Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6863

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
6589611
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke kosten in een letselschadezaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6589611 UC EXPL 18-572 CD/942

Vonnis van 12 september 2018

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

handelend onder de naam “ [naam] ”,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen, in mannelijk enkelvoud, [naam] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. R.J.J.M. Witlox,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen ASR,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J. Kruijswijk Jansen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van 18 december 2017,

- de conclusie van antwoord met producties,

- de conclusie van repliek met producties,

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.

In januari 2017 heeft mevrouw [A] (hierna: [A] ) letsel opgelopen bij een verkeersongeval. [A] is met [naam] overeengekomen dat hij haar belangen behartigt bij de afwikkeling van de schade. [naam] heeft ASR, verzekeraar van de andere betrokken automobilist, aansprakelijk gesteld. ASR heeft de aansprakelijkheid zonder enige discussie erkend. [A] heeft een voorstel van ASR, om haar schade te begroten op € 8.000,00, zonder enige discussie geaccepteerd. Partijen hebben daarover een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarna ASR dit bedrag heeft uitgekeerd.

ASR heeft daarnaast € 3.500,00 betaald als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten. Dat bedrag is betaald aan [naam] , aan wie [A] haar vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten heeft overgedragen.

2.2.

[naam] vindt het ontvangen bedrag te laag. Het is maar een fractie van het totale door hem aan ASR in rekening gebrachte bedrag aan buitengerechtelijke kosten, dat aanvankelijk ruim € 10.203,73 bedroeg, inclusief kantoorkosten, verschotten en btw en later, na bezwaren van ASR, is gematigd tot € 7.500,00. ASR heeft echter geweigerd meer aan [naam] te betalen dan het al genoemde bedrag van € 3.500,00. [naam] stelt dat de man achter [naam] moet worden beschouwd als specialist in het personenschaderecht. Hij heeft namelijk ongeveer 20 jaar ervaring in dit rechtsgebied. Bovendien heeft hij in 2000, een jaar vóór hij zich heeft laten uitschrijven van het advocatentableau, met succes de specialisatieopleiding personenschade aan de Grotiusacademie gevolgd. Om die reden is [naam] gerechtigd een specialistentarief te rekenen van (in deze zaak) € 350,00 per uur, te vermeerderen met 10% kantoorkosten, verschotten en btw. Dat tarief rekent hij voor alle uit te voeren werkzaamheden, ook voor werkzaamheden van eenvoudige aard, zoals het doorsturen van correspondentie of het opvragen van medische informatie. Ook reistijd wordt tegen dit tarief in rekening gebracht en daarnaast rekent [naam] € 1,00 per kilometer, te vermeerderen met btw. Volgens [naam] is dit gerechtvaardigd, omdat het gaat om de enige fee earner in de vennootschap, waardoor alle kosten uit zijn uurtarief moeten worden voldaan. Verder wijst [naam] erop dat de hoeveelheid buitengerechtelijke werkzaamheden die nodig is om uiteindelijk de persoonlijke schade van een benadeelde te kunnen vaststellen, niet steeds in verhouding is. Het is goed mogelijk dat veel kosten moeten worden gemaakt, om vervolgens tot het inzicht te komen dat de persoonlijke schade maar gering is. In deze zaak heeft [naam] veel contact gehad met [A] voordat zij, later diezelfde dag, het afwikkelingsaanbod van ASR aanvaarde. Ook daarna heeft [naam] nog contact met haar gehad, omdat [A] nog veel vragen had over de afwikkeling van de schade. Dit verklaart volgens [naam] de vele gedeclareerde verrichtingen, die zijns inziens ten onrechte niet door ASR worden bevoorschot, al was het maar omdat de buitengerechtelijke kosten hoger zouden zijn geweest als [A] het voorstel van ASR niet had geaccepteerd en met ASR een discussie zou zijn gaan voeren over de omvang van haar schade.

2.3.

[naam] vordert daarom dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat ASR met haar betaling van € 3.500,00 in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 6:96 BW, en dat de kantonrechter ASR veroordeelt tot betaling aan [naam] van een aanvullend bedrag aan buitengerechtelijke kosten. Ook vordert [naam] dat ASR wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten.

2.4.

ASR verweert zich tegen de vordering. Zij voert daartoe aan dat [naam] alleen een paar keer medische informatie heeft doorgestuurd aan ASR, zonder daarbij een inhoudelijke toelichting te verstrekken of een standpunt in te nemen. Daarnaast heeft [naam] samen met ASR een keer een bezoek gebracht aan [A] . [A] bleek bij het ongeval nekspierpijn te hebben opgelopen die binnen enkele weken tot maanden restloos zou herstellen. Daarnaast had zij pre-existente klachten, die haar reïntegratie wat vertraagden. Een en ander leidde tot het afwikkelingsvoorstel van ASR, wat diezelfde dag is aanvaard. Partijen hebben helemaal geen juridische discussie gevoerd en ook niet gedebatteerd over de omvang van de schade. Volgens ASR heeft [naam] daardoor ook nauwelijks voor vergoeding in aanmerking komende werkzaamheden verricht. Zij wijst erop dat buitengerechtelijke kosten als vermogensschade van de benadeelde op grond van het bepaalde in artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen, als het maken van buitengerechtelijke kosten redelijkerwijs verantwoord of noodzakelijk is en ook de omvang van de kosten redelijk is. Voor zover daarvan in deze zaak sprake is, heeft ASR de kosten vergoed. Zij heeft immers al € 3.500,00 betaald. Voor het overige kunnen de declaraties van [naam] de dubbele redelijkheidstoets volgens ASR niet doorstaan.

2.5.

De kantonrechter overweegt dat ASR in beginsel gehouden is om de buitengerechtelijke kosten aan [naam] te vergoeden. ASR heeft immers de aansprakelijkheid voor de door [A] geleden schade aanvaard en de buitengerechtelijke kosten maken deel uit van de schade van [A] – en partijen zijn het erover eens dat die kosten niet zijn begrepen in het aan [A] uitgekeerde bedrag. Overigens komen de buitengerechtelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking voor zover zij voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW. Voor het antwoord op de vraag of de declaraties van [naam] zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van de schade zijn volgens vaste jurisprudentie de aard en de omvang van de schade van belang, alsmede de complexiteit van de zaak. Ook komt betekenis toe aan de verhouding tussen de schade en de kosten. Dat betekent niet dat geen aanspraak zou kunnen bestaan op vergoeding van kosten als uiteindelijk zou blijken dat geen schade is geleden, maar het is wel een van de factoren die mede bepalen of de kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Ook de opstelling van partijen kan van invloed zijn op de redelijkheid van het maken van kosten en de omvang daarvan.

2.6.

Gesteld noch gebleken is dat de afwikkeling van deze zaak complex is geweest. Integendeel, de aansprakelijkheid is direct erkend, zodat daarover in ieder geval geen discussie heeft plaatsgevonden. Ook over de omvang van de schade hebben partijen niet met elkaar gedebatteerd. ASR heeft, onweersproken door [naam] , aangevoerd dat zijzelf een voorstel heeft geformuleerd en dat zij, na aanvaarding daarvan door [A] , ook zelf de vaststellingsovereenkomst heeft opgesteld, zodat [naam] daar ook niet of nauwelijks tijd aan heeft hoeven te besteden. Ook de omvang van het overeengekomen bedrag, en de korte tijdspanne tussen aansprakelijkstelling en afwikkeling, wijst op een relatief eenvoudige zaak. In die context is het onbegrijpelijk dat [naam] aanvankelijk ruim € 10.000,00 aan kosten heeft gedeclareerd. Weliswaar heeft hij dit bedrag later, na protest van ASR, verminderd tot € 7.500,00, maar ook voor dit verminderde bedrag geldt dat niet is gebleken dat deze zaak zoveel werk rechtvaardigt. Dat wordt niet anders als [naam] , zoals hij stelt, in de periode na de aanvaarding van het voorstel veel contact met [A] heeft gehad. De kantonrechter overweegt dat het op zich begrijpelijk is dat [naam] nazorg verricht, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de daarmee gemoeide kosten voor vergoeding door ASR in aanmerking zouden komen. Het zijn immers kosten gemaakt ná overeenstemming over de schade, die dus hoe dan ook niet kunnen worden beschouwd als kosten ter vaststelling van de schade als bedoeld in artikel 6:96 BW.

2.7.

Overigens heeft [naam] niet alleen veel uren in rekening gebracht bij ASR, maar ook nog tegen een zeer hoog specialistentarief, waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen juridisch werk en administratieve werkzaamheden of reistijd, en waarbij daarbovenop ook nog een meer dan redelijk bedrag wordt gerekend voor gemaakte reiskosten – wat er verder ook zij van de bedrijfsvoering van [naam] , de enkele omstandigheid dat [naam] al deze werkzaamheden tegen een specialistentarief in rekening brengt, maakt niet dat deze als redelijke kosten ter vaststelling van de schade voor vergoeding in aanmerking komen. Overigens overweegt de kantonrechter dat een hoog specialistentarief in het algemeen alleen gerechtvaardigd is bij ingewikkelde zaken. Daarbij komt dat van een belangenbehartiger die een dergelijk tarief in rekening brengt verwacht mag worden dat hij de tijd die hij, als specialist, aan een zaak besteedt tot een adequaat minimum beperkt. Dat heeft [naam] niet gedaan. Overigens mag van een specialist worden verwacht dat hij zijn specialistische kennis ook aantoonbaar op peil houdt. Dat is bij de man achter [naam] evenmin het geval. Hij is al jaren geen advocaat meer en is ook niet aangesloten bij enige organisatie die waakt over de kwaliteit van zijn werkzaamheden.

2.8.

Al met al is [naam] er niet in geslaagd aan te tonen dat ASR een te laag bedrag heeft betaald als vergoeding voor de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de uitgevoerde buitengerechtelijke werkzaamheden voldoende beloond met het betaalde bedrag. Om die reden moet de vorderingen van [naam] worden afgewezen.

2.9.

[naam] moet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x het naar het oordeel van de kantonrechter passende tarief van € 300,00). De gevorderde vergoeding van nakosten zal worden toegewezen op de in het dictum van dit vonnis vermelde wijze. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, waaronder de nakosten, zal worden toegewezen met inachtneming van de in het dictum vermelde termijn.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [naam] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ASR, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde, en bepaalt dat dit bedrag moet worden voldaan binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan het wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt [naam] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door ASR volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

3.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.