Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:710

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
UTR 17/362
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Werknemer heeft hervat in niet-structureel werk. Eiseres heeft niet voor afloop van de wachttijd inzichtelijk gemaakt waarom er geen andere passende functies binnen haar organisatie beschikbaar waren. Het door haar in beroep overgelegde AD-rapport werpt geen ander licht op de zaak, want het bevat alleen een beschouwing van de al beschikbare dossierstukken. Verweerder heeft dus terecht geconcludeerd dat eiseres in spoor 1 onvoldoende inspanningen heeft verricht. Dat geldt ook voor spoor 2, omdat uit de dossierstukken niet blijkt of en in welke mate eiseres werknemer heeft laten begeleiden bij sollicitatieactiviteiten bij een andere werkgever. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/362

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.S. Nonnekes),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het tijdvak waarin de heer [derde-partij] (de werknemer) jegens eiseres als zijn werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken, tot 29 augustus 2017 (loonsanctie), en de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van werknemer daarom niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 19 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Derde-partij heeft verklaard aan het geding te willen deelnemen. Derde-partij heeft geen toestemming gegeven om stukken die medische gegevens bevatten aan de eiseres toe te zenden. De rechtbank heeft de medische stukken met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doen toekomen aan de door de werkgever ingeschakelde gemachtigde die advocaat is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] (hoofd personeelszaken) en drs. [B] (bestuurder) en door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Derde-partij is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat zij, nu de werknemer geen toestemming heeft gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan eiseres te verstrekken, de motivering van haar oordeel voor zover nodig zal beperken teneinde te voorkomen dat deze gegevens alsnog openbaar worden.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De werknemer is sinds 1 september 1984 in dienst bij eiseres als leraar basisonderwijs. Hij is op 26 oktober 2011 uitgevallen voor dit werk, vanwege medische klachten. Eiseres heeft destijds verzocht om verlenging van de loondoorbetaling. Bij besluit van 9 juli 2013 heeft verweerder de periode van loondoorbetaling verlengd tot 27 april 2014. Op 19 oktober 2013 is de werknemer – met BAPO (arbeidsurenvermindering) – hersteld gemeld voor het eigen werk. Op 1 september 2014 is de werknemer opnieuw uitgevallen voor zijn werk, vanwege medische klachten. Vanaf 1 oktober 2014 heeft de werknemer werkzaamheden verricht in aangepast werk. Het gaat om taken die behoren bij de functies van intern begeleider en remedial teacher. In de eindevaluatie heeft eiseres vermeld dat de werknemer 24 uur per week heeft hervat in werk, dat de aangepaste werkzaamheden niet structureel beschikbaar zijn binnen haar organisatie en dat terugkeer in de eigen functie niet mogelijk is. Op 31 mei 2016 heeft de werknemer een WIA-aanvraag ingediend. Vervolgens heeft verweerder de onder ‘procesverloop’ vermelde besluiten genomen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opgelegde loonsanctie gehandhaafd, omdat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht door de mogelijkheden in het eerste en het tweede spoor onvoldoende te onderzoeken of inzichtelijk te maken. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op arbeidskundige rapportages.

4. Voor werknemers die een aanvraag indienen voor een WIA-uitkering wordt voorafgaand aan de beoordeling van het recht op uitkering door verweerder eerst de zogenoemde Poortwachterstoets uitgevoerd. De grondslag voor deze toets is onder meer te vinden in de artikelen 7:658a en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA.

Artikel 25 van de Wet WIA heeft betrekking op de re-integratieverplichtingen van de werkgever. In het negende lid van dit artikel is, kort samengevat, bepaald dat verweerder het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt, voor zover hier van belang, dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

Verweerder heeft het kader dat wordt gehanteerd bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen uiteengezet in de ‘Beleidsregels beoordelingskader poortwachter’ (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (de Beleidsregels).

In de Beleidsregels staat het met de re-integratie bereikte resultaat voorop. Een bevredigend resultaat is voldoende. Er wordt dan geen loonsanctie opgelegd. Hiervan is in beginsel sprake wanneer de werknemer (gedeeltelijk) hervat heeft in structureel werk dat min of meer aansluit bij zijn resterende functionele mogelijkheden. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, maar worden de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende geacht dan wordt evenmin een loonsanctie opgelegd. Ten slotte wordt ook afgezien van het opleggen van een loonsanctie in het geval sprake is van onvoldoende inspanningen, mits de werkgever daar een deugdelijke grond voor heeft. Van de werkgever en de werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.

5. De rechtbank overweegt dat het besluit tot oplegging van een loonsanctie een ambtshalve genomen belastend besluit is, zodat het aan verweerder is om voldoende aannemelijk te maken dat eiseres zich zonder deugdelijke grond onvoldoende heeft ingespannen. De rechtbank verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717.

6. Eiseres voert aan dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 1 en dat de werknemer dit ook heeft bevestigd bij verweerder. Eiseres stelt dat verweerder niet heeft gemotiveerd welke mogelijkheden zij niet heeft onderzocht of welke herplaatsingskansen zijn gemist. Volgens eiseres blijkt uit het arbeidsdeskundig onderzoek van 4 juli 2013 en uit het rapport van [bedrijfsnaam 1] van 2 januari 2015 dat wel degelijk is onderzocht of er binnen de eigen organisatie functies aanwezig zijn die een duurzame werkhervattingsplek vormen. De bestaande functies waren echter niet passend of er waren geen vacatures. Ter zitting heeft eiseres dit standpunt verduidelijkt en nader toegelicht dat zij de werknemer desondanks taken heeft laten verrichten in kleine leerling-groepjes om hem op die manier aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Zij heeft ter zitting verder toegelicht dat deze taken een klein onderdeel uitmaakten van het totale takenpakket van de functies remedial teacher, intern begeleider of onderwijsassistent. De functies remedial teacher en intern begeleider waren niet passend voor de werknemer en bovendien kwamen geen van deze drie functies binnen de organisatie van eiseres niet voor. Eiseres had niet de mogelijkheid om dergelijke functies te creëren, waartoe zij volgens de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2535, ook niet verplicht was. Daarnaast betoogt eiseres dat zij geen reden had om te twijfelen aan de rapporten van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige van [bedrijfsnaam 1] en dat zij op deze rapporten mocht vertrouwen. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 juli 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1784. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres in beroep een arbeidskundige rapportage van [C] van 17 mei 2017 overgelegd.

7.1

De rechtbank stelt voorop dat de belastbaarheid van werknemer niet in geschil is. De rechtbank stelt op basis van de stukken en op basis van wat op de zitting is besproken vast dat eiseres en verweerder het erover eens zijn dat op voorhand duidelijk was dat de werknemer na afloop van de verplichte loondoorbetalingsperiode niet in het aangeboden werk bij eiseres kon blijven werken, zodat dit werk geen structureel karakter heeft. Daarmee is er dus geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de re-integratie-inspanningen van eiseres voldoende zijn geweest en of verweerder dus bevoegd was om een loonsanctie op te leggen. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of de arbeidsdeskundigen terecht hebben geconcludeerd dat eiseres onvoldoende aan re-integratie-inspanningen heeft gedaan in zowel spoor 1 als spoor 2.

7.2

De rechtbank overweegt dat uit bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:BL9850, volgt dat verweerder primair moet beoordelen of eiseres in de periode gedurende de wachttijd voldoende inspanningen heeft verricht om de werknemer te laten re-integreren. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat een werkgever in ieder geval vóór afloop van de wachttijd in een re-integratieverslag inzichtelijk maakt welke inspanningen hij heeft verricht. Deze inspanningen zijn door of namens eiseres in het re-integratieverslag of in de daarbij aangeleverde stukken, waaronder het rapport van [bedrijfsnaam 1] , onvoldoende inzichtelijk tot uitdrukking gebracht, zodat verweerder de inspanningen onvoldoende kon beoordelen vóór afloop van de wachttijd. Eiseres heeft te laat, namelijk voor het eerst op de zitting, aanvullend toegelicht waarom er geen andere passende functies voor de werknemer binnen alle locaties van haar organisatie beschikbaar waren of gecreëerd konden worden (bijvoorbeeld door herverdeling van taken). Het door eiseres in beroep overgelegde arbeidskundig rapport van [C] , werpt hierop geen ander licht. Het betreft uitsluitend een beschouwing van de reeds in het dossier aanwezige stukken. Voor zover eiseres betoogt dat zij er van uit mocht gaan dat het rapport van [bedrijfsnaam 1] voldoende was en zij geen reden had om daaraan te twijfelen kan haar dit niet baten, omdat zij zelf verantwoordelijk blijft voor de re-integratie en ook een inzichtelijke verslaglegging daarvan.

De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar, onder verwijzing naar het rapport van [C] , - subsidiaire - betoog dat de werknemer vanwege zijn blijvende medische beperkingen niet binnen de eigen organisatie kon worden herplaatst. [C] is immers geen medisch deskundige, zodat eiseres zich niet met succes op dit oordeel van [C] kan beroepen.

7.3

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder op basis van de door eiseres vóór afloop van de wachttijd aangeleverde informatie terecht heeft geconcludeerd dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 1, omdat de werknemer heeft hervat in werk dat niet structureel kon worden aangeboden en andere mogelijkheden onvoldoende inzichtelijk zijn onderzocht. De toetsingscriteria zijn overigens - in tegenstelling tot wat eiseres hierover ter zitting heeft aangevoerd - naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk opgenomen in de Beleidsregels. Daarin staat immers expliciet dat verweerder bij de beoordeling betrekt of de mogelijkheden tot een andere functie bij de eigen werkgever (zo nodig met aanpassingen) in voldoende mate zijn verkend. De beroepsgrond slaagt dus niet.

8. Eiseres voert verder aan dat zij de mogelijkheden in spoor 2 ook voldoende heeft onderzocht en zet uiteen wat zij zelf heeft gedaan om werknemer te re-integreren. Daarnaast betoogt eiseres dat verweerder uit de voortgangsrapportages van [bedrijfsnaam 2] , die zij in bezwaar heeft overgelegd, had kunnen afleiden welke mogelijkheden in spoor 2 zijn onderzocht.

9. De rechtbank is van oordeel dat de argumenten van verweerder over de tekortkomingen in spoor 2 te volgen zijn. Uit de stukken blijkt weliswaar dat de werknemer door [bedrijfsnaam 2] is begeleid bij het zoeken naar vacatures, maar hieruit blijkt niet dat de werknemer is gevraagd daadwerkelijk stappen op de arbeidsmarkt te zetten en in dit kader sollicitatieactiviteiten te verrichten, noch dat hij is begeleid bij de daadwerkelijke uitvoering van deze activiteiten. De door eiseres ter zitting genoemde afspraak tussen [bedrijfsnaam 2] en de werknemer, dat hij wekelijks zou solliciteren, is niet in de beschikbare rapportages vastgelegd, terwijl in deze rapportages ook geen sollicitatiebrieven of een verslaglegging over de sollicitaties of sollicitatiepogingen zijn opgenomen. Uit de rapportages blijkt dus niet of, en in welke mate, daadwerkelijk sollicitatieactiviteiten zijn verricht en in hoeverre de werknemer daarbij is begeleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom mogen concluderen dat er re-integratiemogelijkheden onbenut zijn gebleven door in het tweede spoor vooral te concentreren op herstelbevordering en onvoldoende concreet op het vinden van werk bij een andere werkgever. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

10. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er geen omstandigheden zijn gebleken die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om af te zien van het opleggen van een loonsanctie. Verweerder heeft dan ook terecht een loonsanctie opgelegd, omdat eiseres zonder dat deugdelijke grond niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Nu het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. de Vaan, voorzitter, en mr. S. Wijna en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.