Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:688

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
C/16/441459 / HA ZA 17-537 en C/16/441322 / HA ZA 17-524
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens handelen in strijd met de statuten. Aansprakelijkheid wegens onbevoegde vertegenwoordiging. Beeindigen managementovereenkomst. Contractuele boete niet verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis in gevoegde zaken van 21 februari 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/441459 / HA ZA 17-537 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. M. Vissers te Utrecht,

eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers c.s.] genoemd worden

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. K.S. Loilargosain te 's-Gravenhage,

gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden c.s.] genoemd worden

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/16/441322 / HA ZA 17-524 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers,

advocaat mr. K.S. Loilargosain te 's-Gravenhage,

eisers zullen hierna gezamenlijk [gedaagden c.s.] . genoemd worden

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 2] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M. Vissers te Utrecht .

gedaagden zullen hierna gezamenlijk [eisers c.s.] genoemd worden

1 De procedure in de zaak 17-537

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 november 2017;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2018;

- de akte met eiswijziging van [eisers c.s.] van 24 januari 2018;

- de akte van [gedaagden c.s.] , ingekomen op de griffie op 1 februari 2018, waarin [gedaagden c.s.] bezwaar maakt tegen de eiswijziging.

1.2.

[eisers c.s.] is op de comparitie, met instemming van [gedaagden c.s.] , de gelegenheid geboden haar vordering tot betaling op grond van de managementovereenkomst te wijzigen zodat de eiswijziging tot zover is toegestaan. De wijziging van de grondslag waarop de vordering tot overdracht van de aandelen is gebaseerd, is in strijd met de goede procesorde nu hiervoor geen toestemming is verleend en [gedaagden c.s.] hierover niet is gehoord. De wijziging van de vorderingen over de (ver)nietig(baar)heid van het aandeelhoudersbesluit is toegestaan, omdat deze vorderingen worden afgewezen, zoals hierna blijkt, en [gedaagden c.s.] hierdoor dus niet is benadeeld.

1.3.

Ten slotte is op de comparitie vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 17-524

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 november 2017;

- de akte vermeerdering van eis van [gedaagden c.s.] ., ingekomen op de griffie op 23 december 2017;

- de akte van [eisers c.s.] , ingekomen op de griffie op 8 januari 2018;

- de brief van [gedaagden c.s.] met een productie, ingekomen op de griffie op 9 januari 2018;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2018.

De na het tussenvonnis ingekomen stukken maken onderdeel uit van het procesdossier.

2.2.

Ten slotte is op de comparitie vonnis bepaald.

3 De feiten in beide zaken

3.1.

Enkele producties, waaruit in de hieronder opgenomen feiten wordt geciteerd, zijn niet in beide zaken ingebracht. Dit staat bij het desbetreffende feit tussen haakjes vermeld.

3.2.

[gedaagde sub 3] (verder: [gedaagde sub 3] ) is de moedervennootschap van [gedaagde sub 2] (verder: [gedaagde sub 2] ) en [gedaagde sub 3] De heer [A] (verder: [A] ) is via zijn vennootschap [bedrijf 4] B.V. bestuurder van [gedaagde sub 3] .

3.3.

[gedaagde sub 3] detacheert (via haar dochtervennootschappen) personeel en leidt het te detacheren personeel op. Op 13 november 2014 heeft [gedaagde sub 3] met [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) een overeenkomst gesloten op grond waarvan het te detacheren personeel tegen betaling toegang kreeg tot digitale opleidingen via een digitaal platform van [bedrijf 1] .

3.4.

Op 21 november 2014 is [gedaagde sub 2] opgericht om - samengevat - personeel te detacheren en te adviseren op het gebied van informatietechnologie. In de akte van oprichting van [gedaagde sub 2] staat dat voor investeringen vanaf € 25.000,- vooraf de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders (verder: AVA) nodig is.

3.5.

De heer [eiser sub 3] (verder: [eiser sub 3] ) is op 21 november 2014 via zijn vennootschappen [eiser sub 2] en [eiser sub 1] benoemd als bestuurder van [gedaagde sub 2] . Op dezelfde datum heeft [eiser sub 3] in privé en als bestuurder van zijn voornoemde twee vennootschappen en van [gedaagde sub 2] een overeenkomst gesloten met [gedaagde sub 3] genaamd “ [managementovereenkomst] ” (verder: managementovereenkomst). In deze overeenkomst staat dat de bestuurder van [gedaagde sub 2] een vergoeding ontvangt voor zijn diensten van € 7.000,- exclusief omzetbelasting per maand. Ook staat erin dat de bestuurder van [gedaagde sub 2] vooraf goedkeuring vraagt aan de AVA voor de rechtshandelingen waarvan de aandeelhouders hebben bepaald dat dat nodig is. Op 21 november 2014 hebben onder meer [eiser sub 3] , [gedaagde sub 3] en [A] een aandeelhoudersovereenkomst getekend waarin staat dat investeringen boven de € 25.000,- voorafgaande goedkeuring nodig hebben van de AVA. Verder bevat de managementovereenkomst de verplichting om de aandeelhouders per kwartaal te informeren, onder meer over voorgenomen investeringen.
In de managementovereenkomst is een geheimhoudings- en een relatiebeding opgenomen, bij overtreding waarvan een boete van € 50.000,- wordt verbeurd.
Tot slot staat in de managementovereenkomst dat partijen de overeenkomst te allen tijde kunnen opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Zowel in de managementovereenkomst als in de aandeelhoudersovereenkomst staat dat [eiser sub 1] verplicht is de aandelen in [gedaagde sub 2] aan te bieden aan de overige aandeelhouders indien de managementovereenkomst eindigt.

3.6.

Op 27 september 2015 heeft [bedrijf 1] aan [eiser sub 3] per e-mail een document met daarin een businessplan voor samenwerking gezonden, genaamd “ FTE Academy Business Plan”. Het plan houdt samengevat in zogenaamde Tmap opleidingen online te verkopen via het platform van [bedrijf 1] . In het plan staat onder meer een investering opgenomen van € 30.000,- voor aankoop van het e-learning platform en € 30.000,- voor ondersteuning daarvan gedurende zes maanden. Op 24 november 2015 heeft [eiser sub 3] dit document doorgezonden aan [A] . Op 30 november 2015 heeft [A] aan [eiser sub 3] gemaild:

Ik heb het bekeken. Idee is goed, maar ik zou het nog verder uitgewerkt willen zien. Volgens mij vergeten we namelijk nog 1 belangrijke: de effort die er in gaat zitten om de inkomsten te genereren, die zie ik namelijk nergens terug.”

3.7.

Op 21 januari 2016 heeft [bedrijf 1] aan [eiser sub 3] per e-mail onder meer het volgende bericht (deze productie zit niet in zaak 17-537):

Fijn om gisteren bij te praten over de status van de (ver)koop en te gaan starten met de implementatie van de software. […] Op basis van de aantekeningen en ons gesprek heb ik gepoogd om een beknopt overzicht op de stellen van wat we in de kern hebben afgesproken.

Wil je mij laten weten of onderstaande tekst akkoord is, al dan niet voorzien van aanvullingen? […]

  1. [bedrijf 1] verkoopt één exemplaar van haar [bedrijf 1] aan [gedaagde sub 2]

  2. De voorgaande overeenkomst met [gedaagde sub 2] inzake een opleidingen abonnement komt hiermee te vervallen. Over 2015 volgen geen facturen meer door [bedrijf 1] inzake dit abonnement. […]

7. De aankoopprijs is € 60.000 exclusief BTW. […]”

[eiser sub 3] heeft deze onderdelen van de tekst ongewijzigd teruggezonden met als begeleidende tekst “Voila. Zie onderstaand.”

3.8.

Op 25 februari 2016 heeft [bedrijf 1] per e-mail onder meer het volgende aan [eiser sub 3] bericht (deze productie zit niet in zaak 17-537):

”Naar aanleiding van ons gesprek verduidelijk ik graag de onderstaande zaken.

Software Platform

Voor € 27.500,= excl. BTW wordt het platform eigendom van [gedaagden c.s.] op basis van de voorwaarden in de conceptovereenkomst van 3 februari 2016 en in combinatie met de aanvullende dienstverlening voor het leveren en ontwikkelen van opleidingen.

Productie- en levering van opleidingen

Voor € 27.500,= excl. BTW levert [bedrijf 1] deze opleidingen mee:” […]

Daarop heeft [eiser sub 3] op 29 februari 2016 aan [bedrijf 1] gemaild (deze productie zit niet in zaak 17-537): “ Wat mij betreft prima zo. […]”

3.9.

Op 4 maart 2016 heeft [eiser sub 3] aan [bedrijf 1] gevraagd de eerste factuur op naam van [gedaagde sub 3] te zetten. Op 4 maart 2016 heeft [bedrijf 1] € 27.500,- exclusief BTW gefactureerd aan [gedaagde sub 3] met als omschrijving “Object Code Only-overeenkomst”. De factuur is gericht aan [eiser sub 3] en heeft als kenmerk OLF-5.

3.10.

Op 9 maart 2016 heeft [bedrijf 1] een concept licentieovereenkomst voor het gebruik van het platform aan [eiser sub 3] gezonden genaamd “Object Code Only”. [eiser sub 3] heeft dit concept op 10 maart 2016 in een e-mail (deze productie zit niet in zaak 17-524) aan [A] doorgezonden met als onderwerp “Overeenkomst [bedrijf 1] (concept)”.

3.11.

Op 10 maart 2016 heeft [eiser sub 3] aan [A] een door [eiser sub 3] opgestelde conceptovereenkomst met het bedrijf [bedrijf 2] gezonden. [bedrijf 2] kon de Tmap opleiding van een ander bedrijf, genaamd [bedrijf 3] , digitaliseren. Dit was nodig om deze opleiding digitaal via het platform te kunnen aanbieden. [A] heeft in een e-mail van 11 maart 2016 onder meer de volgende opmerkingen bij het concept van deze overeenkomst geplaatst (deze productie zit niet in zaak 17-537):

“- zoals ik nu lees is alles 50/50 incl NL

- zoals ik nu lees doen wij alle investeringen […] Dat UK stuk zou volgens mij een

combi deal zijn

- - onze investering van 60K wordt omgeruild tegen de verwachte inkomsten 50% dus

- - ik zie niets terug van de wijze waarop we onze investering terugverdienen (eerste x

opleidingen) […]

Afijn, dit doc is mij te onduidelijk allemaal om maandag aan de slag te gaan hiermee. Prima als ze dit willen doen, maar dan voor eigen rekening en risico” […]

3.12.

Op 17 maart 2016 heeft [A] aan [eiser sub 3] een overzicht gezonden van een businessplan. De partijen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] maken onderdeel uit van dit plan evenals de afspraak dat met de opbrengsten eerst de investeringen worden terugbetaald.

3.13.

Op 4 april 2016 heeft [bedrijf 1] aan [gedaagde sub 3] een factuur gezonden van € 10.000,- exclusief BTW met onder meer de volgende omschrijving: “Productie TMap NEXT engineer NL […] Workshop testlearning.nl, Projectwerkzaamheden”. De factuur is gericht aan [eiser sub 3] en heeft als kenmerk OLF-6.

3.14.

Op 5 april 2016 heeft [bedrijf 1] aan [gedaagde sub 3] een factuur gezonden van € 5.000,- exclusief BTW. De factuur is gericht aan [eiser sub 3] . [eiser sub 3] heeft deze factuur voor akkoord doorgezonden aan [A] , waarna de factuur is betaald. Op de factuur staat de volgende omschrijving:

“ -Productie Wft opleidingen

-Pre-productie TMAP TPI opleiding

-Projectwerkzaamheden

3.15.

Op 3 mei 2016 heeft [bedrijf 1] onder meer aan [eiser sub 3] gemaild (deze productie zit niet in zaak 17-537):

Hierbij bevestig ik de afspraken die we vandaag telefonisch maakten:

  • -

    Ik ontvang vanmiddag de schermprint waaruit betaling op de [bedrijf 1] rekening […] blijkt. Ondanks onze afspraak is dit bedrag tot op heden niet bijgeschreven.

  • -

    Bijgaand tref je de factuur over mei 2016 aan

  • -

    Bijgaand tref je de vervallen posten aan die binnen 2 weken voldaan moeten worden zoals aangegeven.”

3.16.

[eiser sub 3] heeft vervolgens op briefpapier van [bedrijf 1] een creditfactuur nagemaakt en gedateerd op 12 mei 2016 voor de factuur OLF-5 van € 27.500,- exclusief BTW en voor de factuur OLF-6 van € 10.000,- exclusief BTW. Ook heeft [eiser sub 3] sms-berichten nagemaakt over storingen bij banken waardoor niet kon worden betaald en die doorgezonden aan [bedrijf 1] .

3.17.

Op 17 mei 2016 heeft [eiser sub 3] onder meer aan [bedrijf 1] gemaild dat er nog geen overeenkomst was getekend, dat er nog derden nodig waren voor het sluitend maken van de businesscase en dat de facturen met kenmerken OLF-5, 6 en 10 niet betaald werden.

3.18.

In een brief van 20 mei 2016 heeft de advocaat van [bedrijf 1] [gedaagde sub 3] aansprakelijk gesteld (deze productie zit niet in zaak 17-537). [eiser sub 3] heeft [A] hiervan op de hoogte gebracht.

3.19.

Op 21 juni 2016 heeft een Algemene Vergadering van Aandeelhouders van [gedaagde sub 2] plaatsgevonden. In de notulen van de vergadering is onder meer het volgende vermeld:

Na stemming wordt […] het vertrouwen opgezegd en wordt besloten tot ontslag van

bestuurder [eiser sub 3] ( [eiser sub 1] ) door [gedaagde sub 2] […]

  • -

    [eiser sub 3] treedt weer toe tot de AVA

  • -

    Met [eiser sub 3] wordt het besluit van de aandeelhouders besproken. De volgende stappen worden in overleg afgesproken:

  • -

    [eiser sub 3] dient zijn ontslagbrief in op 22/6/2016 en eindigt per 1/7/2016 de samenwerking,

  • -

    [eiser sub 3] ziet af van alle rechten die nog kunnen voortvloeien uit de managementovereenkomst na de periode van 1/7, zoals opzegtermijn etc.”

3.20.

Op 22 juni 2016 heeft [eiser sub 3] in een brief aan [gedaagde sub 3] onder meer het volgende geschreven:

Naar aanleiding van ons gesprek van gisteren, wil ik u het volgende laten weten.

Met ingang van 1 juli 2016 zal ik mijn werkzaamheden als unitmanager [gedaagde sub 2] neerleggen en derhalve de managementovereenkomst beëindigen.”

In de begeleidende mail van 22 juni 2016 waarmee [eiser sub 3] deze brief aan [A] heeft gemaild staat onder meer het volgende:

“Zoals gisteren afgesproken stuur ik je hierbij mijn beëindigingsbrief per 1 juli 2016. Voor wat het waard is wil ik nogmaals benadrukken dat het mij enorm spijt dat het zover is gekomen.”

3.21.

In een brief van 23 juni 2016 heeft [A] namens [gedaagde sub 3] het volgende aan [eiser sub 3] en [eiser sub 1] bericht:

Naar aanleiding van ons besluit in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders [gedaagde sub 2] (AVA), van 21 juni 2016, bevestig ik hiermee per direct de beëindiging van de samenwerking tussen [eiser sub 1] en de heer [eiser sub 3] (hierna: [eiser sub 3] ) en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] anderzijds. Alle rechten van [eiser sub 1] voortvloeiend uit de onderliggende managementovereenkomst tussen Partijen komen daarbij van rechtswege per direct te vervallen.

De redenen van de directe beëindiging van de samenwerking zijn door Partijen besproken, uiteengezet en vastgesteld in de bijgaande notulen. Daarnaast kwamen wij de volgende voorwaarden overeen ter afwikkeling van de samenwerking:

- [eiser sub 1] en haar bestuurder(s) ziet met ingang van heden af van al haar rechten

voortvloeiend uit de managementovereenkomst, (waaronder maar niet uitsluitend

eventueel resterende vergoedingen voor werkzaamheden en beroep op opzegtermijn) […]

3.22.

[eiser sub 3] heeft op 23 juni 2016 de in 3.21. genoemde brief getekend “voor akkoord”. Ook de in 3.19. genoemde notulen heeft [eiser sub 3] op 23 juni 2016 ondertekend.

3.23.

Op 12 juli 2016 heeft [eiser sub 1] haar aandelen in [gedaagde sub 2] overgedragen aan [gedaagde sub 2] .

3.24.

[bedrijf 1] is een bodemprocedure gestart tegen [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en heeft daarin nakoming gevorderd van de afspraken gemaakt in de mails van 21 januari 2016 (3.7.) en van 29 februari 2016 (3.8.). Daarnaast heeft [bedrijf 1] conservatoir beslag gelegd ten laste van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] .

3.25.

[gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] zijn op 7 juni 2016 overeengekomen dat [gedaagden c.s.] “in ieder geval” het platform van [bedrijf 1] koopt voor € 27.500,- exclusief BTW. Daarvan heeft [gedaagde sub 3] € 20.000,- exclusief BTW betaald, [gedaagde sub 2] € 2.500,- exclusief BTW betaald en [gedaagde sub 3] € 5.000,- exclusief BTW betaald. Daarnaast zijn [gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] op 24 november 2016 overeengekomen de rechtszaak te schikken en te beëindigen tegen betaling van € 18.750,- exclusief BTW. [gedaagde sub 3] heeft dit bedrag aan [bedrijf 1] betaald.

3.26.

In een verklaring van 22 december 2017 van de heer [B] , eigenaar van [bedrijf 2] , is het volgende vermeld:

Omdat ik met [bedrijf 3] was overeengekomen dat de opleidingen in de zomer van 2016 live moesten gaan, was het voor mij belangrijk dat de portal ook tijdig zou worden ingericht. Toen ik van [A] [Rechtbank: [A] ] hoorde dat hij de tijdige oplevering niet kon garanderen, omdat er met [bedrijf 1] onenigheid was over de investering van [gedaagden c.s.] in [bedrijf 1] en er een rechtszaak werd aangespannen door [bedrijf 1] , heb ik contact gezocht met een andere partij, die voor mij uiteindelijk het platform voor de online opleidingen heeft ontwikkeld.”

4 Het geschil

in de zaak 17-537

4.1.

[eisers c.s.] vordert na eiswijziging - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Voor recht te verklaren dat het aandeelhoudersbesluit tot ontslag van [eiser sub 1] als statutair bestuurder nietig is, althans vernietigbaar is en dit besluit te vernietigen en voor recht te verklaren dat de managementovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd door [gedaagde sub 3] , althans door [eisers c.s.] , althans de opzegging van [eiser sub 1] te vernietigen;

  2. [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen de managementvergoeding van € 7.000,- over de maanden juni 2016 tot en met juni 2017 aan [eiser sub 1] te betalen binnen twee dagen na betekening van het vonnis, te vermeerderen met de BTW en met de wettelijke handelsrente vanaf 21 juni 2016;

  3. Voor recht te verklaren dat de aandelenoverdracht van [gedaagde sub 2] op 12 juli 2016 zonder recht of titel is geschied en [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde sub 2] te veroordelen op haar kosten mee te werken aan overdracht van deze aandelen aan [eiser sub 1] ;

  4. [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

[eisers c.s.] vordert nakoming van de betalingsverplichting uit de managementovereenkomst en stelt daartoe het volgende. Het aandeelhoudersbesluit van 21 juni 2016 waarin is besloten [eisers c.s.] te ontslaan als bestuurder is nietig of vernietigbaar want het besluit is in strijd met de wet tot stand gekomen. De beëindiging van de managementovereenkomst is gebaseerd op dit besluit en daarom ook niet rechtsgeldig. [eisers c.s.] heeft niet ingestemd met beëindiging van de managementovereenkomst omdat de wil daartoe ontbrak. [eisers c.s.] heeft zich niet kunnen voorbereiden op het ontslag en geen advies van een jurist kunnen inwinnen omdat zij niet wist dat ontslag een agendapunt was op de aandeelhoudersvergadering.
Verder is de aandelenoverdracht niet rechtsgeldig omdat [eiser sub 1] niet verplicht was de aandelen over te dragen en omdat [eiser sub 1] nooit in gebreke is gesteld. Tot slot hebben [bedrijf 4] en [bedrijf 4] B.V. als schuldeisers van [eiser sub 3] ten onrechte een schuld verrekend met de managementvergoeding van [eiser sub 1] over de maand juni 2016.

4.3.

[gedaagden c.s.] voert verweer met de conclusie de vorderingen van [eisers c.s.] af te wijzen en [eisers c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten met nakosten. [gedaagden c.s.] betwist dat het aandeelhoudersbesluit van 21 juni 2016 nietig is. [gedaagden c.s.] stelt dat het besluit vernietigbaar was, maar met een nieuw aandeelhoudersbesluit van 13 maart 2017 is bevestigd en daarmee onaantastbaar is geworden.

Verder stelt [gedaagden c.s.] dat [eisers c.s.] heeft ingestemd met beëindiging van de managementovereenkomst, althans zelf de managementovereenkomst heeft opgezegd.

[gedaagden c.s.] betwist dat [eisers c.s.] zich onvoldoende kon voorbereiden voordat zij instemde met de beëindiging. Voor het geval [eisers c.s.] een beroep doet op 3:33 of 3:34 BW, doet [gedaagden c.s.] een beroep op 3:35 BW. Tot slot betwist [gedaagden c.s.] dat de aandelenoverdracht niet rechtsgeldig was en dat een ingebrekestelling was vereist.

in de zaak 17-524

4.4.

[gedaagden c.s.] vordert samengevat, na vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Voor recht te verklaren dat [eisers c.s.] in strijd heeft gehandeld met artikel 2:9 jo 2:11 BW jegens [gedaagde sub 2] en daardoor hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [gedaagde sub 2] geleden schade;

  2. Voor recht te verklaren dat [eisers c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde sub 3] en daardoor hoofdelijk aansprakelijk is voor de door hen geleden schade;

  3. [eisers c.s.] hoofdelijk te veroordelen om:

3.1

aan [gedaagde sub 2] te voldoen een bedrag van € 45.175,- exclusief BTW als schadevergoeding en een bedrag van € 100.000,- als boete, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover vanaf de respectievelijke data van betaling van de daarvan onderdeel uitmakende deelbedragen;

3.2

aan [gedaagde sub 3] te voldoen een bedrag van € 20.000,- exclusief BTW als schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juni 2016;

3.3

aan [gedaagde sub 3] te voldoen een bedrag van € 102.590,45, of € 36.262,95 als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de voor zover van toepassing respectievelijke data van betaling van de daarvan onderdeel uitmakende deelbedragen;

4. [eisers c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten met nakosten.

4.5.

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [gedaagden c.s.] het volgende. [eisers c.s.] is voor of namens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] onbevoegd financiele verplichtingen aangegaan met [bedrijf 1] . Daarmee heeft [eisers c.s.] in strijd gehandeld met de statuten van [gedaagde sub 2] en met de managementovereenkomst en aandeelhoudersovereenkomst. [eisers c.s.] heeft ook [gedaagde sub 3] bij de met [bedrijf 1] gemaakte afspraken betrokken. Vervolgens heeft [eisers c.s.] [gedaagden c.s.] hierover niet geïnformeerd, maar in plaats daarvan valse facturen en berichten opgesteld. Als gevolg hiervan is [bedrijf 1] een procedure gestart tegen [gedaagden c.s.] en heeft [bedrijf 1] beslag gelegd. [gedaagden c.s.] heeft € 46.250,- exclusief BTW moeten betalen aan [bedrijf 1] als schikkingsbedrag om van de procedure af te zijn (3.25). Verder bestaat de schade van [gedaagde sub 3] uit € 12.512,95 aan proceskosten en kosten voor opheffing van het beslag, € 38.807,50 aan kosten voor inzet van personeel rond het conflict met [bedrijf 1] , € 675,- aan notariskosten voor de aandelenoverdracht en € 27.520,- aan diensten van derden.

Daarnaast stelt [gedaagden c.s.] dat [eisers c.s.] haar verplichtingen uit de managementovereenkomst niet is nagekomen waardoor [gedaagde sub 2] € 42.000,- schade heeft geleden, bestaande uit de managementvergoedingen van januari tot en met juni 2016. Tot slot is [eisers c.s.] volgens [gedaagden c.s.] tweemaal de contractuele boete van € 50.000,- verschuldigd omdat [eisers c.s.] het relatie- en het geheimhoudingsbeding heeft geschonden.

4.6.

[eisers c.s.] verzoekt de vorderingen af te wijzen en [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en voert daartoe het volgende aan. [eisers c.s.] heeft [gedaagde sub 3] niet gebonden en was wel degelijk bevoegd [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] te binden omdat [A] met de gemaakte afspraken heeft ingestemd. Daarmee heeft [A] ook ingestemd met het vervangen van de vereiste goedkeuring door de aandeelhouders door enkel zijn goedkeuring. [gedaagden c.s.] is door de valse creditfacturen niet benadeeld. Gezien deze omstandigheden is het handelen van [eisers c.s.] niet onrechtmatig.

Ten aanzien van de gestelde wanprestatie betwist [eisers c.s.] verwijtbaar te hebben gehandeld ten nadele van de vennootschap.

Verder betwist [eisers c.s.] in het algemeen ten aanzien van alle vorderingen het causaal verband tussen de gestelde gedragingen en de schade. Meer specifiek stelt [eisers c.s.] dat [gedaagden c.s.] zelf heeft besloten het platform van [bedrijf 1] te kopen en de procedure te schikken. De schade is volgens [eisers c.s.] ontstaan doordat [gedaagden c.s.] geen gevolg gaf aan de door [eisers c.s.] met [bedrijf 1] gemaakte afspraken en extra eisen stelde, waardoor [bedrijf 1] afhaakte en het project niet doorging. Nadat [bedrijf 2] en [bedrijf 3] op 4 juni 2016 een overeenkomst sloten, stond niets meer aan de uitvoering van het project in de weg. Ook betwist [eisers c.s.] de (omvang van de) gestelde kostenposten. Tot slot betwist [eisers c.s.] het relatie- en/of het geheimhoudingsbeding te hebben geschonden.

5 De beoordeling

in de zaak 17-537

5.1.

Tussen partijen staat vast dat de managementovereenkomst een overeenkomst van opdracht is als bedoeld in 7:400 BW. Anders dan [eisers c.s.] stelt, is voor het beëindigen van een dergelijke overeenkomst geen rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit vereist. De enkele nietig- of vernietigbaarheid van een aandeelhoudersbesluit waarin is besloten een managementovereenkomst te beëindigen, tast de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling tot beëindiging van de managementovereenkomst niet aan. [eiser sub 3] (namens [eiser sub 1] ) en [gedaagde sub 3] zijn op 21 juni 2016 mondeling overeengekomen de managementovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen per 1 juli 2016 en hebben dit vervolgens schriftelijk aan elkaar bevestigd. Dit blijkt uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 21 juni 2016 waarin staat dat “in overleg” is afgesproken dat [eiser sub 3] zijn ontslag indient per 1 juli 2017, afstand doet van de rechten uit de managementovereenkomst en dat de opzegtermijn niet in acht wordt genomen bij de beëindiging. Vervolgens heeft [eiser sub 3] deze afspraken schriftelijk bevestigd richting [gedaagden c.s.] in zijn ontslagbrief van 22 juni 2016, waarin hij verwijst naar de op 21 juni 2016 gemaakte afspraken (3.20) en vervolgens nogmaals door ondertekening van de notulen op 23 juni 2016 (3.22). Ook [gedaagde sub 3] heeft op haar beurt de gemaakte afspraken schriftelijk bevestigd in de brief van 23 juni 2016 (3.21.). De beëindiging van de overeenkomst van opdracht met wederzijds goedvinden is mondeling overeengekomen en vervolgens schriftelijk door beide partijen over en weer bevestigd. Deze rechtshandeling is daarmee rechtsgeldig geschied.

5.2.

Dat sprake is van een wilsgebrek op grond waarvan de beëindiging van de managementovereenkomst kan worden vernietigd, heeft [eisers c.s.] onvoldoende onderbouwd. Met onvoldoende voorbereidingstijd is nog geen sprake van bedrog, bedreiging of misbruik van omstandigheden. Bovendien heeft [gedaagden c.s.] gemotiveerd betwist dat [eisers c.s.] onvoldoende voorbereidingstijd had. [eisers c.s.] heeft op 13 juni 2016 een uitgebreide weergave van haar visie op het gebeuren bij [A] ingediend. In reactie daarop heeft [A] op 14 juni 2016 aan [eisers c.s.] bericht de opties, waaronder vertrek van [eisers c.s.] , open te houden totdat alle feiten duidelijk zijn. Deze feiten zijn op de aandeelhoudersvergadering van 21 juni 2016 besproken. [eisers c.s.] wist dus dat vertrek een mogelijke uitkomst was en heeft vervolgens een week voorbereidingstijd gehad. Een dergelijke termijn is voldoende om juridisch advies te kunnen inwinnen. Indien en voor zover [eisers c.s.] heeft bedoeld dat [eisers c.s.] nooit akkoord zou zijn gegaan met beëindiging van de managementovereenkomst indien zij had geweten dat het aandeelhoudersbesluit ongeldig was en daarmee een beroep doet op wederzijdse dwaling, slaagt dit beroep niet. Voor wederzijdse dwaling is nodig dat [gedaagden c.s.] moest begrijpen dat [eisers c.s.] de samenwerking niet wilde beëindigden bij ongeldigheid van het aandeelhoudersbesluit. Dit is niet gesteld of gebleken. De reden voor beëindiging vormde het handelen van [eisers c.s.] en gebrek aan vertrouwen bij de aandeelhouders en niet de geldigheid van het aandeelhoudersbesluit. Een geldig aandeelhoudersbesluit was voor beëindiging bovendien niet vereist (5.1.).

5.3.

Voor zover [eisers c.s.] heeft bedoeld dat de rechtshandeling tot beëindiging van de managementovereenkomst nooit tot stand is gekomen omdat daartoe de wil bij [eisers c.s.] ontbrak, slaagt het beroep van [gedaagden c.s.] op artikel 3:35 BW. [eisers c.s.] heeft de op 21 juni 2016 mondeling gemaakte afspraak tot beëindiging van de managementovereenkomst tweemaal schriftelijk bevestigd, met de brief van 22 juni 2016 (3.20.) en op 23 juni 2016 door ondertekening van de notulen en de brief van [gedaagde sub 3] (3.22.). [eisers c.s.] heeft pas een half jaar daarna bij [gedaagden c.s.] gemeld dat hij de managementovereenkomst niet wilde beëindigen. [gedaagden c.s.] heeft er gezien deze omstandigheden gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [eisers c.s.] de managementovereenkomst wilde beëindigen.

5.4.

Omdat de managementovereenkomst rechtsgeldig per 1 juli 2016 is geëindigd, was [eisers c.s.] verplicht haar aandelen over te dragen. Deze verplichting staat in de managementovereenkomst en in de aandeelhoudersovereenkomst (3.5.). Een ingebrekestelling was daarbij niet vereist. De vorderingen om (1) voor recht te verklaren dat de managementovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd, (2) voor recht te verklaren dat de aandelenoverdracht niet rechtsgeldig is geschied en (3) de aandelen over te dragen, worden daarom afgewezen.

5.5.

Nu vaststaat dat de managementovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, staat tevens vast dat [eisers c.s.] geen belang heeft bij een verklaring voor recht dat het aandeelhoudersbesluit van 21 juni 2016 nietig, althans vernietigbaar is. [eisers c.s.] heeft immers alleen een beroep gedaan op (ver)nietig(baar)heid van het aandeelhoudersbesluit om daarmee ook het einde van de managementovereenkomst te kunnen aanvechten. De verschillende vorderingen om voor recht te verklaren dat het aandeelhoudersbesluit nietig of vernietigbaar is, vanwege niet in acht genomen formaliteiten rond het aandeelhoudersbesluit, worden daarom afgewezen bij gebrek aan belang.

5.6.

[eisers c.s.] heeft doorbetaling gevorderd van de managementvergoeding over de maanden juni 2016 tot en met juni 2017. De vordering tot doorbetaling van deze vergoeding over de maand juni 2016 wordt toegewezen nu de managementovereenkomst per 1 juli 2016 is beëindigd. Anders dat [gedaagden c.s.] heeft gesteld, hoeven [bedrijf 4] en [bedrijf 4] B.V. geen partij te zijn in deze procedure om deze vordering te kunnen toewijzen. De betalingsverplichting rust immers op [gedaagden c.s.] op grond van de managementovereenkomst (3.5.). Verder heeft [gedaagden c.s.] inhoudelijk geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De wettelijke handelsrente wordt vanaf toegewezen vanaf 1 juli 2016 omdat het de rechtbank is gebleken dat artikel 3.4 van de managementovereenkomst bepaalt dat betaling uiterlijk plaatsvindt op de laatste dag van de maand.

5.7.

[eisers c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden c.s.] worden begroot op:

- griffierecht 1.924,00

- salaris advocaat 768,- (2 punten × tarief € 384,-)

Totaal € 2.692,-

in de zaak 17-524

Onrechtmatig handelen

5.8.

Vaststaat dat [eisers c.s.] op grond van de akte van oprichting (3.4.), de managementovereenkomst en de aandeelhoudersovereenkomst (3.5.) verplicht was om goedkeuring te vragen aan de aandeelhouders bij het aangaan van financiële verplichtingen boven de € 25.000,-. Ook staat vast dat [eisers c.s.] op 21 januari 2016 (3.7.) en op 29 februari 2016 (3.8.) een financiële verplichting is aangegaan die voornoemd bedrag te boven gaat en heeft nagelaten daarvoor goedkeuring te vragen aan de aandeelhouders. [eisers c.s.] heeft daarmee in strijd gehandeld met de statuten en met haar verplichting uit de managementovereenkomst en de aandeelhoudersovereenkomst. Dit is een zwaarwegende omstandigheid die in beginsel het onrechtmatig handelen en de aansprakelijkheid van [eisers c.s.] als bestuurder vestigt (zie 2:9 BW in samenhang met 2:11 BW). De statuten met de bepalingen rond afstemming en benodigde goedkeuring beogen immers de belangen van de vennootschap, waaronder het voorkomen van financiële risico’s, te beschermen.

5.9.

[eisers c.s.] heeft hiertegen ingebracht dat haar geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat [A] heeft ingestemd met het businessplan waarop de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken zijn gebaseerd en daarmee ook heeft ingestemd met de betaling zonder goedkeuring van de aandeelhouders. Voor de instemming van [A] verwijst [eisers c.s.] naar de ingebrachte producties. Er zijn slechts drie producties ingebracht uit de periode van vóór de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken. Daaruit blijkt weliswaar dat [eisers c.s.] [A] eind november 2015 heeft geïnformeerd over een businessplan met een benodigde investering van ruim € 60.000,-, maar niet dat [A] met dit businessplan en/of betaling van ruim € 60.000,- heeft ingestemd. [gedaagden c.s.] aan de andere kant heeft gemotiveerd betwist dat [A] voorafgaand aan de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken heeft ingestemd met het businessplan en een investering van ruim € 60.000,-. [gedaagden c.s.] heeft gesteld dat [A] het businessplan in november 2015 heeft “afgeschoten” omdat hij

de investering van € 60.000,- te hoog vond en er geen afnemer van de opleiding bekend was. Pas toen het businessplan wijzigde in die zin dat de investeringskosten werden gedeeld en de benodigde derde partijen in beeld kwamen ( [bedrijf 3] en [bedrijf 2] ), werd het businessplan interessant voor [gedaagden c.s.] en dit was pas in het tweede kwartaal van 2016, aldus [gedaagden c.s.] De ingebrachte producties bevestigen deze stellingen van [gedaagden c.s.] Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat [A] in reactie op het businessplan op 24 november 2015 heeft gemeld dat de inspanning tot het genereren van inkomsten ontbreekt (3.6.). Verder heeft [A] in een e-mail van 11 maart 2016 aan [eisers c.s.] over de businesscase bericht dat “ze” dit voor “eigen rekening en risico” moeten doen omdat [gedaagden c.s.] alle investeringen moet doen, de wijze waarop de investering wordt terugverdiend ontbreekt, en het geheel nog te onduidelijk is (3.11.). Vervolgens blijkt uit de producties dat [A] op 17 maart 2016 zelf een businessplan cijfermatig inzichtelijk heeft gemaakt waarbij ook [bedrijf 3] en [bedrijf 2] investeren (3.12.). Dat [A] heeft ingestemd met het businessplan waarbij [gedaagden c.s.] de investeringskosten volledig voor haar rekening neemt zonder dat [bedrijf 3] en [bedrijf 2] meedoen, zoals verwoord in de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken, is dus niet vast komen te staan. Het verweer dat [eisers c.s.] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat [A] de financiële verplichting uit de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken zou hebben goedgekeurd, faalt daarom.

5.10.

De rechtbank stelt verder vast dat [eisers c.s.] , nadat zij in strijd met de statuten, de managementovereenkomst en de aandeelhoudersovereenkomst betalingsverplichtingen was aangegaan met [bedrijf 1] , heeft nagelaten om [gedaagden c.s.] daarover alsnog te informeren. [eisers c.s.] heeft [gedaagden c.s.] maandenlang in de waan gelaten dat bindende afspraken nog moesten worden gemaakt. Aan de andere kant informeerde [eisers c.s.] [bedrijf 1] evenmin over het ontbreken van de vereiste goedkeuring binnen [gedaagden c.s.] , terwijl [bedrijf 1] wel al uitvoering gaf aan de met [eisers c.s.] gemaakte afspraken en daarvoor kosten maakte. Over de facturen die [bedrijf 1] zond op grond van de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken (3.9. en 3.13.), heeft [eisers c.s.] [gedaagden c.s.] niet geïnformeerd. In plaats daarvan heeft [eisers c.s.] valse creditfacturen opgemaakt en de betaling richting [bedrijf 1] onder valse voorwendselen, waaronder valse sms-berichten omtrent storingen bij banken (3.16.), zo lang mogelijk uitgesteld. Pas nadat [bedrijf 1] op 20 mei 2016 [gedaagden c.s.] via haar advocaat aansprakelijk stelde (3.18), is [gedaagden c.s.] erachter gekomen dat [eisers c.s.] vier maanden eerder al financiële verplichtingen met [bedrijf 1] was aangegaan. [eisers c.s.] heeft dus maandenlang in strijd gehandeld met haar verplichting de aandeelhouders goedkeuring te vragen, althans over investeringen te informeren (3.4. en 3.5.). Door op eigen houtje en zonder de benodigde goedkeuring financiële verplichtingen aan te gaan en dit vervolgens maandenlang te verzwijgen, heeft [eisers c.s.] ernstig verwijtbaar en daarmee onrechtmatig jegens [gedaagde sub 2] gehandeld (zie artikel 6:162 BW in samenhang met artikel 2:11 BW).

5.11.

Anders dan [eisers c.s.] stelt, kan uit het akkoord van [A] op 5 april 2016 met betaling van factuur OFL-7 (3.14.), niet worden afgeleid dat [A] op dat moment op de hoogte was van de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken, of dat hij daarmee alsnog akkoord is gegaan. Op de omschrijving van de factuur staat weliswaar “Pre-productie TMWP TPI opleiding”, maar er staat ook “productie Wft opleidingen” en de Wft opleiding had niets te maken met het businessplan. Daarbij heeft [gedaagden c.s.] onbetwist gesteld dat [eiser sub 3] voorafgaand aan het akkoord aan [A] mondeling heeft toegelicht dat betaling van de factuur nodig was voor de Wft-opleiding. Ook uit de reactie van 11 maart 2016 (3.11.) op de door [eisers c.s.] toegezonden conceptovereenkomst met [bedrijf 2] en uit het cijfermatig overzicht van 17 maart 2016 (3.12.), blijkt niet dat [A] op de hoogte was van de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken, of dat hij daarmee alsnog akkoord is gegaan. Hieruit blijkt juist dat hij daarmee niet akkoord is gegaan en een ander businessplan voor ogen had (5.9.). Tot slot blijkt uit de omstandigheden dat (1) [eisers c.s.] op 9 maart 2016 een conceptovereenkomst aan [A] mailt voor het gebruik van het platform (3.10.) en (2) [A] op 19 maart 2016 wijst op een andere aanbieder met een vergelijkbare business en (3) [A] op 22 maart 2016 vraagt of het ICT bedrijf van [gedaagden c.s.] toegang kan krijgen tot [bedrijf 1] om te kijken wat er technisch gezien mogelijk is ten behoeve van het businessplan, evenmin dat [A] op de hoogte was van de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken, of dat hij daarmee alsnog akkoord is gegaan. Allereerst zijn dit handelingen die passen in het voorstadium voordat definitieve afspraken worden gemaakt. Daarbij ging [A] op het moment van deze handelingen uit van een ander businessplan dan het businessplan dat ligt besloten in de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken (5.9.).

Onrechtmatigheid jegens [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 3]

5.12.

[eisers c.s.] heeft niet alleen als bestuurder jegens [gedaagde sub 2] , maar ook jegens [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 3] onrechtmatig gehandeld. Als onbetwist staat vast dat [eisers c.s.] de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken ook heeft gemaakt namens [gedaagde sub 3] en dat zij daartoe niet bevoegd was. Verder heeft [eisers c.s.] [gedaagde sub 3] in het conflict met [bedrijf 1] betrokken door aan [bedrijf 1] te verzoeken de licentieovereenkomst voor het gebruik van het platform van [bedrijf 1] (3.10.) op naam van [gedaagde sub 3] te zetten en [bedrijf 1] te verzoeken een factuur op naam van [gedaagde sub 3] te zetten (3.8.). Vervolgens heeft [eisers c.s.] maandenlang nagelaten deze vennootschappen van de afspraken op de hoogte te brengen en is [bedrijf 1] ook tegen deze twee vennootschappen een procedure gestart. Daarmee heeft [eisers c.s.] ook ernstig verwijtbaar en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens deze vennootschappen (6:162 BW in samenhang met 2:11 BW).

Causaal verband

5.13.

[eisers c.s.] heeft zonder de benodigde toestemming afspraken gemaakt met [bedrijf 1] en [gedaagden c.s.] daarover maandenlang niet geïnformeerd, terwijl [bedrijf 1] al uitvoering gaf aan de afspraken en daarvoor kosten maakte. Hierdoor is het conflict ontstaan met [bedrijf 1] . Oftewel, zonder de gemaakte afspraken en het verschillend informeren van [gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] c.s., zou het geschil en de gerechtelijke procedure tussen deze partijen niet zijn ontstaan. Daarmee bestaat causaal verband tussen de onrechtmatige gedragingen van [eisers c.s.] en de schade die het gevolg is van het geschil met [bedrijf 1] .

5.14.

[bedrijf 1] heeft in de gerechtelijke procedure tegens [gedaagden c.s.] nakoming gevorderd van de op 21 januari 2016 en 29 februari 2016 gemaakte afspraken, zijnde betaling van ruim € 60.000,- exclusief BTW. [gedaagden c.s.] heeft gesteld het platform alsnog te hebben aangekocht voor € 27.500,- exclusief BTW en € 18.750,- exclusief BTW te hebben betaald aan [bedrijf 1] bij wijze van schikking om de procedure de beëindigen en de schade te beperken. [eisers c.s.] heeft niet betwist dat bindende afspraken zijn gemaakt tussen [bedrijf 1] met [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] . Dit betekent dat de vorderingen van [bedrijf 1] vermoedelijk zouden zijn toegewezen en dat [gedaagden c.s.] op voornoemde manier in redelijkheid uitvoering gegeven heeft aan haar schadebeperkingsplicht. De schade is hiermee immers beperkt van ruim € 60.000,- exclusief BTW plus de proceskosten van [bedrijf 1] en het oplopen van de proceskosten van [gedaagden c.s.] , naar € 46.250,- exclusief BTW plus de proceskosten van [gedaagden c.s.] tot dat moment. Deze schade kan in redelijkheid aan [eisers c.s.] worden toegerekend, gezien de aard en de ernst van de gedragingen, namelijk het schenden van de verplichting om (als bestuurder) vooraf goedkeuring te vragen bij het aangaan van financiële verplichtingen en het vervolgens langdurig verzwijgen van deze voor [gedaagden c.s.] belangrijke informatie.

5.15.

Dat [gedaagden c.s.] na aankoop van het platform op 7 juni 2016 uitvoering had kunnen geven aan de businesscase waarmee de schade was voorkomen zoals [eisers c.s.] heeft gesteld, is niet vast komen te staan. Er bestond op dat moment immers een geschil tussen [gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] , waarbij [bedrijf 1] ervan uitging dat [gedaagden c.s.] ruim € 60.000,- zou investeren op basis van een businessplan, terwijl [gedaagden c.s.] dat businessplan juist eerder had afgewezen (5.9.). Daarbij is het de rechtbank gebleken dat [eiser sub 3] in een mail van 13 juni 2016 aan [A] heeft gemeld dat hij zich bedrogen voelt door de bestuurder van [bedrijf 1] en het vertrouwen in hem kwijt is. Dit zal de onderhandelingen tussen [gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] niet ten goede zijn gekomen. [bedrijf 1] en [gedaagden c.s.] hebben hun geschil uiteindelijk pas op 24 november 2016 geschikt (3.25.). Verder was er weliswaar op 4 juni 2016 een akkoord tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , maar [gedaagden c.s.] was daarbij geen partij. [bedrijf 2] en [bedrijf 3] waren een planning overeengekomen waarbij op 1 juli 2016 zou worden gestart met het aanbieden van de opleiding. [gedaagden c.s.] heeft gesteld dat deze planning niet haalbaar was vanwege het geschil tussen [gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] en dat [bedrijf 2] daarom is afgehaakt. Deze stelling wordt bevestigd door de verklaring van de directeur van [bedrijf 2] (3.26.) en door het feit dat het geschil met [bedrijf 1] pas op 24 november 2016 werd beëindigd. [eisers c.s.] is niet ingegaan op de rol van het geschil tussen [gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] . [eisers c.s.] heeft enkel gesteld dat [A] bekend was met de planning en niet aan [bedrijf 2] heeft gemeld dat hij het platform had gekocht van [bedrijf 1] . Hiermee gaat [eisers c.s.] eraan voorbij dat het conflict tussen [bedrijf 1] en [gedaagden c.s.] het maken van afspraken tussen deze partijen heeft vertraagd en dat deze afspraken niet enkel zagen op de aankoop van het platform, maar ook op andere kosten waarover een geschil bestond.

5.16.

De stelling van [eisers c.s.] dat [gedaagden c.s.] op 7 juni 2016 zelf heeft besloten om het platform voor € 27.500,- aan te kopen en dit daarom niet het gevolg is van het onrechtmatig handelen faalt. De aankoop van het platform is onderdeel van de schikking die [gedaagden c.s.] heeft gesloten in het kader van haar schadebeperkingsplicht en is het gevolg van de procedure die [bedrijf 1] tegen [gedaagden c.s.] is gestart (5.14.). Zonder procedure zou [gedaagden c.s.] het platform niet hebben aangekocht. De businesscase was op dat moment immers nog niet rond (5.15.) en [gedaagden c.s.] heeft steeds aangegeven zonder sluitende businesscase waaronder een mede-investeerder en een afnemer, geen investering te willen doen.

5.17.

Gezien het voorgaande worden de vorderingen tot betaling van het schikkingsbedrag (€ 46.250,-) en de proceskosten van [gedaagden c.s.] toegewezen. Ook de kosten voor het opheffen van het door [bedrijf 1] gelegd beslag worden toegewezen. Dit beslag is net als de procedure het direct gevolg van het geschil tussen [bedrijf 1] en [gedaagden c.s.] De rechtbank begroot de proceskosten en de kosten voor opheffen van het beslag samen op € 12.512,95 (2.548,- aan griffierecht, € 9.816,20 aan advocaatkosten, 83,75 aan deurwaarderskosten en 65,- aan Falkpost, zoals gevorderd door [gedaagden c.s.] ). Een dergelijk bedrag acht de rechtbank redelijk voor een - tot en met de comparitie gevoerde - bodemprocedure met twee incidenten plus de kosten voor het opheffen van het beslag.

5.18.

Vergoeding van de gevorderde schade, bestaande uit kosten voor diensten van derden en gemiste uren van personeel van [gedaagde sub 3] , wijst de rechtbank af. [gedaagden c.s.] heeft (de omvang van) deze schadeposten onvoldoende onderbouwd en/of onvoldoende toegelicht waarom deze schade het gevolg is van het geschil met [bedrijf 1] . Zo heeft [gedaagden c.s.] niet toegelicht, waarom de diensten het gevolg zijn van het geschil met [bedrijf 1] , welke diensten zij heeft ontvangen en waarom zij geen baat heeft gehad bij deze diensten. Dat personeel van [gedaagden c.s.] het wegvallen van [eiser sub 3] heeft opgevangen lijkt aannemelijk. Daar staat echter tegenover dat [gedaagden c.s.] geen managementvergoeding meer verschuldigd was na het vertrek van [eiser sub 3] zodat onduidelijk blijft waarom de inzet van het personeel een extra schadepost vormt. Daarbij heeft [gedaagden c.s.] onvoldoende gesteld waaruit de werkzaamheden van het personeel hebben bestaan.

5.19.

De gevorderde notariskosten, tot slot, zouden niet zijn gemaakt indien [eisers c.s.] had nagelaten onbevoegd afspraken te maken en [gedaagden c.s.] daarover vervolgens niet te informeren. In dat geval zou het vertrouwen in [eisers c.s.] immers niet zijn geschaad en was de managementovereenkomst niet beëindigd waardoor de aandelen verplicht moesten worden overgedragen. Ook deze kosten komen, gezien de aard en de ernst van de gedragingen, in redelijkheid voor rekening van [eisers c.s.]

5.20.

De vordering tot het betalen van zes maanden managementvergoeding wordt afgewezen. [gedaagden c.s.] heeft onvoldoende toegelicht dat en waarom het betalen van de managementvergoeding over de maanden januari tot en met juni 2016 het gevolg is van de gestelde wanprestatie. De managementvergoeding is gebaseerd op de managementovereenkomst en was ook zonder de gestelde wanprestatie verschuldigd, zodat het vereist causaal verband tussen de gestelde wanprestatie en de gestelde schade ontbreekt.

Contractuele boete

5.21.

Dat [eisers c.s.] een werknemer van [gedaagde sub 2] heeft benaderd en hem heeft bewogen om ontslag te nemen, heeft [eisers c.s.] onvoldoende onderbouwd. [eisers c.s.] heeft feitelijk enkel aangevoerd dat [eiser sub 3] is gezien samen met een werknemer en dat met deze werknemer in deze periode het dienstverband is geëindigd. Dit vormt een onvoldoende onderbouwing nu [eisers c.s.] heeft toegelicht dat [eiser sub 3] deze werknemer bij toeval tegenkwam in een openbare horecagelegenheid en dat deze werknemer en [gedaagde sub 2] het dienstverband gezamenlijk in goed overleg hebben beëindigd.

5.22.

De door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] getekende overeenkomst (verder: het document) zat in het dossier dat [eisers c.s.] aan haar advocaat heeft verstrekt ten behoeve van het verweer in deze procedure. De advocaat van [eisers c.s.] , tevens advocaat van [bedrijf 1] in de procedure tegen [gedaagden c.s.] , heeft het document vervolgens met [bedrijf 1] gedeeld. Hoewel niet in geschil is dat [eisers c.s.] hiermee naar de letter van de overeenkomst de geheimhoudingsbepaling heeft geschonden, wordt de gevorderde boete wegens overtreding van deze bepaling afgewezen. Immers, als onbetwist staat vast dat het document pas is verstrekt aan [bedrijf 1] nadat de procedure van [bedrijf 1] tegen [gedaagden c.s.] was geëindigd en dat [gedaagden c.s.] hierdoor niet is benadeeld. Verder staat als onbetwist vast dat het document enkel is gedeeld ten behoeve van het verweer van [eisers c.s.] in deze procedure tegen [gedaagden c.s.] Voor een dergelijke situatie is een geheimhoudingsbepaling doorgaans niet bedoeld en [gedaagden c.s.] heeft niet gesteld dat dit in casu anders zou zijn. Het belang van [eisers c.s.] bij een adequate verdediging weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [gedaagden c.s.] bij geheimhouding. Dit brengt mee dat dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

5.23.

[gedaagden c.s.] heeft aanspraak gemaakt op de wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen “vanaf de voor zover van toepassing respectievelijke data van betaling van de daarvan onderdeel uitmakende deelbedragen”. [gedaagden c.s.] heeft nagelaten te stellen op welke data de verschillende bedragen zijn betaald. Alleen ten aanzien van de € 27.500,- voor aankoop van het platform (waarvan € 20.000,- door [gedaagde sub 3] , € 5000,- door [gedaagde sub 3] en € 2.500,- door [gedaagde sub 3] is betaald), blijkt uit het dossier dat dit bedrag voor of op 7 juni 2016 is voldaan, zodat de rente over dit bedrag vanaf die datum wordt toegewezen. Voor de overige schadeposten wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.

5.24.

[eisers c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [gedaagden c.s.] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 81,99

- griffierecht € 3.894,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten × tarief € 894,-)

Totaal € 5.763,99

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 17-537

6.1.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] € 7.000,- plus de BTW daarover te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW, vanaf 1 juli 2016 tot de dag van betaling;

6.2.

veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op € 2.692,-;

6.3.

veroordeelt [eisers c.s.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers c.s.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in de zaak 17-524

6.6.

verklaart voor recht dat [eisers c.s.] in strijd heeft gehandeld met artikel 2:9 jo 2:11 BW jegens [gedaagde sub 2] en dat [eisers c.s.] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, jegens [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de dientengevolge door [gedaagde sub 2] geleden schade;

6.7.

verklaart voor recht dat [eisers c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 3] en dat [eisers c.s.] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, jegens [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 3] aansprakelijk is voor de dientengevolge door [gedaagde sub 2] geleden schade;

6.8.

veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om:

1. aan [gedaagde sub 2] te betalen een bedrag van:

- € 2.500,- vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 7 juni 2016 tot de dag van volledige betaling;

- € 675,- vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag vanaf 21 februari 2018 tot de dag van volledige betaling;

2) aan [gedaagde sub 3] te betalen een bedrag van:

- € 5.000,- vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 7 juni 2016 tot de dag van volledige betaling;

- € 18.750,- € 18.750,- vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag vanaf 21 februari 2018 tot de dag van volledige betaling;

- € 12.512,95 € 12.512,95 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag vanaf 21 februari 2018 tot de dag van volledige betaling;

3) aan [gedaagde sub 3] te betalen een bedrag van:

- € 20.000,-, € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 7 juni 2016 tot de dag van volledige betaling;

6.9.

veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op € 5.763,99;

6.10.

veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers c.s.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

6.11.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.1

1 type: AB (4994) coll: EM (495)