Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6879

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
C/16/419300 / HL ZA 16-198
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2019:3820
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid en het beroep op het verlenen van decharge aan de bestuurder door de algemene ledenvergadering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/419300 / HL ZA 16-198

Vonnis van 21 februari 2018

in de zaak van

de vereniging

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.P.P. Witteveen te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. Ekelmans te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 juli 2016 met producties (1t/m 35);

  • -

    de conclusie van antwoord met producties (1 t/m 74);

  • -

    de conclusie van repliek met producties (36 t/m 56);

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities;

  • -

    het verkort proces-verbaal van 30 oktober 2017;

  • -

    de fax van 13 november 2017 van [gedaagde] ;

  • -

    de fax van 16 november 2017 van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een woningcorporatie en exploiteert circa 3.600 (woon)eenheden.

2.2.

[gedaagde] was, met uitzondering van de periode van 9 tot en met 19 juni 2010, van 1 januari 2006 tot 14 februari 2011 (enig) statutair bestuurder en directeur van [eiseres] .

2.3.

De raad van toezicht van [eiseres] (RvT) bestond in de periode van begin 2010 tot medio 2011 uit de volgende personen: Mw. [A] ( voorzitter ), dhr. [B] ( vice-voorzitter ), en de leden mw. [C] , mw. [D] , mw. [E] , mw. [F] , dhr. [G] en dhr. [H] .

2.4.

Artikel 23 lid 3 van de statuten van [eiseres] luidt:

“De statutair directeur is na verkregen toestemming van de Raad van Toezicht bevoegd tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt.”

2.5.

Op 15 maart 2010 is [gedaagde] , in zijn hoedanigheid als directeur-bestuurder van [eiseres] , met [bedrijfsnaam] B.V. te [vestigingsplaats] schriftelijk akkoord gegaan met de door [bedrijfsnaam] gedane aanbieding terzake het project [project 1] (hierna: het project [project 1] ). Het project [project 1] betreft de bouw en levering van 34 appartementen en zes commerciële ruimten tegen een door [eiseres] te betalen bedrag van € 11.186.000,-- [gedaagde] is akkoord gegaan onder voorbehoud van de goedkeuring van de RvT.

2.6.

Op 9 juni 2010 wordt [gedaagde] met onmiddellijke ingang voor de duur van drie maanden door de RvT geschorst.

2.7.

Op 18 juni 2010 is door de kantonrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch de schorsing van [gedaagde] als bestuurder van [eiseres] ongedaan gemaakt.

2.8.

Medio juni 2010 heeft de algemene ledenvergadering van [eiseres] aan de toenmalige minister van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verzocht tot het aanstellen van een externe toezichthouder . De heer [I] werd aangesteld als externe toezichthouder/procesbegeleider bij [eiseres] en was per 15 augustus 2010 als zodanig werkzaam bij [eiseres] .

2.9.

Tijdens de vergadering van 16 september 2010 van de RvT met [gedaagde] is besloten dat de RvT uiterlijk 20 september 2010 uitsluitsel geeft over de door [gedaagde] gevraagde toestemming betreffende het project [project 1] .

2.10.

De e-mail van 17 september 2010 van de RvT aan [gedaagde] luidt:

“Beste [voornaam van gedaagde] ,

Conform afspraak ontvang je hierbij ons besluit m.b.t. de aankoop van het plan [project 1] van [straatnaam] .

(…).

Dat brengt ons tot het volgende besluit:

Bij handhaving van de gehanteerde parameters (en risico’s) voor de commerciële ruimten kunnen wij alleen instemmen met het plan op voorwaarde van een sluitende businesscase, dus zonder onrendabele investering. De berekende winst van de commerciële ruimten (in basisscenario € 1,3 mio) zou zodoende ingezet moeten worden voor de sociale huur (€ 0,9 onrendabel) en eventueel deels voor het onrendabel parkeren (max. dus € 0,4 mio). Bij tegenvallende ontwikkelingen bij het commerciëel vastgoed zal het verlies (onrendabel) van het project aanvaardbaar blijven. Dit uitgangspunt geeft ook weerstand bij andere mogelijk negatieve gevoeligheidsscenario’s zoals doorgerekend.

Je hebt in het voorstel al twee scenario’s opgenomen die het resultaat positiever maken (hogere commerciële huur, en lagere beheerslast parkeren. Wij willen daarnaast de suggestie doen nog eens structureel naar de exploitatie van de parkeerplaatsen te kijken, en de negatieve beheersexploitatie van de parkeerplaatsen voor de commerciële ruimten en de koopwoningen niet in de exploitatie van [eiseres] mee te nemen.

We dagen je uit om een scenario uit te werken dat kan voldoen aan onze bovenstaande voorwaarden.

Concreet t.a.v. de gevraagde besluiten ABC:

Ons voorstel om de grote onrendabele investering voor alle parkeerplaatsen niet volledig voor rekening van [eiseres] te nemen geldt ook ingeval alleen de verhuur/verkoop woningen worden aangeschaft. In het voorstel is niet duidelijk hoe hoog het onrendabel deel voor het parkeren is bij gevraagd besluit C.

Met vriendelijke groet,

Namens de RvT,

[E] ”

2.11.

[gedaagde] heeft met de toezichthouder/procesbegeleider [I] en leden van het managementteam besproken of voormelde e-mail van 17 september 2010 betekende dat de RvT akkoord is gegaan met het project [project 1] . Geconcludeerd is dat dit het geval was.

2.12.

Bij brief van 11 oktober 2010 schrijft [gedaagde] over het project [project 1] aan [bedrijfsnaam] onder meer:

Goedkeuring Raad van Toezicht

Het voorbehoud op het akkoord van de goedkeuring door de Raad van Toezicht is niet meer van toepassing. Wij kunnen derhalve definitief akkoord gaan met uw aanbieding het hoekgebouw te leveren voor € 11.186.000,00 v.o.n.”

2.13.

Op 18 november 2010 ondertekent [gedaagde] betreffende het project [project 1] de turnkey-koopovereenkomst met [bedrijfsnaam] .

2.14.

Op 17 en 23 december 2010 heeft de levering van vastgoed voortvloeiende uit de overeenkomst van 18 november 2010 plaatsgevonden.

2.15.

Bij brief van 22 december 2010 heeft het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) aan [eiseres] onder meer gemeld:

a) [project 1] van [straatnaam] (€ 7.5 miljoen)

De totale investeringen van het project [project 1] van [straatnaam] bedragen € 11,3 miljoen.

Exclusief de 21 sociale koopwoningen bedragen de investeringen in totaliteit € 7,5 miljoen,

waarvan € 4,9 miljoen voor commerciële ruimten (inclusief parkeren) en € 2,6 miljoen voor 13 huurwoningen.

Het WSW is van mening dat gezien de disproportionalitelt tussen borgbare- en niet borgbare cq commerciële activiteiten én onvoldoende blijk van “in de geest van maatschappelijk belang” de commerciële ruimten in dit project niet aan de borgingscriteria van het WSW voldoen. U kunt wel borg krijgen voor de 13 huurwoningen, indien dit project doorgang vindt.”

2.16.

Bij beschikking van 3 februari 2011 heeft de kantonrechter van de rechtbank ’s‑Hertogenbosch op verzoek van [eiseres] per 14 februari 2011 de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] ontbonden op grond van een verandering in de omstandigheden. Aan [gedaagde] is een vergoeding toegekend van € 100.000,-- bruto.

2.17.

Vanaf maart 2011 tot juni 2013 heeft [gedaagde] werkzaamheden voor [bedrijfsnaam] verricht.

2.18.

Tijdens de algemene ledenvergadering van [eiseres] van 30 juni 2011 zijn de jaarrekening en het jaarverslag over het boekjaar 2010 door de leden goedgekeurd. Voorts is het besluit genomen om aan de statutair directeur en de RvT decharge te verlenen over de stukken die aan de algemene vergadering zijn voorgelegd. In de notulen van deze algemene ledenvergadering is daarover opgenomen:

‘Besluit: de leden verlenen decharge aan de statutair directeur en de Raad van Toezicht over de stukken die aan de algemene ledenvergadering zijn overgelegd.’

2.19.

Bij brief van 26 oktober 2011 heeft [eiseres] de notaris ten overstaan van wie de onder 2.14 genoemde levering is gepasseerd aansprakelijk gesteld wegens een beroepsfout in het kader van het project [project 1] . [eiseres] houdt de notaris aansprakelijk voor de door haar geleden en nog te lijden schade uit hoofde van het project [project 1] . [eiseres] meldt dat zij vermoedt dat de notaris van nog oude statuten van de vereniging is uitgegaan, waardoor de notaris ten onrechte heeft aangenomen dat de toestemming van de RvT geen vereiste is voor het rechtsgeldig sluiten van de koopovereenkomst van 18 november 2010.

2.20.

Bij brief van 2 januari 2012 heeft de notaris de aansprakelijkheid verworpen.

2.21.

Bij brief van 10 november 2015 heeft [eiseres] [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] op het project [project 1] geleden en nog te lijden schade. In de brief wordt gemeld dat de schade ‘in de miljoenen’ loopt.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] ex art. 2:9 BW en/of art. 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn handelwijze als bestuurder van [eiseres] met betrekking tot het [project 1] -project;

  2. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling, bij wege van voorschot, van het bedrag van EUR 3.500.000,00 (zegge: drie miljoen vijf honderd duizend euro), althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van aansprakelijkstelling (5 januari 2011), althans de dag van de laatste aanmaning (10 november 2015), althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. [gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eiseres] te voldoen, voor zover dit voormeld voorschot overstijgt, een bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet ter zake van de overige schade die [eiseres] als gevolg van het [project 1] project heeft geleden, de kosten van financiering en leegstand daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van aansprakelijkstelling (5 januari 2011), althans de dag van de laatste aanmaning (10 november 2015), althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. [gedaagde] wordt veroordeeld te voldoen een bedrag van EUR 6.775,00 ter vergoeding van gemaakte kosten ter vaststelling van de schade en verkrijging van voldoening buiten rechte te vermeerderen met, indien tijdige betaling uitblijft, de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

  5. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten, inclusief nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met, indien tijdige betaling uitblijft, de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiseres] heeft daartoe - kort en zakelijk weergegegeven - het volgende gesteld. [gedaagde] is in zijn hoedanigheid van (enig) statutair bestuurder van [eiseres] onbevoegd de verplichtingen betreffende het project [project 1] aangegaan. Het sluiten van de onder 2.13 bedoelde koopovereenkomst met [bedrijfsnaam] was en is niet in het belang van [eiseres] . [gedaagde] heeft daarmee onzorgvuldig en welbewust in strijd gehandeld met wettelijke (art. 2:44 BW) en statutaire bepalingen (art. 23 lid 3 en art. 34 lid 5). [gedaagde] heeft gehandeld zonder de benodigde financiering en zonder oog te houden voor de belangen van [eiseres] . Door deze handelwijze heeft [eiseres] aanzienlijke schade geleden en lijdt zij nog steeds schade, waarvoor [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is. [gedaagde] treft immers een ernstig verwijt. [gedaagde] kon en mocht op grond van de e-mail van 17 september 2010 van de RvT er niet op vertrouwen dat de RvT ingestemd had met het project [project 1] . De onbevoegd gesloten koopovereenkomst is ook niet door [eiseres] achteraf bekrachtigd. Aan [gedaagde] is niet toegezegd dat wordt afgezien van enige verhaalsactie jegens hem. Evenmin is juist dat op 30 juni 2011 de ledenvergadernig van [eiseres] aan [gedaagde] decharge heeft verleend.

3.3.

[gedaagde] voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Moet er van uit worden gegaan dat de bestuurder gehandeld heeft in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, dient dit als een zwaarwegende omstandigheid te worden aangemerkt die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt (zie ook HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011).

4.2.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] op 18 november 2010 met [bedrijfsnaam] de turnkey-koopovereenkomst betreffende het project [project 1] heeft gesloten zonder de vereiste statutaire toestemming van de RvT. [gedaagde] heeft dit laatste betwist.

4.3.

Allereerst zal het verweer van [gedaagde] worden besproken dat de algemene ledervergadering van [eiseres] hem op 30 juni 2011 als toenmalig bestuurder decharge verleend heeft, waarmee afstand is gedaan van het recht om hem aansprakelijk te stellen wegens een onbehoorlijke taakvervulling. Indien dit verweer slaagt komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Door het verlenen van decharge aan een bestuurder door de algemene ledenvergadering wordt immers aan de bestuurder kwijting verleend voor het door de bestuurder gevoerde beleid en wordt daarmee tevens afstand gedaan van het recht van verhaal jegens de gedechargeerde bestuurder . Dit ontslag van aansprakelijkheid geldt ook voor de handelingen van de bestuurder waardoor opzettelijk of op onzorgvuldig wijze nadeel aan de vereniging is toegebracht, indien en voorzover het dechargerende orgaan van die handelingen wetenschap heeft

4.4.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] als ex- bestuurder per definitie geen beroep op decharge kan doen en in het geval hem wel een beroep op decharge zou toekomen, het beroep niet slaagt omdat kort gezegd - de decharge niet ziet op hetgeen hem in deze procedure wordt verweten. Met betrekking tot de vraag of [gedaagde] kan worden gevolgd in zijn beroep op decharge, wordt het volgende overwogen.

4.5.

In het jaarverslag 2010 wordt onder 3.12.2. gemeld dat [eiseres] een directeur-bestuurder heeft en dat [gedaagde] in 2010 deze positie bekleed heeft met uitzondering van de periode 9 tot en met 19 juni 2010.

4.6.

De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat alleen decharge aan een zittende bestuurder verleend kan worden die zelf de jaarrekening heeft opgesteld. Ook aan een ex- bestuurder kan decharge worden verleend.

4.7.

De door [eiseres] gestelde omstandigheid dat [gedaagde] zijn functie van bestuurder niet zelf heeft neergelegd, maar vertrokken is na een arbeidsconflict waarbij zijn arbeidsovereenkomst is ontbonden door een beschikking van de kantonrechter, betekent evenmin dat [gedaagde] zich om die reden niet zou kunnen beroepen op de aan hem als ex‑ bestuurder verleende decharge. Het vertrek van [gedaagde] waar [eiseres] op doelt heeft pas plaatsgevonden in 2011. Als [eiseres] de verleende decharge aan de statutair directeur slechts had willen beperken tot (de onder 4.5 bedoelde elf dagen van) de interim directeur-bestuurder in 2010 of tot de in 2011 (nieuw) benoemde bestuurder ad interim die bemoeienis heeft gehad met het opstellen van de jaarrekening en het jaarverslag en deze stukken ook zelf ondertekend heeft, dan had de vergadering dit expliciet moeten besluiten. Dit is niet gebeurd. Sterker, er is geen enkel voorbehoud gemaakt bij het verlenen van de decharge.

4.8.

Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] in beginsel een beroep op decharge toekomt. Voor [gedaagde] geldt echter wel dat de kwijting alleen ziet op het handelen van hem als toenmalig bestuurder dat bekend is bij de algemene ledenvergadering. Dit betekent dat het door [gedaagde] uitgevoerde beleid formeel aan de orde moet zijn geweest in de algemene ledenvergadering of dat dit uitgevoerde beleid bijvoorbeeld blijkt uit de jaarstukken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.9.

In het jaarverslag 2010 wordt op diverse plaatsen aandacht gegeven aan het project [project 1] . Zo wordt op bladzijde 36 van het jaarverslag 2010 het project [project 1] genoemd als een project waarbij de bouw al eind 2010 is gestart en dat er onroerend goed is aangekocht van [bedrijfsnaam] voor een bedrag van € 9.945.000,-- exclusief BTW. Ook op bladzijde 38 van het jaarverslag wordt gemeld dat [eiseres] 34 appartementen en zes commerciële ruimten aan de [project 1] van [straatnaam] heeft gekocht. In de van het jaarverslag deel uitmakende toelichting op de balans worden verder ook de financiële cijfers betreffende het project [project 1] vermeld (zie bladzijde 69, 70, 73 en 78 van het jaarverslag 2010). Daaruit blijkt onder meer dat voor het project [project 1] een bedrag van € 832.801,-- is gereserveerd als een voorziening betreffende onrendabele investeringen nieuwbouw en dat als materiële vaste activa het project is gewaardeerd op € 1.099.085,--. Bovendien wordt in het jaarverslag nog expliciet naar [gedaagde] verwezen. Zo wordt niet alleen vermeld dat hij in de periode 9 tot en met 19 juni 2010 de functie van directeur-bestuurder wegens een schorsing niet heeft vervuld, maar ook worden er opmerkingen gemaakt over de uitkomst van het onderzoek naar vermeende belangenverstrengeling door [gedaagde] en het feit dat [gedaagde] na zijn ontslag op 14 februari 2011 via zijn eigen adviesbureau is ingehuurd door [bedrijfsnaam] . Uit het jaarverslag kan dus worden opgemaakt dat het project [project 1] een onrendabele investering is en dat er ernstige problemen waren met betrekking tot het functioneren van [gedaagde] .

4.10.

Uit de notulen van de algemene ledenvergadering van [eiseres] van 30 juni 2011 blijkt dat de jaarrekening 2010 en het jaarverslag 2010 op de ledenvergadering besproken zijn. Ook het project [project 1] is aan de orde gesteld. Nadat de jaarrekening en het jaarverslag door de leden zijn goedgekeurd, heeft de algemene vergadering het expliciete besluit genomen om decharge te verlenen aan de statutair directeur (en de RvT) over de stukken die aan de algemene vergadering zijn overgelegd. Vervolgens blijkt uit de notulen dat op de algemene ledenvergadering het project [project 1] ook aan de orde is geweest bij de mondelinge toelichting op het Plan van Aanpak door de interim- bestuurder van [eiseres] . Tijdens deze mondelinge toelichting is onder meer meegedeeld dat bij het project [project 2] weinig wordt verkocht en dat voor het project [project 1] nog moet worden afgewacht hoe de verkoop gaat lopen. Men was zich dus bewust van het risico dat (ook) voor het project [project 1] zou kunnen gelden dat er weinig appartementen zouden worden verkocht. Ten slotte is bij het agendapunt van de ledenvergadering ‘wat verder ter tafel komt’ desgevraagd nog bevestigd dat het project [project 1] financieel nog niet rond is. Een en ander is voor de aanwezige leden, die op grond van het jaarverslag kennis hadden van het feit dat voor het project [project 1] reeds een bedrag van € 832.801,-- was afgeschreven als onrendabele investering, echter geen aanleiding geweest nadere vragen te stellen of terug te komen op de verleende decharge of hierbij ten aanzien van bestuurder [gedaagde] een voorbehoud te maken ten aanzien van de decharge.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het jaarverslag 2010 (inclusief de bijbehorende jaarrekening 2010 met toelichting) in combinatie met de notulen van de algemene ledenvergadering van 30 juni 2011, kan worden geconcludeerd dat aan de algemene ledenvergadering reeds de nodige en voor deze procedure ook relevante informatie is gegeven over het handelen van [gedaagde] in relatie tot het project [project 1] .

4.12.

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat aangenomen moet worden dat de algemene ledervergadering ook op grond van overige verstrekte informatie in voldoende mate op de hoogte is gebracht van de in deze procedure centraal staande handelwijze van [gedaagde] betreffende het project [project 1] . [eiseres] heeft dit betwist, maar niet betwist is dat de algemene ledenvergadering, zoals door [gedaagde] ook is betoogd, over meer voor deze procedure relevante informatie beschikte dan alleen het jaarverslag 2010 en hetgeen uit de notulen is gebleken. [eiseres] heeft deze ontbrekende informatie echter niet in het geding gebracht. Er is zelfs geen schriftelijke opgave gedaan van alle informatie die [eiseres] aan de algemene ledenvergadering ter beschikking heeft gesteld. Nu [gedaagde] reeds bij conclusie van antwoord en opnieuw bij conclusie van dupliek een uitdrukkelijk beroep op de decharge heeft gedaan en [eiseres] ook verzocht heeft om alle bescheiden met betrekking tot het project [project 1] waarover zij beschikt in het geding te brengen, lag dit wel op de weg van [eiseres] . Tegen deze achtergrond neemt de rechtbank aan dat er geen grond is om te oordelen dat de aan [gedaagde] verleende decharge geen betrekking zou hebben op de in deze procedure verweten handelwijze ten aanzien van het project [project 1] . [eiseres] heeft het beroep van [gedaagde] op decharge dan ook onvoldoende gemotiveerd weersproken.

4.13.

Conclusie is dat op 30 juni 2011 de algemene ledenvergadering van [eiseres] de oud bestuurder [gedaagde] decharge heeft verleend waarbij zij volledig bekend was met de handelswijze van [gedaagde] inzake het Vicarus project, zodat de vordering voor zover deze is gegrond op aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW niet kan worden toegewezen.

4.14.

Gelet op het vorenstaande is er ook geen aanleiding de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) toe te wijzen. [eiseres] baseert zich bij de vordering uit onrechtmatige daad namelijk op precies hetzelfde feitencomplex als waarop zij haar vordering op de voet van artikel 2:9 BW heeft gegrond. In een dergelijk geval van samenloop is het ongewenst dat [eiseres] , die op grond van het verlenen van decharge geen schadevergoeding kan krijgen, op grond van de bestuurdersaansprakelijkheid als bedoeld in art. 2:9 BW wel een dergelijk resultaat kan krijgen langs de weg van de onrechtmatige daad. Naar het oordeel van de rechtbank staat de aan [gedaagde] verleende decharge ook daaraan in de weg, omdat daarmee afstand is gedaan van elk recht om [gedaagde] aan te spreken op zijn vermeend onbehoorlijke taakvervulling. De vraag of hem een ernstig verwijt treft kan bij deze stand van zaken onbesproken blijven.

4.15.

Wat verder over en weer door partijen is gesteld behoeft geen nadere bespreking.

4.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.548,00

- salaris advocaat 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 14.392,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 14.392,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman, mr. H. Manuel en J.C. van Eijk-Graveland, bijgestaan door mr. T. Stokvis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.