Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:800

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
16/653273-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee Utrechtse mannen die na een autokraak op de vlucht sloegen voor de politie zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot gevangenisstraffen. Een 22-jarige man is veroordeeld tot een celstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De 23-jarige medeverdachte krijgt een gevangenisstraf van 15 maanden opgelegd, waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Tijdens de vluchtpoging zijn de verdachten een weg ingereden waar op dat moment wegwerkers bezig waren met asfalteerwerkzaamheden. Beide mannen verklaren dat zij de bijrijder van de auto waren. De rechtbank kan niet vaststellen wie de bestuurder was, maar wel dat de vlucht en het daaropvolgende gevaarlijke rijgedrag al besloten was in hun plan om auto-inbraken te gaan plegen. Er is daarom sprake van zogenoemd ‘medeplegen’.

Dat er niemand gewond is geraakt is niet aan de verdachten te danken, maar enkel aan de wegwerkers die op tijd wegsprongen. De schattingen over de gereden snelheid lopen sterk uiteen en zijn daarom niet betrouwbaar om die te gebruiken als bewijs. Het is niet vast te stellen dat het rijgedrag zo gevaarlijk was dat dit dodelijke slachtoffers zou veroorzaken. De rechtbank oordeelt daarom dat er sprake is van een poging tot zware mishandeling.

De officier van justitie vond dat er ook sprake was van poging tot zware mishandeling van politieagenten omdat een politieauto tijdens een inhaalmanoeuvre op de andere weghelft terechtkwam. Er is onvoldoende komen vast te staan dat er op dat moment verkeer op de andere weghelft reed of dat de politie (bijna) van de weg is geraakt. Het kan niet vastgesteld worden dat dit zwaar lichamelijk letsel zou kunnen opleveren. De rechtbank spreekt de mannen daarom vrij van die verdenking. De 22-jarige man is door de rechtbank ook schuldig bevonden aan twee andere auto-inbraken. Daarnaast moet hij een taakstraf van 178 uur uitvoeren vanwege eerdere veroordelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/653273-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. T. Tanghe, en van hetgeen verdachte en mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich op 1 november 2017 te Leusden schuldig heeft gemaakt aan een diefstal uit een personenauto in vereniging, waarbij de weggenomen goederen zijn verkregen door middel van braak (primair), danwel medeplichtigheid aan deze diefstal (subsidiair).

feit 2: zich op 1 november 2017 te Leusden/Achterveld/De Bilt schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag in vereniging (primair), dan wel een poging tot zware mishandeling in vereniging (subsidiair), door met een door hem bestuurde auto met hoge snelheid in te rijden op meerdere wegwerkers.

feit 3: zich op 1 november 2017 te Leusden/Achterveld/De Bilt schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag in vereniging (primair), dan wel een poging tot zware mishandeling in vereniging (subsidiair), dan wel bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht in vereniging (meer subsidiair), door met een door hem bestuurde auto in te rijden op een politieauto met daarin meerdere politiemensen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte van het onder feit 3 primair tenlastegelegde vrij te spreken. De officier van justitie acht het onder feit 2 primair en feit 3 subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend te bewijzen. Ten aanzien van feit 2 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte, die door de officier van justitie wordt aangemerkt als de bestuurder van de Volkswagen Polo, zich ervan bewust moet zijn geweest dat zijn rijgedrag ernstige risico’s op botsingen/aanrijdingen met zich bracht en dat dit tot zeer ernstige gevolgen – namelijk de dood van één of meerdere wegwerkers – had kunnen leiden. Ten aanzien van feit 3 subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte, door met hoge snelheid de Volkswagen Polo naar links te sturen terwijl deze door de politiewagen werd ingehaald, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de achtervolgende politiewagen (frontaal) in botsing zou komen met tegemoetkomend verkeer dan wel van de weg zou raken, waardoor de inzittenden van de politiewagen zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen bekomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van het onder feit 2 (primair en subsidiair) en feit 3 (primair, subsidiair en meer subsidiair) tenlastegelegde vrij te spreken. De raadsman heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte niet degene was die de Volkswagen Polo ten tijde van de achtervolging heeft bestuurd. De raadsman heeft daarnaast ten aanzien van feit 2 primair aangevoerd dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat met een zodanige snelheid is gereden dat de kans op het overlijden van één of meerdere wegwerkers aanmerkelijk is geweest. De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 (primair, subsidiair en meer subsidiair) bepleit dat uit het proces-verbaal of de camerabeelden niet blijkt dat sprake is geweest van enig inrijden of toerijden op de politieauto.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 2 primair

De rechtbank overweegt dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in belangrijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto. Het dossier bevat geen objectieve bewijsmiddelen waaruit de snelheid van de Volkswagen Polo ten tijde van de achtervolging en het passeren van de wegwerkers blijkt. De schatting van de door de Volkswagen Polo gereden snelheid door de wegwerkers loopt sterk uiteen en is derhalve niet betrouwbaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de Volkswagen Polo met een zodanige snelheid heeft gereden op het moment dat de wegwerkers werden gepasseerd, dat indien de wegwerkers niet waren weggesprongen, de kans op hun overlijden aanmerkelijk was geweest. De rechtbank acht het onder feit 2 primair tenlastegelegde derhalve niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

feit 3 primair, subsidiair en meer subsidiair

De rechtbank overweegt dat uit het door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgestelde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisanten op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer terecht kwamen toen de bestuurder van de Volkswagen Polo naar links stuurde op het moment dat de verbalisanten de Volkswagen Polo probeerden in te halen. Uit het dossier of de camerabeelden volgt echter niet dat door deze inhaalmanoeuvre een aanmerkelijke kans is ontstaan dat de verbalisanten hierdoor zouden kunnen komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Daarnaast is ook niet gebleken dat de verbalisanten de vrees hadden (of redelijkerwijs hadden kunnen hebben) dat zij door de inhaalmanoeuvre zouden komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat er ten tijde van de inhaalmanoeuvre tegemoetkomend verkeer op de andere weghelft aanwezig was of dat de verbalisanten bijna van de weg zijn geraakt. De rechtbank acht het onder feit 3 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde derhalve niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Zoals in rubriek 4 is beschreven, acht de officier van justitie het onder feit 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Als gevolg daarvan heeft de officier van justitie zich niet uitgelaten over het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde, aangezien verdachte ten tijde van de achtervolging niet de bestuurder van de Volkswagen Polo was en daarnaast op basis van de feiten en omstandigheden niet kan worden gesteld dat sprake is geweest van enig opzet op het aanbrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke vorm.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

feit 1 primair

Verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend en door de raadsman van verdachte is geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van
artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:

 de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 februari 2018;2

 het proces-verbaal van bevindingen door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ;3

 het proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 4] , mede namens Landelijke Eenheid.4

feit 2 subsidiair

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden op 1 november 2017 achter de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] aan. De verbalisanten zijn vanaf de Horsterweg (de rechtbank begrijpt: de Horsterweg te Leusden) de Hessenweg (de rechtbank begrijpt: de Hessenweg te Leusden) opgereden. Zij zagen dat de Hessenweg was afgesloten in verband met asfalteerwerkzaamheden. Zij zagen dat deze weg was afgesloten middels een schrikhek en een bord geslotenverklaring. Zij zagen dat de Polo om het hek heenreed en het bord en het schrikhek negeerde.5 De verbalisanten zagen dat het voertuig geen snelheid minderde. Zij zagen dat er wegwerkers bezig waren met hun werkzaamheden aan de weg. Zij zagen dat meerdere wegwerkers moesten wegspringen om te voorkomen dat ze werden aangereden door de Volkswagen Polo. De verbalisanten zagen vervolgens dat de Polo naar links het fietspad opreed. Zij zagen dat daar wederom wegwerkers bezig waren met hun werkzaamheden. De verbalisanten zagen dat ook deze wegwerkers weg moesten springen om een aanrijding met deze Polo te voorkomen. Zij zagen dat de Polo om een asfalteerauto reed. Achter deze asfalteerauto stonden wederom wegwerkers te werken.6

Aangever [aangever 1] was op 1 november 2017 werkzaam op de Hessenweg in de gemeente Leusden. Omstreeks 23:30 uur die dag stonden zijn collega’s en hij te werken aan de weg. Hij hoorde sirenes en toen hij in de richting waar het geluid vandaan kwam keek, zag hij een personenauto op zich afkomen. Op het moment dat hij de Polo zag, moest hij snel reageren en sprong hij naar achteren. Als hij niet naar achteren zou zijn gesprongen, zou hij door de Polo zijn geraakt.7

Aangever [aangever 2] was op 1 november 2017 werkzaam op de Hessenweg in de gemeente Leusden. Omstreeks 23:30 uur die dag stond hij met een bezem het asfalt te vegen, toen hij plotseling geluid achter zich hoorde. Hij keek om en zag een Volkswagen Polo op zich af komen rijden. De Volkswagen Polo kwam recht op hem afgereden. Hij is direct aan de kant gesprongen. Als hij niet zou zijn weggesprongen, zou hij zeker weten zijn aangereden.8

Aangever [aangever 3] was op 1 november 2017, omstreeks 23:30 uur, werkzaam op de Hessenweg in de gemeente Leusden. Op het moment dat hij een las aan het afwerken was, hoorde hij achter zich een slippend geluid. Vrijwel gelijktijdig werd hij door de uitvoerder weggeduwd. Zijn zoon trok hem tevens aan zijn kraag naar achteren. Vrijwel direct passeerde hem rakelings een personenauto. Hij zag dat dit een Volkswagen Polo betrof. Als hij niet zou zijn weggetrokken, weet hij zeker dat hij was aangereden.9

Verdachte heeft verklaard dat hij op 1 november 2017 samen met de medeverdachte met de auto van zijn vriendin (de rechtbank begrijpt: de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] ) op pad was om in auto’s in te breken. Voorafgaand aan de inbraak in de auto op het parkeerterrein van het Van der Valk Hotel, waren zij daartoe al in meerdere parkeergarages geweest. Nadat er was ingebroken in de auto op het parkeerterrein van het Van der Valk Hotel, zijn zij van het parkeerterrein weggereden. Zij zagen daarna dat er een politieauto achter hen reed en zijn voor de politieauto gevlucht.10 Hij zag op een gegeven moment dat er mensen aan de weg aan het werk waren. Op afstand leek het erop dat de weg helemaal was afgesloten. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze een kleine opening waar ze wel langs konden komen. Hij zag daar wegwerkers.11

Bewijsoverwegingen

feit 1 primair

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Dit oordeel is gebaseerd op de bevindingen en waarnemingen van verbalisant [verbalisant 3] op het parkeerterrein van het Van der Valk hotel voorafgaand aan de daadwerkelijke inbraak in de auto en de verklaring van verdachte dat hij met zijn medeverdachte op pad was om in auto’s in te breken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde.

feit 2 subsidiair

Zowel verdachte als de medeverdachte hebben ieder voor zich ontkend dat de één respectievelijk de ander ten tijde van de achtervolging door de politieauto en het passeren van de wegwerkers de bestuurder van de Volkswagen Polo was. Verdachte en de medeverdachte verklaren beiden dat zij op dat moment de bijrijder van de Volkswagen Polo waren. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het ontbreken van voldoende betrouwbaar bewijs, niet met overtuiging worden vastgesteld wie van de twee verdachten ten tijde van de achtervolging en het passeren van de wegwerkers de bestuurder van de Volkswagen Polo was. De rechtbank zal daarom bij de verdere bespreking van de feiten in het midden laten wie de bestuurder en wie de passagier/bijrijder van de Volkswagen Polo is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, worden vastgesteld dat de Volkswagen Polo de wegwerkers zou hebben geraakt, indien de wegwerkers niet tijdig opzij waren gesprongen of weg waren getrokken. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de wegwerkers zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen indien zij door de Volkswagen Polo zouden zijn geraakt. Naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van een voetganger door een auto immers de aanmerkelijke kans op dat de voetganger daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Ook verdachte, die aangeeft dat hij de wegwerkers heeft gezien, moet zich hiervan bewust zijn geweest.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte en de medeverdachte, ongeacht het antwoord op de vraag wie van hen ten tijde van de achtervolging de bestuurder van de Volkswagen Polo was, gezamenlijk de aanmerkelijke kans dat de wegwerkers zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen willens en wetens hebben aanvaard en er aldus sprake was van medeplegen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank overweegt dat, om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, sprake dient te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. In een situatie waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het daarmee samenhangend medeplegen van een ander strafbaar feit – zoals in de onderhavige situatie het geval is: verdachte en de medeverdachte waren ten tijde van het passeren van de wegwerkers samen op de vlucht voor de politie nadat zij een auto-inbraak hadden gepleegd – is het niet uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds voordien is ontstaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar een arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 20 juni 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2429), bevestigd door de Hoge Raad bij arrest van 20 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:240). Indien de wijze waarop verdachte en de medeverdachte met de Volkswagen Polo zijn gevlucht als een zo waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen auto-inbraak, kan ook wat betreft die vlucht worden aangenomen dat zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. In het voorbereiden van misdrijven als auto-inbraken ligt immers besloten dat men niet gepakt wil worden en bij een eventuele betrapping op de vlucht slaat, waarbij het voor de hand ligt dat de geldende verkeersvoorschriften niet in acht worden genomen en hierdoor risico’s ontstaan voor andere verkeersdeelnemers.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte en de medeverdachte nauw en bewust hebben samengewerkt voorafgaand en ten tijde van de auto-inbraak op het parkeerterrein van het Van der Valk Hotel (het onder feit 1 primair bewezenverklaarde). Verdachte en de medeverdachte waren op de dag van de tenlastegelegde feiten op pad om op verschillende plekken auto-inbraken te plegen. Zij verplaatsten zich telkens van de ene naar de andere plek met voornoemde Volkswagen Polo. Op het moment dat verdachte en de medeverdachte er na het plegen van de auto-inbraak achter kwamen dat zij door een politieauto werden gevolgd, zijn zij in de Volkswagen Polo voor de politie op de vlucht geslagen. Gelet op het feit dat verdachte en de medeverdachte zich op die bewuste dag gedurende aanzienlijke tijd met de Volkswagen Polo samen verplaatsten, is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop de verdachte en de medeverdachte in de Volkswagen Polo zijn gevlucht voor de politie als een zo waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen auto-inbraken, dat ook wat betreft het met die vlucht verband houdende misdrijf – poging tot zware mishandeling – zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen van dit misdrijf kan worden gesproken. Dat niet gebleken is dat bij de voorbereiding van de auto-inbraken de vlucht met de Volkswagen Polo door de verdachte en de medeverdachte is besproken, doet hier niet aan af. De vlucht en het daaruit voortvloeiende gevaarlijke rijgedrag lag immers al besloten in hun plan auto-inbraken te gaan plegen, waarbij zij zich samen in dezelfde auto verplaatsten.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en de medeverdachte gezamenlijk de aanmerkelijke kans dat de wegwerkers zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen willens en wetens hebben aanvaard. Indien er al zou zijn geclaxonneerd of zijn afgeremd bij het naderen van de wegwerkers, dan zou dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zijn geweest om een aanrijding te voorkomen. De wegwerkers geven immers ieder aan dat zij, als zij niet waren weggesprongen of door anderen weggetrokken, door de Volkswagen Polo zouden zijn geraakt. Het feit dat de wegwerkers niet zijn aangereden, is geen gevolg van het handelen van verdachte en de medeverdachte, maar is te danken aan de snelle reactie van de wegwerkers. Op grond van het voorgaande overweegt de rechtbank dat het rijgedrag van verdachte en de medeverdachte erop was gericht om koste wat kost te voorkomen dat de politie hen zou aanhouden, ook indien dat zou betekenen dat zij anderen daarmee mogelijk zwaar lichamelijk letsel zouden toebrengen. De rechtbank acht het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1 primair

op of omstreeks 01 november 2017 te Leusden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (personen)auto heeft weggenomen twee laptoptassen en/of een rugzak, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Landelijke Eenheid, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen laptoptassen en/of rugzak onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 2 subsidiair

op of omstreeks 1 november 2017 te Leusden en/of te Achterveld en/of te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , althans een of meerdere personen (wegwerkers), met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, een van de verdachten bestuurde personenauto (met hoge snelheid) is ingereden, althans is toegereden, op die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , althans die perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

7. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2 subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling.

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 OPLEGGING VAN STRAF

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf die de duur van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet overschrijdt.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan een auto-inbraak in vereniging gepleegd. Een dergelijk feit levert veel schade en overlast op voor de slachtoffers. Verdachte heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen financiële gewin en heeft zich er niet om bekommerd dat inbraken ernstige inbreuk kunnen maken op de gevoelens van veiligheid van de slachtoffers. Nadat verdachte en zijn mededader op heterdaad waren betrapt, zijn zij op de vlucht geslagen voor de politie. Zij hebben zich daarbij niet gehouden aan de geldende verkeersvoorschriften, waardoor zij andere mensen in gevaar hebben gebracht. Verdachte en de medeverdachte zijn op een gegeven moment zelfs een weg ingereden die in verband met asfalteerwerkzaamheden was afgesloten en zijn daarbij op de zich aldaar bevindende wegwerkers zijn ingereden. Het feit dat de wegwerkers hierbij niet gewond zijn geraakt, is geenszins te danken aan het handelen van verdachte. Indien de wegwerkers immers niet net op tijd zouden zijn weggesprongen, zou de achtervolging een geheel andere afloop gehad kunnen hebben. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Persoonlijke omstandigheden

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 11 januari 2018;

- een advies van de reclassering d.d. 14 februari 2018, opgesteld door A. Belhadj.

Uit het uittreksel justitiële documentatie is gebleken dat verdachte reeds eerder is

veroordeeld wegens het plegen van vermogensdelicten. Verdachte is niet eerder veroordeeld

wegens (poging tot zware) mishandeling.

Uit het advies van de reclassering blijkt dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon.

Verdachte lijkt, met name vanuit financiële overwegingen, bewuste keuzes te maken als het

gaat om het plegen van strafbare feiten. Verdachte stelt geen vertrouwen in de reclassering te

hebben en heeft aangegeven dat hij, indien reclasseringstoezicht wordt opgelegd, geen

openheid van zaken zal geven. Verdachte werkt in het vrijwillige kader echter wel mee aan

hulpverlening. De reclassering adviseert daarom bij een bewezenverklaring een gedeeltelijk

voorwaardelijke straf, zonder oplegging van bijzondere voorwaarden, op te leggen.

LOVS-oriëntatiepunten

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geven voor een diefstal uit een auto, waarbij sprake is van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken aan. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen – een auto wordt hieraan in een geval als het onderhavige gelijkgesteld - wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden aangegeven. Hierbij moet enerzijds rekening worden gehouden met het feit dat sprake was van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan drie wegwerkers (waardoor sprake is van drie maal een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel), maar anderzijds ook dat het bij een poging is gebleven (waardoor de straf met een derde dient te worden verminderd). Gelet op het voorgaande kan niet worden volstaan met een straf die gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en dus geen (verdere) vrijheidsbeneming met zich brengt.

Conclusie

Gelet op de ernst van de feiten en met het oog op de oriëntatiepunten zou een

onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van (ruim) 15 maanden passend zijn. De

rechtbank ziet – mede gezien de justitiële documentatie van verdachte - geen redenen om

hiervan af te wijken en zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden aan

verdachte opleggen. Gelet op het advies van de reclassering en om verdachte ervan te

weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een gedeelte van 5 maanden van deze

gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. De tijd die verdachte in voorlopige

hechtenis heeft doorgebracht, zal van de gevangenisstraf worden afgetrokken.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 2 primair, feit 3 primair, feit 3 subsidiair en feit 3 meer subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart het onder deze feiten meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 5 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mr. E.H.M. Druijf en mr. E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.Z. Schoppink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 01 november 2017 te Leusden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (personen)auto heeft weggenomen twee laptoptassen en/of een rugzak, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Landelijke Eenheid, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen laptoptassen en/of rugzak onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 1 november 2017 te Leusden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (personen)auto heeft weggenomen twee laptoptassen en/of een rugzak, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Landelijke Eenheid, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of verdachte, waarbij die [medeverdachte] zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen laptoptassen en/of rugzak onder zijn/haar bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest door met die [medeverdachte] in een auto naar de plaats delict te rijden en/of door in de nabijheid met een (vlucht)auto gereed te staan;

2.

Primair

hij op of omstreeks 1 november 2017 te Leusden en/of te Achterveld en/of te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , althans een of meerdere personen (wegwerkers), van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met hoge snelheid) is ingereden, althans is toegereden, op die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , althans die perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 1 november 2017 te Leusden en/of te Achterveld en/of te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , althans een of meerdere personen (wegwerkers), met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met hoge snelheid) is ingereden, althans is toegereden, op die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , althans die perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

3.

Primair

hij op of omstreeks 1 november 2017 te Leusden en/of te Achterveld en/of te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk om een of meerdere politiemensen van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (rijdend met een hoge snelheid en/of met hoge snelheid) is ingereden, althans is toegereden, op een politieauto met daarin een of meerdere politiemensen, ten gevolge waarvan de bestuurder van die politieauto werd gedwongen (naar links) uit te wijken, althans (naar links) moest uitwijken, en/of waardoor die politieauto op de weg(helft) van tegemoetkomend verkeer terecht kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 1 november 2017 te Leusden en/of te Achterveld en/of te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan een of meerdere politiemensen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (rijdend met een hoge snelheid en/of met hoge snelheid) is ingereden, althans is toegereden, op een politieauto met

daarin een of meerdere politiemensen, ten gevolge waarvan de bestuurder van die politieauto werd gedwongen (naar links) uit te wijken, althans (naar links) moest uitwijken, en/of waardoor die politieauto op de weg(helft) van tegemoetkomend verkeer terecht kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 1 november 2017 te Leusden en/of te Achterveld en/of te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meerdere politiemensen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (rijdend met een

hoge snelheid en/of met hoge snelheid) ingereden, althans toegereden, op een politieauto met daarin een of meerdere politiemensen, ten gevolge waarvan de bestuurder van die politieauto werd gedwongen (naar links) uit te wijken, althans (naar links) moest uitwijken, en/of waardoor die politieauto op de weg(helft) van tegemoetkomend verkeer terecht kwam.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 14 februari 2018, genummerd PL2600-2017069491, opgemaakt door politie Landelijke Eenheid, doorgenummerd 1 tot en met 146. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 februari 2018.

3 Proces-verbaal van bevindingen (PL0900-2017333265-2), opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 2 november 2017, p. 50-51.

4 Proces-verbaal van aangifte (PL0600-2017514205-1), opgemaakt door [verbalisant 5] d.d. 6 november 2017, p. 61-63.

5 Proces-verbaal van bevindingen (PL0900-2017333265-8), opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 2 november 2017, p. 57.

6 Proces-verbaal van bevindingen (PL0900-2017333265-8), opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 2 november 2017, p. 58.

7 Proces-verbaal van aangifte (PL2600-2017069491-15), opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 7] d.d. 8 november 2017, p. 70.

8 Proces-verbaal van aangifte (PL2600-2017071460-1), opgemaakt door [verbalisant 8] d.d. 9 november 2017, p. 76.

9 Proces-verbaal van aangifte (PL2600-2017071438-1), opgemaakt door [verbalisant 8] d.d. 9 november 2017, p. 81.

10 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 februari 2018.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte (PL2600-2017069491-25), opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 9] d.d. 5 december 2017, p. 132.