar voren te brengen én dat de uitspraak hen allen bindt. Daaraan is in deze zaak voldaan omdat [B] gemachtigde is van [eiseres] op basis van een uitgebreide power of attorney. Aangenomen mag worden dat [eiseres] ook haar standpunt verwoordt voor wat betreft de vernietiging van de overeenkomst(en). Zeker nu [B] als vertegenwoordiger van [eiseres] ter zitting van 28 november 2017 aanwezig was.

Tussenconclusie en vervolg

2.30.

Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen van [eiseres] beperkter moet beoordelen dan [eiseres] kennelijk (gezien dat wat zij vordert en de onderbouwing daarvan) heeft beoogd. De rechtbank moet als eerste de primaire vordering tot vernietiging van de overeenkomsten beoordelen. In dat verband zal de rechtbank de feiten en omstandigheden vaststellen die zich hebben voorgedaan tussen de familie en gedaagden en ook (tussentijdse) conclusies verbinden aan die feiten en omstandigheden.

3 De aard en omvang van de betrokkenheid van [gedaagde sub 2]

Deed [gedaagde sub 2] zich voor als advocaat? Wat was de omvang van de opdracht aan [gedaagde sub 2] ? Heeft [gedaagde sub 2] geadviseerd of was hij niet meer dan uitvoerder van een al bestaand plan van aanpak? Als [gedaagde sub 2] adviseur was, was hij dan de enige?

Inleiding

2.31.

[eiseres] stelt dat de familie zich tot [gedaagde sub 2] wendde in de veronderstelling dat hij advocaat was. Zij had de bedoeling dat [gedaagde sub 2] haar in den brede zou bijstaan bij het nemen van privaatrechtelijke maatregelen tegen [D] en bij het doen van strafrechtelijke aangifte.

Gedaagden stellen zich op het standpunt dat de familie met een kant en klaar plan van aanpak binnenkwam, dat zij had (mee)gekregen van haar vaste advocatenkantoor. De onderdelen daarvan waren:

  • -

    schakel een trustkantoor in om de huidige bestuurder te schorsen

  • -

    stel een professionele interim bestuurder aan

  • -

    domicilieer het vestigingsadres van [bedrijfsnaam 1] bij een trustkantoor

  • -

    haal de administratie op

  • -

    start een onafhankelijk onderzoek naar [D] en maak, afhankelijk van de uitkomst daarvan, een procedure tegen [D] aanhangig en/of doe aangifte tegen [D] .

Trustdiensten konden door een of meer rechtspersonen binnen de [gedaagde sub 2] -groep geleverd worden. Voorbereidende juridische handelingen konden worden geleverd door [bedrijfsnaam 2] en [gedaagde sub 4] De professionele interim bestuurder kon [gedaagde sub 3] worden. [gedaagde sub 2] kon als uitvoerder dit allemaal voor elkaar krijgen. Gedaagden hebben niet meer gedaan dan het uitvoeren van dit plan. Als advocaat heeft [gedaagde sub 2] zich niet gepresenteerd, aldus nog steeds gedaagden

Wie zijn de contractspartijen?

2.32.

Gedaagden hebben niet weersproken dat de familie (dus [A] , [B] en [C] ) heeft te gelden als opdrachtgever, met uitzondering van de trustovereenkomst van 22 mei 2013: die is volgens gedaagden gesloten door [A] als de ultimate beneficiary owner (verder: UBO) van [bedrijfsnaam 1] . De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan. Wie aan de andere zijde contractspartij(en) is of zijn, is minder duidelijk. [eiseres] stelt dat de familie altijd te maken had met [gedaagde sub 2] en dat hij vaag heeft gelaten met welke (rechts)persoon de familie nou eigenlijk zaken deed. Gedaagden hebben niet betwist dat de familie steeds met [gedaagde sub 2] heeft gesproken over de werkzaamheden. Volgens hen heeft hij daarbij opgetreden als bestuurder van het trustkantoor [gedaagde sub 1] (voor de trustwerkzaamheden) en van het juristenkantoor [gedaagde sub 4] (voor de overige werkzaamheden). [eiseres] heeft hier inhoudelijk onvoldoende tegenover gesteld en daar zal de rechtbank dan ook van uitgaan. De enkele omstandigheid dat van de zijde van opdrachtnemer(s) vaag is gelaten met welke vennootschap men van doen had, is onvoldoende om dan maar aan te nemen dat [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3] in persoon de contractspartij is. Bij het beschrijven van de werkzaamheden zal de rechtbank wel regelmatig de naam [gedaagde sub 2] gebruiken (in plaats van de contractspartij [gedaagde sub 4] of [gedaagde sub 1] ), als zijnde de persoon die de werkzaamheden feitelijk verrichtte.

Deed [gedaagde sub 2] zich voor als advocaat?

2.33.

[eiseres] verbindt aan het argument dat [gedaagde sub 2] zich voordeed als advocaat twee gevolgen: zij is om die reden met [gedaagde sub 2] in zee gegaan, wat zij anders niet zou hebben gedaan én zij had daardoor alle vertrouwen in [gedaagde sub 2] .

2.34.

De rechtbank oordeelt dat [eiseres] onvoldoende heeft gemotiveerd dat de familie niet met [gedaagde sub 2] in zee gegaan zou zijn, als zij had geweten dat [gedaagde sub 2] geen advocaat was. De familie heeft namelijk niet met [gedaagde sub 2] gebroken toen hij de procedure aan een advocaat (mr. [G] ) van een advocaatkantoor buiten de [gedaagde sub 2] -groep overliet. Toen dit gebeurde was dat vrijwel meteen duidelijk aan de familie. Ook accepteerde de familie dat [gedaagde sub 2] het onderzoek naar [D] deels uitbesteedde aan een recherchebureau ( [naam recherchebureau] ) buiten de [gedaagde sub 2] -groep. Het ging er de familie blijkbaar niet om dat al het werk voor haar binnen de [gedaagde sub 2] -groep werd verricht en al evenmin dat [gedaagde sub 2] het typische advocatenwerk (het voeren van een procedure) zelf deed of binnen zijn [gedaagde sub 2] -groep liet doen. De hoedanigheid van [gedaagde sub 2] als advocaat was blijkbaar niet doorslaggevend als het gaat om wat hij van de familie zelf (of binnen de [gedaagde sub 2] -groep) moest doen en wat hij mocht uitbesteden buiten de [gedaagde sub 2] -groep.

2.35.

Wel volgt de rechtbank [eiseres] in haar stelling dat het de familie erom ging dat zij [gedaagde sub 2] (en de door hem ingeschakelde rechtspersonen en personen in de [gedaagde sub 2] -groep, onder wie de andere gedaagden) kon vertrouwen als haar opdrachtnemer, maar ook hier is onvoldoende door [eiseres] gesteld om te kunnen concluderen dat de familie dat vertrouwen vanaf het begin alleen maar zou hebben gehad als [gedaagde sub 2] advocaat was geweest.

2.36.

De conclusie luidt dat het niet doorslaggevend is of [gedaagde sub 2] zich zodanig presenteerde dat de familie ervan mocht uitgaan dat [gedaagde sub 2] advocaat was. Het debat tussen partijen over de vraag hoe [gedaagde sub 2] zich presenteerde en welke conclusies de familie daaruit mocht trekken over diens (schijnende) hoedanigheid van advocaat laat de rechtbank daarom in het midden. Die conclusie laat onverlet dat de familie ervan mocht uitgaan dat [gedaagde sub 2] en/of anderen van de gedaagden als hun opdrachtnemer(s) te vertrouwen waren. De vraag of dat vertrouwen is beschaamd, beantwoordt de rechtbank verderop in dit vonnis.

Wat was de omvang van de opdracht aan [gedaagde sub 2] ? Heeft [gedaagde sub 2] geadviseerd of was hij niet meer dan uitvoerder van een al bestaand plan van aanpak?

2.37.

Of de familie bij [gedaagde sub 2] binnenkwam met een plan van aanpak is in debat. De rechtbank vindt dat dat niet is komen vast te staan. Gedaagden omschrijven het plan van aanpak zelf in hun conclusies steeds op dezelfde manier: een opsomming van vijf punten, zoals de rechtbank die heeft genoteerd in 2.31. Deze opsomming is zeer kort en niet nader onderbouwd. Het geeft geen antwoord op de vraag waaruit dat plan van aanpak dan blijkt, welke advoca(a)t(en) dit plan zou(den) hebben geadviseerd aan de familie en waaruit blijkt dat de familie al jaren zou worden bijgestaan door (een) Nederlandse advoca(a)ten. [eiseres] heeft naar aanleiding van dit verweer van gedaagden in haar akte van 15 maart 2017 gedocumenteerd betoogd dat de familie niet eerder is geadviseerd en dat zij zelf geen plan van aanpak had. Zo wijst zij op het verslag van het gesprek 9 oktober 2013 dat kennelijk bedoeld was om mr. [G] en [naam recherchebureau] te informeren over de casus waaraan zij zouden werken. Dit verslag is volgens [eiseres] gemaakt door [gedaagde sub 2] . In het verslag is te lezen dat op 12 december 2012 de situatie tussen [D] en de familie is geëscaleerd en dat zij zich op 15 december 2012 tot [gedaagde sub 2] heeft gewend. Ook onderbouwt [eiseres] haar stelling met een mail van [A] waarin hij op vragen van [naam recherchebureau] verwijst naar [gedaagde sub 2] als degene die kan uitleggen welke acties sinds 2012 zijn genomen. Gedaagden zijn helemaal niet ingegaan op deze stukken; zij hebben alleen maar de opsomming van vijf punten herhaald. En dat is onvoldoende in het licht van de gedetailleerde en onderbouwde stellingen van [eiseres] . De conclusie is dan ook dat gedaagden onvoldoende hebben weersproken dat [gedaagde sub 2] de familie heeft geadviseerd en de werkzaamheden die hij adviseerde, heeft uitgevoerd.

Waren er nog andere adviseurs naast [gedaagde sub 2] ?

2.38.

De verantwoordelijkheid van [gedaagde sub 2] zou nog anders worden als [gedaagde sub 2] niet de enige of belangrijkste adviseur van de familie was. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde sub 2] de enige was tot wie de familie zich wendde in 2012 en ook de eerste in verband met de kwestie [D] . Gedaagden hebben weliswaar gesteld dat de familie zich al eerder had laten adviseren in de kwestie [D] door een advocatenkantoor, maar dat standpunt heeft de rechtbank hiervoor al als onvoldoende onderbouwd verworpen. Bovendien hebben gedaagden niet gesteld dat een ander (advocaten)kantoor nog verder betrokken was toen [gedaagde sub 2] eind 2012 voor de familie aan de slag ging, laat staan dat dit kantoor in charge bleef.

Gedaagden hebben verder aangevoerd dat de familie meer adviseurs had. Zij noemen dan in de eerste plaats mr. [G] (althans diens kantoor) en [naam recherchebureau] . Maar het staat vast dat mr. [G] en [naam recherchebureau] werkten in directe opdracht van [gedaagde sub 2] en dat zij ook aan [gedaagde sub 2] (of een rechtspersoon in de [gedaagde sub 2] -groep) factureerden. Ten aanzien van mr. [G] hebben gedaagden weliswaar gesteld dat hij ook rechtstreeks contact had met de familie, maar die stelling is niet met producties onderbouwd ten aanzien van de periode voor februari 2015, terwijl mr. [G] al door [gedaagde sub 2] is ingeschakeld in het najaar van 2013. Als de verhoudingen zo zijn vormgegeven, rust op [gedaagde sub 2] de verantwoordelijkheid om ten behoeve van de familie het werk van mr. [G] en [naam recherchebureau] te monitoren door hen rekening en verantwoording te laten afleggen en de familie dienovereenkomstig te informeren en te (blijven) adviseren.

Gedaagden noemen nog andere namen van adviseurs waarmee de familie zich had ‘omringd’, maar zij melden niet of die adviseurs enige taak of rol hadden in de kwestie [D] en hoe die taak of rol de verantwoordelijkheid van gedaagden beïnvloedde. Daarom gaat de rechtbank aan de mogelijke aanwezigheid van andere adviseurs voorbij.

2.39.

[gedaagde sub 2] was dus op dat moment de enige adviseur van de familie in de kwestie [D] . De plicht tot het adequaat adviseren van de familie over de gehele vormgeving van de aanpak van de kwestie [D] rustte daarom op [gedaagde sub 2] (als bestuurder van [gedaagde sub 4] en later als bestuurder van [gedaagde sub 1] ) en op niemand anders.

4 De kwaliteit van de in opdracht verrichte werkzaamheden

Hoe is de aanpak van de kwestie [D] vormgegeven door [gedaagde sub 2] ?

Inleiding

2.40.

De rechtbank zal hierna punt voor punt de vormgeving van de aanpak van de kwestie [D] bespreken en een eventueel debat daarover tussen partijen beoordelen. Het steeds terugkomende verweer van gedaagden dat [gedaagde sub 2] geen adviseur was van de familie heeft de rechtbank hiervoor beoordeeld en verworpen. Hierna wordt dus uitgegaan van het feit dat [gedaagde sub 2] steeds adviseerde (via [gedaagde sub 4] ).

Deugde het advies om [D] aan te pakken?

2.41.

[eiseres] stelt dat het advies van [gedaagde sub 2] om [D] aan te pakken op zichzelf al fout was, want [D] bood geen verhaal. De rechtbank neemt dat niet over. [eiseres] heeft niet gesteld dat meteen duidelijk was dat [D] geen verhaal bood of dat een onderzoek naar (verhaals)mogelijkheden vooraf al als zinloos moest worden beschouwd. [eiseres] heeft daarentegen gesteld dat verhaal onmogelijk werd doordat [D] uitweek naar Dubai en geen vermogensbestanddelen in Nederland bleek te hebben achtergelaten. Omdat [eiseres] niet stelt dat dit allemaal al zo was toen de familie [gedaagde sub 2] inschakelde en ook niet dat verhaal vóórdat [D] uitweek naar Dubai al onuitvoerbaar of ondenkbaar was, kan de slotsom niet zijn dat het advies om actie tegen [D] te ondernemen fout was en niet gegeven had mogen worden.

Deugde het advies om [D] privaatrechtelijk aan te pakken via [bedrijfsnaam 1] ?

2.42.

[gedaagde sub 2] heeft geadviseerd [D] aan te pakken met [bedrijfsnaam 1] en zo is het ook gebeurd. De stelling van [eiseres] dat dit een fout advies was, volgt de rechtbank niet. [D] had [bedrijfsnaam 1] opgelicht door geld te verduisteren dat door [bedrijfsnaam 1] was uitgeleend en door [bedrijfsnaam 1] ook voor het overige leeg te halen. Natuurlijk was dat in het nadeel van de familie, die de uiteindelijke geldschieter was van de lening en in het nadeel van [A] als (meerderheids)aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] . Maar of het eenvoudiger was geweest om [A] als aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] te laten optreden als eiser tegen [D] is zeer de vraag. Het lijkt erop dat het dan zou gaan om schade die [A] als aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] leidt door de benadeling van [D] . Dat is afgeleide schade. De Hoge Raad is erg terughoudend over het kunnen claimen van afgeleide schade. Bij het opeisen van de geldlening had de familie kunnen optreden, maar dan op de grondslag van onrechtmatige daad, die op het eerste gezicht wat minder eenvoudig ligt dan een vordering van [bedrijfsnaam 1] tot opeising van de geldlening bij [D] .

[eiseres] heeft haar stelling dat het veel eenvoudiger zou zijn geweest om [A] als eiser naar voren te schuiven in plaats van [bedrijfsnaam 1] niet verder toegelicht. Bij gebreke daarvan kan de rechtbank niet tot de slotsom komen dat hier door [gedaagde sub 2] een fout is gemaakt.

Deugde het advies om geen strafrechtelijke aangifte te doen tot na een (eigen) onderzoek tegen [D] ?

2.43.

[gedaagde sub 2] adviseerde om te wachten met een strafrechtelijke aangifte totdat er uitkomsten waren van een nog tegen [D] in te stellen onderzoek. De rechtbank hoeft de stelling van [eiseres] dat dit advies fout was niet te beoordelen. [eiseres] legt namelijk niet uit of en hoe de familie is benadeeld door het niet doen van die aangifte.

Duurde het te lang voordat [D] geschorst werd als bestuurder van [bedrijfsnaam 1] ?

2.44.

[gedaagde sub 2] adviseerde om eerst onderzoek te doen tegen [D] en om hem daarna pas te schorsen, zo stelt [eiseres] . Daardoor duurde het veel te lang tot [D] werd geschorst.

Gedaagden verweren zich: met de schorsing van [D] is zo veel mogelijk haast gemaakt, maar er waren nu eenmaal voorbereidende werkzaamheden nodig om het zover te krijgen. Het plan was immers een trustkantoor in te schakelen om [D] te schorsen. De regels in de trustbranche schrijven voor dat het trustkantoor pas kan inspringen nadat een cliëntonderzoek gedaan is en alle risico’s van de dienstverlening voor de cliënt zijn afgewogen. Pas dan mag de UBO van de entiteit waarvoor de trustee gaat werken – in dit geval [bedrijfsnaam 1] met als UBO [A] – de trustovereenkomst tekenen. Dat kost tijd (conclusie van antwoord 28 en 61).

De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat niet gewacht is met schorsing van [D] op de uitkomsten van een onderzoek, maar op het in positie brengen van trustee [gedaagde sub 1] . De rechtbank begrijpt het verweer verder zo dat het niet sneller kon.

2.45.

[gedaagde sub 2] is begin december 2012 ingeschakeld, naar eigen zeggen op basis van een plan van aanpak waarin de schorsing van [D] het eerste punt was. De schorsing vond plaats op een aandeelhoudersvergadering van 22 mei 2013. Dat was vijf en een halve maand later. Dat [gedaagde sub 2] ervoor heeft gekozen [D] pas te laten schorsen nadat [gedaagde sub 1] als trustee was benoemd, is zonder meer een fout. [D] was volgens de familie een oplichter, wat zij meteen aan [gedaagde sub 2] liet weten. Met een oplichter op de sleutelpositie van enige bestuurder in [bedrijfsnaam 1] neem je geen risico’s. Die schors je meteen. Onweersproken is gebleven dat [D] de resterende tijd als bestuurder heeft misbruikt om [bedrijfsnaam 1] leeg te halen. Dat is aan de fout [gedaagde sub 2] toe te schrijven. [gedaagde sub 2] had de familie moeten adviseren om [D] meteen te schorsen en daarvoor op de kortst mogelijke termijn een aandeelhoudersvergadering te beleggen. Dan stond er mogelijk niet meteen een interim bestuurder van een trustmaatschappij klaar om de positie van [D] over te nemen, maar dat had [gedaagde sub 2] dan op een andere manier moeten oplossen in zijn advies. Of [gedaagde sub 2] had veel meer haast moeten maken en de familie tot haast moeten aansporen met het in positie brengen van [gedaagde sub 1] . Gedaagden hebben in deze procedure helemaal niet toegelicht waarom het cliëntonderzoek zoveel tijd moest kosten dat pas na 5,5 maanden een aandeelhoudersvergadering kon worden gehouden. De regels in de trustbranche ontslaan [gedaagde sub 2] niet van diens verantwoordelijkheid als adviseur van de familie veel meer tempo te maken. Er is een fout gemaakt door en voor rekening van adviseur [gedaagde sub 2] .

Deugde het advies om het aandeelhouderschap in [bedrijfsnaam 1] over te dragen aan een trustmaatschappij?

2.46.

Het staat vast dat [A] zijn pakket van 60% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] heeft overgedragen aan een trustmaatschappij, [bedrijfsnaam 8] . Dat was op 31 oktober 2013, dus na 22 mei 2013, het moment dat [D] werd geschorst als bestuurder van [bedrijfsnaam 1] , [gedaagde sub 1] de trustee van [bedrijfsnaam 1] werd en [gedaagde sub 3] in [bedrijfsnaam 1] interim bestuurder werd. [eiseres] stelt dat de overdracht van het aandelenpakket door [gedaagde sub 2] is geadviseerd. Hij zei dat [A] als aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] aansprakelijk zou zijn tegenover de schuldeisers van [bedrijfsnaam 1] voor de schade die [D] met zijn malversaties had veroorzaakt. Gedaagden betwisten dit. Zij stellen dat de familie de aandelenoverdracht wilde, in verband met een door president Poetin ingestelde regel. Die houdt in dat Russische ambtenaren geen ondernemingen buiten Rusland mogen bezitten. [A] had een nieuwe functie aanvaard bij de Russische overheid en werd daardoor met die regel geconfronteerd. Gedaagden wijzen in dit verband op een gespreksverslag waarin staat dat [A] in de problemen zou komen als aandeelhouder bij een faillissement van [bedrijfsnaam 1] (conclusie van antwoord 113 en productie 7, bijlage 37a, punt 2).

2.47.

[eiseres] heeft in reactie op de gemotiveerde betwisting door gedaagden het volgende aangevoerd:

  • -

    Deze Poetin-regel bestaat inderdaad, maar alleen ten aanzien van hogere ambtenaren

  • -

    [A] is net afgestudeerd, waardoor het helemaal niet voor de hand ligt dat hij nu al tot de kringen van de hogere ambtenaren zou kunnen toetreden

  • -

    [A] behoort dan ook niet tot die kringen, sterker nog, hij werkt helemaal niet bij de Russische overheid, maar bij een ICT-bedrijf

  • -

    Daar komt bij dat [bedrijfsnaam 1] zich al bevond in de trust van [gedaagde sub 1] , waardoor al was voldaan aan de hier niet toepasselijke Poetin-regel.

2.48.

Gedaagden hebben hierop volstaan met het herhalen van hun betwisting, zonder op de door [eiseres] bij repliek gegeven reactie in te gaan. Dat is te mager, reden om de betwisting als onvoldoende gemotiveerd te verwerpen. Dat betekent dat de rechtbank aanneemt dat [gedaagde sub 2] heeft geadviseerd dat [A] zijn aandelenpakket zou overdragen aan een derde, omdat [A] anders als aandeelhouder door de schuldeisers van [bedrijfsnaam 1] zou kunnen worden aangesproken voor schade die was veroorzaakt door de malversaties van [D] .

2.49.

De reden voor dit advies is niet in overeenstemming met de wet: [A] kan onder het Nederlandse recht – waarvan de rechtbank de toepasselijkheid aanneemt, omdat [bedrijfsnaam 1] een Nederlandse vennootschap is – als aandeelhouder niet aansprakelijk gehouden worden voor de schade die de malversaties van [D] veroorzaakten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden die niet zijn aangewezen of gebleken. Het advies was dus fout. De overdracht van de aandelen was onnodig.

5 De rol van [bedrijfsnaam 8] : vaststaande feiten en stellingen van partijen

De aanstelling van [bedrijfsnaam 8] als aandeelhouder in [bedrijfsnaam 1] en de eventuele band tussen [bedrijfsnaam 8] en [gedaagde sub 2]

Inleiding

2.50.

Het debat tussen partijen is complex bij dit onderdeel van de zaak, omdat er veel samenhangende punten spelen. Partijen verschillen van mening als zij die punten bespreken. De rechtbank zal eerst weergeven wat bij dit onderdeel van de zaak vaststaat. Daarna geeft zij de standpunten van partijen weer. Ten slotte zal zij oordelen.

Wat staat vast?

2.51.

Om het advies van [gedaagde sub 2] uit te voeren moest er een koper gevonden worden voor het pakket aandelen van [A] , die in zijn plaats de meerderheidsaandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] zou worden. Dit is een plankvennootschap geworden. Partijen hebben vanaf het begin in die termen met elkaar gesproken. Een plankvennootschap zou niet beschikken over de middelen om de koopsom van € 100.000,- te voldoen. Daarvoor moest een oplossing komen. Er is € 110.000,- overgemaakt door [eiseres] naar de bankrekening van een plankvennootschap, [bedrijfsnaam 4] . Dat is een plankvennootschap van de vader van [gedaagde sub 2] . Of die betaling diende voor het daarna afrekenen van de koopsom is tussen partijen in debat.

Om de notariële overdracht van zijn aandelen te laten uitvoeren, heeft [A] een volmacht getekend, die erop was gericht dat hij bij het passeren van de akte van overdracht door een medewerker van de notaris kon worden vertegenwoordigd. De volmacht is door [A] getekend op het notariskantoor op 30 september 2013. De akte van overdracht is gepasseerd op 31 oktober 2013, met gebruikmaking van de volmacht van [A] . De notaris betrof de huisnotaris van [gedaagde sub 2] . Bij het passeren van de notariële akte was [A] niet aanwezig. Er is een volmacht overgelegd als productie 13 bij de dagvaarding. Deze productie kent twee bladzijden, waarvan de lay-out en het lettertype onderling afwijken. Op de tweede bladzijde heeft [A] zijn handtekening gezet; op de eerste bladzijde staat geen handtekening of paraaf van [A] . De overgelegde volmacht noemt op bladzijde 1 de naam van de koper van het aandelenpakket, [bedrijfsnaam 8] . De eerste bladzijde van de overgelegde volmacht vermeldt verder dat de koopsom van het aandelenpakket zal worden omgezet in een lening van [A] aan [bedrijfsnaam 8] . Er zal volgens de volmacht dus geen geld overgaan van [bedrijfsnaam 8] naar [A] . De akte van overdracht sluit daarop aan.

Tussen [gedaagde sub 2] en de familie is afgesproken dat, na de overdracht van het aandelenpakket van [A] , de funding van de kosten die [bedrijfsnaam 1] moest maken om [D] aan te pakken zou lopen via de nieuwe aandeelhouder. Daarvóór werd rechtstreeks betaald aan [bedrijfsnaam 1] in de vorm van geldleningen. Dat was conform een kredietlijnovereenkomst tussen [A] en [bedrijfsnaam 1] (overgelegd bij de conclusie van antwoord als bijlage 16 bij productie 7), die door [gedaagde sub 2] was opgesteld. Die overeenkomst is weliswaar niet getekend, maar er is wel gehandeld zoals daarin is vastgelegd. Na de aandelenoverdracht is zes keer betaald aan [bedrijfsnaam 8] . Mogelijk is voor de funding ook twee keer een bedrag betaald aan [bedrijfsnaam 5] , de bestuurder van [bedrijfsnaam 8] , en aan [bedrijfsnaam 6] . Het doel van die twee betalingen is tussen partijen in debat. De bestuurder van [bedrijfsnaam 5] is de heer [E] (hierna: [E] ), een jeugdvriend van [gedaagde sub 2] .

Verder staat vast dat tussen partijen is gesproken over een volmacht die de nieuwe aandeelhouder (de opvolger van [A] ) zou geven aan [B] . Die volmacht zou het mogelijk moeten maken aan [B] om namens de nieuwe aandeelhouder al diens bevoegdheden in [bedrijfsnaam 1] uit te oefenen. De volmacht zou alomvattend moeten zijn. Alleen via die volmacht zou de familie binnen [bedrijfsnaam 1] nog een positie kunnen hebben, na de andere stappen die al genomen waren: aanstelling [gedaagde sub 1] als trustee, benoeming van [gedaagde sub 3] als interim bestuurder, overdracht van het aandelenpakket door [A] aan een plankvennootschap waarbinnen de familie geen, althans geen rechtstreekse zeggenschap had.

Wat stelt [eiseres] ?

2.52.

Volgens [eiseres] stelde [gedaagde sub 2] voor om de aandelen van [A] te laten kopen door de plankvennootschap [bedrijfsnaam 4] , waarover hij de beschikking had. De familie beschikte over eigen plankvennootschappen, maar [gedaagde sub 2] hield vast aan [bedrijfsnaam 4] . De familie heeft ervoor gezorgd dat [eiseres] € 110.000,- aan [bedrijfsnaam 4] overmaakte. Daarvan was € 100.000,- bestemd om de koop van de aandelen te kunnen betalen via een kasrondje. Het geld zou dus weer aan [A] worden terugbetaald ten titel van koopsom voor zijn aandelenpakket bij de overdracht van de aandelen. Maar die terugbetaling is nooit uitgevoerd. De overige € 10.000,- was bestemd om de plankvennootschap aan te schaffen en als dekking van de kosten om de aandelentransactie uit te voeren.

Volgens [eiseres] is productie 13 niet gelijk aan de volmacht van twee bladzijden die destijds door [A] is getekend. De eerste bladzijde is volgens [eiseres] later vervangen. Zij vindt dat deze stelling alleen al bevestigd wordt door het afwijkende lettertype en de afwijkende lay-out bij vergelijking van de twee bladzijden van productie 13. [eiseres] stelt dat [A] niet heeft getekend in het bijzijn van de notaris. Alleen een medewerker van [gedaagde sub 2] was aanwezig bij het tekenen. Volgens [eiseres] is de door [A] getekende volmacht door de vervanging van de eerste bladzijde én aangevuld én veranderd, buiten aanwezigheid en medeweten van [A] .

In de volmacht die [A] tekende was de naam van de koper nog opengelaten. Waarom daarin dan niet de naam [bedrijfsnaam 4] was ingevuld, legt [eiseres] niet uit. Omdat er geen naam was ingevuld, is op 30 september 2013 de volmacht niet (in afschrift) aan [A] meegegeven. Later is de koper [bedrijfsnaam 8] geworden, maar dat was [A] of de familie toen niet bekend. Vandaar dat [eiseres] € 100.000,- in het kader van het kasrondje overmaakte naar [bedrijfsnaam 4] . [bedrijfsnaam 8] was een destijds aan de familie onbekende rechtspersoon, die (dus) uit de koker kwam van [gedaagde sub 2] .

Door de vervanging van de eerste bladzijde is het stuk dat [A] eerder tekende ook inhoudelijk anders geworden. Ook dat is gebeurd buiten aanwezigheid en medeweten van [A] . Oorspronkelijk stond er dat de koopsom gewoon betaald zou worden door de nog in te vullen koper. Daarvoor was het kasrondje bedoeld en daarvoor is door [eiseres]
€ 100.000,- (als onderdeel van de overgemaakte € 110.000,-) betaald aan [bedrijfsnaam 4] , waarvan de familie dacht dat zij koper zou zijn. Maar na de verandering stond er dat de koopsom door [A] werd omgezet in een lening aan [bedrijfsnaam 8] , wat ertoe leidde dat er niet daadwerkelijk betaald hoefde te worden. De aan [bedrijfsnaam 4] betaalde € 100.000,- (als onderdeel van de overgemaakte € 110.000,-) werd dus niet terugbetaald aan [A] bij de overdracht van zijn aandelenpakket. Ook later is dit bedrag nooit terugbetaald.

Volgens [eiseres] is de manipulatie van de notariële volmacht door gedaagden er onder meer op gericht geweest om [bedrijfsnaam 8] in de positie te brengen dat zij de macht kreeg over de door de familie ten behoeve van [bedrijfsnaam 1] gefourneerde gelden. Het fourneren van die gelden liep immers via [bedrijfsnaam 8] . Het zicht van de familie op wat er met die gelden gebeurde, werd daardoor gering tot niet bestaand. Daarvóór betaalde meerderheidsaandeelhouder [A] rechtstreeks aan [bedrijfsnaam 1] . Maar toen [bedrijfsnaam 8] meerderheidsaandeelhouder geworden was, had de familie of [A] helemaal geen positie meer in [bedrijfsnaam 1] , waarvan [gedaagde sub 3] immers de enige (interim) bestuurder was, terwijl het beheer over [bedrijfsnaam 1] bij [gedaagde sub 1] lag als trustmaatschappij. [eiseres] stelt dat [gedaagde sub 2] de UBO was van [bedrijfsnaam 8] en dat [E] , die [bedrijfsnaam 8] bestuurde via [bedrijfsnaam 5] , niet meer dan een vaak door [gedaagde sub 2] ingezette stroman is. De volmacht die aan [B] zou worden gegeven door [bedrijfsnaam 8] is nooit afgegeven. [eiseres] stelt dat de in deze rechtszaak geproduceerde volmacht, achteraf is gemaakt om de rechtbank te misleiden.

Volgens [eiseres] maakte de door [gedaagde sub 2] opgezette constructie het mogelijk dat gedaagden buiten het zicht en de invloedssfeer van de familie binnen [bedrijfsnaam 1] grote bedragen opstreken zogenaamd voor de aanpak van [D] . Ook op het doen en laten van mr. [G] in de rechtszaak tegen [D] had de familie geen invloed, want de directe opdrachtgever van mr. [G] was [gedaagde sub 2] . Precies hetzelfde geldt voor het recherchewerk van [naam recherchebureau] .

Tegenover de gefourneerde bedragen stonden activiteiten die niet met deze bedragen in verhouding waren en die op zichzelf geen nut hadden, want [D] bood helemaal geen verhaal. [eiseres] stelt dat zij en de familie door gedaagden op deze manier zijn bedrogen doordat hen grote geldbedragen afhandig zijn gemaakt. [eiseres] wijst er in dit verband op dat door gedaagden geen enkele factuur is gespecificeerd – behalve de laatste en toen bleek meteen dat veel werk dubbel was gedeclareerd of zonder opdracht was uitgevoerd – dat gedaagden nooit rekening en verantwoording over hun werk hebben afgelegd, dat gedaagden zelfs helemaal niets rapporteerden over wat zij aan activiteiten ontplooiden, dat de familie toegang tot de administratie van [bedrijfsnaam 1] is geweigerd door gedaagden of een of meer van hen, dat zij niet online konden kennisnemen van de af- en bijschrijvingen die plaatsvonden op de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] , ondanks een afspraak daarover, dat [gedaagde sub 2] het heeft laten gebeuren dat [naam recherchebureau] haar budget met meer dan factor 6 overschreed (bijna € 170.000,- meer dan waarvoor [A] had getekend) en dat [gedaagde sub 2] winst maakte op het uurtarief van mr. [G] door aan de familie en [eiseres] (via de funding) meer te laten betalen dan mr. [G] aan [gedaagde sub 2] rekende.

Wat stellen gedaagden?

2.53.

Gedaagden stellen dat [bedrijfsnaam 4] nooit in beeld is geweest als koper van het aandelenpakket van [A] , dat was altijd [bedrijfsnaam 8] . Het was de familie die met [bedrijfsnaam 8] op de proppen kwam. [bedrijfsnaam 8] staat genoemd in de akte van overdracht van de aandelen en ook in de notariële volmacht die [A] afgaf aan het notariskantoor om de akte te passeren. De als productie 13 bij dagvaarding overgelegde volmacht is in die vorm voor [A] getekend op 30 september 2013.

Volgens gedaagden is er om een heel andere reden door [eiseres] betaald aan [bedrijfsnaam 4] . Het bedrag van € 110.000,- was bedoeld om de kosten van [bedrijfsnaam 1] te dekken bij de aanpak van [D] . Nadat [bedrijfsnaam 8] aandeelhouder was geworden van [bedrijfsnaam 1] zou alle funding van de kosten die [bedrijfsnaam 1] had, lopen via [bedrijfsnaam 8] . [A] zou dan als betaler helemaal uit beeld blijven, wat van belang was in verband met de Poetin-regel. En de enige reden om deze keer aan [bedrijfsnaam 4] te betalen was dat [bedrijfsnaam 8] nog niet beschikte over een bankrekening. [bedrijfsnaam 4] is toen gebruikt – in overleg met [bedrijfsnaam 5] , de bestuurder van [bedrijfsnaam 8] – als betaaladres voor de betaling door de familie van een bedrag van € 110.000,-. [bedrijfsnaam 4] heeft dit bedrag doorbetaald aan [bedrijfsnaam 8] . [bedrijfsnaam 8] heeft het bedrag doorbetaald aan [bedrijfsnaam 1] . Het is helemaal niet de bedoeling geweest om een kasrondje op te zetten en dat kasrondje is ook niet opgezet. De koopsom voor het aandelenpakket van [A] werd voldaan door omzetting daarvan in een lening door [A] aan [bedrijfsnaam 8] . Dat staat in de notariële volmacht die [A] afgaf om het notariskantoor de overdrachtsakte te laten passeren en het staat ook in de overdrachtsakte zelf. Er was geen geldstroom in de vorm van een kasrondje aan de orde en er hoefde voor de aankoop van het aandelenpakket geen geld aan [bedrijfsnaam 8] overgemaakt te worden. Aan [A] hoefde zij immers geen koopsom te betalen op dat moment. De aan [bedrijfsnaam 4] overgemaakte € 110.000,- heeft niets te maken met de aandelentransactie.

Volgens gedaagden is de gang van zaken op het notariskantoor op 30 september 2013 verlopen zoals te doen gebruikelijk. [A] heeft daar niet alleen maar een medewerker van [gedaagde sub 2] ontmoet. De volmacht zoals die is overgelegd als productie 13 bij dagvaarding is opgesteld door de notaris en in zijn bijzijn door [A] getekend. Gedaagden leggen niet uit waarom zij denken dat de twee bladzijden van de volmacht anders zijn qua lettertype en lay-out. Volgens gedaagden stond de omzetting van de koopsom in een geldlening gewoon in de door [A] in het bijzijn van de notaris getekende volmacht. Volgens gedaagden stond de naam van [bedrijfsnaam 8] ook al in het door [A] getekende stuk, want op die datum was al bekend dat [bedrijfsnaam 8] de koper zou worden. Deze rechtspersoon is door de familie voorgesteld. Niet [gedaagde sub 2] , maar de familie is de UBO van [bedrijfsnaam 8] . Haar bestuurder [bedrijfsnaam 5] en haar indirecte bestuurder [E] staan ook volledig los van [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] had dus geen enkel eigen belang om [bedrijfsnaam 8] naar voren te schuiven en te plaatsen tussen de familie en [bedrijfsnaam 1] . [E] heeft de volmacht aan [B] afgegeven. Die volmacht is van 24 oktober 2013 en is door gedaagden overgelegd als productie 9. [B] kon daardoor aandeelhoudersbevoegdheden in [bedrijfsnaam 1] uitoefenen.

6 De rol van [bedrijfsnaam 8] : het oordeel van de rechtbank: bedrog

2.54.

Het vertrekpunt voor de beoordeling is voor de rechtbank dat het advies aan de familie om het aandelenpakket van [A] te verkopen aan een plankvennootschap is gegeven door [gedaagde sub 2] én dat de drijfveer die [gedaagde sub 2] daarvoor aan de familie aanreikte – de aansprakelijkheid van [A] wegens de malversaties van [D] tegenover schuldeisers van [bedrijfsnaam 1] – juridisch geen hout snijdt. Het oordeel van de rechtbank is dat het betoog van [eiseres] dat [gedaagde sub 2] de familie heeft bedrogen, opgaat

2.55.

Voor zijn doen en laten bij de overdracht van het aandelenpakket van [A] is de betrokken notaris tuchtrechtelijk veroordeeld: een maand schorsing, verhoogd tot een half jaar schorsing door het Hof van Discipline. Uit de uitspraak van de Notariskamer, uit wat er op de mondelinge behandeling van die tuchtzaak naar voren kwam en uit mailverkeer rond de aandelenoverdracht tussen vertegenwoordigers van de [gedaagde sub 2] -groep en het notariskantoor blijkt het volgende. [A] is op 30 september 2013 op het notariskantoor geweest met een medewerker van [gedaagde sub 2] en de notaris heeft [A] toen niet gezien. De notaris heeft de handtekening van [A] op de getekende volmacht, waarop geen naam van de koper was aangeduid, gelegaliseerd aan de hand van het paspoort van [A] . Kort voor de overdracht heeft (een medewerker van) [gedaagde sub 2] een nieuwe eerste pagina van de verkoopvolmacht aangeleverd aan het notariskantoor, waarin [bedrijfsnaam 8] als koper is aangeduid en de betaling van de koopsom is omgezet in een geldlening. Dit blijkt uit een mails tussen een medewerker van de notaris en [gedaagde sub 2] . Van enige betrokkenheid van of informatie aan [A] daarover (vanuit de notaris of [gedaagde sub 2] ), nadat die de volmacht had getekend, blijkt helemaal niets. Dat maakt het verweer van gedaagden in deze procedure leugenachtig. De rechtbank gaat er –gezien de hiervoor genoemde omstandigheden–van uit dat de volmacht die [A] tekende zonder zijn medeweten is vervalst door [gedaagde sub 2] , in opdracht van [gedaagde sub 2] of met medeweten van [gedaagde sub 2] , en in ieder geval onder zijn verantwoordelijkheid en voor zijn rekening en risico.

2.56.

In het verlengde hiervan verwerpt de rechtbank het verweer van gedaagden dat er helemaal geen sprake was van het plan een kasrondje te maken en dat het helemaal niet de bedoeling was dat [A] bij de overdracht van zijn aandelenpakket betaald zou krijgen, omdat sprake zou zijn van een omzetting in een geldlening.

De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde sub 2] de familie in de waan heeft gebracht dat het door [eiseres] aan [bedrijfsnaam 4] betaalde bedrag van € 100.000,- (als onderdeel van de overgemaakte € 110.000,-) voor dit kasrondje bestemd was. De rechtbank volgt gedaagden dus evenmin in hun beweringen dat het overgemaakte bedrag van € 110.000,- bestemd was om de kosten binnen [bedrijfsnaam 1] te dekken en dat het daar terecht gekomen is. Met kracht van argumenten heeft [eiseres] bij repliek betoogd – wat onweersproken is gebleven – dat [eiseres] gewoon rechtstreeks aan [bedrijfsnaam 1] had kunnen betalen als het waar zou zijn dat deze € 110.000,- voor het dekken van kosten in [bedrijfsnaam 1] bestemd zou zijn geweest. De Poetin-regel, die niet van toepassing is, zou daaraan niet in de weg gestaan hebben, want het was niet [A] die betaalde. Dus betaling door [eiseres] aan [bedrijfsnaam 8] was niet nodig, laat staan via [bedrijfsnaam 4] (incidentele conclusie 16/9 in 38). Daar komt bij dat [bedrijfsnaam 8] een paar dagen na de betaling aan [bedrijfsnaam 4] al wel over een bankrekening beschikte. Gedaagden leggen niet uit waarom de funding van [bedrijfsnaam 1] niet nog een paar dagen kon worden uitgesteld, terwijl de overboeking naar [bedrijfsnaam 4] van € 110.000,- wel past in het betoog van [eiseres] . Verder verklaren gedaagden niet hoe het kan dat [A] op 4 oktober 2013 – één dag na de betaling door [eiseres] aan [bedrijfsnaam 4] – geld kon overmaken naar [bedrijfsnaam 1] en dat vervolgens nog twee keer deed in oktober 2013, als het zo belangrijk was dat zijn naam buiten beeld bleef met het oog op de Poetin-regel. Wat heeft het dan voor zin dat de betaling van € 110.000,- liep via [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 8] ? Gedaagden leggen ook niet uit hoe de koopsom ooit betaald zou kunnen worden door [bedrijfsnaam 8] , waar zij niet betwisten dat dit een plankvennootschap was die de koopsom niet kon betalen.

2.57.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de aan [bedrijfsnaam 4] betaalde € 110.000,- [eiseres] afhandig is gemaakt onder valse voorwendselen van [gedaagde sub 2] . Er is sprake van bedrog. Dat geldt dus ook voor de € 10.000,- die als deel van deze € 110.000,- is betaald. Gedaagden hebben immers alleen aangevoerd dat het hele bedrag was bestemd om de kosten van [bedrijfsnaam 1] te dekken en dat verweer is verworpen. Daarmee moet ook deze
€ 10.000,- geacht worden door bedrog van [eiseres] afhandig te zijn gemaakt.

2.58.

Gedaagden voeren aan dat [eiseres] ten onrechte twee keer € 100.000,- heeft geclaimd. Naast de hiervoor beoordeelde vordering, heeft [eiseres] namelijk ook € 100.000,- geëist omdat [A] de koopsom van zijn aandelen niet betaald kreeg. Gedaagden hebben het mis. Door de gang van zaken is [A] én € 100.000,- kwijt (door de betaling aan [bedrijfsnaam 4] ) én zijn aandelenpakket (zonder betaling van de koopsom van € 100.000,-). Dat is niet dubbelop gevorderd.

Maar de eis van € 100.000,- die is gebaseerd op het niet ontvangen van de koopsom wijst de rechtbank wel af. Onweersproken is namelijk het betoog van gedaagden gebleven dat het aandelenpakket van [A] tijdens de transactie op 31 oktober 2013 niets waard was, omdat [bedrijfsnaam 1] leeg was. [eiseres] heeft dat laatste in ander verband ook gesteld, namelijk waar zij [gedaagde sub 2] gebrek aan snelheid heeft verweten bij het schorsen van [D] . Toen dat eenmaal was gedaan (op 22 mei 2013) had [D] [bedrijfsnaam 1] leeg gehaald, aldus [eiseres] . Ook heeft [eiseres] niet gereageerd op de uitleg die gedaagden hebben gegeven voor de prijs van € 100.000,- van het aandelenpakket van [A] . Die prijs had te maken met de aanbiedingsregeling in de statuten van [bedrijfsnaam 1] , aldus gedaagden. De familie vreesde ervoor dat [D] het aandelenpakket van [A] zou kopen als hij dit aan [D] aanbood – dat aanbieden was verplicht – voor het reële bedrag, te weten nihil. Dan zou [bedrijfsnaam 1] volledig in handen van [D] komen, wat acties tegen hem zou belemmeren of bemoeilijken. Daarom is het pakket van [A] voor € 100.000,- aan [D] aangeboden. Toen die daarop niet inging, is het pakket voor hetzelfde bedrag aangeboden en verkocht aan [bedrijfsnaam 8] .

Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervan uit dat het aandelenpakket van [A] in werkelijkheid geen waarde had, waardoor [A] niet (extra) benadeeld is doordat hij geen koopsom betaald kreeg. Dan past het ook niet om dit bedrag toe te wijzen op welke rechtsgrond dan ook.

2.59.

Het bedrog dat gedaagden pleegden, gaat nog verder. Uit wat de rechtbank hiervoor concludeerde is ook af te leiden dat niet de familie, maar [gedaagde sub 2] op de proppen kwam met [bedrijfsnaam 8] .

[eiseres] heeft gesteld: de UBO van [bedrijfsnaam 8] was [gedaagde sub 2] . Hij heeft [bedrijfsnaam 8] opgericht en was aandeelhouder tot kort voor de aandelenoverdracht door [A] . De opvolger van [gedaagde sub 2] was [E] via [bedrijfsnaam 5] (incidentele conclusie 9/16 onder 58 en volgende en producties 34 en 35). Zelf is [gedaagde sub 2] aangebleven als secretaris in [bedrijfsnaam 8] ; de secretaris is dé centrale figuur binnen een trustmaatschappij. [gedaagde sub 2] had dus de dagelijkse zeggenschap in [bedrijfsnaam 8] . Dat past geheel bij het gegeven dat [E] een stroman is die door [gedaagde sub 2] regelmatig wordt ingezet in de [gedaagde sub 2] -groep. [E] werkt in Israël in de horeca en heeft geen opleiding genoten die hem op financieel gebied of voor het werk van trustmaatschappijen zou kwalificeren. Ook in [bedrijfsnaam 5] heeft [gedaagde sub 2] de zeggenschap, alleen al omdat [E] ook daarin als stroman van [gedaagde sub 2] opereert. Dat [gedaagde sub 2] de UBO is gebleven van [bedrijfsnaam 8] , is door de (huis)notaris bevestigd op de zitting bij de Notariskamer, aldus de daarbij aanwezige advocaat van [A] . Een notaris hoort dat ook na te gaan (akte van [eiseres] van 15 maart 2017: 94 tot en met 99 en 118, alsmede productie 44a) en is dat nagegaan (dezelfde akte 210).

[eiseres] wijst ook op het volgende. Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord betoogd dat zij bij de familie in de aanloop naar de aandelentransactie de oprichtingsstukken van [bedrijfsnaam 8] hebben opgevraagd, waaruit zou moeten volgen dat de familie de UBO was van [bedrijfsnaam 8] en niet [gedaagde sub 2] . Als bewijsstuk van het opvragen van de oprichtingsstukken hebben gedaagden bijlage 62 overgelegd als onderdeel van hun productie 7 bij conclusie van antwoord. Maar, zo stelt [eiseres] , die bijlage (een mail van [gedaagde sub 2] ) gaat helemaal niet over [bedrijfsnaam 8] en daarin is dus door [gedaagde sub 2] niet gevraagd om oprichtingsdocumenten van deze rechtspersoon. Het ging in die mail over [bedrijfsnaam 12] , een vennootschap die ook schade had ondervonden door de oplichtingspraktijken van [D] . Bijlage 62 is vervalst om de rechtbank te misleiden, door boven het bericht te zetten dat die mail gaat over [bedrijfsnaam 1] B.V. (akte 102 tot en met 114). [eiseres] ondersteunt haar betoog met haar producties 45a tot en met 45c, waarin de oorspronkelijke tekst is te zien die aan de familie is gestuurd, maar waarboven niet is vermeld dat het gaat om [bedrijfsnaam 1] .

2.60.

Na dit betoog zijn gedaagden – inmiddels [gedaagde sub 2] c.s. en [gedaagde sub 3] apart – nog aan het woord geweest in hun conclusies van dupliek en bij pleidooi, voorafgaande waaraan zij ook nog bij akte producties hebben toegestuurd. Zij bestrijden echter niet of nauwelijks enig concreet onderdeel van wat [eiseres] heeft gesteld. [gedaagde sub 3] verdedigt zich vooral met een redenering die inhoudt dat zij er niets mee te maken had. [gedaagde sub 2] c.s. herhalen hun betoog uit de conclusie van antwoord. Wel leggen [gedaagde sub 2] c.s. nog een verklaring over van [E] die inhoudt dat hij geheel onafhankelijk is van [gedaagde sub 2] en dat dit dus ook geldt binnen [bedrijfsnaam 8] . Maar [gedaagde sub 2] c.s. verzuimen uit te leggen hoe de huisnotaris van [gedaagde sub 2] dan kan verklaren op de tuchtzitting dat [gedaagde sub 2] de UBO van [bedrijfsnaam 8] is. Ook weerspreken [gedaagde sub 2] c.s. niet dat [E] in de horeca werkt en niet is opgeleid om het werk te doen waarop trustmaatschappijen zich toeleggen. En al evenzeer zwijgen gedaagden over de stelling van [eiseres] dat [gedaagde sub 2] de secretaris was en bleef in [bedrijfsnaam 8] . Evenmin gaan zij in op het verwijt dat bijlage 62 is vervalst om de rechtbank te doen geloven dat die mail ging over [bedrijfsnaam 8] in plaats van [bedrijfsnaam 12] . Ingaan op dit alles had zeker op de weg van gedaagden gelegen, want daardoor komt hun eerdere verweer dat [E] geen stroman is op losse schroeven te staan. Dat verweer passeert de rechtbank daarom.

Wat [eiseres] heeft gesteld, verwoord in de vorige rechtsoverweging, staat daarom vast, inclusief het door gedaagden vervalsen van hun productie 7, bijlage 62 bij conclusie van antwoord om de rechtbank te misleiden.

De rechtbank neemt dus als vaststaand aan dat [gedaagde sub 2] de UBO van [bedrijfsnaam 8] was, dat hij de dagelijkse leiding had van [bedrijfsnaam 8] , dat hij de zeggenschap had in [bedrijfsnaam 5] en dat [E] zijn stroman is van wie hij vaker op die manier gebruik maakt. Dat laatste is overigens bevestigd door [gedaagde sub 3] in haar aangifte tegen [gedaagde sub 2] van 27 oktober 2016, door [eiseres] aangehaald bij pleidooi.

2.61.

De rechtbank is aangekomen bij de stelling van [eiseres] dat de volmacht aan [B] door [E] (namens [bedrijfsnaam 5] voor [bedrijfsnaam 8] ) nooit is afgegeven. Het is opvallend dat gedaagden geen enkele productie overleggen waaruit blijkt dat [E] deze volmacht heeft toegestuurd aan [B] , één van de andere leden van de familie of [eiseres] . Vanzelfsprekend zou een mail of een ander begeleidend bericht zich moeten bevinden in de administratie van [bedrijfsnaam 8] en/of [bedrijfsnaam 5] en/of [E] , en gezien de relatie tussen [E] en [gedaagde sub 2] zou het voor gedaagden goed mogelijk moeten zijn om dat bericht te produceren. Er was alle aanleiding om zo’n bericht te produceren als tegenwicht tegen de producties van [eiseres] waaruit blijkt dat vaak om het toesturen van die volmacht is verzocht. De rechtbank neemt daarom aan dat de volmacht nooit is verstuurd .

Wel is een verklaring overgelegd van [E] dat de volmacht is toegestuurd. Maar daar gaat de rechtbank aan voorbij, ten eerste omdat ook bij die verklaring bewijsstukken ontbreken dat die volmacht aan de familie ter beschikking is gesteld. Bovendien bevat die verklaring aantoonbare onjuistheden: dat de familie de UBO is van [bedrijfsnaam 8] en dat [gedaagde sub 2] geen bemoeienis had met [bedrijfsnaam 8] of met een van de andere ondernemingen van [E] . Daarnaast suggereert de verklaring dat [E] van de hoed en de rand wist, terwijl hij niet meer is dan een stroman. De verklaring kan dus niet dienen als deugdelijke onderbouwing van het verweer van gedaagden.

De volmacht zelf is ook door gedaagden overgelegd, getekend door [E] . Maar in het licht van dat wat de rechtbank heeft overwogen over de handelwijze van [gedaagde sub 2] en de manier waarop hij heeft geprobeerd die toe te dekken, is deze volmacht een onvoldoende deugdelijke onderbouwing van zijn stellingen. Gedaagden gaan immers daarbij ook niet in op de stelling van [eiseres] dat zij niet hebben gereageerd op eerdere sommaties om een volmacht te overleggen. Evenmin leggen zij uit waarom zij niet al in het kort geding dat zij aanspanden ter opheffing van gelegde beslagen de gestelde volmacht hebben overgelegd. Het niet overleggen van de volmacht was voor de voorzieningenrechter (zie het vonnis van 27 mei 2016 onder 4.7) één van de redenen om de vorderingen van gedaagden af te wijzen.

2.62.

Door het uitblijven van de volmacht kon de familie niets in [bedrijfsnaam 1] beginnen en dus ook niet uitzoeken wat [bedrijfsnaam 1] had gedaan onder de trust van [gedaagde sub 1] en het bestuur van [gedaagde sub 3] . Het niet toesturen van stukken of het anderszins verschaffen van direct inzicht is kenmerkend voor de manier waarop gedaagden hebben geopereerd.

Onweersproken is gebleven dat de familie geen afschrift kreeg van de trustovereenkomst tussen [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde sub 1] (conclusie van antwoord, productie 10).

Onweersproken is gebleven dat de familie geen afschrift kreeg van de kredietlijnovereenkomst (conclusie van antwoord, productie 7, bijlage 16).

Onweersproken is gebleven dat [A] de door hem getekende notariële volmacht (dagvaarding productie 13) niet meekreeg in kopie en pas heel veel later ontving.

Onweersproken is gebleven dat de familie geen inzage kreeg in de administratie van [bedrijfsnaam 1] , dat dit zelfs is geweigerd door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] . Dat is veelzeggend in het licht van het ontbreken van de volmacht aan [B] .

Onvoldoende weersproken is gebleven dat mevrouw [H] namens de familie weliswaar (pas!) vanaf februari 2015 gemachtigd was tot online inzage in de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] , maar dat dit recht tot inzage nooit is geëffectueerd: [H] kon online niet bij de bankrekening. De rechtbank verwerpt het beroep van gedaagden op een opschortings- en retentierecht, waarmee zij rechtvaardigen dat zij al die informatie niet gaven. Zij zouden de relatie met de familie hebben verbroken en [gedaagde sub 3] zou zijn afgetreden als bestuurder van [bedrijfsnaam 1] , omdat de familie openstaande facturen niet betaalde. Ten eerste waren verzoeken en afspraken over informatieverstrekking veel ouder dan de gestelde wanbetaling. Gedaagden zijn weliswaar vaag over de data van hun openstaande facturen, maar de rechtbank begrijpt dat deze data kort voor het verbreken van de relatie tussen partijen moeten liggen. Ten tweede is sprake van bedrog en van schade voor de familie van tonnen. Het beroep van gedaagden op een retentierecht en een opschortingsrecht is dan ook niet gerechtvaardigd, maar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

2.63.

Ook in de relatie met mr. [G] en met [naam recherchebureau] stond de familie aan de zijlijn. [gedaagde sub 2] was de opdrachtgever van deze twee. Hij onderhield de contacten en verzorgde tot in elk geval in 2015 de aansturing. De aangetoonde rechtstreekse contacten tussen mr. [G] en [naam recherchebureau] enerzijds en de familie anderzijds zijn beperkt tot twee besprekingen: 9 oktober 2013 en 1 november 2013, waarbij op 9 oktober 2013 (gezien het verslag) alleen de feitelijke historie rondom [D] is verteld door de familie. Onweersproken is dat tijdens die besprekingen [gedaagde sub 2] voor de familie vertaalde van het Russisch naar het Nederlands. Alle overige contacten liepen via [gedaagde sub 2] . Veelzeggend in dit verband is de onbetwiste stelling van [eiseres] dat de familie in het najaar van 2015 [naam recherchebureau] en mr. [G] zelf heeft benaderd en dat zij hebben geweigerd om de familie te informeren omdat de familie niet hun cliënt is.

[gedaagde sub 2] (of een van de andere gedaagden) ontving de declaraties en droeg zorg voor betaling.
Onweersproken is gebleven dat [gedaagde sub 2] het uurtarief voor de uren van mr. [G] verhoogde alvorens dit in rekening te brengen aan [eiseres] of de familie. Ook dit is dus een feit.

De offerte van [naam recherchebureau] is ook aan [gedaagde sub 2] gestuurd, evenals de twee vervolgoffertes. [A] heeft de eerste offerte van [naam recherchebureau] voor een bedrag van € 29.700,- getekend na een mondelinge vertaling daarvan op hoofdlijnen door [gedaagde sub 2] , van het Nederlands in het Russisch. Onvoldoende weersproken is dat [A] de twee vervolgoffertes van ongeveer € 61.000 en ongeveer € 78.000,- niet heeft getekend of goedgekeurd. [gedaagde sub 2] c.s. hebben ter onderbouwing van hun stelling dat [A] dit wél heeft gedaan de producties 20 en 21 in het geding gebracht. Productie 20 is een vertaling in het Russisch van de vervolgofferte van ongeveer € 78.000,-. Productie 21 is de door [gedaagde sub 2] getekende eerste offerte. De advocaat van [gedaagde sub 2] c.s. heeft door zijn formulering van de toelichting op die stukken kennelijk de suggestie willen wekken dat het hier om dezelfde stukken gaat, maar dat is dus niet zo. In dat licht is de weerspreking dat [A] op de hoogte was van de vervolgoffertes te mager. De rechtbank neemt dus als feit aan dat [gedaagde sub 2] zonder dekking van [A] voor ongeveer € 140.000,- aan vervolgoffertes van [naam recherchebureau] heeft goedgekeurd. De algemene stelling van gedaagden dat alle handelingen zijn uitgevoerd in opdracht van en met goedkeuring van de familie is een onvoldoende concrete betwisting. Dat [naam recherchebureau] integraal is uitbetaald, zeer waarschijnlijk met behulp van de funding van [bedrijfsnaam 1] , al dan niet via [bedrijfsnaam 8] , staat ook vast. Gedaagden hebben de stelling van [eiseres] bij pleidooi onweersproken gelaten dat zelfs € 197.801,- is betaald aan [naam recherchebureau] door [gedaagde sub 2] .

2.64.

De conclusie uit het voorgaande is dat [gedaagde sub 2] zich tegenover de familie en [eiseres] aan bedrog schuldig heeft gemaakt. Het moet ervoor gehouden worden dat hij vanaf de eerste contacten met de familie dit bedrog voor ogen had en daarna heeft uitgevoerd. Alleen zo is de onbegrijpelijke handelwijze te verklaren dat [gedaagde sub 2] eerst [gedaagde sub 1] in positie bracht, alvorens over te gaan tot schorsing van [D] . Deze focus op de positie van [gedaagde sub 1] was zo groot dat [D] en diens voortgaand schade toebrengend handelen helemaal niet voor ogen lijkt te hebben gestaan bij [gedaagde sub 2] , die vijf en een halve maand [D] als enige bestuurder binnen [bedrijfsnaam 1] liet begaan. Het bedrog is voortgezet door op oneigenlijke gronden de aandelen in [bedrijfsnaam 1] in zijn macht te krijgen via de constructie met [bedrijfsnaam 8] . Het bedrog kreeg een extra dimensie door het aandelenpakket van [A] in [bedrijfsnaam 1] afhandig te maken door het vervalsen van stukken en het veinzen van een totale onafhankelijkheid van [bedrijfsnaam 8] , met behulp van de stroman [E] . Het bedrog is verhuld door de familie letterlijk overal buiten te houden, suggererend dat er heel wat gebeurde in de aanpak tegen [D] , waarbij gedaagden uiteindelijk de familie bijna 6,5 ton afhandig maakten.

Tussenconclusie: overeenkomsten vernietigbaar wegens bedrog

2.65.

De activiteiten die [gedaagde sub 2] heeft verricht zijn terug te voeren op de overeenkomsten die zijn gesloten tussen de familie enerzijds en [gedaagde sub 4] (advieswerkzaamheden) en [gedaagde sub 1] (trustwerkzaamheden) anderzijds. Het feit dat de familie die werkzaamheden niet op deze manier heeft gewild, maakt niet dat ze los moeten worden gezien van de overeenkomsten. De rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde sub 2] zich (als bestuurder van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] ) schuldig heeft gemaakt aan bedrog en dat dit vanaf het begin al het geval moet zijn geweest. Dit betekent dat de familie de overeenkomsten is aangegaan onder invloed van bedrog. De vordering tot vernietiging van die overeenkomsten wordt dan ook toegewezen. Het gevolg daarvan is dat alle betalingen die zijn verricht ter uitvoering van de overeenkomsten, onverschuldigd waren en dat de bedragen moeten worden terugbetaald.

Welke betalingen vallen onder de overeenkomsten?

2.66.

Door de samenhang van alle beschreven activiteiten worden alle betalingen die zijn verricht in verband met de in dit onderdeel van het vonnis beschreven activiteiten geacht te zijn gedaan onder de tussen partijen gesloten overeenkomsten. [gedaagde sub 2] heeft immers (via [gedaagde sub 4] ) de familie geadviseerd en op die basis de hiervoor genoemde activiteiten ontplooid. En daarnaast heeft [gedaagde sub 1] als trustee activiteiten ontplooid onder de trustovereenkomst waarbij de familie [bedrijfsnaam 1] heeft gevoed met betalingen om dit beheer mogelijk te maken. Een en ander zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Dit betekent dat de rechtbank aanneemt dat alle twintig betalingen, met uitzondering van betalingen 8, 13 en 19 (die hiervoor nog niet zijn besproken), zijn verricht onder de gesloten overeenkomsten. [eiseres] kan dus in beginsel betaling van die bedragen vorderen uit hoofde van onverschuldigde betaling, voor zover zij zelf die betalingen heeft verricht en voor zover dat niet het geval is: mits die vorderingen tot terugbetaling in die omvang aan haar zijn overgedragen.

2.67.

Voor wat betreft dat laatste punt geldt dat de vordering van [eiseres] voor het bedrag van € 49.975,- (betaling 16) wordt afgewezen. Dit bedrag betreft het bedrag dat [bedrijfsnaam 3] heeft betaald aan [bedrijfsnaam 8] . [bedrijfsnaam 3] is een vennootschap die is gevestigd op de […] . [bedrijfsnaam 3] had een schuld aan [A] . Die voldeed zij door op verzoek van [A] – blijkbaar in zijn plaats – een betaling te doen aan [bedrijfsnaam 8] van € 49.975,- (dagvaarding 24). Zoals overwogen in 2.28 heeft [bedrijfsnaam 3] alleen haar vordering op grond van artikel 6:162 BW gecedeerd aan [eiseres] . Dit betekent dat [eiseres] niet op basis van vernietiging wegens bedrog terugbetaling van dit bedrag kan vorderen.

2.68.

De rechtbank zal ook de vordering van [eiseres] tot betaling van dit bedrag als schadevergoeding wegens onrechtmatige daad afwijzen. Zoals gezegd heeft [bedrijfsnaam 3] met deze betaling aan [bedrijfsnaam 8] een schuld ingelost die zij had bij [A] . Niet gesteld of gebleken is dat zij door betaling niet is gekweten van die schuld. Dit betekent dat [bedrijfsnaam 3] geen schade heeft geleden door de handelwijze van gedaagden en zij heeft dus geen vordering uit hoofde van onrechtmatige daad.

2.69.

Beredeneerd kan worden dat [A] wel schade heeft geleden tot dat bedrag door een onrechtmatige daad van gedaagden. Zijn vermogen is immers verminderd met de schuld van € 49.975,- die [bedrijfsnaam 3] aan hem had. Ook op die grond kan de vordering tot terugbetaling van dat bedrag echter niet worden toegewezen. [A] heeft zijn vordering aan [eiseres] gecedeerd tot het bedrag van de betalingen die hij zelf heeft verricht. Dus daarin zit dit bedrag niet begrepen. De vordering tot betaling van € 49.975,- wordt dan ook afgewezen.

Van wie kan welke betaling worden gevorderd?

2.70.

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden op wie de verbintenissen tot terugbetaling rusten en wie dus gehouden is de bedragen terug te betalen. In beginsel rust die verplichting op de (rechts)persoon aan wie is betaald. Hier doet zich echter de situatie voor dat de betalingen zijn verricht aan uiteenlopende rechtspersonen, die voor het overgrote deel geen partij zijn in deze procedure. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseres] zo dat de verbintenissen tot terugbetaling desondanks op de contractspartijen rusten. Feitelijk betoogt zij daarover dat [gedaagde sub 2] de familie heeft geïnstrueerd om betalingen te verrichten aan anderen dan de contractspartijen en dat die instructies en betalingen onderdeel zijn geweest van het gepleegde bedrog. Gedaagden hebben daar alleen tegenover gesteld dat de betalingen zijn gedaan aan anderen dan gedaagden omdat die anderen werkzaamheden hebben verricht in opdracht van de familie. De rechtbank is in de voorgaande hoofdstukken al uitgebreid ingegaan op de betrokkenheid van [gedaagde sub 2] . Daaruit is te concluderen dat dit verweer van gedaagden wordt verworpen en dat de betalingen hebben plaatsgevonden aan rechtspersonen die zich in de invloedssfeer van [gedaagde sub 2] bevonden. De rechtbank volgt [eiseres] in haar betoog dat als een contractspartij het ertoe leidt dat betalingen onder een overeenkomst op haar instructie aan andere rechtspersonen binnen haar invloedssfeer plaatsvinden als onderdeel van gepleegd bedrog, de verbintenis tot terugbetaling op haar als contractspartij komt te rusten.

2.71.

Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden neemt de rechtbank aan dat de betalingen 1 tot en met 4 zijn verricht onder de overeenkomst tussen de familie en [gedaagde sub 4] en de overige betalingen (met uitzondering van betalingen 8, 13 en 19) zijn gedaan onder de overeenkomst tussen [A] en [gedaagde sub 1] . Zoals eerder overwogen zijn de vorderingen op [gedaagde sub 4] niet gecedeerd aan [eiseres] . Dit betekent dat de vordering tot betaling van € 11.628,10 (betalingen 1 tot en met 4, verricht door [C] ) wordt afgewezen. Ook is al eerder beslist dat de gecedeerde vordering van [bedrijfsnaam 3] (betaling 16) moet worden afgewezen. Dit betekent dat tegen [gedaagde sub 1] de vordering tot betaling van € 474.000,- (betalingen 5 tot en met 7, 9 tot en met 12, 14, 15, 17, 18 en 20) wordt toegewezen.

7 Beoordeling van betalingen 8, 13 en 19

Over welke betalingen is nog niet beslist?

Inleiding

2.72.

Hierna zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op wat nog resteert aan onbesproken punten van debat en betalingen die daarmee zouden samenhangen, te weten:

  • -

    Een private fund op Curaçao (betaling 8)

  • -

    [B] ’s dienstverband bij [bedrijfsnaam 9] B.V. (verder: [bedrijfsnaam 9] ) (betalingen 13 en 19)

Een private fund op Curaçao (betaling 8)

2.73.

[eiseres] stelt dat [gedaagde sub 2] [B] en [C] heeft geadviseerd tot het opzetten van een private fund op Curaçao. Dat zou belastingvoordeel brengen, wat niet zou lukken met het private fund dat [B] en [C] al hadden in Liechtenstein. Na betaling van € 10.700,- door [A] aan [bedrijfsnaam 13] voor de oprichting van een private fund, liet de familie zich adviseren door [belasting- en juridisch adviesbureau] . Een private fund op Curaçao zou geen belastingvoordeel geven. Het advies van [gedaagde sub 2] was dus niet goed, maar het betaalde geld is nooit terugbetaald. Zie voor dit alles dagvaarding 46 sub aa tot en met sub ee.

Gedaagden hebben betwist dat zij een advies zoals beschreven door [eiseres] aan de familie hebben gegeven. Zij zeggen dat daarvoor ook geen bewijs is overgelegd. De familie had haar eigen belastingadviseurs en dit advies kwam uit die koker. Het bedrag van € 10.700,- is door [bedrijfsnaam 13] in rekening gebracht voor door haar verleende diensten.

2.74.

Uit de stellingen van [eiseres] kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat dit voorval buiten de activiteiten valt waarover de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat die bedrog opleveren. [eiseres] legt geen verband met die andere activiteiten en het verband is uit wat is beschreven door [eiseres] ook niet af te leiden. Dit betekent dat deze activiteiten niet worden getroffen door de vernietiging van de overeenkomsten en er dus geen terugbetalingsverplichtingen ontstaan.

2.75.

[eiseres] vordert het bedrag van € 10.700,- ook als schadevergoeding wegens een tekortkoming dan wel onrechtmatige daad van (één van) gedaagden. Ook die vordering slaagt niet. [eiseres] heeft niet meer gereageerd op de stelling van gedaagden in de conclusie van antwoord dat het advies niet van hen afkomstig is maar van de belastingadviseur van de familie. Het had wel op de weg gelegen van [eiseres] om daarop in te gaan. Nu zij dat heeft nagelaten, heeft zij onvoldoende gesteld in het licht van de betwisting door gedaagden.

[B] ’s dienstverband bij [bedrijfsnaam 9] (betalingen 13 en 19)

2.76.

Alle werknemers binnen de [gedaagde sub 2] -groep waren destijds in dienst bij [bedrijfsnaam 9] , die de mensen inzette bij verschillende andere rechtspersonen in die groep. [bedrijfsnaam 9] had destijds als bestuurder [gedaagde sub 3] . [B] heeft een periode ook op de loonlijst van [bedrijfsnaam 9] gestaan. Over de reden verschillen partijen van mening.

Op 5 maart 2014 betaalde [eiseres] voor de familie € 75.000,- aan [bedrijfsnaam 5] en op 20 maart 2015 een bedrag van € 14.000,- aan [bedrijfsnaam 6] . (een andere vennootschap), zie de nummers 13 respectievelijk 19 in het overzicht in 2.8. De betaalde som is dus € 89.000,-. Het staat vast dat uit deze som aan bruto salaris voor [B] bij elkaar € 55.100,- is betaald, wat correspondeert met een netto bedrag van € 38.540,-. Dit netto bedrag heeft zij ook ontvangen.

Volgens gedaagden is de rest van de som van € 89.000,- als volgt aangewend. [bedrijfsnaam 9] heeft € 5.500,- van dit geld aan commissie gekregen (dat is tien procent van het bruto loon van [B] ). [bedrijfsnaam 5] heeft € 28.400,- gekregen/behouden. Dat bedrag correspondeert met twee jaar aan service fees voor haar bestuurswerkzaamheden in [bedrijfsnaam 8] . De rechtbank vat deze stelling zo op dat deze gaat over [bedrijfsnaam 5] , de bestuurder van [bedrijfsnaam 8] , want geen van partijen heeft gesteld dat er een vennootschapsrechtelijke relatie is tussen [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 8] .

2.77.

Volgens [eiseres] heeft [gedaagde sub 2] indiensttreding door [B] bij [bedrijfsnaam 9] geadviseerd. Zo zou [B] legaal inkomen in Nederland verdienen. Zij kon daarmee een aanslag vermogensbelasting ontlopen. Het ging echter om een schijnconstructie die [gedaagde sub 2] nooit had mogen adviseren. [B] werkte namelijk niet echt bij of via [bedrijfsnaam 9] . Zodra [B] erachter kwam dat het ging om een ongeoorloofde schijnconstructie, nam zij ontslag bij [bedrijfsnaam 9] . Volgens [eiseres] was het doel de betalingen aan de twee vennootschappen [bedrijfsnaam 5/bedrijfsnaam 6] te gebruiken voor salaris van [B] . Volgens [eiseres] zijn beide [bedrijfsnaam 5/bedrijfsnaam 6] -vennootschappen indirect van [gedaagde sub 2] . Dat dit geldt voor [bedrijfsnaam 5] is al door de rechtbank vastgesteld. Of dit geldt voor [bedrijfsnaam 6] kan de rechtbank in het midden laten, want uit het onweersproken gebleven betoog van gedaagden over de geldstromen volgt dat [bedrijfsnaam 6] geen gelden heeft behouden.

2.78.

Gedaagden stellen dat [gedaagde sub 2] helemaal niets heeft geadviseerd, maar dat [B] de opdracht gaf een arbeidsovereenkomst te sluiten met [bedrijfsnaam 9] . Waarom deze opdracht gehoorzaamd moest worden, laten gedaagden in het midden. [B] wilde een formele basis, aldus gedaagden, voor het werk dat zij verrichtte binnen [bedrijfsnaam 8] , die haar zetel buiten Nederland had. Daarom werd [bedrijfsnaam 9] ingeschakeld die payrolldiensten voor [bedrijfsnaam 8] ging verrichten ( [B] werd uitgezonden door [bedrijfsnaam 9] bij [bedrijfsnaam 8] ). Dit is een volledig geoorloofde constructie. Het ging niet om een truc ter besparing van vermogensbelasting, want [B] woont in Nederland en is hier dus gewoon belastingplichtig in box 3 van de inkomstenbelasting. [B] nam ontslag in het zicht van de faillissementsaangifte van [bedrijfsnaam 1] , niet omdat zij ontdekte dat het om een beweerde schijnconstructie ging. Het geld (€ 89.000,-) ging buiten gedaagden om, want zij hadden met de [bedrijfsnaam 5/bedrijfsnaam 6] -vennootschappen niets te maken. Dat waren rechtspersonen van [E] , aldus nog steeds gedaagden.

2.79.

Het gelijk ligt bij [eiseres] .

Het bedrag van € 28.400,- dat [bedrijfsnaam 5] heeft behouden of doorbetaald kreeg, komt uit de door [eiseres] betaalde som van € 89.000,-. Deze € 28.400,- had volgens gedaagden te maken met het beheren door trustee [bedrijfsnaam 5] van [bedrijfsnaam 8] . Die activiteit is onderdeel van het bedrog en de betalingen die in dat verband zijn gedaan worden geacht onder invloed van dat bedrog te zijn gedaan. Het verweer dat gedaagden daarbuiten staan, omdat [bedrijfsnaam 5] geheel onafhankelijk opereerde van [gedaagde sub 2] , heeft de rechtbank al verworpen. Dit betekent dat dit bedrag van € 28.400,- moet worden terugbetaald omdat de onderliggende overeenkomst (met [gedaagde sub 1] ) in deze procedure met succes wordt vernietigd. [gedaagde sub 1] wordt daartoe veroordeeld.

2.80.

Van de betaalde € 89.000,- blijft een deel van € 60.600,- over ter beoordeling.

Het verweer van gedaagden dat [B] de arbeidsovereenkomst nodig had in verband met haar werkzaamheden binnen [bedrijfsnaam 8] is gelet op de eerdere overwegingen van de rechtbank onjuist. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, blijkt dat gedaagden met de beschreven constructies en malversaties de familie alle zeggenschap in [bedrijfsnaam 1] heeft ontnomen. [bedrijfsnaam 8] was de aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] . Daarbij past niet dat gedaagden zouden faciliteren dat [B] in [bedrijfsnaam 8] werkzaamheden zou verrichten, die in verband met [bedrijfsnaam 1] zouden staan. Terecht merkt [eiseres] bovendien op dat [B] helemaal niet binnen [bedrijfsnaam 8] hoefde te werken, omdat gedaagden beweren dat zij volledig door deze rechtspersoon was gevolmachtigd om de bevoegdheden van een aandeelhouder rechtstreeks bij [bedrijfsnaam 1] uit te oefenen. De rechtbank passeert daarom het betoog van gedaagden.

2.81.

De rechtbank neemt daarom, bij gebreke van enig ander verweer, als vaststaand aan dat [gedaagde sub 2] een schijnconstructie heeft geadviseerd aan [B] die niet nodig was.

2.82.

De schijnconstructie, het advies daartoe en het op deze wijze afhandig maken van geld van de familie, komen neer op bedrog door [gedaagde sub 2] . Dit betekent dat ook de overeenkomst die ten grondslag ligt aan deze activiteiten (naar aangenomen moet worden met [gedaagde sub 1] ) wordt getroffen door de vordering tot vernietiging. De op basis van deze overeenkomst verrichte betalingen (€ 60.600,-) moeten door [gedaagde sub 1] worden teruggedraaid. Daarbij geldt echter dat van dit bedrag € 38.540,- naar [B] is teruggevloeid in de vorm van nettosalaris. Er is geen reden dit laatste bedrag, op welke grond dan ook, aan [eiseres] toe te wijzen. Blijkbaar heeft de familie [eiseres] de betaling van in totaal € 89.000,- laten doen met het oog op latere salarisbetalingen aan [B] , zodat zij in dit verband vereenzelvigd mogen worden. Het netto salaris, en dus niet het bruto salaris wordt afgetrokken: het bruto deel is niet aan [B] ten goede gekomen, terwijl niet gesteld of gebleken is dat zij verder van dit dienstverband heeft geprofiteerd door afdracht van de sociale lasten en belasting.

De aftrekpost van € 38.540,- strekt in mindering op de totale vordering van [eiseres] . Dit betekent dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld om van de betalingen 13 en 19 in totaal € 50.460,- terug te betalen.

8 Tussenconclusie toe- en afwijzingen van de diverse betalingen

Tussenstand: welke betalingen zijn onder invloed van bedrog gedaan en wat is afgewezen?

Toewijzing tegenover [gedaagde sub 1] op basis van vernietiging overeenkomsten

2.83.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de vernietiging van de overeenkomsten ertoe leidt dat een deel van de twintig betalingen genoemd in het overzicht in 2.8 terugbetaald moeten worden. In totaal moet een bedrag van € 524.460,- worden terugbetaald. [gedaagde sub 1] zal als contractspartij daartoe worden veroordeeld.

Afwijzingen

  • -

    Tegenover [gedaagde sub 1] worden betalingen 1 tot en met 4 (€ 11.628,10) en 16 (€ 49.975,-) afgewezen. Van betaling 13 en 19 wordt een bedrag van € 38.540,- niet toegewezen. Ook het bedrag van € 10.700,- (betaling 8 Curaçao fund) wordt tegenover [gedaagde sub 1] afgewezen.

  • -

    De vorderingen tot betaling op basis van de vernietiging van de overeenkomsten worden afgewezen tegenover [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] omdat zij geen contractspartij zijn bij de overeenkomsten.

  • -

    Alle vorderingen tegenover [gedaagde sub 4] worden afgewezen omdat deze vorderingen niet zijn gecedeerd aan [eiseres] en [eiseres] zelf geen betalingen heeft gedaan aan [gedaagde sub 4] [eiseres] kan dus niet met succes vorderingen tegen haar instellen.

  • -

    De vordering tot betaling van de achtergehouden koopsom van € 100.000,- voor het aandelenpakket van [A] wordt afgewezen, omdat dit pakket niets waard was, zie 2.58

Vervolg

2.84.

Daarmee zijn de vorderingen die zijn gebaseerd op vernietiging van de overeenkomsten wegens bedrog of dwaling besproken. [eiseres] heeft aan haar stellingen over dwaling dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan haar stellingen over bedrog. Voor wat betreft dwaling komt de rechtbank niet tot (voor [eiseres] ) verderstrekkende conclusies. De vorderingen die zijn gebaseerd op tekortkoming hoeven niet nader te worden besproken. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn geen contractspartij en zijn niet aan te spreken uit hoofde van een contractuele tekortkoming. De vorderingen op [gedaagde sub 4] zijn niet gecedeerd aan [eiseres] en de rechtbank heeft al vastgesteld dat [gedaagde sub 1] het overgrote deel van de bedragen moet terugbetalen. Haar aansprakelijkheid op grond van tekortkoming of onrechtmatige daad strekt niet verder dan dat.

Dan blijft over te bespreken de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] op grond van onrechtmatige daad.

9 Beoordeling op grond van onrechtmatige daad

Leidt het feit dat de overeenkomsten zijn aangegaan onder invloed van bedrog tot schadevergoeding?

Schadevergoeding door [gedaagde sub 2] ? Ja, uit onrechtmatige daad

2.85.

Het feitencomplex houdt in dat [gedaagde sub 2] de familie heeft bedrogen. Dat levert ook een onrechtmatige daad op van [gedaagde sub 2] tegenover de familie. De rechtbank moet vervolgens vaststellen wat de schade is die het gevolg is van dit onrechtmatig handelen. [eiseres] heeft het door haar gevorderde bedrag subsidiair ook als schade gevorderd op grond van onrechtmatige daad. Zij stelt dat de adviezen die [gedaagde sub 2] heeft gegeven en de werkzaamheden die hij heeft verricht of laten verrichten van geen enkele waarde zijn geweest voor de familie. De onder de overeenkomsten betaalde bedragen vormen dan ook, naast ander nadeel, haar schade, aldus [eiseres] . Gedaagden hebben die stellingen niet betwist en hebben zich niet uitgelaten over de schade door het onrechtmatig handelen. De rechtbank vindt aldus voldoende onderbouwd dat de betalingen die onder invloed van het bedrog zijn gedaan, de schade vormen die het gevolg is van het onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 2] . Het onder invloed van [gedaagde sub 2(-s)] bedrog betaalde geld onder de twee overeenkomsten is dan ook tegen [gedaagde sub 2] toewijsbaar, met uitzondering van betalingen 8 en 16 en een gedeelte van € 38.540,- van de betalingen 13 en 19 (waarover de rechtbank al eerder heeft beslist). Ook over de gevorderde koopsom van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] (€ 100.000,-) heeft de rechtbank al beslist dat dat bedrag wordt afgewezen. Concreet betekent dit dat een bedrag van € 536.088,10 tegen [gedaagde sub 2] wordt toegewezen als schadevergoeding.

Schadevergoeding door [gedaagde sub 3] ? Ja, uit onrechtmatige daad

2.86.

Heeft [gedaagde sub 3] een onrechtmatige daad gepleegd? Dan moet zij aan het bedrog een bijdrage hebben geleverd die neerkomt op opzettelijk gedane onjuiste mededelingen, opzettelijke verzwijging van feiten of het doen van een andere kunstgreep.

2.87.

[gedaagde sub 3] heeft aangifte gedaan bij de FIOD tegen [gedaagde sub 2] . Het proces-verbaal van aangifte is overgelegd door [gedaagde sub 3] bij haar conclusie van dupliek, als productie 6. Daaruit blijkt ( [eiseres] wijst daarop in haar pleitnota) dat [gedaagde sub 3] al in 2012 wist dat [gedaagde sub 2] haar handtekening had vervalst om geld te verdienen met [bedrijfsnaam 10] en met [bedrijfsnaam 11] . Daardoor leken die rechtspersonen, zo begrijpt de rechtbank, bestuurd te worden door [gedaagde sub 3] . Uit de aangifte blijkt verder dat [gedaagde sub 3] , blijkbaar ook later, op blanco vellen haar handtekening plaatste en dat die vellen op instructie van [gedaagde sub 2] werden gebruikt door zijn secretaresse voor activiteiten die [gedaagde sub 3] niet kende. Verder tekende [gedaagde sub 3] alles wat [gedaagde sub 2] haar voorlegde, zonder te weten wat dat was.

[gedaagde sub 3] zegt in de aangifte dat zij wist dat [gedaagde sub 2] zich als advocaat presenteerde en dat hij naar eigen inzicht door klanten betalingen liet verrichten op bankrekeningen wereldwijd op namen van katvangers, waarvan hij een hele lijst had. Ook [E] is een katvanger, zo laat [gedaagde sub 3] weten bij de aangifte.

[gedaagde sub 3] heeft niet betwist dat zij zichzelf als bestuurder van [bedrijfsnaam 1] heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. [gedaagde sub 3] heeft niet betwist dat haar handtekening staat onder de trustovereenkomst tussen [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde sub 1] en niet gesteld dat die is vervalst, ook niet bij de aangifte. [gedaagde sub 3] heeft de administratie van [bedrijfsnaam 1] veilig gesteld door deze op te halen bij mevrouw [F] , de rechterhand van [D] . [gedaagde sub 3] heeft niet betwist dat haar handtekening staat onder de volmacht die [bedrijfsnaam 1] gaf aan de notaris wegens de betrokkenheid van [bedrijfsnaam 1] bij de overdacht van het aandelenpakket van [A] aan [bedrijfsnaam 8] met als indirect bestuurder [E] , van wie zij wist dat hij een katvanger is en die zij ook persoonlijk kent. [gedaagde sub 3] heeft niet betwist dat zij op sommaties tot afgifte van stukken en het verstrekken van informatie niet reageerde, maar wel daarna in de zomer van 2016 samen optrok met [gedaagde sub 2] in het kort geding tegen [eiseres] in verband met een door hen gevorderde opheffing van het op hun woning in [woonplaats] door [eiseres] gelegde beslag.

2.88.

Tegen de achtergrond van deze feiten is de stelling van [gedaagde sub 3] dat zij niet wist dat zij de bestuurder was van [bedrijfsnaam 1] ongeloofwaardig. Zelfs als zij het niet wist, is dat haar aan te rekenen. Het op blanco papier handtekeningen zetten en ongezien tekenen wat haar werd voorgelegd, zet namelijk de deur open voor misbruik daarvan door [gedaagde sub 2] . Dat maakt dat [gedaagde sub 3] extra oplettend had moeten zijn – ook na haar eerdere, toen recente ervaringen met [bedrijfsnaam 10] en [bedrijfsnaam 11] – en had moeten controleren of haar handtekening was misbruikt waardoor zij zomaar als bestuurder van [bedrijfsnaam 1] te boek kon staan. Dat [bedrijfsnaam 1] bestond en een relatie had met de [gedaagde sub 2] -groep wist zij, want dat volgt uit de andere door de rechtbank beschreven activiteiten van [gedaagde sub 3] voor [bedrijfsnaam 1] . Haar passieve opstelling leidde ertoe – afgaande op de woorden van [gedaagde sub 3] – dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hun gang binnen [bedrijfsnaam 1] konden gaan met alle schade voor [eiseres] en de familie als gevolg. [gedaagde sub 3] kan zich achter haar onwetendheid over de activiteiten waaraan zij meedeed of die zij blind toeliet niet verschuilen tegenover de familie.

De rechtbank vindt ook in het nadeel van [gedaagde sub 3] spreken dat zij niets deed om [eiseres] of de familie te waarschuwen, bijvoorbeeld door te reageren en openheid van zaken te geven naar aanleiding van de sommaties, en daardoor ook toen geen afstand nam van het bedrog door [gedaagde sub 2] . Zij bleef daarentegen met hem optrekken tot en met het kort geding tegen [eiseres] in de zomer van 2016.

2.89.

Het voorgaande – met name haar ‘blinde’ bestuurderschap bij [bedrijfsnaam 1] , met het geven van enorme kansen tot misbruik daarvan aan [gedaagde sub 2] , en haar stilzwijgen toen haar opening van zaken werd gevraagd – is voldoende om te concluderen dat [gedaagde sub 3] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de familie.

[gedaagde sub 3] stelt dat zij tot dit alles werd gedwongen door [gedaagde sub 2] , maar ook dat zij dit achteraf bezien jaren te lang heeft laten voortduren. Dat valt haar aan te rekenen en zij is dus niet gedisculpeerd tegenover de familie.

2.90.

Tegen de achtergrond van de feiten en in het licht van de samenhang van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is zij tegenover de familie aansprakelijk voor dezelfde schade als [gedaagde sub 2] , inclusief de schade die is ontstaan door de schijnconstructie waarin [B] zich heeft begeven op advies van [gedaagde sub 2] (betalingen 13 en 19). [gedaagde sub 3] was bestuurder van [bedrijfsnaam 9] die samen optrok met [bedrijfsnaam 5] om door middel van dit advies opnieuw geld afhandig te maken van [eiseres] . [gedaagde sub 3] is daarom voor het volle bedrag van € 536.088,10 aansprakelijk tegenover [eiseres] .

2.91.

Na het oordeel in de vorige rechtsoverweging behoeft dezelfde vordering op de grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid tegen [gedaagde sub 3] geen beoordeling meer.

Hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ?

2.92.

De wettelijke regel bij het in groepsverband plegen van een onrechtmatige daad is dat de plegers daarvan hoofdelijk aansprakelijk zijn (art. 6:166 lid 1 BW). De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken. Dat betekent dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ieder, hoofdelijk, aansprakelijk zijn voor de schade van de familie die [eiseres] in deze procedure vordert en die de rechtbank toewijsbaar vindt. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn met z’n tweeën hoofdelijk aansprakelijk tot een bedrag van € 536.088,10. Bij deze stand van zaken heeft [eiseres] geen belang meer bij de verklaringen voor recht die zij eist.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de omstandigheden die [gedaagde sub 3] aanvoert van belang zijn voor de vraag wie van de hoofdelijke schuldenaren uiteindelijk welk deel van de schade zal moeten dragen in hun onderlinge verhouding. Maar over die vraag heeft de rechtbank niet te oordelen in deze procedure.

De hoofdelijke toewijzing van € 536.088,10 tegenover [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] en de toewijzing van € 524.460,- tegenover [gedaagde sub 1] leidt ertoe dat deze drie gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 524.460,-. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het meerdere tot € 536.088,10, te weten € 11.628,10.

10 Rente en kosten

Rente

2.93.

[eiseres] heeft wettelijke handelsrente gevorderd. De toe te wijzen bedragen tegenover [gedaagde sub 1] betreffen terugbetalingsverplichtingen uit hoofde van onverschuldigde betaling. De toe te wijzen bedragen tegenover [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn een schadevergoeding. Daarover is geen handelsrente verschuldigd. De rechtbank wijst over deze bedragen de wettelijke rente toe. De schade is geleden op de data van de respectieve betalingen. De aard van de terugbetalingsverplichting en de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] uit onrechtmatige daad leidt ertoe dat de wettelijke rente ingaat over deze respectieve betalingen vanaf de diverse betaaldata.

Buitengerechtelijke kosten

2.94.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat deze niet zijn toegelicht.

Proceskosten

2.95.

Gedaagden hebben zich opgesplitst, reden om de uitslag van de procedure ook te betrekken op de twee groepjes die gedaagden inmiddels vormen. [gedaagde sub 4] heeft de procedure tegen [eiseres] gewonnen. [eiseres] zal worden veroordeeld in de kosten van [gedaagde sub 4] Die kosten bepaalt de rechtbank op nihil, gelet op de geringe aandacht (zeker in verhouding tot de omvang van de gehele procedure) die is besteed aan de afzonderlijke positie die [gedaagde sub 4] innam. [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] worden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden hierna begroot.

2.96.

De proceshouding van gedaagden, in met name de conclusie van antwoord, omvat het misleiden van de rechtbank door het vervalsen van een bijlage bij een productie en het laten aanvoeren van leugens. [eiseres] heeft aangevoerd dat er daarom alle aanleiding is om de gedaagden in de volledige proceskosten te veroordelen. Die zouden aan de zijde van [eiseres] al zijn opgelopen tot ongeveer € 100.000,-. De rechtbank maakt een andere keus.

Er is door de proceshouding van gedaagden aanleiding om af te wijken van het forfaitaire tarief (het liquidatietarief). [eiseres] was daardoor gedwongen een uitgebreid exposé te houden met overlegging van vele producties om de leugens van gedaagden te weerleggen. De rechtbank zal om genoemde redenen het bedrag van het salaris dat volgt uit het liquidatietarief vermenigvuldigen met 5. Dit geldt echter niet ten aanzien van [gedaagde sub 3] , die uiteindelijk ervoor heeft gekozen een andere proceshouding in te nemen en inhoudelijk afstand te nemen van de conclusie van antwoord. Vervolgens heeft zij feiten aan het licht gebracht die mede redengevend zijn voor het oordeel dat sprake is van bedrog. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten volgens het liquidatietarief. Daarnaast worden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeeld tot het deel van de proceskostenveroordeling dat dat bedrag te boven gaat.

Eerdere proceskostenbeslissingen in de incidenten blijven daarbij buiten beschouwing.

2.97.

De proceskosten aan de zijde van [eiseres] zijn:

Verschotten:

Dagvaarding en uittreksels KvK

€ 85,74

Griffierecht (inclusief beslagrekest)

€ 3.903,-

Kosten beslaglegging1

€ 1.032,58

Totaal:

€ 5.021,32

Salaris: 5 punten (beslagrekest 1 punt, dagvaarding 1 punt, repliek 1 punt, pleidooi 2 punten) x tarief VII (2.580,-), dus € 12.900,- x 5 = € 64.500,-.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

vernietigt alle overeenkomsten tussen partijen nu deze onder invloed van bedrog tot stand zijn gekomen,

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander(en) tot dat bedrag zijn gekweten, aan [eiseres] te betalen € 524.460,-, vermeerderd met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) vanaf de data van de respectievelijke betalingen, zulks tot de dag van voldoening,

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk aan [eiseres] te betalen € 11.628,10, vermeerderd met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) vanaf de data van de respectievelijke betalingen, zulks tot de dag van voldoening,

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 5.021,32 aan verschotten (inclusief die van de beslagen) en op € 12.900,- aan salaris,

3.5.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de extra proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 51.600,- aan salaris,

3.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van de procedure voor zover deze ging tussen haar en [gedaagde sub 4] , welke kosten de rechtbank aan de zijde van [gedaagde sub 4] begroot op nihil,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers, mr. R.J. Verschoof en mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.2

1 162,97 + 162,97 + 214,52 + 162,97 + 65,83 + 65,83 + 65,83 + 65,83 + 65,83

2 type: RV (4237)