Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:815

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
C/16/428040 / HL ZA 16-342
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderbouwen verklaring 476a en 476b Rv en betwisting ervan 477a lid 2 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/428040 / HL ZA 16-342

Vonnis van 28 februari 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. K. Meijer te Alkmaar,

tegen

de stichting

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.H.J. Luijer te Loosdrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 maart 2017 en de daarin genoemde processtukken;

- het proces-verbaal van de op 21 juni 2017 gehouden zitting met de daarin genoemde processtukken en de daaraan gehechte brief van 5 juli 2017 met de door [eiseres] gemelde aanvullingen. Op de zitting is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om jaarstukken in te brengen en [eiseres] in de gelegenheid gesteld om daarop met een akte te reageren;

- de akte van [gedaagde] met daarbij gevoegd jaarstukken, ingekomen op de griffie op 17 juli 2017;

- de akte van [eiseres] met daarbij gevoegd de producties 29 t/m 31, ingekomen op de griffie op 16 augustus 2017.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft een vordering uit hoofde van geldlening op de heer [A] (hierna: [A] ). In een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 augustus 2014, hersteld op 10 oktober 2014 en vervolgens door het hof bekrachtigd op 11 juli 2017, is [A] veroordeeld om deze vordering van € 153.300,00 aan [eiseres] te voldoen.

2.2.

Op 4 juni 2013 heeft [eiseres] ten laste van [A] derdenbeslag gelegd onder [gedaagde] . De heer [B] (hierna: [B] ), bestuurder van [gedaagde] , heeft op 14 april 2014 de derdenverklaring (het formulier als bedoeld in artikel 475 lid 2 Rv) ondertekend (hierna: de eerste verklaring). Daarin is verklaard dat er tussen [gedaagde] en [A] een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [A] op 4 juni 2013 iets van [gedaagde] te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen en dat deze rechtsverhouding bestaat uit een huurovereenkomst op grond waarvan [gedaagde] € 1.000,00 per maand aan [A] is verschuldigd.

2.3.

Nadat het derdenbeslag executoriaal was geworden, heeft [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om de onder het beslag vallende bedragen te voldoen in brieven van 15 juli 2015, 23 februari 2016, 19 mei 2016, 23 september 2016 en 28 september 2016, gericht aan [gedaagde] op het adres [adres] te [vestigingsplaats] .

2.4.

Op 3 november 2016 heeft [B] aan de deurwaarder van [eiseres] het volgende gemaild (hierna: de tweede verklaring):

Wij hadden de intentie een huurovereeenkomst te tekenen met de Heer [A] .
Echter ik heb mij vergist. Er is nooit een huurovereenkomst getekend op grond waarvan [A] iets van ons te vorderen heeft.
Wij hebben in het verleden en tot op heden niets aan hem overgemaakt.

2.5.

Op 24 november 2016 heeft [eiseres] [gedaagde] gedagvaard. In de dagvaarding heeft [eiseres] de tweede verklaring betwist.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] of aan de deurwaarder eenmalig € 42.000,00 te betalen en € 1.000,00 per maand te betalen, te rekenen vanaf 1 januari 2017 tot aan het moment dat de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [A] zal eindigen en/of [A] geheel aan zijn (betalings)verplichtingen uit hoofde van het tussen hem en [eiseres] gewezen vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van betaling en om de proceskosten plus nakosten te voldoen.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres] het volgende. In de eerste verklaring heeft [gedaagde] het bestaan van een rechtsverhouding, op grond waarvan zij vanaf beslagdatum € 1.000,00 per maand dient te betalen aan [A] , erkend en deze verklaring kon ruim twee jaar later niet meer worden ingetrokken. Indien de eerste verklaring wel mag worden herroepen dan is de tweede verklaring inhoudelijk onjuist gezien de eerste verklaring in combinatie met de door [gedaagde] gegeven onbegrijpelijke toelichting voor herroeping ervan. Er bestaat wel een huurrelatie en daarom moet [gedaagde] de bedragen die onder het beslag vallen aan [eiseres] voldoen op grond van artikel 477a Rv. Verder heeft [gedaagde] met het afleggen van de eerste onjuiste verklaring onrechtmatig gehandeld, waardoor [eiseres] schade heeft geleden die wordt begroot op hetgeen [gedaagde] in de eerste verklaring heeft verklaard schuldig te zijn aan [A] .

3.3.

[gedaagde] heeft verzocht de vorderingen af te wijzen en [eiseres] te veroordelen in de kosten van de procedure en voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] was gerechtigd haar eerste verklaring te herroepen en de tweede verklaring is inhoudelijk juist. Er is onderhandeld over een huurovereenkomst, maar die is uiteindelijk niet gesloten. [gedaagde] heeft zich bij het invullen van de eerste verklaring vergist. Verder heeft [gedaagde] niet onrechtmatig gehandeld en heeft [eiseres] niet onderbouwd welke schade zij heeft geleden doordat de verklaring in eerste instantie anders is ingevuld. Tot slot betwist [gedaagde] kennis te hebben genomen van de brieven die aan haar zijn gezonden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Herroeping eerste verklaring

4.1.

Een derde-beslagene mag zijn verklaring in beginsel herroepen of veranderen (HR 30 november 2001, NJ 2002/419). Van een gerechtelijke erkentenis, die op grond van artikel 154 RV niet zonder meer mag worden herroepen, is geen sprake nu de eerste verklaring buiten rechte is afgegeven. Van rechtsverwerking is evenmin sprake. Voor rechtsverwerking zijn bijzondere omstandigheden nodig als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard indien de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. [eiseres] heeft het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden niet gesteld en slechts aangevoerd dat de verklaring eerder had kunnen worden herroepen. Waarom de verklaring in dit geval te laat is herroepen heeft [eiseres] niet toegelicht. Het enkel verstrijken van de tijd en niet reageren op diverse sommaties is voor rechtsverwerking dus onvoldoende (daarbij kan in het midden blijven of deze sommaties al dan niet zijn ontvangen). Dit betekent dat de eerste verklaring rechtsgeldig is herroepen met de tweede verklaring.

Eisen aan tweede verklaring

4.2.

Wel komt de eerste verklaring in deze procedure betekenis toe. [eiseres] heeft de juistheid van de tweede verklaring, dat geen sprake was van een huurovereenkomst op 4 juni 2013, in deze procedure op grond van artikel 477a Rv betwist. De bewijslast dat de tweede verklaring onjuist is en dat er een huurovereenkomst was op 4 juni 2013, rust weliswaar op [eiseres] , maar [gedaagde] dient dit gemotiveerd te betwisten. Daartoe dient [gedaagde] tenminste toe te lichten waarom in eerste instantie de (volgens haar onjuiste) verklaring is afgegeven dat er op 4 juni 2013 een huurovereenkomst was. Verder dient [gedaagde] daartoe haar tweede verklaring op grond van de artikelen 476a en 476b Rv zo veel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden (HR 13 februari 2009, NJ 2009/106).

Onderbouwing tweede verklaring

4.3.

[gedaagde] heeft toegelicht te zorgen voor muziekdocenten en te bemiddelen in de overeenkomt tussen de muziekdocent en de leerling-muzikant, maar geen repetitieruimte ter beschikking te stellen en daarom niet te huren. Er is destijds wel gesproken over de mogelijkheid dat [gedaagde] het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] van [A] (deels) huurt en deze kosten vervolgens doorbelast aan de leerling-muzikanten, maar bij nader inzien paste het niet haar doelstelling als stichting om risico te dragen, aldus [gedaagde] . [gedaagde] stelt zich te hebben vergist bij het invullen van de eerste verklaring.

4.4.

Deze toelichting verklaart niet, althans onvoldoende, waarom [gedaagde] in eerste instantie heeft vermeld dat een huurrelatie bestaat of bestond. Het spreken over een mogelijke huurrelatie is immers niet hetzelfde als het daadwerkelijk aangaan ervan. Waarom [gedaagde] (vooruitlopend op, of in afwijking van) de uiteindelijk gemaakte afspraken heeft vermeld dat een huurrelatie bestond op 4 juni 2013, blijft de vraag. Dat sprake is van een vergissing strookt niet met de stelling van [gedaagde] dat zij er bewust voor heeft gekozen om geen risico te dragen door geen huurrelatie aan te gaan. [gedaagde] heeft dus een innerlijk tegenstrijdige toelichting gegeven op de vraag waarom de eerste verklaring onjuist is ingevuld. Daarbij heeft [gedaagde] pas op 14 april 2014 verklaard dat op 4 juni 2013 een huurovereenkomst bestond. Dit betekent dat [gedaagde] en [A] in de lezing van [gedaagde] ruim tien maanden hebben onderhandeld over het aangaan van een mogelijke huurrelatie op het moment dat [gedaagde] haar eerste verklaring invulde. Dat [gedaagde] zich heeft vergist en per abuis invulde dat een huurovereenkomst bestond, terwijl partijen daarover op dat moment al tien maanden onderhandelden maar daar niet uitkwamen, is op zijn minst opmerkelijk. Indien een dermate lange periode wordt onderhandeld over het al dan niet aangaan van een huurrelatie, dan ligt het bovendien voor de hand daarover schriftelijk iets vast te leggen, zeker omdat [gedaagde] op dat moment wel al exploiteerde, zoals [eiseres] onbetwist heeft gesteld. [gedaagde] heeft hierover echter geen producties in het geding gebracht.

4.5.

Verder had het op de weg van [gedaagde] gelegen om toe te lichten hoe de betaling voor het gebruik van de ruimte door de leerling-muzikanten, nadat de betaling via de huurovereenkomst met [gedaagde] niet doorging, dan wel is vormgegeven. Zo had [gedaagde] de (model)overeenkomst tussen [A] en de leerling-muzikant kunnen overleggen, of anderszins producties kunnen overleggen waaruit blijkt op welke wijze uiteindelijk is geregeld dat de leerling-muzikanten voor het gebruik van de ruimte betalen. Dit heeft [gedaagde] nagelaten, hoewel zij naar eigen zeggen wel bemiddelt in de overeenkomsten met de leerling-muzikanten en daarover dus de nodige kennis heeft.

4.6.

De motivering die [gedaagde] heeft gegeven voor de in eerste instantie afgegeven verklaring dat wel een huurrelatie bestond is dus innerlijk tegenstrijdig, op geen enkele wijze onderbouwd met stukken en roept bovendien vragen op (4.4. en 4.5.). Dit betekent dat [gedaagde] onvoldoende heeft toegelicht waarom zij de eerste verklaring onjuist heeft ingevuld. Verder heeft [gedaagde] niet voldaan aan haar verplichting om haar tweede verklaring zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden. [gedaagde] had stukken kunnen overleggen van de wijze waarop de leerlingen betalen voor het gebruik van de ruimte en had correspondentie en/of verklaringen kunnen inbrengen van de personen die de onderhandelingen over de huurovereenkomst en/of het (gratis) gebruik van de ruimte hebben gevoerd, maar heeft dat niet gedaan.

4.7.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 29 maart 2017 een verschijning van partijen bevolen en gelast dat [gedaagde] daar vertegenwoordigd dient te zijn door haar (schriftelijk gemachtigde) bestuursleden, of door iemand die van de zaak op de hoogte is. Op de zitting is vervolgens alleen de advocaat van [gedaagde] verschenen, die aangaf dat de voorzitter was verhinderd en het vanwege de negatieve berichten in de media beter leek dat [B] ook niet zou komen. Op vragen van de rechtbank over de door [gedaagde] gestelde onderhandelingen om een huurovereenkomst te sluiten en over de gestelde vergissing bij het invullen van de eerste verklaring, heeft de advocaat van [gedaagde] slechts geantwoord dat er geen huur is betaald. Daarmee zijn de vragen van de rechtbank onbeantwoord gebleven en dit komt voor rekening en risico van [gedaagde] zoals vermeld in het tussenvonnis (22 Rv). Aan het verzoek van de rechtbank om voorafgaand aan de zitting stukken te overleggen waaruit blijkt dat er is onderhandeld over een huurovereenkomst en dat de onderhandelingen niet tot een huurovereenkomst hebben geleid, heeft [gedaagde] niet voldaan. De na de zitting op verzoek van de rechtbank toegezonden jaarstukken brengen daarin geen verandering. Deze stukken vermelden niet het gestelde gratis gebruik van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Bovendien blijkt uit een accountantsverklaring die [eiseres] heeft ingebracht onder meer dat de jaarstukken niet door een erkend accountant zijn opgesteld en dat de Gedrags- en Beroepsregels Accountants niet van toepassing zijn geweest bij het opstellen ervan. Verder zijn de kosten voor gas en elektriciteit volgens deze verklaring meer dan het dubbele van de kosten bij regulier gebruik. De rechtbank hecht daarom geen waarde aan de ingebrachte jaarstukken.

4.8.

[gedaagde] heeft dus, ondanks daartoe alle gelegenheid te hebben gehad, onvoldoende toegelicht waarom haar eerste verklaring is ingetrokken en heeft haar tweede verklaring niet onderbouwd met documenten. Daarmee heeft [gedaagde] de stelling dat er een huurovereenkomst was op 4 juni 2013, onvoldoende gemotiveerd betwist (4.2.). Dat de tweede verklaring onjuist is en dat sprake was van een huurovereenkomst op 4 juni 2013, op grond waarvan [gedaagde] € 1.000,00 per maand aan [A] moet betalen, komt daarmee vast te staan. Dit betekent dat de vorderingen van [eiseres] op grond van artikel 477a lid 2 BW worden toegewezen. Dat sprake is van een handelsovereenkomst is niet gesteld of gebleken, zodat de gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen op grond van artikel 6:119 BW, waarbij de rente over de maandbedragen wordt toegekend vanaf de datum waarop deze bedragen zijn verschuldigd.

4.9.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op:

- dagvaarding € 96,57

- griffierecht 885,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,-)

Totaal € 3.216,57

5 De beslissing


De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] of aan de deurwaarder € 42.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente op basis van artikel 6:119 BW, vanaf 24 november 2016 tot de dag van betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] of aan de deurwaarder € 1.000,00 per maand te betalen, te rekenen vanaf 1 januari 2017 tot aan het moment dat de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [A] zal eindigen en/of [A] geheel aan zijn (betalings)verplichtingen uit hoofde van het tussen hem en [eiseres] gewezen vonnis (2.1.) heeft voldaan en te vermeerderen met de wettelijke rente op basis van artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop voornoemd maandbedrag is verschuldigd tot de dag van betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 3.216,57;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5.

verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel en in het openbaar uitgesproken door mr. R.M. Berendsen op 28 februari 2018.1

1 type: AB (4994) coll: HM (4507)