Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6935

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
UTR 17/1002
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2020:1033
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wajong; weigering medewerking te verlenen aan een deskundigenonderzoek (8:31 Awb) omdat onvoldoende is onderbouwd dat het onderzoek schadelijk is voor de psychische gezondheid; ongegrond want geen arbeidsvermogen maar niet duurzaam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/1002

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E. Büter).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) toe te kennen.

Bij besluit van 31 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door haar ouders. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. K. Bolier.

Na de behandeling van het beroep ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend voor het instellen van een medisch onderzoek. Partijen hebben hun zienswijze met betrekking tot deze beslissing naar voren gebracht.

Bij brieven van 17 oktober 2017 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat zij een psychiater van DC Expertise Centrum te Amsterdam zal aanwijzen om een onderzoek te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank tevens aangegeven dat eiseres verplicht is om aan het deskundigenonderzoek mee te werken en dat, als zij niet aan die verplichting voldoet, de rechtbank daaraan gevolgen kan verbinden.

Bij brief van 20 oktober 2017 heeft gemachtigde van eiseres gemotiveerd bericht dat eiseres niet kan meewerken aan een onderzoek door een andere deskundige dan psycholoog

[A] .

Eiseres heeft op 26 februari 2018 ter nadere onderbouwing van haar gronden nog een brief ingediend.

Nadat eiseres heeft aangegeven mondeling gehoord te willen worden, heeft de rechtbank in een nadere zitting op 15 maart 2018 het onderzoek voortgezet. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door haar moeder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is geboren op [1997] . Op [2015] is zij 18 jaar geworden. Op 7 december 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Verweerder heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek verricht. Op grond van dit onderzoek concludeert verweerder dat bij eiseres geen sprake is van arbeidsvermogen, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Vervolgens heeft verweerder de onder ‘Procesverloop’ beschreven besluiten genomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt gehandhaafd dat eiseres op de datum in geding niet beschikt over arbeidsvermogen, maar dat eiseres wel arbeidsvermogen kan ontwikkelen en derhalve geen sprake is van het duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een Wajong-uitkering.

3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en dat sprake is van een onvoldoende gemotiveerd besluit. Verweerder stelt volgens eiseres dat als zij een structurerende behandeling zal ondergaan, een verbetering van de functionele mogelijkheden niet is uitgesloten en dat haar basale werknemersvaardigheden zullen toenemen. Eiseres meent dat de medische grondslag hiervoor ontbreekt. Zij voert ter onderbouwing hiervan aan dat geen sprake is van een positieve ontwikkeling op de dagbesteding. Ook merkt zij op dat behandeling van haar problematiek niet mogelijk is. Eiseres stelt dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Tijdens de terechtzitting van 10 juli 2017 heeft de moeder van eiseres nog toegelicht dat eiseres kampt met ernstige problematiek in de vorm van gedragsproblemen. Eiseres kan niet zonder adequate begeleiding en speelt haar begeleiding uit als deze onvoldoende capabel is. Ze betwist dat nog behandeling mogelijk is. Er bestaat geen passende behandeling. De dagbesteding is geen behandeling en niet representatief voor wat eiseres reeds kan of kan leren.

4. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast, dat de Wajong 2015 van toepassing is, omdat eiseres haar aanvraag heeft gedaan na inwerkingtreding van de Wajong 2015. Voorts is niet in geschil dat bij eiseres op de datum hier in geding werknemersvaardigheden ontbreken.

5. De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de medische onderbouwing door verweerder van de leerbaarheid en ontwikkelingsmogelijkheden van eiseres.

6. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens, de beroepsgronden van eiseres en hetgeen tijdens de zitting van 10 juli 2017 is besproken, aanleiding gezien een psychiater van DC Expertise Centrum als deskundige te benoemen om haar van advies te dienen over de vraag of eiseres in staat moet worden geacht om arbeidsvermogen te ontwikkelen.

7. In artikel 8:30 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat partijen verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek door een deskundige. In artikel 8:31 van de Awb is bepaald dat, indien een partij niet voldoet aan de verplichting om mee te werken aan een deskundigenonderzoek, de rechtbank daar gevolgen aan kan verbinden.

8. Bij brief van 17 oktober 2017 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres er op gewezen dat eiseres verplicht is mee te werken aan het deskundigenonderzoek en dat wanneer eiseres niet aan die verplichting voldoet, de rechtbank daaraan gevolgen kan verbinden.

9. De rechtbank oordeelt dat eiseres, door reeds op voorhand aan te kondigen dat zij niet kan meewerken en, naar de rechtbank begrijpt, niet zal meewerken aan een onderzoek door een andere deskundige dan behandelend psycholoog [A] , niet voldoet aan de op grond van artikel 8:30 Awb voor haar geldende verplichting. In de fax van 1 september 2017 en de brief van 20 oktober 2017 en ook bij de bespreking ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres voornamelijk gesteld dat de precaire situatie van eiseres alleen een onderzoek door haar behandelend psycholoog [A] toelaat. Een onderzoek door een ander dan [A] zal negatieve (schadelijke) effecten hebben op de psychische gezondheidstoestand van eiseres, omdat uit ervaring is gebleken dat een onderzoek door een voor eiseres onbekende voor haar te belastend is. In deze argumenten ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de gevolgen van het niet voldoen aan de wettelijke plicht mee te werken aan een deskundigenonderzoek, niet voor rekening van eiseres behoren te komen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de van de zijde van eiseres gestelde schadelijkheid voor haar psychische gezondheid niet is onderbouwd. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat mag worden uitgegaan van de expertise en deskundigheid van de psychiater van DC Expertise Centrum, die het onderzoek zal verrichten. Daarbij is voldoende aannemelijk dat ook deze specialist de door gemachtigde van eiseres aangevoerde zorgen adequaat en professioneel zal meenemen in de aanpak van het te verrichten onderzoek. Voor zover de rechtbank al een ander oordeel zou hebben gehad, is een onderzoek door psycholoog [A] zoals eiseres dat voorstaat geen onderzoek door een arts en daarbij gelet op de behandelrelatie met eiseres geen onafhankelijk onderzoek en derhalve niet passend. Tenslotte is de rechtbank ambtshalve bekend dat [A] in het register van GZ-psychologen staat ingeschreven met de vermelding: “Bij de inschrijving in het register van GZ-psychologen is per 22 maart 2016 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: afgifte van een onjuiste verklaring of rapport”.

10. De rechtbank concludeert dat onvoldoende is gebleken dat eiseres niet gehouden kan worden aan de ingevolge artikel 8:30 van de Awb voor haar geldende verplichting.

Met toepassing van artikel 8:31 van de Awb, maakt de rechtbank daaruit de gevolgtrekking dat de twijfel over de door verweerder vastgestelde (medische) beperkingen niet in het voordeel van eiseres wordt uitgelegd.

11. De rechtbank houdt het er voor dat verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft kunnen concluderen dat eiseres op de datum in geding niet beschikt over arbeidsvermogen maar dat zij in staat kan worden geacht wel arbeidsvermogen te kunnen ontwikkelen en dat zij dus niet voldoet aan de voorwaarde dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. In dit oordeel ligt besloten dat aan de beroepsgronden van eiseres met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit, niet de betekenis kan worden toegekend die eiseres daaraan hecht.

12. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geweigerd eiseres een
Wajong-uitkering toe te kennen.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in `t Veld, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.A. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.