Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6669

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
C/16/443196/ HL ZA 17-220
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure. Vele posten zijn ter verificatie ingediend, maar zij worden in deze renvooiprocedure geen van alle erkend. Drie posten zijn voor het eerst in de renvooiprocedure opgevoerd. Die eisvermeerdering is in strijd met de Fw en niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/443196 / HL ZA 17-220

Vonnis van 7 november 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres tot verificatie,

advocaat: mr. H.L.M. Scholten,

tegen

MR. N. WILDERINK,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster tot verificatie,

advocaat: mr. R.P. Winkel.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de curator genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[eiseres] heeft een vordering ter verificatie ingediend in het faillissement van de heer [A] (hierna: [voornaam van A] ). De curator heeft die vordering betwist.

1.2.

In het faillissement van [voornaam van A] heeft op 13 juni 2017 een verificatievergadering plaatsgevonden, die is voortgezet op 18 juli 2017. Tijdens de verificatievergadering heeft [eiseres] haar vordering gehandhaafd. De curator is bij haar betwisting daarvan gebleven. De rechter-commissaris in het faillissement heeft partijen vervolgens op de voet van artikel 122 Faillissementswet verwezen naar deze rechtbank.

1.3.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 februari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting gehouden op 6 juni 2018.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

De werkverhouding tussen vader en zoon in [eiseres]

2.1.

De heer [B] (verder ook: [B] ) is 78 jaar en vanaf het begin de enige bestuurder van [eiseres] . Zijn zoon [voornaam van A] verrichtte ook werk in en voor [eiseres] . [eiseres] richt zich onder meer op de inkoop en verkoop van boten.

Namens [eiseres] is op de comparitie aangevoerd dat [voornaam van A] heeft ‘geholpen bij wat activiteiten’ van [eiseres] . Maar dat is een ongeloofwaardige understatement. Niet weersproken is dat [voornaam van A] al vanaf 2004 na het overlijden van zijn moeder door zijn vader is betrokken bij de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] . Het dossier overziende ontstaat een robuust beeld van een gelijkwaardige samenwerking, waarbij heel veel door [voornaam van A] werd gedaan. De rechtbank merkt op dat bijvoorbeeld bij de posten “familie [naam 4] ” en “verkoop boot aan [naam 5] ”, die hierna worden beoordeeld, niet is gesteld dat [voornaam van A] onbevoegd was, terwijl het bij elkaar gaat om bijna € 20.000,-.

Dat vader en zoon ruzie kregen en dat het in november 2015 tot een breuk kwam die niet is hersteld, staat vast. Wanneer die ruzie precies is begonnen, is onduidelijk. Maar voor dat moment hebben vader en zoon vele jaren in harmonie samengewerkt in [eiseres] . De niet onderbouwde stellingen namens [eiseres] dat [voornaam van A] buiten vader om zaken initieerde en afhandelde, dat vader niets wist, geïntimideerd was en overal buiten werd gehouden (inclusief het in het geheim door [voornaam van A] internetbankieren, het door [voornaam van A] achterhouden van de post en het door [voornaam van A] voorkomen dat vader de administratie kon inzien) passeert de rechtbank als ronduit ongeloofwaardig.

2.2.

De beoordeling van de posten waaruit de vordering is opgebouwd die [eiseres] erkend wil zien, verricht de rechtbank tegen de achtergrond van wat zij in 2.1 heeft overwogen.

De omvang van de vordering die [eiseres] erkend wil zien

2.3.

Uit het proces-verbaal van de verificatievergadering blijkt dat de door de curator betwiste vordering van [eiseres] € 197.036,22 groot is.

Uit productie 1 van [eiseres] zou volgen dat zij een vordering heeft ingediend die niet groter is dan € 170.300,22. Uit diezelfde productie blijkt ook dat dit bedrag de optelsom vormt van 29 posten, waarbij sommige posten weer zijn onderverdeeld in deelbedragen.

2.4.

Geen van partijen heeft het verschil tussen de twee genoemde bedragen toegelicht of voorgerekend. In deze renvooiprocedure eist [eiseres] dat de rechtbank in totaal een bedrag van € 124.846,20 erkent, waarbij zij haar rechten voorbehoud voor de ook ter verificatie ingediende post [naam 3] van ongeveer € 60.000,-. Tijdens de procedure heeft [eiseres] deze post verminderd naar € 25.000,-. De rechtbank begrijpt dat het gaat om in totaal € 149.846,20. De erkenning kan deze som niet te boven gaan. Maar deze constatering doet er niet veel toe, want uit de rest van dit vonnis zal blijken dat geen enkele vordering van [eiseres] door de rechtbank wordt erkend.

De post [naam 1] , groot € 37.799,65

2.5.

[eiseres] heeft deze vordering tijdens de renvooiprocedure ingetrokken. Deze vordering wordt dus niet erkend in het faillissement.

De post [naam 2] , groot € 12.579,21

2.6.

Het gaat hier om een veroordeling van [eiseres] tegenover [naam 2] tot betaling van advertentiekosten. De advertenties van [eiseres] verschenen op de site “ [..] .nl”.

De stelling van [eiseres] in de procedure tegen [naam 2] was dat [voornaam van A] in juli 2014 de overeenkomst met [naam 2] tot het plaatsten van advertenties onbevoegd heeft gesloten en ook onbevoegd diverse deelbetalingen heeft verricht. De rechter heeft schijn van bevoegdheid aangenomen en [eiseres] veroordeeld tot nakoming van de gesloten overeenkomst. De stelling van [eiseres] in deze renvooiprocedure is nog steeds dat [voornaam van A] onbevoegd was haar te vertegenwoordigen bij het sluiten van de overeenkomst en onbevoegd was tot het verrichten van betalingen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij zich daarom op [voornaam van A] kan verhalen voor het bedrag dat zij aan [naam 2] verschuldigd is geworden, inclusief proceskosten.

2.7.

Tegen de achtergrond van wat is overwogen in 2.1 is door [eiseres] onvoldoende concreet betoogd dat [voornaam van A] onbevoegd was om haar in juli 2014 te vertegenwoordigen. Dat betekent dat niet vaststaat dat [voornaam van A] enig verwijt treft. Deze vordering wordt niet erkend.

De post [naam 3] , eerst groot € 60.149,95, nu nog groot € 25.000,-

2.8.

[eiseres] stelt dat [voornaam van A] namens haar onbevoegd een boot heeft gekocht van [naam 3] voor een bedrag van € 30.000,-. Die boot heeft [voornaam van A] doorverkocht aan een ‘dubieuze kennis’. [eiseres] is veroordeeld tegenover [naam 3] tot nakoming van de koopovereenkomst. In hoger beroep is de zaak tussen deze partijen geschikt: de boot is voor € 5.000,- terugverkocht aan [naam 3] . Daar tegenover zag [naam 3] af van haar verdere vorderingen.

Volgens [eiseres] heeft zij per saldo een schade van € 25.000,-. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] deze post tot dat bedrag vermindert.

2.9.

Ook hier geldt weer dat tegen de achtergrond van wat is overwogen in 2.1 door [eiseres] onvoldoende concreet is betoogd dat [voornaam van A] onbevoegd was om haar te vertegenwoordigen bij de aankoop van de boot bij [naam 3] . Daarbij komt dat [eiseres] geen feiten over de gang van zaken heeft vermeld, zoals wanneer deze transactie plaatsvond en hoe het kan dat de ‘dubieuze kennis’ bereid was mee te werken aan de schikking (de boot moest immers terug naar [naam 3] ). Ook het veroordelend vonnis is niet overgelegd.

Een oorspronkelijke erkenning door [voornaam van A] van deze eis vond plaats in het kader van het streven naar een algehele regeling met [eiseres] (die 29 vorderingen ter verificatie heeft ingediend). Dat maakt dat daaraan niet de conclusie kan worden verbonden dat [voornaam van A] zijn onbevoegdheid erkende.

De slotsom is dat deze vordering niet wordt erkend.

De post familie [naam 4] , groot € 2.258,91

2.10.

[eiseres] heeft hierover gesteld dat de familie [naam 4] een boot had gekocht van [eiseres] . Deze boot vertoonde gebreken. De familie [naam 4] pretendeerde daarom een vordering op [eiseres] . [eiseres] vervolgt met: “Dit is behandeld door [voornaam van A] doch niet op juiste wijze waardoor eiseres schade heeft geleden.”

2.11.

Deze onderbouwing van de eis is zo vaag, dat de vordering daarop meteen strandt. Deze vordering wordt niet erkend.

De post verkoop boot aan [naam 5] , groot € 17.000,-

2.12.

Het staat vast dat [voornaam van A] aan [naam 5] een boot verkocht heeft voor een bedrag van € 17.000,- (met inruil). Dat bedrag is contant betaald aan [voornaam van A] . [eiseres] stelt dat dit bedrag niet op haar bankrekening is gestort. [eiseres] stelt dat zij verduistering vermoedt. [voornaam van A] bevestigde impliciet op de comparitie dat het bedrag niet op de bankrekening van [eiseres] is gestort. Hij zei namelijk dat hij het bedrag heeft besteed aan (blijkbaar contante) uitgaven voor [eiseres] . Namens de curator is aangevoerd dat zij niet kan bewijzen dat dit is gebeurd.

2.13.

Tegen de achtergrond van de onweersproken stellingen van de curator

  • -

    dat vanaf de start van de onderneming van [eiseres] veel met contanten werd gewerkt – in het verlengde waaraan [voornaam van A] op de comparitie, ook onweersproken, verklaarde dat zijn vader al jaren tonnen in contanten had aangenomen

  • -

    dat contante ontvangsten soms werden gestort op de bankrekening en soms om uitgaven mee te betalen,

  • -

    dat van de rekening van [eiseres] ook privé uitgaven werden gedaan, waardoor de geldstromen dus door elkaar liepen,

had [eiseres] veel concreter moeten zijn in de onderbouwing van haar stelling dat het door [voornaam van A] ontvangen contante bedrag van € 17.000,- niet op de bankrekening van [eiseres] was gestort en dat er ‘het vermoeden van verduistering’ is. Hoezo is dat vermoeden er dan, als lang niet altijd de ontvangen contanten op de bankrekening werden gestort en als die contanten ook werden gebruikt om schulden mee te betalen, terwijl zakelijke en privé uitgaven door elkaar liepen?

[eiseres] is tekort geschoten in haar stelplicht. Deze vordering wordt niet erkend.

De post [naam 6] , groot € 6.752,64

2.14.

[eiseres] verwijt [voornaam van A] dat hij haar lid heeft gemaakt van de [naam 6] , waartoe hij een valse handtekening heeft gezet. [eiseres] is veroordeeld om de lidmaatschapsgelden aan [naam 6] te betalen. Enkele jaren waren onbetaald gebleven. De casus is volgens [eiseres] vergelijkbaar met de kwestie [naam 2] .

2.15.

De curator heeft als verweer onder meer aangevoerd dat een vertegenwoordiger van [naam 6] is langs geweest bij [eiseres] voorafgaand aan haar toetreden als lid, dat een deel van de contributie wel is betaald, dat [naam 6] heeft bemiddeld bij een geschil tussen [eiseres] en een klant en dat er een bordje van [naam 6] op de gevel van [eiseres] zit. De curator betwist dat [voornaam van A] de handtekening van zijn vader heeft vervalst.

2.16.

De rechtbank stelt vast dat in het vonnis tussen [naam 6] en [eiseres] is overwogen dat nergens uit blijkt dat de handtekening is vervalst.

Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat [voornaam van A] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] , maar dat is niet onderbouwd tegen de achtergrond van het feit dat [eiseres] geen van de verweren van de curator die staan in 2.15 heeft weersproken. Ook deze vordering wordt niet erkend.

De post [naam 7] , groot € 4.936,35

2.17.

[naam 7] B.V. heeft een ligplaats verhuurd aan [eiseres] , die zich op het standpunt stelt dat [voornaam van A] deze huurovereenkomst onbevoegd namens [eiseres] is aangegaan.

De curator heeft als verweer aangevoerd dat [eiseres] wel vaker een ligplaats voor een klant regelde. De ligplaats werd dan aan [eiseres] gefactureerd. [eiseres] factureerde vervolgens de klant (de eigenaar van de boot), met een winstopslag.

Daarop is namens [eiseres] niet meer teruggezegd dan dat zij ‘het betreffende bootje’ nooit heeft gezien en dat zij hiervan ‘dus’ geen profijt heeft gehad. Ook leest de rechtbank nog in de conclusie van [eiseres] dat zij meent dat het ‘kennelijk’ om een boot van [....] zou gaan die [voornaam van A] op eigen naam heeft laten zetten.

2.18.

[eiseres] heeft haar verwijt onvoldoende en ook niet begrijpelijk onderbouwd Waarom [....] en het door [voornaam van A] op eigen naam zetten van de boot van belang zijn voor het verwijt, is onbegrijpelijk. Waarom het gegeven dat [eiseres] ‘het bootje’ nooit heeft gezien ertoe leidt dat zij geen profijt had van de huur/verhuur van de ligplaats, is al even onduidelijk.

Deze vordering wordt daarom niet erkend.

De post [naam 8] , groot (volgens productie 1 van [eiseres] ) € 989,64

2.19.

[eiseres] stelt dat dit bedrag te maken heeft met levering van materiaal door de [naam 8] in opdracht van [voornaam van A] , waarmee [B] en [eiseres] niets van doen hadden.

[eiseres] heeft niet betwist dat het hier gaat om een vordering van [naam 8] op [B] , de vader van [voornaam van A] . Dan kan [eiseres] geen vordering hebben op [voornaam van A] .

Deze vordering wordt niet erkend.

De post [naam 9] , groot € 1.749,45

2.20.

De toelichting van [eiseres] luidt: “Ook dat was een kwestie tussen [voornaam van A] en deze firma, die ten onrechte via de DAS eiseres aansprak bij brief van 18-11-2015.”

Bij zo’n summiere toelichting volstaat een ongemotiveerde betwisting al. De curator heeft een (gemotiveerde) betwisting gegeven. Daarop is [eiseres] niet meer ingegaan.

De vordering wordt niet erkend.

De post [naam 10] , groot € 1.650,24 en proceskosten van € 850,81

2.21.

Deze post is volgens productie 1 van [eiseres] ingediend ter verificatie voor een lager bedrag, namelijk € 1.312,85. Een verhoging tijdens de renvooiprocedure van dat ingediende bedrag is in strijd met het systeem van de Faillissementswet en dus niet toegestaan. Het kan dus alleen gaan over een erkenning tot een bedrag van € 1.312,85.

2.22.

[eiseres] is veroordeeld om een bedrag te betalen aan [naam 10] . Zij verwijt [voornaam van A] dat deze onbevoegd een opdracht heeft verstrekt aan deze drukkerij, waarmee [eiseres] niet was gebaat.

De curator wijst erop dat het ging om reclamemateriaal voor [eiseres] en dat de facturen over de periode van juli 2012 tot en met maart 2015 zijn voldaan door [eiseres] . De laatste levering bestond uit sleutelhangers die [B] erg leuk vond en aan iedereen uitdeelde. [B] was dus op de hoogte.

2.23.

Het verweer van de curator is niet weersproken. Uit het verweer volgt dat [B] als bestuurder van [eiseres] op de hoogte was van de bestellingen en dat voor de bestellingen jarenlang is betaald. Dan komt het verwijt dat [voornaam van A] onbevoegd was om opdrachten te geven aan de drukkerij op losse schroeven te staan.

Deze vordering wordt niet erkend.

De post [naam 11] , groot € 2.587,54

2.24.

Het verwijt is dat [voornaam van A] [eiseres] ‘ten onrechte’ heeft verbonden door een overeenkomst met [naam 11] te sluiten. [voornaam van A] zou de aanmaningen en het veroordelend vonnis voor zijn vader hebben achtergehouden.

De curator antwoordt dat [voornaam van A] (en dus de curator) niet weet waarop de overeenkomst met deze derde partij ziet en dat [voornaam van A] die overeenkomst sloot. Het achterhouden van de post was praktisch onmogelijk, omdat vader en zoon op hetzelfde adres woonden en [voornaam van A] vaak van huis was.

Op dit verweer is niet meer ingegaan door [eiseres] , die daardoor haar niet onderbouwde vordering ook niet alsnog heeft toegelicht.

Deze vordering wordt daarom niet erkend.

De post [naam 12] , groot 1.654,66

2.25.

De toelichting van [eiseres] op deze vordering luidt: “Zelfde onrechtmatig handelen door [voornaam van A] .” De curator voert gemotiveerd verweer, waarop [eiseres] niet meer is ingegaan. Dat betekent dat deze vordering niet wordt erkend.

De post [naam 13] , groot € 1.512,50

2.26.

De toelichting van [eiseres] op deze vordering luidt: “De zoveelste onrechtmatige advertentie-opdracht van [voornaam van A] .” De curator voert gemotiveerd verweer, waarop [eiseres] niet meer is ingegaan. Dat betekent dat deze vordering niet wordt erkend.

De post [naam 14] , groot € 737,61

2.27.

De toelichting van [eiseres] op deze vordering luidt: “Ook hier een zaak van [voornaam van A] .” De curator voert verweer, waarop [eiseres] niet meer is ingegaan. Dat betekent dat deze vordering, bij gebrek aan een afdoende toelichting, niet wordt erkend.

De post [naam 15] , groot € 1.768,01

2.28.

De toelichting van [eiseres] op deze vordering luidt: “Aanmaning 21-7-2015 wegens een advertentie geplaatst door [voornaam van A] .” De curator voert verweer, waarop [eiseres] niet meer is ingegaan. Dat betekent dat deze vordering, bij gebrek aan een afdoende toelichting, niet wordt erkend.

De post [naam 16] , groot € 43,05

2.29.

Volgens [eiseres] heeft [voornaam van A] bij [naam 16] een telefoonabonnement afgesloten. Het bedrag houdt blijkbaar verband, zo begrijpt de rechtbank, met abonnementskosten. [eiseres] stelt dat [voornaam van A] bij het afsluiten van het telefoonabonnement de handtekening van zijn vader vervalste.

2.30.

De curator betwist dat [voornaam van A] een telefoon abonnement heeft afgesloten en (dus) ook dat hij een handtekening vervalst heeft. Op dit verweer is [eiseres] niet ingegaan. Een bewijsaanbod door [eiseres] ontbreekt. Dat betekent dat deze vordering niet wordt erkend.

De post [naam 17] , groot € 1.834,87

2.31.

Dit gaat over de kosten van een advertentie ten behoeve van [eiseres] , die stelt dat dit betreft “de zoveelste onrechtmatige advertentie-opdracht door [voornaam van A] ”. De curator voert verweer. In het licht van wat is overwogen in 2.1 had [eiseres] veel meer moeten stellen om het onrechtmatige karakter van de advertentieopdracht door [voornaam van A] duidelijk te maken. Maar [eiseres] heeft verder niets gesteld. Dat betekent dat deze vordering niet wordt erkend.

De post [naam 18] , groot € 550,-

2.32.

De toelichting van [eiseres] op deze vordering luidt: “Factuur d.d. 21-4-2015 voor een taxatie. Opdracht gegeven door [voornaam van A] .” De curator voert verweer, waarop [eiseres] niet meer is ingegaan. Dat betekent dat deze vordering, bij gebrek aan een afdoende toelichting, niet wordt erkend.

De post [naam 19] , groot € 737,22

2.33.

De toelichting van [eiseres] op deze vordering luidt dat [voornaam van A] zonder medeweten van [eiseres] een opdracht heeft gegeven voor een advertentie in een magazine. De curator voert verweer. In het licht van wat is overwogen in 2.1 had [eiseres] veel meer moeten stellen om het volgens haar kennelijk onrechtmatige karakter van de advertentieopdracht door [voornaam van A] duidelijk te maken. Maar [eiseres] heeft verder niets gesteld. Dat betekent dat deze vordering niet wordt erkend.

De post [naam 20] , groot € 1.400,-

2.34.

Deze post komt voor uit een bestelling van een sloepkap door [voornaam van A] . Die sloepkap was volgens [eiseres] voor een boot die niet van haar was.

De curator voert aan dat het ging om de boot van een klant van [eiseres] en dat de sloepkap met een winstopslag aan de klant is geleverd door [eiseres] . Dat verweer kreeg geen reactie meer van [eiseres] .

Bij deze stand van zaken valt niet in te zien wat hier aan [voornaam van A] is te verwijten. Deze vordering wordt niet erkend.

De post [naam 21] , groot € 3.678,44

2.35.

Ook deze vordering baseert [eiseres] op het verwijt aan [voornaam van A] dat deze als onbevoegd vertegenwoordiger is opgetreden, daarmee [eiseres] verplichtend een overeenkomst met [naam 21] na te komen.

Volgens [eiseres] – zo blijkt uit het vonnis waarin zij tegenover [naam 21] wordt veroordeeld – heeft [voornaam van A] de handtekening van zijn vader op het contract vervalst, heeft hij alle post achtergehouden, ook de mails van [naam 21] , heeft hij betaald achter de rug van zijn vader om.

In het licht van wat is overwogen in 2.1 zijn deze stellingen in samenhang weinig geloofwaardig. Een bewijsaanbod ontbreekt. Dat houdt het op. Dat betekent dat deze vordering niet wordt erkend.

De post [naam 22] h.o.d.n. [handelsnaam] , groot € 6.527,10

2.36.

Deze post is volgens productie 1 van [eiseres] ingediend ter verificatie voor een lager bedrag, namelijk € 6.030,63. Een verhoging tijdens de renvooiprocedure van dat ingediende bedrag is in strijd met het systeem van de Faillissementswet en dus niet toegestaan. Het kan dus alleen gaan over een erkenning tot een bedrag van € 6.030,63.

2.37.

De toelichting van [eiseres] ontbreekt als het gaat om het aan [voornaam van A] gemaakte verwijt. De curator legt uit dat het gaat om een opdracht namens [eiseres] , blijkbaar door [voornaam van A] , aan [naam 22] om werkzaamheden te verrichten aan boten van [eiseres] en aan die van haar klanten. Het werk vond plaats bij [eiseres] . Dus moet de vader van [voornaam van A] als bestuurder van [eiseres] een en ander hebben bemerkt. Bovendien heeft [B] de monteur van [naam 22] regelmatig geholpen bij zijn werkzaamheden.

[eiseres] heeft hierop niet gereageerd. Een verwijt aan [voornaam van A] kan dan niet worden vastgesteld. Deze vordering wordt niet erkend.

De zes posten over verkeersboetes, samen groot € 1.840,-

2.38.

Deze zes posten zijn maar deels terug te vinden in productie 1 van [eiseres] . In totaal is met die lijst ter verificatie ingediend een bedrag van € 2.246,14, bestaande uit zeven posten. Maar vier daarvan heeft [eiseres] aan de orde gesteld in deze renvooiprocedure. Die vier posten kan de rechtbank beoordelen. De andere drie zijn nieuw en komen neer op een eisvermeerdering, die is in strijd met het systeem van de Faillissementswet en dus niet is toegestaan. De twee andere posten op de ter verificatie ingediende lijst, zijn in deze renvooiprocedure niet toegelicht en worden daarom niet erkend.

De vier posten op de lijst die wel zijn toegelicht in de renvooiprocedure zijn samen groot € 1.594,-. Het kan dus alleen nog gaan over een erkenning tot dit bedrag.

2.39.

Het verwijt is dat [voornaam van A] deze boetes heeft veroorzaakt en ook de verhogingen, omdat hij niets meldde bij zijn vader en alle post hierover weggooide.

De curator verduidelijkt dat de boetes zijn gegeven voor verkeersovertredingen met de bestelbus van, zo begrijpt de rechtbank, [eiseres] . Verder stelt de curator dat [voornaam van A] en zijn vader allebei met die bus reden. De curator wijs op een aanmaning op naam van [B] , omdat die destijds is staande gehouden. Post heeft [voornaam van A] niet weggegooid, aldus de curator.

[eiseres] heeft niet op dit verweer gereageerd. Met de curator concludeert de rechtbank dat dan niet vaststaat dat [voornaam van A] de boetes heeft veroorzaakt. Ook het weggooien van de post staat niet vast. Bewijs is niet aangeboden door [eiseres] . De slotsom is dat deze vordering niet wordt erkend.

Eindconclusie en proceskosten

2.40.

Geen van de vorderingen van [eiseres] worden erkend. [eiseres] is de in het ongelijk gestelde partij. Zij wordt veroordeeld in de proceskosten, die de rechtbank aan de kant van de curator begroot op:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat € 3.414,00 (2 punten × tarief V)

Totaal € 3.701,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

erkent de vorderingen van [eiseres] niet en wijst haar eisen af,

3.2.

veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van de curator begroot op € 3.701,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2018.