Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:794

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
C/16/448685 / KG ZA 17-792
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, beheersregeling hond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/448685 / KG ZA 17-792

Vonnis in kort geding van 5 maart 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.J.M. van Ophuizen te Lienden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H.G. Wubbeling te Hilversum.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte overlegging producties tevens houdende aanvulling van eis

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 december 2017

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie.

1.2.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat zij zouden proberen om hun geschil door mediation samen op te lossen. Dit is niet gelukt. Omdat de zaak tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk (vrijwel) niet is besproken en [eiseres] niet heeft kunnen reageren op dat wat [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie heeft aangevoerd, is in overleg met partijen besloten dat zij nog een conclusie van repliek ( [eiseres] ) en dupliek ( [gedaagde] ) mochten nemen. Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben vanaf 2012 tot op enig moment in juli 2016 een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Zij hebben samen een hond van het ras Golden Retriever verzorgd, [naam hond] genaamd, die op [.] 2013 is geboren en nu dus ruim vier jaar oud is. [gedaagde] heeft de hond gekocht.

2.3.

In mei 2015 hebben partijen een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin wat betreft de hond het volgende is bepaald:

OVERIGE BEPALING

Partijen stellen vast dat de hond genaamd “ [naam hond] ” gezamenlijk eigendom is en hen samen toebehoort, ieder voor de helft.

2.4.

Nadat partijen in juli 2016 uit elkaar waren gegaan, hebben zij een regeling uitgevoerd waarbij de hond de ene week bij [eiseres] verbleef en de andere week bij [gedaagde] . [eiseres] heeft [gedaagde] begin december 2016 laten weten dat zij deze regeling voorlopig wilde stopzetten omdat [gedaagde] in een caravan verbleef en hij overdag aan het werk was. Zij heeft de hond toen niet meer naar [gedaagde] gebracht. Op enig moment daarna, maar nog steeds in december 2016, heeft [gedaagde] de hond tijdens een jachttraining waar [eiseres] met de hond aanwezig was, naar zich toegefloten en is hij met de hond weggereden. Sinds dat moment verblijft de hond bij [gedaagde] en heeft [eiseres] de hond niet meer gezien.

2.5.

Op 9 december 2016 heeft [gedaagde] zich bij de raad van beheer van de Dutch Kennel Club als eigenaar van de hond laten registreren.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – dat (1) [gedaagde] wordt bevolen om medewerking te verlenen aan een beheersregeling op grond waarvan [gedaagde] de hond aan [eiseres] moet overdragen primair voor de duur van een jaar, waarbij na afloop van dat jaar de hond telkens voor de duur van een maand afwisselend bij [eiseres] dan wel [gedaagde] zal zijn, subsidiair voor de duur van een maand, waarbij de hond vervolgens voor de duur van een maand bij [gedaagde] zal zijn en zo verder, op straffe van verbeurte van een dwangsom en waarbij geldt dat de kosten voor verzorging van de hond voor rekening van de partij komt bij wie de hond op dat moment verblijft, (2) wordt bepaald dat indien er voor de hond medische kosten moeten worden gemaakt, deze tussen partijen bij helfte moeten worden gedragen en (3) [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4 Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert – samengevat – dat, indien er een regeling moet worden vastgesteld, een regeling wordt bepaald waarbij (na een periode van acht weken waarin het contact tussen [eiseres] en de hond wordt opgebouwd) de hond om en om een week bij [eiseres] en [gedaagde] verblijft, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en waarbij [gedaagde] als enige bevoegd is om beslissingen van beheer over de hond te nemen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4.2.

[eiseres] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en voorwaardelijke reconventie

5.1.

Omdat de vorderingen in conventie en die in voorwaardelijke reconventie met elkaar samenhangen, zullen zij hierna gezamenlijk worden beoordeeld.

5.2.

[eiseres] heeft bij haar vordering om een beheersregeling vast te stellen een spoedeisend belang. Dat zij de hond toen zij de vorderingen instelde al bijna een jaar niet meer had gezien en in die periode dus heeft “stilgezeten”, maakt dit, anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, niet anders.

5.3.

Partijen zijn het niet eens over de vraag of zij beiden eigenaar zijn van de hond. [eiseres] meent dat dit het geval is en zij heeft in dit verband gewezen op de tekst van de samenlevingsovereenkomst (zie 2.3). [gedaagde] heeft aangevoerd dat alleen hij eigenaar is en dat partijen met de bepaling in de samenlevingsovereenkomst slechts hebben willen voorkomen dat de hond door zijn kinderen zou worden opgeëist als hij zou komen te overlijden. Hij heeft om die reden ook zijn testament gewijzigd, aldus [gedaagde] .

5.4.

De vraag of beide partijen eigenaar zijn van de hond, is van belang, want als dat niet zo is kan geen beheersregeling (een regeling over het genot, het gebruik en het beheer van de hond) worden vastgesteld. Dat is op grond van artikel 3:168 van het Burgerlijk Wetboek alleen mogelijk als het gaat om een gemeenschappelijke zaak. Dit artikel, dat dus gaat over zaken, is ook van toepassing als het gaat om een dier. Is alleen [gedaagde] eigenaar, dan hoeft hij het genot en het beheer van de hond dus niet met [eiseres] te delen.

5.5.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen samen eigenaar zijn van de hond. Dat hebben zij immers zelf vastgelegd in hun notariële samenlevingsovereenkomst. Dat [gedaagde] de hond heeft gekocht, is in dit verband niet van belang. De stelling dat partijen met de bepaling dat zij beiden eigenaar zijn van de hond alleen hebben beoogd te voorkomen dat de kinderen van [gedaagde] de hond zouden erven, is niet geloofwaardig. Als dat zo zou zijn, had [gedaagde] met de wijziging van zijn testament kunnen volstaan. Uit het feit dat ook de samenlevingsovereenkomst een bepaling over de hond bevat, moet worden afgeleid dat partijen meer hebben beoogd: ook tijdens het leven van [gedaagde] is [eiseres] eigenaar van de hond, alleen dan bij helfte. Dat [eiseres] in een appbericht aan [gedaagde] heeft geschreven dat [gedaagde] juridisch gezien de eigenaar is van de hond omdat de hond op zijn naam staat, kan gezien het voorgaande niet in haar nadeel werken. Ook de latere registratie van [gedaagde] als eigenaar kan dat niet. Naar de voorzieningenrechter aanneemt, heeft deze registratie namelijk uitsluitend op initiatief van [gedaagde] zelf plaatsgevonden, want partijen waren toen al uit elkaar en de hond verbleef op dat moment (tegen de zin van [eiseres] ) bij [gedaagde] .

5.6.

Ook al gaat de voorzieningenrechter er dus van uit dat partijen samen eigenaar zijn van de hond, toch zal er geen beheersregeling worden vastgesteld. Partijen hebben niet alleen een geschil over de hond, maar (in ieder geval) ook over de kosten van de gemeenschappelijke huishouding die partijen tijdens hun samenleven hebben gevoerd en de leningen die [eiseres] volgens haar aan [gedaagde] heeft verstrekt, waarover volgens [gedaagde] nog in een aan te spannen bodemprocedure zal moeten worden beslist. In deze procedure zal het zeer waarschijnlijk ook weer gaan over de hond. Uit de stellingen van [gedaagde] kan namelijk worden afgeleid dat hij meent dat de hond uiteindelijk aan hem moet worden toebedeeld. Dat een in dat verband in te stellen vordering van [gedaagde] zal worden toegewezen, acht de voorzieningenrechter om de volgende redenen groot.

5.7.

Allereerst is van belang dat vaststaat dat [gedaagde] de hond heeft gekocht. Daarnaast heeft [gedaagde] gesteld dat hij het is geweest die alle cursussen met de hond heeft gevolgd en hij heeft in dit verband kopieën van certificaten van verschillende trainingen overgelegd. [eiseres] heeft gesteld dat zij naar de trainingen is meegegaan en dat zij zelf ook diverse trainingen heeft gevolgd. Meegaan naar trainingen is echter niet hetzelfde als volgen van trainingen. Dat [eiseres] zelf ook trainingen heeft gevolgd, heeft [gedaagde] betwist en [eiseres] heeft deze stelling verder niet onderbouwd. [gedaagde] heeft daarnaast aangevoerd dat hij de meeste kosten van de hond heeft gedragen en hij heeft in dat verband zes facturen van de dierenarts uit 2016 en een betalingsoverzicht van [naam dienrenspeciaalzaak] uit [vestigingsplaats] overgelegd. De bedragen die daarop staan vermeld, zijn substantieel (alleen al bij [naam dienrenspeciaalzaak] heeft [gedaagde] in de periode tussen december 2012 en december 2016 ongeveer € 1.400 besteed). Voor zover [eiseres] heeft willen betwisten dat [gedaagde] de meeste kosten heeft gedragen door te stellen dat zij zelf de wekelijkse uitgaven van de hond heeft betaald en ook twee activiteiten (voor de hond, zo begrijpt de voorzieningenrechter) op […] heeft bekostigd, is deze betwisting onvoldoende. [gedaagde] heeft namelijk weersproken dat dit zo is en [eiseres] heeft haar stelling verder niet onderbouwd.

5.8.

Bij de hiervoor genoemde omstandigheden, die golden toen partijen nog een relatie met elkaar hadden, moeten de omstandigheden worden gevoegd die zich hebben voorgedaan nadat partijen hun relatie hebben verbroken. Vast staat dat [gedaagde] sinds december 2016 voor de hond heeft gezorgd en dat [eiseres] de hond vanaf toen niet meer heeft gezien. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij [eiseres] heeft voorgesteld om de regeling die zij vlak na hun uiteengaan en tot december 2016 hebben uitgevoerd, te hervatten, maar dat [eiseres] daarop niet is ingegaan. [eiseres] heeft dit niet betwist. Daarnaast is relevant dat [eiseres] de genoemde regeling in december 2016 zelf heeft stopgezet, omdat de omstandigheden waarin de hond bij [gedaagde] verbleef volgens haar niet goed waren voor de hond. Zij heeft het voortbestaan van een situatie waarin partijen samen voor de hond zorgden, dus zelf bemoeilijkt. Dat de hond overdag veel in een aula verbleef ( [gedaagde] is, of was toen in ieder geval, uitvaartondernemer) en dat hij bij [gedaagde] niet meer naar de jachthondentraining gaat, kan een eenzijdig stopzetten van de regeling niet rechtvaardigen. Tot slot is van belang dat [eiseres] niet heeft gesteld dat [gedaagde] de hond op dit moment niet goed verzorgd. Zij heeft slechts opgemerkt dat zij naar aanleiding van diverse berichten op facebook haar twijfels heeft gekregen, maar zij heeft niet duidelijk gemaakt waaraan zij dan twijfelt en waarom. Dat lag wel op haar weg, zeker nu [gedaagde] een verklaring heeft overgelegd die een deskundige op 28 november 2017 heeft opgesteld, waaruit kan worden opgemaakt dat het goed gaat met de hond en dat er tussen [gedaagde] en de hond een goede band bestaat. [eiseres] heeft hierop in haar conclusie van repliek niet gereageerd.

5.9.

Om de hiervoor genoemde redenen acht de voorzieningenrechter de kans dat de hond uiteindelijk aan [gedaagde] zal worden toegedeeld, groot. Als het de verwachting is dat een zaak in de bodemprocedure aan één van de deelgenoten zal worden toebedeeld, betekent dit in beginsel niet dat er in de tussentijd geen beheersregeling over die zaak kan worden vastgesteld. Het gaat hier echter niet om een zaak, maar om een hond. De voorzieningenrechter acht het niet in het belang van de hond om, voor de periode waarin de eigendom van de hond nog onverdeeld is, een beheersregeling vast te stellen. De hond verblijft inmiddels al meer dan een jaar alleen bij [gedaagde] . Je hoeft geen hondendeskundige te zijn om te kunnen bedenken dat het niet goed voor de hond zal zijn om nu gedurende een periode van een jaar alleen bij [eiseres] te verblijven, wat [eiseres] primair heeft gevorderd. Maar ook een beheersregeling waarbij de hond de ene maand of week bij [eiseres] verblijft en de andere bij [gedaagde] , is zeer waarschijnlijk niet in zijn belang. Er is geen reden om te betwijfelen dat [eiseres] de hond in het verleden veel zorg en liefde heeft gegeven en nu weer zal kunnen geven. Maar omdat het nu om twee verschillende huishoudens gaat, zal de hond te maken krijgen met verschillende routines en verschillende opvoedingsstijlen, zoals [gedaagde] heeft gesteld en [eiseres] niet heeft weersproken. Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn, maar dat is anders als er tussen partijen geen goed contact is. Hier bestaan er tussen partijen spanningen. Niet alleen zullen deze spanningen overleg over de hond bemoeilijken, de kans dat de hond onder deze spanningen zal lijden, is daarnaast groot. [eiseres] heeft zelf naar voren gebracht dat honden daarvoor gevoelig zijn en dat zij de hond voor de negatieve gevolgen daarvan heeft willen behoeden. Om deze reden heeft zij, zo heeft zij gesteld, gedurende een periode van bijna een jaar niet aangedrongen op contact met de hond. Dat er veel tijd is verstreken, speelt tot slot ook mee bij de beslissing om geen beheersregeling vast te stellen. De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiseres] door haar opstelling tot het najaar van 2016, zoals zij stelt, haar rechten met betrekking tot de hond niet heeft willen prijsgeven, maar deze opstelling heeft wel gevolgen voor de vraag of de hond weer door haar kan worden verzorgd. Niet uit te sluiten is namelijk dat de hond inmiddels van haar is vervreemd.

5.10.

Hoe invoelbaar de wens van [eiseres] om de hond weer bij zich te hebben ook is, haar belang moet gezien het voorgaande wijken voor dat van de hond. Dit betekent dat haar vordering om een beheersregeling vast te stellen zal worden afgewezen. Omdat de voorzieningenrechter aanneemt dat de vordering om te bepalen dat de medische kosten van de hond bij helfte moeten worden gedragen, in samenhang moet worden bezien met de vordering om een beheersregeling vast te stellen, zal ook deze vordering worden afgewezen.

5.11.

Omdat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, zullen de proceskosten tussen hen op de hierna te vermelden wijze worden gecompenseerd.

5.12.

Aangezien de vorderingen in reconventie zijn ingesteld onder de voorwaarde dat er een beheersregeling wordt vastgesteld en aan die voorwaarde niet is voldaan, komt de voorzieningenrechter aan een beoordeling van deze vorderingen niet toe.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

6.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat zij ieder de eigen kosten moeten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.1

1 Type: AFH Coll: RS