Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6695

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
C/16/418469 / FA RK 16-4386
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verrekenbeding. Waardering aandelen en (latente) belastingclaim aanmerkelijk belang. Belastingclaim nominaal of contant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2019/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/418469 / FA RK 16-4386

afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Beschikking van 7 november 2018

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.L.M. Louwen te Utrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. G.N. Sanders te Utrecht.

1 Verdere verloop van de procedure

1.1.

Op 8 november 2016 heeft de rechtbank een eerdere beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum wordt verwezen naar die beschikking.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, te weten:
- de brief van de vrouw van 2 februari 2017 (beantwoord door de rechtbank bij brief van
7 februari 2017);

-de brief van de vrouw van 17 juli 2017;

-de brief van de vrouw van 10 oktober 2017;

-het F9-formulier van de vrouw van 4 december 2017, met begeleidende brief inhoudende onder meer een opstelling ten aanzien van de verrekening tussen partijen en een aanvullend verzoek van de vrouw, met de nadere producties 12 tot en met 24;

-de brief van de vrouw van 4 december 2017;

-het F9-formulier van de man van 1 februari 2018, met een begeleidende brief van 30 januari 2018, ter uitvoering van de opdracht in overweging 3.26 van de beschikking van 8 november 2016 en in reactie op de brief van de vrouw van 4 december 2017;

-de brief van de vrouw van 5 februari 2018;

-de brief van de man van 5 februari 2018;

-het F9-formulier van de vrouw van 24 mei 2018 met begeleidende brief en de nadere producties 25 tot en met 27;

-het F9-formulier van de man van 10 augustus 2018 met de nadere productie 46;

-het F9-formulier van de vrouw van 7 september 2018 met begeleidende brief en de nadere producties 28 en 29.

1.3.

De zaak is verder behandeld ter zitting van 18 september 2018. Daarbij zijn verschenen beide partijen met hun advocaat.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Hiervoor verwijst de rechtbank naar de op 8 november 2016 gegeven beschikking.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

Bij voornoemde eerdere beschikking is de beslissing over de verdeling c.q. verrekening tussen partijen aangehouden. Nu dient nog beslist te worden over de verzoeken met betrekking tot de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden van partijen (de finale verrekening van het vermogen van partijen). In vervolg op de overwegingen in de beschikking van 8 november 2016 overweegt de rechtbank het volgende.

3.2.

Ten aanzien van de gemeenschappelijke rekeningen heeft de vrouw gesteld, en de man heeft verklaard het daarmee eens te zijn, dat het gaat om rekeningen met een verwaarloosbaar of nihil saldo. De rechtbank hoeft op dit punt dus niets te verdelen of te verrekenen.

3.3.

Partijen zijn het er, blijkens de stukken en overweging 3.20. in de beschikking van 8 november 2016 in ieder geval over eens dat in de verrekening moet worden betrokken de rekening courantschuld van € 34.299,- aan de zijde van de man.

3.4.

In het navolgende zal de rechtbank de onderdelen van de verrekening beoordelen, waarover partijen (deels) van mening verschillen.

Waarde van de aandelen van de onderneming van de man en de daarbij in aanmerking te nemen belastinglatentie (belastingclaim aanmerkelijk belang)

3.5.

Partijen hebben gezamenlijk de waarde van de aandelen van de onderneming van de man, [bedrijf] B.V., laten vaststellen door een deskundige. Blijkens productie 21 van de vrouw, de rapportage van [naam] van 29 november 2017, is de waarde vastgesteld op € 1.109.038,-. Partijen zijn het er ook over eens dat deze waarde nog moet worden verminderd met de in aanmerking te nemen aanmerkelijk belang belastingclaim, over een bedrag van € 1.091.038,-- (namelijk voornoemde waarde van € 1.109.038,-- verminderd met het gestorte beginkapitaal van € 18.000,--). Zij verschillen van mening over de hoogte van deze belastingclaim. Kort gezegd betreft het geschilpunt de vraag of bij de waardering van de latente belastingclaim moet worden uitgegaan van de nominale waarde daarvan, namelijk 25% (het tarief in box 2 van de inkomstenbelasting) over € 1.091.038,-- , (het standpunt van de man) of de contante waarde van de op enig moment in de toekomst verschuldigde belasting over deze waarde (het standpunt van de vrouw).

3.6.

De vrouw heeft haar standpunt op dit punt uiteengezet in haar verweerschrift van 16 juni 2016, nrs. 23-33, op pagina 2-3 van haar brief van 6 oktober 2016 en pagina 4-5 van haar brief van 4 december 2017 en de daarbij horende productie 22. Primair acht de vrouw reëel een contant te maken belastingclaim op basis van een percentage van 6,25% (over de waarde minus het beginkapitaal van € 18.000,-). Daarbij stelt de vrouw (onder meer) dat de man de werkmaatschappijen kan verkopen en de holding tot het eind van zijn leven kan behouden en dat sprake is van een onzekere toekomstige claim. Subsidiair stelt de vrouw dat het in aanmerking te nemen belastingpercentage, op grond van een in redelijkheid te hanteren tarief van 3% inflatie over 30 jaar, te corrigeren is naar maximaal 10,6%. De vrouw heeft in haar brief van 4 december 2017 tevens verwezen naar haar eerdere stellingen op dit punt en naar jurisprudentie over de in aanmerking te nemen belastinglatentie. Zij is van mening dat uitgegaan moet worden van een contant belastingpercentage, dat wil zeggen een met het oog op toekomst concreet te verwachten percentage, en niet van een nominaal belastingpercentage (het actuele percentage van 25%). De vrouw stelt tevens dat haar standpunt ondersteund wordt in de literatuur als overgelegd in haar producties 28 en 29 (Breedveld-De Voogd, Tekst & Commentaar BW, art. 1:142 en Gubbels, EB 2013/89).

3.7.

De man heeft op pagina 3 van zijn brief van 30 januari 2018 verwezen naar zijn eerdere brief van 5 september 2016 op dit punt. Daar is onder meer verwezen naar artikelen van Boringa en Lankester (EB 2009/11), overgelegd als productie 19 van de man, en Janssens en Massart (EB 2015/57), overgelegd als productie 20 van de man. Verder heeft de man nog als productie 40 overgelegd het rapport van 23 januari 2018 van Boringa en de literatuur als overgelegd in zijn productie 46 (een artikel van Roijakkers, (REP 2018, 282)). De man is op basis van het voorgaande van mening dat uitgegaan moet worden van de nominale waarde, dus 25%.

3.8.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de waardering van de belastinglatentie het volgende. Een latente belastingschuld is een belastingschuld die, naar de reeds bestaande situatie, in de toekomst effectief kan (en waarschijnlijk zal) worden, maar waar voor het intreden daarvan de door de wet gestelde voorwaarden nog niet zijn vervuld. Zoals ook blijkt uit de literatuur (waar partijen ook veelvuldig naar hebben verwezen) is men verdeeld over het antwoord op de vraag of een latente belastingschuld nominaal of contant moet worden gewaardeerd. Het tarief dat maximaal in aanmerking genomen kan worden is het (nominale) tarief van hetgeen men aan belasting verschuldigd zou zijn indien de belastingplicht nu zou ontstaan. In dit geval het tarief van 25 procent van de aanmerkelijkbelangheffing in box 2 van de inkomstenbelasting. Anderzijds wordt (mede onder verwijzing naar de waarderingsmaatstaf in art. 20 van de Successiewet 1956) de opvatting verdedigd dat de toekomstige belastingverplichting contant moet worden gemaakt, rekening houdend met het vermoedelijke tijdstip waarop de belasting wordt verschuldigd (zie de conclusie, nrs. 2.15-2.18, voor HR 28 november 2014, ECLI:NL:2014:PHR:1770).

Aan de man kan (gezien ook de literatuur waar hij naar heeft verwezen) worden toegegeven dat vanuit bedrijfseconomisch perspectief goede argumenten bestaan om bij de waardering van een belastinglatentie in alle gevallen uit te gaan van het nominaal belastingtarief omdat, kort gezegd, de waarde van het vermogensbestanddeel en de belastingclaim die daarop rust economisch als één geheel moet worden beschouwd, waarbij uitgaande van één peildatum het niet voor de hand ligt om te doen alsof de belastingheffing op een later moment (na de peildatum) plaatsvindt, terwijl de onderliggende waarde (winst uit aanmerkelijk belang, de stille reserve of de lijfrente) wel wordt gefixeerd op de peildatum.

Niettemin heeft de Hoge Raad voor de waardering van een belastinglatentie een andere lijn uitgezet. Uit jurisprudentie van de belastingkamer van de Hoge Raad blijkt dat een belastinglatentie dient te worden gewaardeerd naar de contante waarde (HR 8 maart 1978, BNB 1978, 86 en HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272, BNB 2002, 317). De civiele kamer van de Hoge Raad heeft zich hierbij inmiddels aangesloten (HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3462, rov. 4.2.1-4.2.2 en HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:281, rov. 3.3.1-3.3.2). Uit deze arresten blijkt dat de Hoge Raad van belang acht of sprake is van een situatie waarbij op korte termijn afrekening van de belastingclaim kan worden verwacht (in welk geval de belastingschuld nominaal dient te worden gewaardeerd) of dat deze afrekening pas in de (verre) toekomst plaatsvindt (in welk geval de belastingschuld naar de contante waarde dient te worden gewaardeerd).

3.9.

De rechtbank zal aansluiten bij deze recente jurisprudentie van de Hoge Raad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij van plan is om zijn onderneming (werkzaam op het terrein van de scheepsbevrachting) voort te zetten, maar dat onzeker is of dat haalbaar is nu al circa zes jaar sprake is van tegenvallende resultaten vanwege overcapaciteit in de markt. Nu concrete aanwijzingen ontbreken dat de man zijn ondernemingsactiviteiten binnenkort daadwerkelijk zal staken, zal de rechtbank tot uitgangspunt nemen dat de onderneming (van de B.V.) van de man wordt voortgezet. Overigens heeft de man sinds de peildatum (14 oktober 2015) de onderneming inmiddels al drie jaar daadwerkelijk voortgezet. Aldus geldt dat de man niet om die reden (bedrijfsbeëindiging) binnenkort met de fiscus zal afrekenen. Op de peildatum was de man bijna 48 jaar. De verwachte AOW-leeftijd van de man is 68 jaar en 6 maanden (in 2036). De rechtbank zal tot uitgangspunt nemen dat de man (in 2036) 21 jaar na de peildatum (in 2015) de onderneming zal beëindigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw, voorstaat tot uitgangspunt te nemen dat de man de aandelen als belegging zal aanhouden tot zijn overlijden en aan te sluiten bij zijn levensverwachting.

Wel valt te verwachten dat de man binnenkort met de fiscus deels zal afrekenen ten aanzien van de aanmerkelijkbelangclaim. Zoals gezegd dient de man uit hoofde van het verrekenbeding met de vrouw af te rekenen voor de waarde in de onderneming, namelijk bruto € 1.091.038,--, waarvan de vrouw de helft toekomt (bruto € 545.519,--). De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij het aan de vrouw toekomende bedrag alleen kan financieren door middel van een dividenduitkering uit zijn B.V. Weliswaar is namens de vrouw bij die gelegenheid verklaard dat de man niet heeft laten zien hoe hij de betaling aan de vrouw zal financieren, maar nu de vrouw niet concreet stelt uit welk ander vermogen de man in staat is deze betaling te financieren gaat de rechtbank aan deze stelling van de vrouw voorbij. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de overgelegde gezamenlijke aangiften IB van 2012 (productie 2 van de vrouw) en 2014 (productie 23 van de man) blijkt dat partijen slechts over een beperkt (gezamenlijk) vermogen beschikten, waarbij het aandeel van de man daarin verre van toereikend is om de betaling aan de vrouw te financieren.

3.10.

De rechtbank zal ervan uitgaan dat de man, voor uitbetaling van het aan de vrouw toekomende bedrag, dit zal financieren door binnenkort dividend aan zijn B.V. te onttrekken en daarover naar het nu geldende nominale tarief van 25 procent met de fiscus zal afrekenen. Aldus zal voor deze helft van de ondernemingswaarde worden uitgegaan van een belastinglatentie ter waarde van € 136.379,75, en dus van een nettowaarde van

€ 409.139,25.

Ten aanzien van de andere helft van de ondernemingswaarde (bruto € 545.519,--), neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de man daarover pas 21 jaar na de peildatum (in 2036) met de fiscus afrekent. Voor de contante waarde van die claim zal de rechtbank uitgaan van een rekenrente van 3 procent. Deze rekenrente heeft de vrouw ook gehanteerd in haar productie 22, waartegen de man geen bezwaren heeft aangevoerd. Uitgaande van het nominaal tarief van 25 procent zal de aanmerkelijkbelangclaim over € 545.519,-- over 21 jaar tegen een rekenrente van drie procent neerkomen op een contant tarief van
13,4 procent: %.

Aldus komt de belanglatentie dan neer op € 73.099,55 en een nettowaarde € 472.419,45.

De totale nettowaarde van de aandelen in de B.V. van de man (na aftrek van de aldus gewaardeerde belastinglatentie) bedraagt aldus € 881.558,70 (€ 409.139,25 en
€ 472.419,45). Anders gezegd: voor de belastinglatentie wordt uitgegaan van een gemiddeld tarief van 19,2 procent (25 plus 13,4 procent, gedeeld door twee). Ten aanzien van de verrekening van de waarde van de aandelen in de B.V. van de man komt de vrouw toe
€ 440.779,35 (zijnde de helft van € 881.558,70).

Banksaldi, schenkingen aan de vrouw en door de man opgenomen bedragen

3.11.

In de eerdere beschikking van 8 november 2016 is overwogen dat partijen voor wat betreft de saldi uitgaan van de peildatum 31 mei 2015. De volgende rekeningen en saldi per peildatum zijn aan de orde gesteld in het kader van de finale verrekening.
Voor zover de vrouw zich op het standpunt stelt dat er meer (te verrekenen saldi van) rekeningen aan de zijde van de man zijn, overweegt de rechtbank dat de man dat heeft ontkend en dat het bestaan van nog meer rekeningen dan genoemd door partijen niet is komen vast te staan. Daarbij merkt de rechtbank op dat partijen in ieder geval nog in 2014 gezamenlijk aangifte hebben gedaan voor de inkomstenbelasting, waarbij partijen al hun bankrekeningen hebben moeten betrekken.

Aan de zijde van de man:

-de Duitse bankrekening [rekeningnummer] , met een saldo van € 28,21;

- [rekeningnummer] , met een saldo van € 15.373,83;

Aan de zijde van de vrouw:

- [rekeningnummer] met een saldo van minus € 12,70;

- [rekeningnummer] met een saldo van € 8.335,- (afgerond);
- [rekeningnummer] met een saldo van € 7.537,-;

[rekeningnummer] met een saldo € 0,-;

- [rekeningnummer] , spaardepositorek, saldo € 0,-;

- [rekeningnummer] ABN AMRO vermogensspaarrekening met een saldo van
€ 0,-.

3.12.

Over de eerstgenoemde rekening ten name van de man zijn er geen punten van geschil. Datzelfde geldt voor de 5 eerstgenoemde rekeningen ten name van de vrouw.
Ten aanzien van de rekening met het nummer [rekeningnummer] heeft de vrouw gesteld dat het gaat om een privérekening en een bijhorende beleggingsrekening, die niet moeten worden betrokken in de verrekening. De rekening is geopend in maart 2015 en in gebruik vanwege de scheiding van partijen. Het saldo is ontstaan door schenkingen van de ouders van de vrouw. De man heeft zich akkoord verklaard met het gestelde door de vrouw over deze rekening.

Het saldo op de rekening [rekeningnummer] moet volgens de vrouw buiten de verrekening worden gelaten, omdat op deze rekening het saldo staat dat afkomstig is van de schenkingen van de ouders van de vrouw. De man heeft zich akkoord verklaard met het gestelde door de vrouw over deze rekening.

3.13.

Het geschil van partijen spitst zich dus toe op de rekening ten name van de man met het nummer [rekeningnummer] en de rekening van de vrouw met het nummer

[rekeningnummer] in samenhang met een verschil van mening tussen partijen over schenkingen aan de vrouw en door de man opgenomen bedragen. Verder speelt, blijkens het gestelde door partijen, een rol dat voornoemde rekening van de vrouw gedurende enige tijd door partijen is gebruikt om betalingen ten behoeve van de huishouding van partijen van te doen.

3.14.

De vrouw heeft als haar productie 20 een notitie in verband met haar voornoemde bankrekening overlegd. Daarin gaat het onder meer over de schenkingen van de ouders van de vrouw aan de vrouw en de door de man opgenomen bedragen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de overboekingen door de man aan zichzelf vanaf deze rekening moeten worden terugbetaald (bedragen van € 11.000,- en € 6.509,-).Volgens de vrouw is sprake geweest van dubbele dan wel onterechte overboekingen: De vrouw heeft in januari 2015 een bedrag van € 11.000,- overgemaakt naar de rekening van de man en toen heeft de man het kort daarna nog eens overgemaakt (ter ondersteuning van deze stellingen wijst de vrouw op de als bijlagen J en K bij haar notitie overgelegd bankschriften). In maart 2015 heeft de man het bedrag van € 6.509,- naar zijn rekening overgemaakt, maar hier was de vrouw het niet mee eens en zij wil dit terugontvangen. Ten aanzien van de rekening van de man [rekeningnummer] stelt de vrouw dat het saldo van die rekening per peildatum in de verrekening moet worden betrokken.

3.15.

De man is het met het gestelde door de vrouw niet eens, zo blijkt (onder meer) uit zijn brief van 30 januari 2018, pagina 2 en 3. De man ontkent de door de vrouw gestelde schenkingen niet en ook niet dat die zijn overgemaakt naar genoemde rekening van de vrouw. De man betwist wel dat de desbetreffende bedragen er nog waren in 2015. De man stelt dat dat geld in de loop van de jaren is opgegaan aan door de vrouw zelf gekozen doeleinden. De vrouw stortte volgens de man op deze rekening ook andere bedragen: vakantiegeld van de vrouw, blijkens productie 31, en een maandelijks bedrag van € 250,- van haar salaris, blijkens productie 32, op jaarbasis dus € 3.000,-. Volgens de man heeft de vrouw dat gedaan van 2011 tot en met 2014. Dat is, aldus de man, al te verrekenen geld ter hoogte van € 14.180,-, in ieder geval geen schenkingsgeld op die rekening. Verder werden van deze rekeningen allerlei bedragen betaald, anders dan de doorstorting van het salaris van de man, waar de vrouw op wijst, zo blijkt uit productie 33. Partijen hebben ook hun woning grondig verbouwd in de periode 2008-2010 en in de periode 2007 tot en met 2013 geld uitgegeven aan het huis en de vakanties, in totaal voor € 140.000,-, waarbij de man verwijst naar productie 34. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw geen inzicht heeft gegeven in het volledig verloop van de rekening. Hij stelt dat het zeer waarschijnlijk is dat het spaargeld van de vrouw uit schenking ook aan deze uitgaven is besteed. De man concludeert dat de vrouw niet is geslaagd in haar bewijsopdracht (zoals gegeven in de beschikking van 8 november 2016, overweging 3.25) . Daarom stelt hij dat het geld op de rekening van de vrouw te beschouwen is als verrekenbaar vermogen en dat hij terecht opnames van € 11.000,- en € 6.509,- heeft gedaan. Volgens de man stond op de rekening van de vrouw te verrekenen vermogen van partijen en heeft de vrouw daarvan € 11.000,- aan hem betaald, wat te maken had met de overname van een auto van hem (een Renault Scenic) door haar. De vrouw had dat van haar eigen vermogen moeten betalen volgens de man. Verder betrof het betaalde bedrag van € 6.509,- man de man het ‘rechttrekken’ van het saldo van de bankrekening(en) in verband met niet noodzakelijke uitgaven door de vrouw.

De man heeft verder gesteld dat de rekening [rekeningnummer] zijn spaarrekening is. Op deze rekening heeft hij (in 2013) voornoemde bedragen van € 11.000,- en € 6.509,- gestort, waarop hij - dat is zijn stelling - recht had en die niet in de verrekening moeten worden betrokken. Het in de verrekening te betrekken saldo van deze rekening is volgens de man daarom minus € 2.135,17.

3.16.

De rechtbank overweegt als volgt. In beginsel moet bij de verrekening worden uitgegaan van de saldi van de rekeningen op de peildatum. Voor de verrekening van de bankrekeningen geldt als peildatum 31 mei 2015 (zie de tussenbeschikking van 8 november 2016, rov. 3.15., slot). De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, mede gelet op haar als productie 20 overgelegde notitie met bijlagen, voldoende heeft aangetoond dat de aan haar geschonken bedragen van in totaal € 28.000,-- nog op haar rekening aanwezig waren in 2013, toen beide partijen bedragen van haar rekening hebben bij- en afgeboekt. Voor zover dit geld per peildatum (31 mei 2015) nog op de rekeningen van partijen aanwezig is, heeft de vrouw recht op terugbetaling. Voor het overige gaat de rechtbank ervan uit dat partijen vanaf hun bankrekeningen tot die datum ook bedragen hebben betaald ten behoeve van de kosten van hun huishouding. Het saldo op haar rekening is op de peildatum volgens de onweersproken stelling van de vrouw € 0,-- en het saldo op de rekening van de man bedraagt per peildatum € 15.373,83. Nu de man zonder toestemming van de vrouw ten onrechte bedragen van € 11.000,- en € 6.509,- van haar bankrekening heeft opgenomen, waardoor (onder meer) dit saldo op de bankrekening van de man tot stand heeft kunnen komen, zal de rechtbank bepalen dat het aldus resterende bedrag aan de vrouw toekomt. Gelet op het voorgaande zal het verzochte door de man worden afgewezen en het verzochte door de vrouw worden toegewezen in die zin dat het saldo van € 15.373,83 dat per peildatum op de rekening van de man stond, aan de vrouw toekomt, zonder dat zij dat hoeft te verrekenen met de man.

3.17.

Ten aanzien van de verrekening van de banksaldi is de slotsom als volgt:

- Aan de zijde van de man valt verder in de verrekening een creditsaldo van € 28,21.
Aan de zijde van de vrouw dient aan banksaldi te worden verrekend van (credit) € 12,70.
Verrekening van deze saldi betekent dat de man per saldo nog een bedrag van € 7,75 aan de vrouw dient te voldoen.

- De man dient het gehele bedrag van € 15.373,83 aan de vrouw te voldoen, zijnde het op peildatum nog aanwezige (en niet aan de kosten van de huishouding bestede) bedrag van de door de man aan de bankrekeningen van de vrouw onttrokken bedragen.

- De slotsom is dat ter zake van de verrekening van de bankrekeningen de man aan de vrouw nog verschuldigd is € 15.381,58 (€ 15.373,83 plus € 7,75).

Wettelijke rente in verband met verrekening

3.18.

De vrouw stelt (in haar brief van 4 december 2017, p. 6) dat haar “totale vordering” dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (14 oktober 2015), “te verminderen met het betaalde voorschot van € 200.000,00“.

De man verzet zich tegen berekening van wettelijke rente vanaf 14 oktober 2015 over het te verrekenen bedrag. De man heeft reeds onverplicht een voorschot van € 200.000,-- voldaan aan de vrouw. Daarnaast komt de vertraging in de afrekening vooral doordat de vrouw de door de man gestelde reële waarde van de aandelen heeft betwist en een langdurige procedure met hoge kosten heeft gevoerd. De man acht het in deze gegeven situatie van partijen redelijk dat, voor zover er al wettelijke rente zou moeten worden betaald, deze niet eerder ingaat dan op het moment van de definitieve door de rechtbank te geven beschikking, dan wel een datum die de rechtbank in het licht van de door de man genoemde omstandigheden redelijk acht (zie pagina van de brief van 30 januari 2018).

3.19.

De rechtbank overweegt als volgt. De huwelijkse voorwaarden van partijen bevatten zowel een periodiek (art. 7 lid 1 en 2) als een finaal verrekenbeding (art. 11). Art. 7 lid 2 bepaalt dat de (niet uitgevoerde) periodieke verrekenvordering door de verrekenplichtige echtgenoot binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar dient te worden voldaan, zodat de huwelijkse voorwaarden een voor de voldoening bepaalde termijn bevat, zoals bedoeld in art. 6:83 aanhef en sub a, BW. Uit het arrest HR 2 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6591, volgt dat (behoudens andersluidende afspraken) deze vordering ontstaat op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (art. 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW) en dat ingeval voor de periodieke verrekenplicht een termijn zoals bedoeld in art. 6:83 aanhef en sub b, BW is overeengekomen het verzuim aanstonds en zonder nadere ingebrekestelling intreedt op de datum waarop de vordering is ontstaan. Dit betekent dat de man vanaf 14 oktober 2015 in verzuim is en vanaf die datum wettelijke rente is verschuldigd over de verrekenvordering. In de omstandigheid dat het vaststellen van de verrekenvordering in de onderhavige procedure geruime tijd heeft geduurd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde wettelijke rente af te wijzen. Het had op de weg van de man gelegen om het oplopen van de rentevordering desgewenst te voorkomen door de vrouw een hoger voorschotbedrag uit te betalen.

Inboedel

3.20.

In de eerdere beschikking van 8 november 2016 (de overwegingen 3.28 tot en met 3.30) is afgewezen het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man uit hoofde van de overbedeling van roerende zaken een bedrag van € 10.000,- aan haar moet voldoen.

3.21.

Nu wil de vrouw - blijkens haar brief van 4 december 2017, pagina 5 onderaan - een nader oordeel van de rechtbank over de inboedel. Zij verzoekt te bepalen dat partijen de verplichting hebben om de voormalig gemeenschappelijke inboedel met elkaar bij helfte te verdelen op een wijze dat aan beide partijen de helft van de waarde wordt toebedeeld of vergoed. Daarbij stelt de vrouw dat de man weigert de inboedel (die zich bevindt in de door de man bewoonde woning) met haar te verdelen dan wel helft van de waarde aan haar te betalen.

De man stelt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. Hij meent dat er na de afwijzing van het eerdere verzoek van de vrouw ten aanzien van de inboedel geen plaats meer is voor het huidige verzoek van de vrouw. Verder stelt de man, onder verwijzing naar zijn als productie 44 overgelegde e-mail bericht, dat de vrouw niet is ingegaan op zijn vraag aan haar wat ze nog wilde hebben van de inboedelgoederen.

3.22.

De rechtbank is van oordeel dat, nu er al eerder een beslissing is gegeven op een verzoek van de vrouw over de verdeling van de inboedel, het latere verzoek van de vrouw daarover in strijd is met de goede procesorde. Weliswaar is de verzoeker op grond van art. 283 Rv bevoegd om het verzoek te wijzigen zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, maar in de tussenbeschikking van 8 november 2016 is het oorspronkelijke verzoek van de vrouw tot verdeling van de inboedel reeds afgewezen. Het na de tussenbeschikking opnieuw toelaten van een herhaald verzoek tot verdeling van de inboedel zou neerkomen op een ‘verkapt appel’ binnen dezelfde procedure in eerste aanleg. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het (nadere) verzoek van de vrouw afwijzen.

Belastingaanslagen

3.23.

De man heeft (in de stukken) gesteld dat hij de aanslagen inkomstenbelasting 2014 en 2015 heeft voldaan en dat de vrouw de helft van de desbetreffende belastingaanslagen, tot oktober 2016, moet voldoen.

Mede gelet op het gestelde ter zitting ligt er geen concreet verzoek (meer) voor over de belastingaanslagen, zodat de rechtbank op dit punt niet (meer) hoeft te beslissen.

Aanvullend verzoek

3.24.

De vrouw heeft (in haar brief van 4 december 2017, pagina’s 6 en 7) aanvullend verzocht om de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 2.078,-- (afgerond in totaal), vanwege door de man veroorzaakte, onnodige kosten van de Register Valuator ten behoeve van de waardebepaling van de aandelen van de onderneming. Volgens de vrouw hebben partijen “sluitende afspraken” gemaakt over de kosten van de deskundige, waaronder de afspraak dat partijen de kosten bij helfte zullen dragen behalve indien een “substantiële kostenpost aantoonbaar door een van partijen zou worden veroorzaakt bijvoorbeeld (…) voor individuele gesprekken die langer dan een uur zouden worden gevoerd tussen een partij en de R-V”. Door toedoen van de man, te weten het niet toestaan van rechtstreeks contact tussen de Register Valuator en de boekhouder van de B.V. van de man voor het bespreken van vragen, is onnodig kostbare tijd verloren gegaan, aldus de vrouw. De vrouw stelt dat de man deze extra kosten moet dragen. Het genoemde bedrag heeft de vrouw als volgt berekend, namelijk: € 3.271,20 aan meerkosten te vermeerderen met kantooropslag 5 procent (€ 163,56 totaal: € 3.435,-), te vermeerderen met BTW (21 procent), zijnde € 721,-, bij elkaar € 4.156,- te delen door twee.

3.25.

De man stelt dat dit aanvullende verzoek in een zo laat stadium is ingediend dat het in strijd is met de goede procesorde. Verder stelt de man dat dit verzoek geen betrekking heeft op de huwelijkse periode van partijen, zodat het niet betrokken kan worden in het kader van deze procedure voor wat betreft de verdeling en verrekening. Voor zover de rechtbank er toch over zou oordelen, betwist de man dat de desbetreffende factuur extra hoog is geworden door zijn toedoen.

3.26.

De rechtbank overweegt dat – voor zover dit aanvullende verzoek heeft te gelden als een aanvullende voorziening die voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding in de zin van art. 827 lid 1, aanhef en sub f, Rv – de omstandigheid dat de accountant van de B.V. van de man zelf de keuze heeft gemaakt om aan het deelnemen aan besprekingen met deze door partijen benoemde deskundige de voorwaarde te verbinden dat hij de te beantwoorden vragen vooraf toegestuurd wenste te krijgen, niet ertoe leidt dat sprake is van substantiële kosten die door de man zijn veroorzaakt. De man heeft onbetwist gesteld dat dit de eigen keuze van de accountant is geweest waarin de man geen deel heeft gehad. Voor zover dit aan de man moet worden toegerekend, komt deze keuze van de accountant (om vooraf te horen wat de deskundige wil bespreken) niet onredelijk voor. Te verwachten valt dat een dergelijke voorbereiding een efficiënte bespreking ten goede zal komen. Het aanvullende verzoek van de vrouw zal de rechtbank dus afwijzen.

Slotsom

3.27.

In de tussenbeschikking van 8 november 2016 is in het dictum reeds de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, zijn partijen veroordeeld tot betaling van de kinderalimentatie, is de woning aan het [adres] te [woonplaats] en de daarop rustende hypotheken aan de man toegedeeld, (onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw de man zal (doen) vrijwaren voor de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van deze leningen), dat de vrouw – in verband met de onderwaarde van de woning – een bedrag van € 31.554,-- aan de man dient te voldoen, althans met de man dient te verrekenen. De behandeling van de zaak is voor wat betreft de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden aangehouden voor, kort gezegd, het vaststellen van de verrekenvordering en het vaststellen van de door de vrouw gestelde schenking van haar ouders. Voor het overige zijn de verzoeken van beide partijen afgewezen.

3.28.

Ter zake van de tussen partijen in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen finale verrekening geldt het volgende. In de tussenbeschikking, rov. 3.20., is overwogen dat tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man behoort zijn rekening courantschuld aan zijn B.V. van € 34.299,--, zodat daarvan per saldo de helft (€ 17.149,50 door de vrouw dient te worden gedragen).

Verder is in de onderhavige beschikking (rov. 3.10.) beslist dat de nettowaarde op de peildatum van de aan de man toebehorende aandelen in zijn B.V. € 881.558,70 bedraagt, waarbij de vrouw jegens de man aanspraak heeft op de helft (€ 440.779,35).

Ten slotte is bepaald (rov. 3.17) dat ter zake van de verrekening van de banksaldi de man aan de vrouw nog verschuldigd is € 15.381,58.

3.29.

In het kader van de finale verrekening is de man aan de vrouw verschuldigd een bedrag van € 439.011,43 (€ 440.779,35 (de helft van de waarde van de aandelen in de B.V. van de man, plus € 15.381,58 (ter zake van de verrekening van de banksaldi) min
€ 17.149,50 (de helft van de rekening courantschuld van de man aan zijn B.V.).

Nu zoals gezegd in de tussenbeschikking reeds is beslist dat de vrouw € 31.554,-- “met de man dient te verrekenen” uit hoofde van de verdeling van de woning, heeft de vrouw jegens de man per saldo aanspraak op € 407.457,43 (€ 439.011,43 min € 31.554,--).

3.30.

De man is hierover de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend (14 oktober 2015). Tussen partijen is niet in geschil dat de man reeds een voorschot van € 200.000,-- aan de vrouw heeft voldaan, zodat de vrouw per saldo aan hoofdsom nog aanspraak heeft op een bedrag van € 207.457,43. De rechtbank kan uit de processtukken niet afleiden wanneer de man voornoemd voorschot aan de vrouw heeft voldaan. De rechtbank zal daarom de verplichting van de man tot betaling van de wettelijke rente vaststellen als hierna in het dictum is omschreven.

3.31.

De proceskosten zullen zoals gebruikelijk tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

veroordeelt de man tot betaling van € 207.457,43 aan de vrouw,

- te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 407.457,43 vanaf
14 oktober 2015 tot aan de dag waarop de man het voorschotbedrag van € 200.000,00 aan de vrouw heeft betaald,

- alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over € 207.457,43 vanaf de dag waarop de man het voorschotbedrag van € 200.000,00 aan de vrouw heeft betaald tot aan de dag van algehele voldoening van het resterende bedrag van € 207.457,43;

4.2.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

4.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Beens, rechter, in tegenwoordigheid
van mr. E.M. Tol als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2018.1

1 type: coll: