Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:654

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
16/660447-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is samen met zijn mededaders midden in de nacht een woning binnengedrongen. De man heeft de voordeur van de woning met geweld geopend. Ook heeft hij een doodsbedreiging geuit en goederen vernield. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/660447-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1986] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van
officier van justitie mr. C. Goedegebuure en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw
mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 28 juli 2016, al dan niet samen met een of meer anderen, een woning aan de

[adres] te [woonplaats] is binnengedrongen;

feit 2 op 28 juli 2016 te [woonplaats] , al dan niet samen met een of meer anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 3 op 28 juli 2016 te [woonplaats] diverse goederen heeft vernield.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft conform een aan het proces-verbaal van de zitting gehecht requisitoir de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen geacht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen geacht. Voorts heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van alle onder 2 ten laste gelegde gedachtestreepjes, met uitzondering van het schoppen tegen de badkamerdeur zoals ten laste gelegd onder het derde gedachtestreepje. Tot slot heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van de onder 3 ten laste gelegde vernieling van een personenauto en een mobiele telefoon.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 28 juli 2016 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van het wederrechtelijk binnendringen van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] , bedreiging en vernieling, gepleegd op diezelfde dag.2

Inzake feit 1

Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting op 6 februari 2018, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina 58.

Inzake feit 2

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 juli 2016 hoorde dat er bij zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] is aangebeld. Aangever heeft vervolgens een man met een pet, een vrouw en een jongen voor de deur zien staan. Volgens aangever schreeuwde de man dat hij hem zou doodmaken en dat hij de deur moest openen. De man begon op het raam van de voordeur te slaan, waarna aangever naar boven is gegaan en zichzelf in de badkamer heeft verschanst. De man heeft daarbij de woorden geuit dat hij aangever zou doodmaken en dat aangever naar buiten moest komen. Volgens aangever had de man het over eerwraak en dat hij zou terugkomen. Aangever heeft verklaard dat hij zich bang en bedreigd voelde.3

Aangever heeft tijdens het verhoor bij de politie verklaard dat achter de eerdergenoemde vrouw twee mannen stonden. Volgens aangever zouden de man met de pet, de vrouw en de twee andere mannen daarbij hebben geroepen dat aangever dood zou gaan en dat dit eerwraak zou zijn. Eenmaal verschanst in de badkamer hoorde aangever de personen naar de bovenverdieping van de woning lopen. Volgens aangever schreeuwden deze personen dat zij aangever zouden doodmaken en dat dit eerwraak zou zijn. Aangever heeft daarbij de vrouw “maak hem dood, maak hem dood” horen schreeuwen.4

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 28 juli 2016 de woning aan de [adres] te [woonplaats] is binnengedrongen. Verdachte heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar de woning is gegaan, omdat zij aangever wilden spreken. De medeverdachten zijn hem na zijn binnentreden in die woning gevolgd, waarna door hen werd geschreeuwd tegen aangever, die zichzelf in de badkamer had opgesloten.5

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] tegen de deur van de badkamer trapten en dat verdachte de badkamer in wilde om aangever iets aan te doen. Volgens [medeverdachte 2] wilden zij aangever bang maken en heeft verdachte tegen aangever geschreeuwd dat hij uit de badkamer moest komen en dat hij hem klappen zou geven. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat zij erg boos waren.6

Gelet op de aangifte, het daaropvolgende verhoor van aangever, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het meer of anders ten laste gelegde, nu zij daarvoor geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht.

Inzake feit 3

Verdachte heeft – kort en zakelijk gezegd – bekend dat hij op 28 juli 2016 de voordeur en een deur van de woonkamer van en in de woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft vernield. Verdachte heeft ontkend dat hij ook de voorruit van een personenauto en een mobiele telefoon heeft vernield.

Nu naar het oordeel van de rechtbank verklaring van [slachtoffer] ten aanzien van de vernieling van de mobiele telefoon en de televisie onvoldoende ondersteuning vindt in overige bewijsmiddelen, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte deze goederen heeft vernield of beschadigd. Met betrekking tot de aan de verdachte verweten vernieling of beschadiging van de televisie overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft erkend dat hij deze aan de muur gemonteerde televisie daarvan heeft losgetrokken. Dat daardoor behalve de muur ook de televisie is beschadigd volgt echter niet uit de stukken in het dossier. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

De rechtbank acht op grond van de aangifte en de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de voorruit van een personenauto heeft vernield. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de verklaring van aangever volgt dat er een gat in de voorruit van zijn auto is geslagen.7

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij, nadat hij buiten, staande voor die voordeur met een golfclub de in die voordeur aangebrachte ruit had ingeslagen, de golfclub van zich af heeft gegooid. Verdachte heeft verklaard niet te weten of de golfclub bij die gelegenheid tegen de muur van de woning of op de auto terecht kwam.8

Uit de inhoud van deze bewijsmiddelen, bezien in hun onderling verband en samenhang leidt de rechtbank af dat het de verdachte is geweest die de voorruit van de personenauto heeft vernield door daar de golfclub tegenaan te gooien.

De rechtbank komt op grond van na te noemen bewijsmiddelen ten slotte ook tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde. Nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank daarbij conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting op 6 februari 2018, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina’s 63 en 64.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

op 28 juli 2016 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, in een woning gelegen aan de [adres] , bij [slachtoffer] en [benadeelde] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;

feit 2

op 28 juli 2016 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door

  • -

    midden in de nacht de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en

  • -

    die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “Nee wij gaan niet praten, jij gaat dood, dit is eerwraak”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

  • -

    terwijl die [slachtoffer] zichzelf had opgesloten in de badkamer meermalen tegen de badkamerdeur te schoppen;

feit 3

op 28 juli 2016 te [woonplaats] opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur en een woonkamerdeur van een woning gelegen aan de [adres] en de voorruit van een personenauto toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde] heeft vernield.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Door de raadsvrouw is gewezen op de inhoudelijke samenhang tussen het onder 1 ten laste gelegde feit (huisvredebreuk ten huize van [slachtoffer] en [benadeelde] ) en het onder 2 ten laste gelegde feit (bedreiging van [slachtoffer] en [benadeelde] ), voor zover het gaat om de onder het eerste gedachtestreepje daarvan verwoorde gedraging: het binnendringen in de woning van de even genoemde [slachtoffer] .

Die samenhang brengt naar de mening van de raadsvrouw mee, dat de rechtbank in het geval van bewezenverklaring niet meervoudig, maar enkelvoudig zal hebben te kwalificeren, naar de rechtbank de raadsvrouw begrijpt: onder de zwaarste strafbepaling.

De rechtbank volgt de raadsvrouw hierin niet. Weliswaar beschrijft de steller van de tenlastelegging in het door de raadsvrouw aangewezen onderdeel van dat onder 2 bewezen geachte feit een gedraging die - van het geheel van de tenlastelegging geïsoleerd gelezen - sterke verwantschap vertoont met het onder 1 bewezen geachte feit, maar een zelfstandig gemaakt strafrechtelijk verwijt kan daarin niet worden gelezen. Wel is het een gedraging die in de context van het geheel van die tenlastelegging volgens die steller kennelijk betekenisvol is bij het onder 2 aan de verdachte gemaakte verwijt van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling. Voor de beantwoording van de kwalificatievragen is dit een en ander echter zonder betekenis.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;

feit 2: het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 180 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw acht de oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf passend.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Samen met zijn mededaders is verdachte in de nachtelijke uren van 28 juli 2016 de woning van aangever aan de [adres] te [woonplaats] binnengedrongen. Verdachte heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan een drietal misdrijven. Door midden in de nacht met geweld de voordeur van de woning te openen, de woning binnen te treden, een doodsbedreiging te uiten en goederen te vernielen heeft verdachte het principe van een veilig thuis onmiskenbaar met voeten getreden. De eigen woning is immers een plek waar men zich bij uitstek veilig en geborgen moet kunnen voelen. De bewoners, en in het bijzonder hun kinderen, zullen deze traumatische gebeurtenis lange tijd met zich meedragen.

Het agressieve en ongeremde handelen door de verdachte en zijn mededaders wordt door hem verklaard door te wijzen op een door hem en de zijnen sterk gevoelde woede door wat zijn zusje zou zijn overkomen: een veronderstelde aanranding door de heer des huizes. Wat daar ook van zij, deze compassie met zijn zusje in de vorm van eigenrichting kan dit handelen volstrekt niet billijken of rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte als de initiator van deze feiten moet worden aangemerkt. Al deze feiten en omstandigheden markeren de ernst van de feiten en worden ten nadele van de verdachte bij de straftoemeting betrokken.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het volgende te gelden.

De rechtbank heeft ter terechtzitting de overtuiging bekomen dat verdachte het laakbare van zijn handelen heeft ingezien. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat het ter berechting voorliggende gedrag sterk is verweven met de door de verdachte beschreven bijzondere aanleiding voor zijn handelen. De rechtbank ziet om die reden en ook overigens geen aanknopingspunt voor de vrees dat de verdachte zich andermaal schuldig zal maken aan dergelijk handelen jegens aangever en/of diens gezin.

Uit het door de raadsvrouw overgelegde reclasseringsrapport van 31 januari 2018, dat in het bestek van een andere strafzaak jegens verdachte is opgemaakt door de heer L. Scheffers, reclasseringswerker bij Inforsa, leidt de rechtbank af dat verdachte een belaste voorgeschiedenis kent. Vanwege onverwerkte traumatische gebeurtenissen uit zijn jeugd, een zorgelijke psychische gemoedstoestand met stemmingswisselingen en een gebrekkige

agressieregulatie, is verdachte, vaak onder invloed van alcohol, in aanraking gekomen met politie en justitie.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 5 januari 2018. Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte op 5 februari 2018 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland onherroepelijk is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn in het verlengde van het eerdergenoemde reclasseringsrapport aan de opgelegde straf bijzondere voorwaarden verbonden, in de vorm van een meldplicht en een ambulante behandeling bij Kade 17.

Bij het bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat betrekt de rechtbank voorts – voor zover aan de orde – de binnen de rechtspraak door het zogenoemde Landelijk Overleg Vakinhoud geformuleerde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten vormen voor de rechtbank een vertrekpunt bij de bepaling van de op te leggen straf en leiden voor een bedreiging in beginsel tot de oplegging van een geldboete. De rechtbank is gelet op de aard en ernst van de geuite bedreiging, bezien in samenhang met de overige bewezen geachte feiten, van oordeel dat bestraffing door middel van een geldboete een gepasseerd station is. Daarvoor zijn deze feiten eenvoudigweg te ernstig. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een taakstraf opleggen, en voorts en in het bijzonder met het oog op normmarkering een voorwaardelijke gevangenisstraf. In zoverre doet de vordering van de officier van justitie onvoldoende recht aan de aard en ernst van de bewezen geachte feiten.

De rechtbank bepaalt de duur van de taakstraf op 80 uren, bij niet of niet volledig verrichten daarvan te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen. De rechtbank bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op de uitvoering van die straf in mindering wordt gebracht. De rechtbank waardeert een in voorarrest doorgebrachte dag op twee uur te verrichten arbeid. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden. De rechtbank zal de proeftijd daarbij stellen op een jaar. Daarbij heeft de rechtbank zowel het met die straf nagestreefde doel als het verloop van tijd in aanmerking genomen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.411,79. Dit bedrag bestaat uit € 561,79 materiële schade en € 850,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.406,90. Dit bedrag bestaat uit € 556,90 materiële schade en € 850,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank primair verzocht de vorderingen van zowel [slachtoffer] als [benadeelde] toe te wijzen. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht het schadebedrag zoals gevorderd door [benadeelde] ter begunstiging van [slachtoffer] toe te wijzen, indien de rechtbank van oordeel is dat voormelde [benadeelde] geen rechtstreekse schade heeft geleden.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de door [slachtoffer] gevorderde materiële schade betwist en de rechtbank verzocht de immateriële schade te matigen. Voorts heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Inzake de vordering van [slachtoffer]

De gevorderde materiële schade bestaat uit de posten “voorruit van de auto” voor een bedrag van € 261,79 en “muur van de woonkamer” voor een bedrag van € 300,-. Beide bedragen zijn met een offerte onderbouwd.

De raadsvrouw heeft de post “muur van de woonkamer” betwist door aan te voeren dat het gevorderde bedrag geen realistisch bedrag is voor het herstel van twee gaten in de muur. De rechtbank schat de hiermee gemoeide schade op een bedrag van € 75,- en zal dit bedrag toewijzen. De vordering zal voor het meerdere van deze post worden afgewezen.

Met betrekking tot de post “voorruit van de auto” overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat de benadeelde deze niet heeft laten vervangen, niet afdoet aan de schade die de benadeelde als gevolg van de door verdachte gepleegde vernieling heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op het bedrag dat op de overgelegde offerte is vermeld, te weten € 261,79 en zal dit bedrag toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer] geleden immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde wederrechtelijk binnendringen van de woning en de bedreiging en kan worden begroot op € 850,-. Dit bedrag is in overeenstemming met hetgeen in vergelijkbare zaken is toegekend. De gevorderde immateriële schade zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen.

In totaal zal aldus een bedrag van € 1.186,79 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van € 850,- dat ziet op de vergoeding van de immateriële schade. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij ook voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.186,79, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met twaalf dagen hechtenis (bestaande uit zes dagen voor zover de betalingsverplichting ziet op de materiële schade waarvoor verdachte alleen aansprakelijk is en zes dagen, voor 1/3 deel van de aan de immateriële schade gekoppelde betalingsverplichting, nu verdachte voor deze schade samen met zijn mededaders verantwoordelijk is), waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Inzake de vordering van [benadeelde]

De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde] als gevolg van het wederrechtelijk binnendringen van de woning rechtstreeks schade heeft geleden. Voor wat betreft het materiële deel van de vordering (voor een totaal van € 1.556,90) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Uit de stukken die zijn overgelegd ter onderbouwing van de vordering blijkt onvoldoende welk deel van deze kosten al is vergoed. Gelet hierop is voor de beoordeling van dit deel van de vordering nader onderzoek nodig. Dit vormt een onevenredige belasting van het strafgeding.

De door [benadeelde] als gevolg van het wederrechtelijk binnendringen van de woning geleden immateriële schade wordt gewaardeerd op € 850,-. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 850,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met zes dagen hechtenis (zijnde 1/3 deel van de totale aan deze betalingsverplichting gekoppelde hechtenis, nu verdachte voor deze schade samen met zijn mededaders verantwoordelijk is), waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f, 47, 57, 63, 138, 285, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt daarbij een proeftijd van een jaar vast;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren taakstraf per dag;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van € 336,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van € 850,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 336,79, te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 6 (zes) dagen hechtenis;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat

€ 850,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 6 (zes) dagen hechtenis;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] van € 850,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat

€ 850,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 6 (zes) dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mr. J.F. Haeck en

mr. M.J.A.L. Beljaars, rechters, in tegenwoordigheid van J.J.J. Bernsen, griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juli 2016 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of neer anderen, althans alleen, in een woning, gelegen aan de [adres] , bij [slachtoffer] en/of [benadeelde] , althans bij een ander of anderen dan hij verdachte en/of zijn mededader(s), in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2016 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door

  • -

    midden in de nacht de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of

  • -

    die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “Ik ga jou doodmaken, doe de deur open” en/of “Nee wij gaan niet praten, jij gaat dood, dit is eerwraak” en/of “We gaan je dood maken en/of “Maak hem dood, maak hem dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

  • -

    (terwijl die [slachtoffer] zichzelf had opgesloten in de badkamer) meerdere malen tegen de badkamerdeur te schoppen en/of met een stok en/of een knuppel tegen de badkamerdeur te slaan en/of

  • -

    een mes achter te laten in/bij de woning;

3.

hij op of omstreeks 28 juli 2016 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk (het raam van) de voordeur en/of een woonkamerdeur van een woning gelegen aan de [adres] en/of (de voorruit) van een personenauto en/of een mobiele telefoon en/of een televisie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 26 augustus 2016, genummerd 2016233107, opgemaakt door de politie-eenheid Midden-Nederland, district Flevoland, basisteam Lelystad / Zeewolde, doorgenummerd 1 tot en met 109. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina’s 57 tot en met 59.

3 Het proces-verbaal van aangifte van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina’s 57 tot en met 59.

4 Het proces-verbaal van verhoor aangever van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina’s 61 tot en met 64.

5 Het proces-verbaal van de terechtzitting op 6 februari 2018, inhoudende de verklaring van verdachte.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 augustus 2016, inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 2] , doorgenummerde pagina’s 41 tot en met 44.

7 Het proces-verbaal van verhoor aangever van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina 64.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 augustus 2016, inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , doorgenummerde pagina 32.