Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:729

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
16/16/653308-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Gedurende twee opeenvolgende dagen heeft de man een medewerker van een stichting voor GGZ en maatschappelijke opvang bedreigd. Hiermee heeft de verdachte op indringende en ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de medewerker. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Ook moet de man zich melden bij een reclasseringsinstelling en zich laten behandelen bij een forensische polikliniek. De rechtbank weegt ten nadele van de verdachte mee dat hij eerder wegens een geweldsdelict met de dood ten gevolg is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/16/653308-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1966] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres] [woonplaats] ,

gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HVB te Badhoevedorp

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.J. Lambers en van hetgeen verdachte en mr. R.J. Wortelboer, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 6 tot en met 7 november 2017 te Woerden [slachtoffer 1] en andere medewerkers van [instelling] met de dood, althans met zware mishandeling, heeft bedreigd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, met uitzondering van de zinsnede “en/of [naam] , jij gaat! + (kruisteken) zeker!”.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, nu er geen sprake is van een strafbare bedreiging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte deze uitlatingen heeft gedaan tijdens een woede-uitbarsting en dat de uitlatingen niet bedreigend zijn bedoeld. De uitlatingen betroffen enkel een onbeheerste uiting van woede en kunnen hierdoor bij [slachtoffer 1] en andere medewerkers van [instelling] niet de redelijke vrees hebben doen ontstaan dat zij daarbij het leven zouden kunnen verliezen of zwaar zouden kunnen worden mishandeld. De raadsman heeft daartoe gewezen op een arrest van het gerechtshof te Arnhem met nummer ECLI:NL:GHARN:2005:AS5050 en een arrest van het gerechtshof te Leeuwarden met nummerECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5142.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook andere medewerkers van [instelling] en/of andere onbekend gebleven personen heeft bedreigd, nu de in de brief jegens hen gedane uitingen op zichzelf geen strafbare bedreiging opleveren. De uitlatingen: “Dit is mijn toorn die jullie gaan beleven” en “Het liefst zou ik er een aantal van de [adres] naar de Ardennen rijden met de tandarts erbij. Wat zou u in uw broek plassen, schijten en stinken van angst. Ik rust niet voordat alles geregeld is. Al moet ik kapot dan maar” zijn geen bedreigingen met een in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemd misdrijf. De rechtbank zal verdachte daarom van dit gedeelte van het ten laste gelegde vrijspreken.

Bewijsmiddelen 1

Aangifte

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van bedreiging met de dood tussen 6 en 7 november 2017. Zij heeft het volgende verklaard:

Ik ben werkzaam bij [instelling] als gebiedsmanager Utrecht West. Het kantoor van [instelling] is gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] . Tussen vermelde tijdstippen ben ik indirect mondeling of schriftelijk met de dood bedreigd door [verdachte] .2

Gisteren, maandag 6 november 2017, heeft hij de bedreigingen ook geuit tegen een begeleidster van [instelling] . Deze begeleidster is genaamd [slachtoffer 2] . Hij zou toen hebben gezegd dat hij mij wel graag mee zou willen nemen naar de Ardennen. Hij zou dit doen om me daar te vernederen en daarna te willen vermoorden.

[verdachte] heeft ook tegen [slachtoffer 2] gezegd dat hij bij de [adres] een steen door de ruit zou gooien en dat hij mij daar op zou wachten. [verdachte] zou ook hebben gezegd dat bij mijn woonadres weet en dat hij mij thuis zou opzoeken.

Ook vanochtend 7 november heeft hij mij weer bedreigd. Deze bedreiging zijn gehoord

door onze slaapwacht. Deze slaapwacht is genaamd [slachtoffer 3] . Hij zou vanochtend

tegen [slachtoffer 3] hebben gezegd dat hij zichzelf van kant zou willen maken en dat hij

[slachtoffer 1] daarin mee zou nemen.

[verdachte] heeft ook diverse brieven geschreven. Het betreft vier brieven genaamd [getuige] 1 t/m [getuige] 4. [getuige] is de naam van een medewerker bij [instelling] . Deze vier brieven heeft [verdachte] gisteren in persoon aan [slachtoffer 2] gegeven.

Mijn vriend is vanmorgen van zijn werk gekomen om mij naar mijn auto te begeleiden zodat ik veilig naar mijn werk zou kunnen gaan naar de [adres] in [woonplaats] . In Woerden ben ik bij de Total pomp aan de Hollandbaan opgewacht door beveiliger [beveiliger] . Hij is nu bij me om me te begeleiden. Hij werkt als beveiliger voor [instelling] .

[verdachte] is een jongen met een detentieverleden. Ik schat in dat hij zijn uitlatingen ten uitvoer zal brengen. Ik ben momenteel erg bang.

Hij zegt ook gewoon tegen begeleiders dat als ze bij hem op deur kloppen dat hij niet voor zichzelf in kan staan. Ik weet van een begeleider dat hij een bijl in zijn woning heeft en dat hij deze steeds op andere plekken verbergt. Ook heeft hij messen in zijn woning. Ik weet van een begeleider dat hij een groot keukenmes op de afzuigkap heeft liggen.
Ik durf mij ook niet meer te laten zien op de [adres] .3

Op woensdag 08 november 2017 omstreeks 13.10 uur had ik verbalisant telefonisch contact met aangeefster [slachtoffer 1] . Zij vertelde mij dat abusievelijk in haar verklaring van de aangifte een verkeerde naam van een getuige staat vermeld. In haar verklaring heeft zij [slachtoffer 3] als getuige genoemd. De juiste naam van de getuige moet zijn [getuige] .4

Getuigen

Getuige [slachtoffer 2] heeft het volgende verklaard:

Ik ben werkzaam bij [instelling] als persoonlijk begeleider. Ik kom een keer in de week bij [verdachte] . Ik was afgelopen maandag 6 november 2017, omstreeks 15.00 uur, bij hem. Toen ik bij hem was ging het gesprek al snel over zijn frustraties.

[verdachte] geeft aan te fantaseren over hoe hij onder andere [slachtoffer 1] wat aan zou willen doen. Dat heeft hij maandag tegenover mij uitgesproken niet meer als fantasie te hebben maar om het daadwerkelijk te willen uitvoeren. Hij is bezig in een aanloop naar suïcide. Dit geeft hij ook als zodanig aan. Hij zegt dan: “Ik ben een pad aan het bewandelen”. Hij zegt dan dat het pad steeds korter wordt. In deze fantasie wil hij ook mensen meenemen tegen wie hij wraak koestert. Hij vertelde mij dat hij mensen waaronder ook [slachtoffer 1] mee wil nemen naar de Ardennen. Hij heeft ook tegen mij gezegd dat [slachtoffer 1] haar eigen graf moet graven, dat hij haar in de bosjes wil trekken en haar bang wil maken, zodat ze moet plassen en poepen. Hij wil dat ze optimale angst voelt. Daarna zou hij haar in elkaar willen slaan zodat ze niet meer terugkomt. Hij vroeg mij of ik de haat en woede in zijn ogen kon zien.5

[verdachte] heeft mij afgelopen maandag ook vier brieven meegegeven. Hij vroeg mij of ik deze wilde uitdelen op ons team. Hij vroeg of ik de brieven ook aan enkele mensen van het regiokantoor de [adres] in persoon wilde geven.

Ik weet dat hij voor zijn suïcide nog een soort van to-do list heeft. Ik zie dat hij nu toch een aantal dingen van deze lijst heeft gedaan. In zijn fantasie van de suïcide heeft hij mij verteld dat hij in ieder geval mensen mee wil nemen tegen wie hij wraak koestert. Hij heeft mij verteld dat zijn ideale fantasie is om te worden gedood door een politieagent.6

Getuige [slachtoffer 2] heeft telefonisch aanvullend het volgende verklaard:

“Maandag 6 november toen meende hij het wel, naar eigen zeggen. Dit nadat ik hem dat gevraagd had.”

De getuige heeft [slachtoffer 1] telefonisch in kennis gesteld. De volgende dag is zij met haar in gesprek gegaan over de situatie. De brieven heeft zij aan [slachtoffer 1] gegeven.7

Getuige [getuige] , werkzaam bij [instelling] , heeft het volgende verklaard:

Op dinsdag 7 november 2017 had ik avonddienst. Ik ben toen 3 keer gebeld door [verdachte] , die begeleid woont op het adres [adres] te [woonplaats] .

In het laatste gesprek maakte hij zich heel boos. Hij vindt dat hij niet goed geholpen wordt. Hierbij moet [slachtoffer 1] , de gebiedsmanager, het ontgelden.

Zij zou er “spijt” van krijgen. Hij wilde dat de politie langs zou komen. Hij zou dan wachten op die kakkerlakken. Ik hoorde hem zeggen dat hij dan eindelijk rust zou hebben. Ik hoorde hem zeggen dat hij [slachtoffer 1] mee zou nemen. Ik hoorde hem ook zeggen dat hij haar mee wilde nemen naar de Ardennen.8

Brieven

Een door verdachte ondertekende brief genoemd [getuige] 1:

“ [slachtoffer 1] (of zo)
door [A] ben ik meegegaan, anders had je nou achter de deur gehangen in de Koepel in Breda ofzo.”9

Verdachte

Verdachte is door de politie over de bedreigingen gehoord. Hij heeft bij de politie het volgende verklaard:
-dat [slachtoffer 2] zijn contactpersoon is;10

-dat zijn contactpersoon tegenover hem zat, dat hij er van alles uit heeft geflapt;

-dat hij brieven heeft geschreven zodat zij zijn angst heeft kunnen voelen;11

- dat hij [slachtoffer 1] een brief zal schrijven hoe het komt dat het uit zijn mond is gekomen en dat hij in het klein een sorry erbij zal zetten. Meer niet want dat heeft ze niet verdiend.12

Te bespreken verweer en standpunt

De raadsman heeft een verweer gevoerd met betrekking tot de brieven die in de woning van verdachte zouden zijn gevonden. Het door de raadsman gevoerde verweer behoeft geen bespreking, nu de in de woning aangetroffen brieven niet voor het bewijs zijn gebezigd. De voor het bewijs gebezigde brieven zijn door getuige [slachtoffer 2] op verzoek van verdachte aan aangeefster overhandigd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat geen sprake is van een strafbare bedreiging. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte aangeefster met de dood heeft bedreigd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen, de verklaring van verdachte en de door verdachte geschreven brieven.

Hieruit volgt dat verdachte al langere tijd wrok koesterde tegen aangeefster, de manager van zorginstelling GGZ [instelling] waar hij verbleef. Bij verdachte bestond de wens om suïcide te plegen en daarin aangeefster mee te nemen. Desgevraagd heeft hij verklaard dat deze plannen niet slechts fantasieën zijn, maar dat hij deze daadwerkelijk uit wil voeren. Hij zou daartoe een to-do list hebben gemaakt, waarvan hij al een aantal zaken had afgewerkt. Verdachte had onder meer het plan opgevat om aangeefster mee te nemen naar de Ardennen om haar aldaar te vernederen en nadien te vermoorden. Hij heeft zijn plannen op verschillende momenten aan verschillende medewerkers van [instelling] bekend gemaakt. Ook in brieven aan aangeefster -die verdachte naar eigen zeggen al veel eerder had geschreven- heeft hij het uitvoeren van het plan in de Ardennen benoemd.

Via de begeleiders van [instelling] is deze informatie bij aangeefster terecht gekomen.

Volgens aangeefster, die bekend is met mensen met psychische problematiek, is sprake van een sidderende haat bij verdachte jegens haar. Aangeefster was ervan op de hoogte dat verdachte in het verleden een dodelijk geweldsslachtoffer heeft gemaakt en dat hij een bijl en een vleesmes in huis verstopte. Verdachte was die periode al meerdere keren door de crisisdienst bezocht en had gedreigd ‘niet voor zichzelf in te staan’ als men bij hem op de deur klopte. Aangeefster was erg bang voor hem. Zij heeft zich daarom laten begeleiden naar haar werk en durft zich niet meer te laten zien op de [adres] .

Verdachte heeft bij de politie bevestigd dat hij wilde dat aangeefster angst zou voelen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van aangeefster, dat zij door de uitlatingen van verdachte bang was voor verdachte en dat zij daardoor niet meer alleen naar haar werk durfde te gaan, blijkt dat de woorden van verdachte wel degelijk tot een bedreigd gevoel bij haar hebben geleid. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging van dien aard is en onder zulke omstandigheden is gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op tijdstippen in de periode van 6 november 2017 tot en met 7 november 2017 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- zich tegen medewerkers van [instelling] uitgelaten over die [slachtoffer 1] met de woorden: “Ik maak mijzelf van kant en neem [slachtoffer 1] mee” en “Ook [slachtoffer 1] moet mee naar de Ardennen, ze moet haar eigen graf graven, ik wil haar in de bosjes trekken en bang maken zodat ze moet plassen en poepen, ze moet optimale angst voelen, daarna wil ik haar in elkaar slaan zodat ze niet meer terugkomt.” en

- brieven geschreven met daarin de dreigende tekst: “Anders had je nou achter de deur gehangen in de koepel in Breda”.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in het reclasseringsadvies.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. De verdediging heeft subsidiair verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zich kan vinden in de voorwaarden zoals door de reclassering voorgesteld, met uitzondering van de voorgestelde kortdurende klinische opname.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft de manager van [instelling] , een stichting voor GGZ en maatschappelijke opvang, onder wiens hoede hij begeleid woonde, gedurende twee opeenvolgende dagen ernstig bedreigd. Hij deed deze bedreigingen via zijn begeleiders.
Het was aangeefster bekend dat verdachte een bijl in zijn woning had, waarmee hij in die periode de inboedel kort en klein had geslagen. Ook had zijn begeleidster op de dag van de bedreiging gezien dat hij een groot vleesmes op de afzuigkap had liggen. Daarnaast heeft verdachte bedreigende brieven aan aangeefster geschreven. In deze brieven gaf hij onder meer aan dat hij haar mee zou nemen naar de Ardennen om haar te vermoorden, en dat hij alleen nog maar bezig was met de dood van zichzelf en van anderen. Verdachte deed de bedreigingen in een periode dat hij in verband met zijn psychische gesteldheid al meerdere keren door de crisisdienst was bezocht.

Verdachte heeft door zijn gedragingen op indringende en ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, haar belemmerd en haar angst aangejaagd. Verdachte heeft zijn bedreigingen gedaan via medewerkers van [instelling] , de GGZ instelling die hem begeleidde. Door deze bedreigingen te doen via deze medewerkers heeft dat ook gevoelens van angst en onveiligheid bij hen teweeg gebracht. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van de bedreigingen en de context waarin deze zijn gedaan, zoals dat tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 3 januari 2018;

- een reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Fivoor van 10 februari 2018, uitgebracht door J.W.N. Booij;

- een psychiatrisch rapport van 24 januari 2018, uitgebracht door J.C. Laheij;

- een psychologisch rapport van 1 februari 2018, uitgebracht door L. Vermeulen.

De rechtbank weegt ten nadele van verdachte mee hij eerder wegens een geweldsdelict met

de dood ten gevolg is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar. Dit heeft hem er

kennelijk niet van weerhouden opnieuw een gewelddadig feit te plegen.

Uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog volgt dat verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische trekken, een posttraumatische stoornis en stoornis in het gebruik van cannabis en opiaten.

Het rapport van de psychiater houdt verder het volgende in:

Er was bij verdachte al lange tijd onvrede over het management van de woonvoorziening. De spanningen liepen bij hem op naarmate hij zich niet voldoende gehoord of gezien voelde toen hij verschillende zaken signaleerde die in zijn beleving niet goed waren gegaan.
Hij ageerde vanuit zijn passief agressieve coping tegen autoriteit met het schrijven van brieven en probeerde op zijn manier de zaak aanhangig te maken. In deze periode had hij meer klachten van spanningen ten gevolge van slaapstoornissen maar ook door de innerlijke spanningen veroorzaakt door zijn onvrede. Door extra inname van medicatie verloor hij zijn zelfcontrole bij een reeds gebrekkige emotiehantering. Dit resulteerde in een impulsieve woede-uitbarsting met verbale dreigementen. Verdachte was zich daarbij ten dele bewust van zijn gedragingen en de impact daarvan.

Het rapport van de psycholoog houdt verder het volgende in:

De combinatie van stoornissen zorgt ervoor dat verdachte afhankelijk is van anderen, maar ook dat hij moeite heeft met het afhankelijk zijn van anderen. Dit zorgt voor conflicten binnen de behandelrelaties. Verdachte probeerde destijds zijn boosheid en ongenoegen over de gang van zaken binnen de organisatie voornamelijk te uiten door gesprekken aan te gaan met begeleiders, voornamelijk in de hoop en veronderstelling dat ze het met hem eens zouden zijn. Ook probeerde hij zijn ongenoegen te uiten via brieven. De brieven zijn een theatrale presentatie van zijn verongelijktheid en ongenoegen. De boosheid blijft lang hangen, kan niet goed gekanaliseerd worden, loopt daardoor ook op en zorgt voor toename van middelengebruik. Betrokkene raakt dan in een staat waarin hij geen overzicht meer heeft, waarin de wanhoop groter is dan de reden en probeert zijn boosheid te verlagen door anderen verbaal te vernederen en door zijn ongenoegen op te schrijven. Deze middelen zorgen echter voor een stagnatie van de boosheid. Betrokkene is zich wel bewust van het feit dat hij de grenzen van anderen overgaat. Hij kan zich op zo’n moment moeilijk inleven in een ander, voelt zich in zijn autonomie bedreigd en ging op zoek naar conflict. Verdachte heeft zich een manier aangeleerd om zijn ongenoegen te uiten die inadequaat is en bedreigend voor anderen.

De deskundigen adviseren het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De deskundigen hebben verder geconcludeerd dat het recidiverisico op een soortgelijk feit hoog is. Zij achten voor vermindering van het recidiverisico een plaatsing in een forensisch beschermde woonvorm, alsmede een ambulante behandeling nodig, die zich richt op de persoonlijkheidsstoornis en de verslavingsproblematiek van betrokkene. De reclassering acht het door de deskundigen voorgestelde traject van belang om gedragsverandering te bewerkstelligen en het recidiverisico te beperken. De reclassering heeft daartoe kort gezegd de volgende bijzondere voorwaarden geformuleerd: een meldplicht bij de reclassering, een behandelverplichting waarbij een kortdurende klinische opname tot de mogelijkheden behoort, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan urinecontroles en blaastesten, openheid van zaken geven en toestemming geven om referenten te raadplegen zoals hulpverleners/behandelaren.

De rechtbank volgt de conclusies en adviezen van de deskundigen en de reclassering en maakt deze tot de hare.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier gevorderde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de deskundigen en de reclassering, aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel verbinden.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde bedreigingen onder de bovenbeschreven omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, misdrijven opleveren die zijn gericht tegen/gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op voornoemde rapportages, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich bij GGZ Fivoor Reclassering, of een andere reclasseringsinstelling, zal melden, wanneer en zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal onthouden van het gebruik van drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich onder behandeling zal stellen van een forensische polikliniek, op de tijden en plaatsen als door of namens die kliniek aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt een kortdurende klinische opname (voor maximaal 7 weken) ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling aan verdachte zullen worden gegeven;

* zal verblijven in een instelling voor forensisch beschermd wonen, te weten Domus + Batelaar te Lunteren, of een soortgelijke instelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal houden aan de (het gedrag van de veroordeelde betreffende) voorwaarde dat hij

- openheid van zaken zal geven;

- toestemming zal geven om referenten te raadplegen zoals hulpverleners / behandelaren;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, mrs. R.L.M. van Opstal en E.M. de Stigter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 februari 2018.

Mr. Van Opstal is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2017 tot en met 7 november 2017 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

[slachtoffer 1] en/of (andere) medewerkers van [instelling] en/of onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- zich tegen medewerkers van [instelling] uitgelaten over die [slachtoffer 1] met de woorden: “Ik maak mijzelf van kant en neem [slachtoffer 1] mee” en/of “Ook [slachtoffer 1] moet mee naar de Ardennen, ze moet haar eigen graf graven, ik wil haar in de bosjes trekken en bang maken zodat ze moet plassen en poepen, ze moet optimale angst voelen, daarna wil ik haar in elkaar slaan zodat ze niet meer terugkomt” en/of

- brieven geschreven en/of getoond aan medewerkers van [instelling] met daarin de dreigende teksten: “Dit is mijn toorn die jullie gaan beleven” en/of “Anders had je nou achter de deur gehangen in de koepel in Breda” en/of [naam] , jij gaat! + (kruisteken) zeker!” en/of “Het liefst zou ik er een aantal van de [adres] naar de Ardennen rijden met de tandarts erbij. Wat zou u in uw broek plassen, schijten en stinken van angst. Ik rust niet voordat alles geregeld is. Al moet ik kapot dan maar”;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 17 november 2017, genummerd PL0900-2017338747, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 143. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 5

3 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 6

4 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 20

5 een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , p. 21

6 een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , p. 22

7 een proces-verbaal van bevindingen, p. 137

8 een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 26

9 een geschrift, inhoudende een brief aan [slachtoffer 1] , pagina 8-12

10 proces-verbaal van bevindingen, p. 109

11 proces-verbaal van bevindingen, p. 108

12 proces-verbaal van bevindingen, p. 112